Engel
Ze stond op de eerste rij, aan de kant van mijn broer en direct toen ik haar zag, werd ik getroffen door bliksem. Ik kon haar gezicht vrijwel niet onderscheiden van de rest van de deinende massa, maar ik kon aan de manier waarop ze zich bewoog, zien dat ze prachtig was. Ze sprong op en neer, vol energie en levenskracht, maar deed dat met een gratie die ik van mijn leven nog nooit gezien had. Haar blonde haren zwiepten speels langs haar gezicht, in slowmotion. Het was alsof ik in een film leefde die op dit zekere moment was blijven hangen en telkens opnieuw hetzelfde stukje herhaalde. Ik stopte met zingen. Ik kon me de woorden niet meer herinneren. Enkel zij was daar; een engel in het donkerste van mijn leven.
Ik wist direct dat zij degene was waarop ik al mijn hele leven wachtte.
De rest van het concert ging oneindig ver de mist in. Ik liet het publiek de meerderheid van het werk doen en zong op de automatische piloot. Ik had alleen maar oog voor haar, voor haar energie, voor haar vrijheid. Meer dan normaal liep ik naar de kant van mijn broer, zodat ik een kans kreeg om haar gezicht te zien. Toen ik daar uiteindelijk in slaagde, werd ik niet teleurgesteld. Ze leek niet alleen op een engel, ze was het ook. Haar schoonheid verblindde me. Ik was op slag verliefd.
Ik had geen oog meer voor de rest van de menigte, zag alleen maar haar. Het was net alsof we samen in een solide luchtbel zaten en dat de rest van de wereld buiten ons bleef. Aan het einde van het vierde nummer liep ik regelrecht op haar af om haar met een bonkend hart het podium op te vragen. Het gebeurde allemaal in een waas van roze wolken en zonlicht. Ik had geen idee wat ik deed, waar ik mee bezig was. Het enige dat er voor mij toe deed, was dat ik haar eenmaal dicht bij me gehad wilde hebben voordat het allemaal weer voorbij zou zijn.
Ze straalde. Ze barstte van de energie en bracht dat gevoel op mij over. Ik lachte naar haar, mijn buik barstend van de vlinders die plotseling uit hun lange winterslaap ontwaakt leken te zijn. Ik wist niet wat me overkwam. Ik had het gevoel van zulke pure liefde al zo lang niet meer gekend dat ik vergeten leek te zijn wat het betekende om verliefd te zijn. Het leek alsof ik zweefde en ik wenste dat ik haar mee kon nemen in mijn vlucht, vervuld van zonlicht, zodat we samen in de oneindigheid verenigd zouden kunnen zijn. Ik hoopte dat zij precies hetzelfde voelde als ik.
Ik legde mijn hele hart in het stukje dat we samen zongen, ook al leende de tekst zich daar niet voor. Het ging er slechts om dat ik haar door middel van mijn zingen duidelijk wilde maken wat ik voor haar voelde. Waarschijnlijk is me dat nooit gelukt. Zweefde ik op een wolk van zoete liefde; zij zweefde waarschijnlijk op de razende adrenaline in haar aderen. Zij had in haar bloed geen plaats meer voor mijn liefde.
Na het nummer mocht ik haar in mijn armen houden, zoals ik dat met alle andere meisjes ook ooit had gedaan. Het feit dat zij het was, maakte echter een wereld van verschil. Zij was een engel en in dat korte moment stopte ik alle warmte die mijn tere lichaam bezat.
Daarna werd alles koud.
