Deel 10


Lieve Sa,

De tijd kruipt zo langzaam voorbij. Ik heb het gevoel dat ik dagenlang alleen maar wacht, dat ik niets doe behalve zitten en denken. Het is fijn dat ik nu wat meer tijd doorbreng met Fleur en Julia, maar alles gebeurt op de automatische piloot. Ik voel me zo leeg zonder hem, maar ik zet door omdat ik weet dat het beter voor ons is, dat het onze band uiteindelijk zal versterken. Ik weet dat ik mijn rust nodig heb, maar het is me nu een beetje té rustig. Bill is overal om me heen, in de media, maar ik kan hem niet bereiken en dat is frustrerend. Telkens als mijn telefoon gaat, hoop ik dat hij het is, telkens als de bel gaat, hoop ik dat hij de stilte niet meer kon verdragen en dat hij me komt halen. Soms is mijn liefde voor hem echt angstaanjagend.



Er stond een boom in de achtertuin van de flat. Ze stond daar helemaal alleen op de woeste aarde, nietig in vergelijking tot de hoge gebouwen om haar heen en tóch, ondanks dat ze zo in de schaduw stond, droeg ze kleine, ovalen blaadjes. De boom intrigeerde me op de één of andere manier, ik kon er uren naar kijken. Soms stond ik gewoon urenlang voor het raam te kijken en te denken totdat het donker werd en ik moest gaan slapen, of wanneer ik honger kreeg. Soms kwam Julia me gezelschap houden: dan sloeg ze haar armen om mijn middel, legde haar hoofd op mijn schouder en liet me zo weten dat ze bij me was. Ze zei nooit dat ik bij het raam weg moest gaan, zei nooit dat ik normaal moest doen en over mijn verdriet heen moest komen en dat maakte dat ik zeker wist dat ze me begreep, dat ze waarschijnlijk zelf ook urenlang naar buiten had staan staren, de dagen na de abortus. Nu had ze mij om samen mee naar buiten te kijken en stilzwijgend na te denken. Ik dacht veel na in die periode.
Als ik niet naar de boom keek, als haar eenzaamheid me niet meer kon vasthouden, keek ik naar de tekening die Fleur van Bill en mij gemaakt had. Iedere keer werd hij mooier, bijzonderder, zag ik dingen die ik nooit eerder gezien had. De breekbaarheid van het portret was zo duidelijk opeens, en dat terwijl ik het eerder niet gezien had. Fleur had de fijne lijnen waarvan ik had gedacht dat alleen ik ze kon zien in Bills gezicht stuk voor stuk weergegeven en in mijn eigen gezicht ontdekte ik harde trekken die totaal nieuw voor me waren. In de glinsterende traan op mijn papieren gezicht zag ik opeens de oceaan waar Bill en ik uit moesten zien te komen, die waarin we de afgelopen weken hadden rond gesparteld tot op dit punt. Ik vroeg me af of Fleur alles had zien aankomen. Ik vroeg me af of Fleur mij beter kende dan ik dat zelf deed.
Ik was heel vaak alleen. Julia was vaak buiten met Tom, dan maakten ze samen incognito een wandeling over industrieterreinen waar niemand hen zou zoeken en lieten ze mij even alleen met mijn gedachten. Ik was zo verschrikkelijk blij dat ze elkaar weer min of meer gevonden hadden, dat ze weer eens wat dingen samen deden, want ze pasten zo goed bij elkaar en ik had er veel voor over om hen samen gelukkig te zien. Het deed me soms een beetje zeer dat Julia haar geluk zo onder mijn neus wreef, al ging dat voornamelijk onbewust, maar dat schoof ik dan gauw weg omdat ik vond dat ze het verdienden. Ze waren samen door zoveel dingen geweest dat ik hen het geluk gunde, met heel mijn hart. Het egoïstische stemmetje binnenin mij was echter jaloers, wilde niets liever dan dat geluk ook vinden. Bill was mijn geluk. Ik moest hem vinden.