De dagen, weken, máánden na dat concert, bleef ik aan haar denken. Haar gezicht vervaagde naarmate de tijd voorbij ging, maar de herinnering aan haar bleef springlevend. Ik wist niet meer precies hoe ze geroken had, welke kleur haar ogen waren, wat voor figuur ze had en zelfs het geluid van haar stem had ik nooit onthouden. De optelsom van dat alles leefde echter verder in mijn hoofd; dat gevoel van hemelse perfectie. Ik wist niet meer precies hoe mijn engel eruit gezien had, maar ik wist wel dat ze een engel was. Dat was alles dat ertoe deed en waaraan ik dacht. Werkelijk ieder moment van de dag was ik met haar bezig; bij het schrijven van mijn teksten, wanneer we in de tourbus zaten, ’s avonds wanneer ik in bed lag, wanneer ik televisie keek en zelfs tijdens de vertrouwelijke gesprekken met mijn broer. Ze was er altijd. Ik dacht altijd aan haar, al was het dan misschien onbewust.
En ik bleef koud, al die tijd.
Ik begon van haar te houden, ook al kende ik haar niet. Ik wist niet wie ze was, wat ze deed, hoe oud ze was. Ze kon evengoed veertien als achttien zijn. Ze kon wel een drugsverslaafde zijn, een prostituee, een bedriegster, een verleidster, een moordenares. Die gedachten negeerde ik echter, ik verdrong het naar het meest donkere hoekje van mijn koude gedachten. Zo was zij niet, hield ik mezelf voor. Zij was een engel. Puur en rein.
De tijd verstreek en ik bleef koud. Mijn vrienden probeerden me te bereiken, maar ik zat gevangen in een soort van geesteswereld waarin alleen ik en mijn engel leefden. Ik hield van haar en in mijn visioenen en dagdromen hield zij ook van mij. Ik ontweek de werkelijkheid omdat de wereld in mijn hoofd zoveel mooier was. Ik miste haar en in mijn belevingswereld miste zij mij eveneens. Ik wist dat het gevaarlijk was om mezelf te verliezen in een droom, maar ik wilde er niet mee stoppen. Ik kon het ook niet. Het voelde veilig om te vluchten in een wereld waarvan er wezenlijk van mij gehouden werd wanneer de hectiek om me heen me dreigde te overspoelen. Het hield me overeind. Mijn hersenspinsel van haar liefde werd mijn drug.
Ik hield van haar en ik wist niet eens haar naam.
Toen David aankondigde dat we terug zouden gaan naar Amsterdam, stond mijn hart stil. Het was theoretisch gezien onmogelijk dat ik haar terug zou zien, maar ik schonk geen aandacht aan die wetenschap en koesterde dat kleine sprankje hoop. Ik zou haar terugzien. Ik zou haar mijn liefde kunnen verklaren en dan zouden we eindelijk van elkaar kunnen houden. Voor eeuwig.
Ik werd weer warm en daarbij doodzenuwachtig in plaats van doodkalm. De omslag was zo plotseling dat het zelfs mijn broer opviel. Reeds na drie dagen in mezelf gekeerd te zijn, nagelbijtend om mijn zenuwen onder controle te houden, nam hij me apart voor een gesprek onder vier ogen. Hij bleef maar vragen of ik hem wilde vertellen wat er mis met me was, maar dat ging niet. Alles ging immers goed met me. Het ging beter dan het ooit gegaan was. Ik had hoop.
Op de dag zelf balanceerde ik op het randje van een zenuwinzinking. Mijn broer keek dwars door me heen. Hij hield me constant in de gaten, zijn blik vol bezorgdheid en onzekerheid. Ik begreep maar niet waarom. Het ging goed met me. Ik hoopte dat ik haar zou vinden, dat ik haar met mij zou kunnen verenigen, dat we voor eeuwig samen zouden kunnen blijven. Ik hoopte zo verschrikkelijk hard dat ik trilde over mijn hele lichaam en dat de tranen de gehele dag achter mijn ogen bleven prikken, doodsbang dat ik haar nooit meer terug zou zien. Ik riep God zowaar aan. Ik had nooit in God durven geloven, te bang om teleurgesteld te worden door zijn afwezigheid, maar op dat moment had ik hem meer nodig dan ooit. Ik had iemand nodig die mijn hoop kon omzetten in iets wezenlijks.