Ik dacht ontzettend veel na over vroeger, ging steeds verder terug in de tijd. Ik begon bij het feit dat mijn moeder nooit aangereden zou zijn als ik het raam uit gevlucht zou zijn en naar Fleur toe was gegaan, wat niet gebeurd zou zijn als ik mijn tatoeage nooit had laten zetten. Als ik niet van Bill gehouden had, was dat nooit gebeurd. Als ik nooit van Bill gehouden had, zou ik nooit mee gegaan zijn naar Magdeburg, dan zou ik nooit in mijn eentje door de buitenwijken zijn gaan slenteren, dan had ik nooit die deal gesloten en waren Georg en ik nooit bij elkaar gekomen. Alles in mijn leven hing zo aan elkaar van kleine dingetjes die ik had gedaan, of die ik juist níét had gedaan, dat ik uiteindelijk tot de conclusie kwam dat ik de dag van het open podium in Magdeburg gewoon in bed had moeten blijven liggen, dat ik ziek had moeten zijn, dat ik had moeten doen alsof ik ziek was of dat ik de jongens gewoon had moeten negeren, maar dat leek me zo verschrikkelijk vreemd. Ik had zoveel mensen ellende kunnen besparen als ik nooit de droom had gehad beroemd te worden, als ik als kind nooit gewenst zou hebben bijzonder te worden. Mijn hele leven had ik onmogelijke dingen nagejaagd, had ik dingen gewild die nu eenmaal niet gingen en daar werd ik genadeloos op afgerekend.
Mijn moeder was nog wel degene over wie ik het meest nadacht. Ik vroeg me af hoe het kwam dat ik haar aanwezigheid opeens zo goed kon voelen terwijl dat daarvoor nooit zo geweest was. Ze was opeens overal, liet me nooit alleen, alsof ze mijn schaduw was. Ik bleef expres altijd in het donker omdat ik bang was haar contouren in mijn schaduw te zien, durfde bijna niet in de spiegel te kijken uit angst haar in mijn spiegelbeeld te ontdekken, maar dat maakte ook eigenlijk niet uit. Ik had geen werk, hoefde nergens heen en dus hoefde ik mijn haar niet te kammen. Ik deed mezelf vaak genoeg herinneren aan hoe ik al net zo slonzig geweest was toen ik net in Japan woonde en het feit dat ik aardig veel op de oude Maren begon te lijken, was angstaanjagend, maar ik kon er gewoon niet om geven. Ik had niemand om nog mooi voor te zijn.
Hele dagen door piekerde ik alleen maar. Als ik ’s avonds in bed stapte, vroeg ik me vaak af wat ik in Godsnaam gedaan had die dag en dan kon ik daar maar niet achter komen. Altijd weer nam ik me voor van de volgende dag een mooiere te maken, maar ik verloor mezelf altijd weer in eindeloze dialogen met mezelf. Ik verloor de lust om te leven langzaam maar zeker, wilde eigenlijk alleen maar slapen totdat de vakantie weer voorbij was en ik Bill weer zou kunnen vasthouden, zijn heerlijke geur in zou kunnen ademen en zijn fluisterende stem zou kunnen horen, maar dat ging nu eenmaal niet. Ik wenste dat ik in een sprookje leefde, dat ik een appel zou kunnen eten, me daarin zou kunnen verslikken zodat ik in een coma terecht zou komen totdat mijn prins me wakker zou kunnen kussen. Ik werd gek van het wachten, gek van het tellen van de dagen, gek van het kijken naar de bladeren aan de boom, beneden, in de tuin. Ik wilde dat het vroeger donker zou worden, wilde dat de bladeren zouden gaan vallen ten aankondiging van het najaar maar voor zover ik wist, was het nog niet eens juni. Ik had geen idee wat voor maand het was, had geen besef van tijd. Ik wist alleen dat het veel te lang duurde.