Het uur voordat het concert begon, had ik me volledig afgesloten van alles om me heen. Ik was ontzettend misselijk, rilde van top tot teen en mijn oogleden voelden zwaar aan door het verbruiken van al mijn kostbare energie. De jongens dachten dat ik ziek was en probeerden me ervan te overtuigen het concert te cancellen. Dat maakte me echter alleen nog maar meer van streek. Ik bleef volhouden dat ik gewoon moe was en dat er geen reden was voor bezorgdheid. Wonderbaarlijk genoeg namen ze mijn excuus voor lief, maar ze bleven me argwanende blikken toewerpen, net zolang tot ik langzaamaan krankzinnig werd.
In de laatste paar minuten dronk ik drie blikjes Red Bull, achter elkaar, om mijn excuus geloofwaardiger te maken. Het werkte niet. Ik zag het aan hun ogen, telkens wanneer ik een blik in hun richting wierp. Ze wilden me wel geloven, maar ze konden het niet meer. Gedurende die maanden dat ik had rondgedoold in mijn geesteswereld, hadden zij zich langzaam van me afgekeerd. We waren van elkaar vervreemd. Ze herkenden mij niet meer.
Toen ik het podium op rende, vol kunstmatige energie, dacht ik dat mijn hart het begaf. Ik zweette al voordat ik eenmaal in het licht stond, mijn hart bonsde al voordat ik het gejoel van de fans kon horen. Ik zette mezelf op de automatische piloot en bad in stilte tot iemand waarvan ik geen idee had of hij bestond. Ik zong en ik zocht, mijn blik vertroebeld door anticipatie en de angst dat ik haar niet terug zou vinden. Mijn blik gleed langs de rijen, op zoek naar een engel in het duister van de galmende zaal.
En plotseling was ze daar.
In al haar gratie.
Ze zong, samen met mij, meedeinend op de zee der melodieën. Mijn wereld stopte met draaien. Mijn omgeving vervaagde. Plotseling waren daar alleen nog zij en ik.
Ik zong het nummer uit, enkel en alleen voor haar. Terwijl ik het deed, voelde ik haar geluk en haar levenskracht, haar opwinding en haar vrijheid. Ik verlangde ernaar bij haar te zijn. Zij was alles waar ik al mijn hele leven naar op zoek was en ik had datgene opeens zo verschrikkelijk dicht bij me dat het bijna niet te bevatten was. Mijn hoofd vulde zich met een wit licht en ik was ervan overtuigd dat dat haar energie was. Haar liefde.
Toen ik het applaus in ontvangst nam, stond mijn broer opeens naast me. Hij verbrak de betovering tussen mij en de engel en trok me mee terug in de wereld die ik niet meer wilde kennen. Mijn hoofd tolde. Ik voelde hoe mijn lichaam protesteerde terug te vallen in de echte wereld nu het eindelijk haar sensatie gevoeld had. Ik bleef drijven tussen twee werelden van bewustzijn. Hij sloot zijn vingers om mijn pols op het moment dat ik precies het zelfde bij hem wilde doen, bang weg te glijden in een wereld die door geen enkel licht te verhelderen was.
Hij praatte tegen me, maar ik hoorde niets. Ik dacht dat ik flauw zou vallen, maar ik bleef staan, proberend te ontsnappen aan de verstikkende werkelijkheid. Het leek alsof mijn longen volstroomden met water. Mijn bloed bevroor, waardoor mijn ledematen begonnen te tintelen. Het beeld voor mijn ogen werd zwart als de naderende nacht waarin ik zo graag met haar wilde zijn. Ik voelde hoe ik langzaam wegzakte in een staat van onzichtbaarheid, maar dat was slechts geestelijk. Mijn lichaam liet me niet alleen.