Ik bad veel. Mijn innerlijke dialogen waren eigenlijk eindeloze gebeden om kracht, om moed en zelfvertrouwen, om een beter leven voor iedereen om me heen. Ik bad dat het goed ging met Bill, bad dat Fleur haar droom om kunstenares te worden zou kunnen verwezenlijken en bad vooral voor Tom en Julia, dat zij sámen het geluk zouden vinden. De mensen die mij nog altijd een vriendin noemden (terwijl dat niet de titel was die ik verdiende – ik verwoestte verdomme hun leven) waren stuk voor stuk zo geweldig, zo puur en prachtig van binnen én van buiten, en ze verdienden het simpelweg niet om zo gesloopt te worden. Zij verdienden een gelukkig leven, een leven vol liefde en meer dingen die een mens gelukkig konden maken. Het was zo oneerlijk dat juist zij getroffen werden door Gods vloek, zo onrechtvaardig, en ik dacht vaak na om mezelf maar op te offeren voor hen. Het zou simpel zijn om gewoon te bidden en aan te bieden zelf alle schuld op me te nemen, zodat niet alle mensen om me heen slachtoffer zouden worden van mijn daden, maar ik had het nooit gedaan. Ik wist dat als ik alles op me zou nemen, ik de druk niet aan zou kunnen en ik hen zo alsnog verdriet zou doen. Er was geen beginnen aan. De weg die wij met zijn allen moesten bewandelen, zat vol valkuilen en andere obstakels waar we overheen moesten zien te komen. Misschien zouden we gewond raken, of zouden we ruzie krijgen omdat we niet wisten welke splitsing we zouden moeten nemen maar ik wist zeker dat als we maar bij elkaar zouden blijven, dat we er dan het beste van zouden moeten kunnen maken. Dat ging echter niet. Zolang Bill Georg zou blijven benijden, zouden zij nooit samen kunnen werken en zo zou de groep uiteen vallen. Zolang ik Nathalia de schuld bleef geven van alles wat Bill doorstaan had, zou er nooit een hechte groep ontstaan. Ik was in mijn hoofd al bezig met het vergeven van Nathalia, bleef de woorden van Bills brief telkens in mijn hoofd herhalen, net zolang tot ik er zelf in ging geloven. Zonder haar zou Bill er niet meer geweest zijn.
En opeens, toen ik me dat bedacht, staande voor het raam, realiseerde ik me waarom de boom me zo intrigeerde. Zij stond daar zomaar, in haar eentje, net zoals iedereen van onze vriendengroep. We deden wel alsof we zo hecht waren, maar dat was niet zo; in wezen leefden we allemaal op ons eigen eilandje in een grote oceaan, ver weg van elkaar, zodat het onmogelijk was te communiceren op welke manier dan ook. De boom was al net zo eenzaam, en dat deed me aan mezelf denken. Ze stond daar maar, in de schaduw van alles om haar heen, niet in staat groter te groeien omdat ze daar de ruimte niet had. Maar toch, ondanks al die schaduw om haar heen, droeg ze ovalen blaadjes. Ik benijdde haar, omdat zij ondanks alles om haar heen nog in staat was bladeren te laten groeien en daar trots op te zijn. Ze probeerde te overwinnen en dat lukte haar, al was het dan maar gedeeltelijk. Ik wilde net zo zijn als zij, net zo strijdlustig, net zo krachtig ondanks dat ik er alleen voor stond tussen al het grootse om me heen. Ik wilde sterk zijn. Ik zocht naar kracht.

Ik lag stil in mijn bed, mijn handen onder mijn hoofd gevouwen, starend door de pikzwarte leegte. De lampenkap die aan het plafond bungelde was egaal wit, het zwarte vlekje dat er in mijn herinneringen altijd op gezeten had, ontbrak. Ik hoorde de wind om het huis, het zachte tikken van de zomerregen tegen mijn slaapkamerraam en het onheil van wat naderend onweer, maar toch voelde ik me veilig. Mijn moeder lag in de kamer naast die van mij, waarschijnlijk rustig slapend, maar ik wist dat ik bij haar terecht zou kunnen als ik haar nodig zou hebben. Ze was er altijd voor me, hoe laat of vroeg het ook was, ik hoefde maar aan te kloppen en ze was er. Ik zou naast haar in bed kruipen en zij zou me vasthouden, hoe geïrriteerd ze ook zou zijn omdat ik haar wakker had gemaakt, ze zou me knuffelen en lief voor me zijn totdat ik me weer beter voelde. Ze had zo’n kalmerende uitwerking op mensen, en zeker op mij, gezien onze nauwe band. Ik prees me zo gelukkig met haar.
Ik keerde mijn hoofd om en zag mijn deelnemerspas op het prikbord hangen, wat me deed herinneren aan het feit dat ik nog zo’n achttien uur had voordat ik het podium op moest. Ik vroeg me af wat me te wachten stond, hoeveel mensen er zouden zijn, of het optreden zelf wel goed zou gaan. We hadden zoveel geoefend de laatste tijd – Fleur, Julia en ik, en ik vond dat we het wel verdienden daar erkenning voor te krijgen. Vooral Julia aasde op een platencontract, vooral omdat ze geen idee had wat ze na de middelbare school wilde gaan doen en ze het liefst vóór haar eindexamen ontdekt wilde worden, maar voor mij maakte het niet zoveel uit. Ik wilde gewoon weten wat de mensen van onze muziek vonden, wat ze van me dachten. Ik wilde weten of Autumn Leaves een toekomst had of dat we er maar beter mee konden stoppen.
Flits.
We hosten en hobbelden heen en weer over de weg en ik probeerde me uit alle macht te concentreren op de horizon, waartegen Magdeburg zich al aftekende: dat was een trucje dat ik ooit van mijn moeder geleerd had. Helaas hielp het niet veel, het werd zo mogelijk alleen maar erger. Het voelde als nervositeit, maar dan nog veel erger, kriebelend en benauwend.
Flits.
Ik zag Bill zitten, op een bankje, in het gezelschap van zijn drie bandgenoten, jong, onschuldig en stralend van opwinding en opgekropte zenuwen. Even stond ik verlamd bij het zien van zijn glimlach, van zijn geluk, zijn overduidelijke hyperactiviteit, al die kleine dingetjes die hij verloren had, onderweg naar de ondergang. Hij was zo verschrikkelijk mooi, nog zo onbezonnen en jeugdig, zich zo onbewust van wat hem nog te wachten stond. Ik hoorde zijn stem zachtjes, zingend, net boven de klanken van alles om hem heen uit en het leek me te roepen. De breekbaarheid van zijn mooie persoonlijkheid en de klanken die daarbij hoorden, was betoverend.
Ik wilde naar hem toe lopen, maar mijn benen droegen me een andere kant uit, achter Fleur en Julia aan, naar de tegenoverliggende hoek van de geïmproviseerde backstageruimte. Mijn lichaam brandde van verlangen naar hem, het verlangen hem in zijn ogen te kijken en die kinderlijke vrolijkheid te zien, het verlangen hem te horen praten met dat ogenschijnlijk onuitputtende enthousiasme van hem, het verlangen zijn lippen op mijn wang te voelen aan het einde van de avond, maar mijn benen lieten het niet toe. Ik ging tussen mijn twee vriendinnen in zitten en staarde naar de overkant, daar waar hij zat, zijn lange benen onder hem gevouwen, zijn voorkomen rauw en fragiel.
Flits.
Ik zag mijn moeder huilen op de dag dat ik mijn diploma kreeg, samen met Fleur en Julia. We lachten breed, omhelsden elkaar, omgeven door geluk en blijdschap. We waren samen en ik wist zeker dat we samen zouden blijven, voor altijd en eeuwig.
Flits.
Ik zag mezelf in een kleine flat, hangend boven een aantal dikke boeken, een balpen losjes in mijn hand. Op de televisie die achter me stond was Tokio Hotel te zien, Übers Ende der Welt, een nummer waar we met zijn drietjes totaal op los konden gaan. Ik was zo trots dat ik ooit met hen in één dezelfde ruimte gezeten had, maar had er op de één of andere vreemde manier geen spijt van dat ik hen nooit had aangesproken. Ik kon niet uitleggen waarom niet, het was gewoon een gevoel dat ik had, het gevoel dat het beter was geweest.
Flits.
Ik zag een jongen met bruin haar en schattige sproetjes die mijn hand vasthield. Ik straalde, ik was overduidelijk gelukkig met hem. We zaten aan een tafeltje in de lunchroom waarin Justin werkte – ik zag hem zelfs staan, achter de counter, een broodje besmerend met eiersalade. De jongen tegenover me voerde me telkens een hapje van de salade die tussen ons in stond en ik hapte telkens, glimlachend, gelukkig. Ik vroeg me af hoe hij heette, wie hij was, waar ik hem van kende.
Flits.
Ik zag een klein jongetje met bruine krulletjes en donkere ogen, inktzwart bijna. Hij trok aan de zoom van de witte jurk die ik droeg en ik tilde hem op op mijn arm, gaf hem een kus op zijn wangetje, dat plakkerig was van de lolly die hij even daarvoor nog in zijn mond gehad had en nu verloren op het grasveld lag. De jongeman met het bruine haar en de sproetjes die naast me stond, degene van wie ik zeker wist dat het de vader was, aaide het kind over zijn krullen en nam hem van me over, om hem mee te nemen naar een aantal vrienden van hem. Een glimlachje gleed over mijn gezicht toen ik hem nakeek en ik zwaaide naar mijn moeder en Mirre, die samen met oom Arne stonden bij te kletsen. Mirre gaf licht en droeg vleugels.