Zacht doch dwingend werd ik meegetrokken naar de zijkant van het podium. Ik dreef op het schallende geluid om me heen, op de echo’s die weerklonken tegen de wanden van de hal. Willoos liet ik me meevoeren. Er was geen enkele manier waarop ik had kunnen protesteren. Mijn lichaam bezat nog kracht, maar mijn hersenen deden dat niet meer. De werkelijkheid had mijn wil verlamd. Ik bezat enkel nog enig mentaal bewustzijn op de momenten dat ik samen met haar in mijn geesteswereld verkeerde.
Toen ik de deur van de backstageruimte dicht hoorde slaan, schrok ik opeens wakker en tuimelde ik terug in de onverbiddelijke werkelijkheid. Het voelde alsof ik plotseling onder water beland was. Ik kreeg geen lucht. De druk op mijn longen was zo groot dat ik in paniek raakte, bang te sterven en zonder mijn Engel verder te moeten leven in een staat van oneindigheid. Overal om me heen was het plotseling stil en donker en ik had het gevoel dat mijn geest langzaam mijn lichaam verliet.
Ik probeerde naar boven te zwemmen, naar de verbrijzelde lichtstralen die over mij heen dreven, te ontsnappen aan de naderende dood, maar ik werd ondergehouden. Drie paar handen hielden me stevig vast, hun vingers verstrengeld met de stof van mijn T-shirt, zo voorkomend dat ik zou ontsnappen. Ik zag het gezicht van mijn broer, ook al had ik mijn ogen dicht. De blik in zijn ogen bestond uit een mengeling van alles wat ik op dat moment ook voelde; verstikkende angst, radeloosheid, paniek. De tranen begonnen te branden achter mijn blinde ogen. Ik was zo bang mijn Engel nooit meer terug te zien. Ik was zo bang haar te verliezen.
De handen hielden me onder water, maar ik was niet bereid zo gemakkelijk mijn leven op te geven. Ik vocht, huilde, schreeuwde geluidloos en smeekte om mijn leven, maar niets leek te helpen. Ze lieten me niet los. Ik voelde de kalmerende klanken van hun stemmen echoën tegen mijn kille huid, maar ik hoorde niets. Al mijn hersenfuncties leken tijdelijk uitgeschakeld te zijn door het tekort aan zuurstof. Mijn overlevingsdrang overheerste alles. Ik sloeg om me heen om te ontkomen aan de handen die me vasthielden. Ik moest naar de oppervlakte. Daar wachtte mijn Engel en zij zou ervoor zorgen dat ik weer vrijuit zou kunnen ademen.
Plotseling voelde ik hoe twee krachtige handen zich van achteren om mijn bovenarmen sloten. Ik stopte direct met tegenstribbelen, maar de paniek bleef als een prop gesitueerd in mijn borstholte. De greep was te stevig om aan te kunnen ontsnappen en ik wist onmiddellijk dat het zinloze verspilling van mijn kostbare energie zou zijn wanneer ik tegen die kracht in zou gaan. Toen ik voelde hoe ik werd omgedraaid, opende ik mijn ogen en staarde ik recht in het gezicht van Saki. Direct zakte mijn paniek. Ik kalmeerde onder zijn blik. De wil om te ademen verdween echter niet. In hem zag ik de reddingsboei die me mee zou voeren naar het licht, mijn houvast, mijn kans.
Mijn hoop.
Ik richtte mijn smeekbeden tot hem, ontsnappend aan de grijpende handen, me vastklampend aan mijn hoop. Hij was de enige die me kon redden van het gapende zwart onder mij. Er stroomde een waterval van wartaal uit mijn mond, smekend mijn Engel te vinden. De begripvolle blik op zijn gezicht betekende meer voor me dan ik hem ooit duidelijk heb kunnen maken. Hij beloofde te doen wat ik hem vroeg en ik geloofde hem, want ik wist dat hij nooit een belofte zou breken.