Flits.
Ik zag mezelf met een pizza en het jongetje op de bank zitten, kijkend naar een muziekprogramma waar Duitslands meest succesvolle band een interview gaf. Ik werd geïntrigeerd door de jongen die in het midden zat, door zijn fragiele voorkomen en de sprankeling in zijn ogen, en glimlachte bij het besef dat ik ooit de kans gehad had hem te ontmoeten.
Flits.
Ik zag mijn moeder, mijn zoon en mezelf door een drukke winkelstraat lopen, ik overduidelijk geïrriteerd, mijn moeder vertederd door het gelach van haar kleinzoon. Ik wilde doorlopen, had haast om waar dan ook te komen, maar mijn twee metgezellen hielden me op en dat irriteerde me mateloos. Ik bleef maar achterom kijken, geërgerd, biddend dat ze eindelijk eens door zouden hebben dat ik geen tijd had voor getreuzel en mijn moeder het kind op zou pakken zodat we door konden lopen, maar ze had er teveel plezier in hem te zien waggelen, zijn voetjes gestoken in schoenen die hij nog nooit eerder aangehad had.
Plotseling botste ik tegen iemand op, op volle kracht door mijn haast. Ik schrok me rot, moest moeite doen om mijn evenwicht te bewaren en voelde een korte stoot van adrenaline, maar die verdween al gauw toen ik een zachte stem hoorde. Toen ik mijn ogen opsloeg, keek ik recht in twee hazelnootbruine ogen met kleine sterretjes erin, schitterend. Hij pakte mijn hand.
Flits.


Ik schrok wakker met brandende ogen en een gevoel van paniek in mijn maag, bang dat mijn droom werkelijkheid geworden was en ik een zoon had, en een man, dat mijn moeder nog leefde en dat Bill ergens ver weg was, nog verder weg dan hij op dat moment aanvoelde. In een vlaag van adrenaline stroopte in de mouw van mijn shirt op en zag, tot mijn opluchting, dat ik nog altijd drie littekens had, wat betekende dat het verleden nog precies zo was zoals het eerst geweest was. Ik liet mijn ingehouden adem los en ademde rustig in een poging mijn hartslag wat onder controle te krijgen terwijl ik de onsamenhangende fragmenten uit mijn droom nog eens de revue liet passeren. De rillingen schoten over mijn ruggengraat toen ik me besefte dat mijn toekomst er zó anders uit had kunnen zien, dat ik met een andere jongen getrouwd zou kunnen zijn en een zoon ter wereld gebracht zou hebben, dat ik gelukkig zou zijn met mijn gezin, mijn moeder en mijn ongeschonden vriendinnen, maar dat moest betalen met de prijs mijn ware liefde nooit te leren kennen. Ik sloot mijn ogen en begroef mijn vingers in mijn haar.
Misschien zou het maar beter geweest zijn als het zo gelopen zou zijn, dat Bill slechts iemand geweest was die ik had kunnen léren kennen, iemand die ik van televisie kende, niet meer en niet minder. Het zou zoveel gedoe en pijn bespaard hebben, zoveel moeite, zoveel ongeluk. Op dat moment leek het misschien vreemd om Bill nooit te leren kennen, maar wat niet weet, deert ook niet. Als ik Bill nooit was tegengekomen, had ik nooit geweten wat liefde precies inhield en dan zou ik niets gemist hebben bij mijn echtgenoot. Mijn leven was al drie jaar een zootje en dat kwam niet alleen door mijn deal met God, maar ook doordat ik ooit de onbewuste keuze genomen had naast hem te gaan zitten, op een geïmproviseerd bankje op een plein in Magdeburg. Het werd tijd dat ik Bill zou vertellen over wat ik hem had aangedaan. Bill moest het weten van God.

De dagen daarna bracht ik veel voor het raam door, kijkend naar de boom, denkend over wat de droom me duidelijk wilde maken. Ik was ervan overtuigd dat mensen droomden om een reden, dat die dromen ergens vandaan kwamen en dat je er lering uit moest trekken – ik wist alleen niet wat ik moest zien in die onsamenhangende beelden. Ik vroeg me af wat er overspannen hersenspinsels geweest waren en wat het deel was dat mij iets duidelijk moest maken en kwam er maar niet uit. Het enige dat ik telkens weer overdacht, was hoe vreemd mijn leven eruit gezien zou hebben als ik Bill nooit ontmoet had, hoeveel pijn ik hem daarmee bespaard zou hebben, en ook mezelf. In mijn droom had ik een onaards gelukkig leven geleden, tevreden met mijn relatie, blij met mijn kind en rijk aan vrienden die me eveneens liefde gaven. Het leek zo onwerkelijk dat dat waar had kunnen zijn als ik een andere keuze gemaakt had.
Wat me telkens achtervolgde, was de blik die ik in Bills fictieve ogen gezien had voordat ik wakker was geworden. Die glans, die schittering in zijn ogen – die had ik al niet meer gezien sinds ik terug was uit Japan en dat speet me, want ik wist dat het mijn schuld was. Bill was zo prachtig als zijn ogen straalden, want dan straalde hij zelf ook. Ik wilde hem zo graag weer zien lachen, wilde zo graag dat hij weer gelukkig zou worden, maar ik wist dat dat niet zou gaan voordat we alle problemen achter ons hadden gelaten, wat onmogelijk was, want de problemen kwamen me telkens achterna, hoe vaak ik ze ook oploste, waar ik ook heen vluchtte. Ik was Bills geluk niet, ik stond het juist in de weg.
Pas na drie dagen ging ik nadenken over Mirre, die ook in mijn droom was voorgekomen. Mirre had lichtgegeven en vleugels gedragen – ik vroeg me wanhopig af wat dat kon betekenen. Plots herinnerde ik me ook weer die droom die ik eerder over haar gehad had, waarin Fleur, Julia en ik vrolijk in het bos hadden gespeeld en waarin Mirre zichzelf in een kuil gestort had. Het moest iets te betekenen hebben, bedacht ik me, maar ik kwam er niet uit wat dan precies. Misschien probeerde iets daarboven me duidelijk te maken dat er iets met Mirre aan de hand was, of – ja, dat ik weer contact moest zoeken met haar. Ik wist dat ik haar eigenlijk weer eens zou moeten bellen zodat we onze band weer konden verstevigen, maar ik kon er steeds de kracht niet voor vinden. Telkens als ik dacht dat ik de knoop doorgehakt had en ik mijn telefoon pakte, krabbelde ik weer terug als ik haar naam uiteindelijk had opgezocht in mijn telefoonboek. De vijf lettertjes van haar naam maakten een gevoel van onzekerheid en angst in me los: het was al zo lang geleden dat we elkaar gezien hadden en ik had het vreemde voorgevoel dat we niet meer zo goed met elkaar op konden schieten als eerst, simpelweg omdat ik veel meer meegemaakt had dan zij. Ik wilde de relatie liever zo houden als hij op dat moment was, gewoon, onbeschadigd.
De eerste dag dat ik eindelijk eens uit mijn overpeinzingen klom en me wat meer in het gewone leven te mengen, was de dag dat Fleur langskwam en aankondigde dat ze was toegelaten op de kunstacademie. Ik had net naar buiten staan staren toen ze plots de deur platliep en het heugelijke nieuws door het appartementje gilde, uitzinnig van vreugde. Julia had haar direct besprongen en haar overladen met gelukswensingen, felicitaties en kusjes, maar bij mij duurde het iets langer voordat ik weer gevoel in mijn benen kreeg. Urenlang had ik als een standbeeld voor het raam gestaan, uren had ik staan denken aan alles wat mijn gedachten maar binnenwoei maar toen ik Fleur zo gelukkig zag, voelde ik dat ik mijn ongeluk aan de kant moest zetten voor haar. Ik liet een klein glimlachje mijn gezicht sieren, liep op haar af en sloot haar in mijn armen, droeg alle warmte die ik in me had op haar over, al was dat niet veel. Mijn glimlach werd al breder toen ze naar de bank stuiterde om daar uiterst gelukkig op neer te ploffen, haar gezicht stralend, haar ogen glitterend, haar haren glanzend. Ze was zo mooi als ze gelukkig was.