Die avond zat ik alleen in mijn hotelkamer, staand voor het raam, uitkijkend over de verte van de stad. Het raam stond een stukje open, waardoor een zuchtje wind stil mijn haren en gezicht streelde. Ik was totaal niet zenuwachtig op dat moment, ook al wist ik niet precies wat me zou overkomen die avond. Ik verkeerde in een staat van kalmte die bijna hemels was. Het was al laat, maar ik voelde geen enkel spoortje van vermoeidheid in mijn afgepeigerde lichaam. Ik zou in staat zijn mijn hele leven wakker te blijven als dat beloond zou worden met een zweem van haar geest.
Ik verloor me opnieuw in mijn geesteswereld, waar ik ronddoolde in het donker, wachtend op haar. Mijn lichaam vulde zich met een gevoel van verlichtende liefde. Ik kreeg direct het gevoel dat ik zweefde op de geuren van de nacht, op de kleuren van de reeds gevallen avondstond. Ik kon haar voelen in de atmosferen om me heen, hoorde het geluid van haar voetstappen weerklinken door de straten onder mij. Ze was zo verschrikkelijk aanwezig in al mijn doen en laten dat ik vervuld was van haar.
Ik wist zeker dat ze zou komen.
Op het moment dat ik op de deur achter me een zacht geklop hoorde, draaide ik me in één ruk af van alles wat me eerder zo gefascineerd had. De sferen om mij heen vielen weg, maar de aanwezigheid van mijn Engel was duidelijker dan ooit te voelen. Voor een kort moment bleef ik als bevroren staan, mijn ledematen tintelend van het verlangen haar bij me te hebben. Ik was gevangen door haar betovering, hoewel het meer als een bevrijding voelde. Door het hout van de deur die ons scheidde ontstond er een soort van geestesverband; we smolten al samen voordat we reeds wezenlijk bij elkaar waren.
“De deur is open.”
Mijn stem was onstabiel van anticipatie, net zoals de rest van mijn lichaam. Mijn handen trilden onbedaarlijk en mijn benen voelden aan als pudding. Mijn hart bonsde harder dan het ooit gedaan had.
Op het moment dat de deur openging, dacht ik dat mijn hart uit mijn borstkas zou springen. Het ging zenuwslopend langzaam, maar tegelijkertijd verrassend snel. Plotseling stond ze daar, in de deuropening, haar schoonheid als een lichte gloed dansend om haar heen. Het weke licht golfde door het donker van de verduisterde kamer en doordrenkte mijn lichaam. Alles om haar heen leek muziek te maken door haar aantrekkingskracht. Ik was sprakeloos. Haar aanwezigheid kwam als een bevrijding voor me; het zorgde ervoor dat ik vrijuit kon ademen en dat ik kon zweven op de trillingen van mijn geluk. Haar hele wezen raakte me en nestelde zich in het diepste van mijn hart.
Ze sloot de deur met een zachte klik en bekeek me vanaf de andere kant van de kamer, leunend tegen het massieve hout. Haar ogen glommen in de duisternis. Ze sprak geen woord, precies zoals ik. Dat was ook niet nodig. Het zou het magische moment teniet doen. Ze zoog me weg uit het oppervlakkige leven dat ik leidde en nam me mee naar een plaats waar wereldse dingen als spreken overbodig waren. Voordat zij gekomen was, had ik volledig uitgedacht wat ik haar wilde zeggen, maar plotseling kon ik geen woord meer uit te brengen.
Toen ze de afstand tussen ons overbrugde en haar lippen vol vuur op die van mij drukte, begreep ik opeens dat woorden van geen enkel nut waren zolang we beide de taal van de liefde spraken.
Ik bood geen weerstand, gaf me over aan wat ze met me deed. Plotseling kon ik me niet meer voorstellen hoe het moest zijn om zonder haar te leven. Haar aanraking was zo verschrikkelijk vertrouwd. Op dat moment was ik er zeker van dat we bij elkaar hoorden. Mijn hoofd voelde licht aan onder haar aanraking, net zoals de rest van mijn lichaam. Het leek alsof mijn voeten loskwamen van de vloer onder mij. We dreven samen op de sferen rondom ons, welke zo sterk beladen waren dat mijn brein erdoor verlamd werd. Onze zielen verstrengelden zich op dezelfde manier als waarop mijn vingers zich verstrengelden met haar blonde haren, onlosmakelijk. Ik was zo dichtbij haar dat ik al mijn bewustzijn verloor.