“Julia, pak de champagne!” riep ze grijnzend uit, terwijl ik naast haar kwam zitten, mijn knieën opgetrokken, en mijn hoofd op haar schouder legde. Ze reageerde direct door afwezig door mijn haar te strijken, zonder iets te zeggen, nog steeds uitzinnig van blijdschap. Ik vond het fijn dat de aandacht eens op haar gericht was en niet op mij, ook al was ik nog steeds in een grafstemming en had ik nog steeds de behoefte geknuffeld te worden. Medelijden was niets voor mij, op de één of andere manier, ik wilde liever blij zijn, maar dat had gewoon niet gegaan de afgelopen paar dagen – ik had geen idee hoeveel precies.
“Heb ik niet,” antwoordde Julia terwijl ze richting de keuken liep en daar de koelkast opentrok om te kijken wat ze dan wel in de aanbieding had. “Wel cola!”
“Doe dat dan maar!” riep Fleur uit. Ik genoot van de klank in haar stem, zo helder en zwevend en blij en ik wenste dat ik ooit zelf nog zo zou klinken. Fleurs stem was één van de weinige dingen die het zelfde waren gebleven onder het verstrijken van de tijd, en dat was fijn. De dingetjes die me deden herinneren aan vroeger – of nee, de dingen die me deden herinneren aan vroeger omdat ze nog precies het zelfde waren, niet omdat ze waren verdwenen – hielden me overeind, boden me een blik op wat ik moest zien te bereiken. Ik wilde dat alles weer precies het zelfde zou worden, dat was het doel dat ik nastreefde, ook al wist ik dat het moeilijk zou worden.
Niet veel later liep Julia binnen met een anderhalve literfles nepcola van één of ander goedkoop merk en gooide ze die naar Fleur, die hem behendig opving. Ik ging rechtop zitten en bleef stil terwijl Julia drie glazen op de tafel zette, Fleur schudde de fles. Mijn ongeluk zat hem in het feit dat ik dat een beetje laat doorkreeg door mijn slowmotion-stand en dat toen Fleur de fles opendraaide, de helft over mij heen spoot. Ik werd er echter niet boos door – integendeel, ik vond het geweldig. Ik krijste hyperactief zoals ik vroeger altijd gedaan had als we flessen cola of wat dan ook hadden laten ontploffen op die manier en sprong op om een nieuwe golf frisdrank te ontwijken en om mezelf een beetje uit te laten lekken, zodat donkere druppels zich in het tapijt drongen. Julia leek het niets uit te maken: ze goot de nog naschuimende fles leeg in de drie glazen, zelf ook druipend van de plakkerige drank, lachend zoals vroeger. Zoals vroeger. Het klonk zo hemels, zo onbereikbaar, zo ver weg. Vroeger was nog nooit zo lang geleden geweest.
“Nu ga je natuurlijk allemaal hele knappe jongens ontmoeten,” zei Julia duister, met een bedenkelijke blik in haar ogen, alsof ze probeerde een geschikte kandidaat voor zich te zien. “Je bent al te lang vrijgezel, Fleur, je moet aan de man. Ik zie...” ze keek nog nadenkender naar het plafond, alsof daar zich een beeld van een jongen zou aftekenen, “een jongen met donker haar en blauwe ogen, heel artistiek, die mooie spijkerbroeken en een beetje foute overhemden draagt waarvan hij denkt dat ze hem goed staan, maar eigenlijk is dat niet zo…”
Fleur schoot in de lach en spetterde Julia nat door haar van-cola-doordrenkte haar in haar richting te headbangen. Julia schoot al even hard lachend achteruit en trok mij bij haar op schoot, zodat ik als haar schild fungeerde. Ik spartelde tegen, krijsend van het lachen, en ik dook in elkaar om nog meer spetters zoetigheid te vermijden, proberend me te bedenken hoe lang het geleden was dat we voor het laatst een cola-gevecht gehad hadden. Dat moest minstens anderhalf jaar geleden geweest zijn, misschien wel twee, in een vergeten zomervakantie waarin ze te horen gekregen hadden dat ze alledrie over waren naar de volgende klas en er al evenmin champagne in de buurt geweest was. Voor ons maakte dat echter niet uit: cola schuimde net zo hard en plakte net zo verschrikkelijk. En je ging er ook van stinken, dat zeker.