Het puntje van mijn tong likte langs haar zoete lippen, smekend om meer van haar aanrakingen. Mijn hart bonsde in een ritme waarvan ik wist dat het voor een mens onmogelijk was, maar op dat moment was ik al geen mens meer. De strelingen van haar vingertoppen maakten van mij een Engel, zodat ik voor eeuwig bij haar zou kunnen zijn. We versmolten met elkaar, werden één. Met iedere seconde die verstreek, voelde ik mezelf meer en meer wegzakken in alles wat we samen deelden. Ik gloeide van binnen en genoot van dat warme gevoel na al die maanden van koudte.
Ik liet toe hoe ze me zacht achterover op het bed drukte, hoe ze me beheerst van mijn T-shirt ontdeed, hoe haar mond en handen plotseling overal op mijn lichaam leken te zijn. Ik kon alleen nog maar nadenken met mijn lichaam. Ik werd bedwelmd door het gif van haar schoonheid. Al mijn gedachten waren uitgeschakeld. Het maakte niet meer uit dat ik tegen mijn eigen gevoel en mijn eigen regels inging. Het enige dat er nog toe deed, was dat ik van haar hield.
Ik hield van haar, met heel mijn hart.
Toen veel later het donker voor mijn ogen optrok, stond de zon al hoog aan de hemel. Een streep zonlicht scheen recht in mijn gezicht en maakte me warm van binnen. Een kort moment was ik me niet bewust van wat er om me heen gebeurde en kon ik me enkel concentreren op een onwerkelijk gevoel in mijn maag. Al binnen een aantal seconden kwamen de herinneringen van de vorige avond echter terug en was ik in staat dat onwerkelijke gevoel te verklaren. Een hemels warm gevoel trok door iedere cel in mijn lichaam en liet me zweven op de herinneringen aan de sensatie.
Op het moment dat ik echter naast me keek, viel ik met een klap weer terug in een werkelijkheid waarvan ik hoopte dat het een illusie was. Het voelde aan als duizenden ijsblokjes op mijn naakte huid, miljoenen spelden die me doorboorden – daarna werd mijn hele lichaam gevoelloos. Ik kreeg geen lucht meer.
Ik was alleen.
Het duurde ontzettend lang voordat ik me durfde te verroeren; voordat ik het kon. Mijn gehele lichaam was geďmmobiliseerd door het ontdekken van haar verdwijning. Ik vroeg me af of ik het misschien gedroomd had, maar dat was onmogelijk. Het had zo verschrikkelijk echt geleken. Nog steeds kon ik haar huid onder mijn vingertoppen voelen, de geur van haar blonde haren ruiken, de blik in haar diepblauwe ogen zien. De kersachtige smaak van haar lippen lag nog steeds op die van mij. Ik kon haar niet gedroomd hebben.
Ik hoefde haar niet eens te gaan zoeken om er zeker van te zijn dat ze er niet was. Ik voelde het gewoon. Toen we samen waren, had ik zo verschrikkelijk veel dingen tegelijkertijd gevoeld, zoveel gemengde emoties en zoveel andere dingen die ik niet benoemen kan. Op het moment dat ik daar echter naakt en alleen op mijn bed zat, voelde ik eigenlijk helemaal niets. Ik kon niet meer denken, geen relevante dingen meer doen. Het enige waar ik mezelf toe kon zetten, was het telkens weer aflikken van mijn lippen zodat ik haar opnieuw kon proeven, steeds opnieuw, totdat de smaak uiteindelijk vervaagde en ze volledig uit mijn leven verdwenen was.