“En wat nou als ik zeg dat ik geen vriendje wil?” zei ze protesterend, haar armen over elkaar geslagen en geen aanstalten meer makend om ons te begieten met de laatste halve liter uit de fles. Julia liet me los omdat er geen gevaar meer dreigde en zo had ik de mogelijkheid om naast haar te gaan zitten, midden in een verdwaald plasje frisdrank, zodat ik écht gedwongen was te gaan douchen zodra Fleur weg ging. Ik verwachtte echter dat Julia me voor zou zijn, gezien haar benen zo’n twee keer zo lang waren als die van mij.
“Waarom zou je geen vriend willen?” vroeg ik me hardop af, mijn blik gericht op het stralende meisje op de andere bank. Ze werd een beetje rood en verlegen, wat haar ontzettend schattig maakte. Ik kon me altijd weer verbazen over Fleurs onzekerheid, het feit dat ze zo verlegen was, want ze was ontzettend lief en mooi – goed, vroeger had ze misschien altijd wel in Julia’s schaduw gestaan, maar gezien Julia een hoop van haar glans verloren had, was het overduidelijk dat Fleur de knapste van ons drieën was. Ik vond het dan ook vreemd dat ze nog altijd vrijgezel was en dat Julia en ik eigenlijk alles al eens met een jongen gedaan hadden, dat juist ik al twee jaar een relatie had met Duitslands meest begeerde jongen terwijl ik mezelf toch altijd als het lelijke eendje beschouwd had. Fleur verdiende een leuke jongen, iemand waarmee ze lief en leed kon delen.
“Val je op vrouwen?” giste Julia met een toon in haar stem die zo verbaasd klonk dat het haast lachwekkend was. Toen ik naar haar gezicht keek, schoot ik daadwerkelijk in de lach: haar ogen waren zo ver opengesperd dat het niet lang meer zou duren voordat ze eruit zouden ploppen en haar kaak lag zowat op de grond. Gekke Julia kwam steeds meer terug, haar haar werd steeds roder, net zoals haar wangen en op dagen zoals deze, als ze niet naar buiten hoefde, droeg ze geen make-up, zodat haar sproetjes duidelijk te zien waren. Ik wilde zo graag een foto van haar maken op die dagen, zodat ik haar kon laten zien hoe mooi ze was zonder die laag foundation, maar ik vergat het altijd, of ik had er geen zin in. Ik had zulke mooie vriendinnen, eigenlijk, ik snapte niet waarom God het waagde om hun leven overhoop te halen. Dat van mij, oké, ik was nu eenmaal niet bepaald Miss Universe en het was mijn schuld, maar zij zouden zoveel kunnen bereiken met die charismatische hoofden van hen en – já. Het was gewoon niet eerlijk.
“Nee!” lachte Fleur. “En dat zal ik nooit doen ook. Ik heb gewoon geen zin in een vriendje: die lopen alleen maar in de weg en nu ik eindelijk op de kunstacademie zit, wil ik ook alles doen om erop te blijven ook!”
“Vriendjes lopen niet in de weg,” bracht ik er direct al tegenin. “Vriendjes zijn heel lief en leuk en schattig en mooi en heerlijk en zacht en – en…”
Ik viel stil bij de gedachte aan Bill, aan hoe lief, leuk, schattig, mooi, heerlijk en zacht hij was en hoe lang ik nog zonder hem moest. Het was net alsof iemand een mes, gedoopt in een substantie van verlangen, tussen mijn ribben gestoken had toen ik aan hem dacht: opeens wilde ik niets liever meer dan hem bij me voelen. Mijn goede humeur verdween onmiddellijk, als sneeuw voor de zon, en ik wreef even in mijn onopgemaakte ogen, zoals ik dat altijd deed als ik mezelf een nanoseconde wilde afsluiten voor de rest van de wereld. De andere meiden waren ook op slag stil, alsof ze het gevoel hadden schuldig te zijn aan mijn plotselinge hunkering naar Bill, wat natuurlijk niet zo was. Wachten op hem duurde zo verrekte lang.
“Laten we het maar niet over vriendjes hebben,” verbrak Julia op een gegeven moment de ijskoude stilte. “Hier – drink je cola op.”
Ze pakte één van de glazen uit een voetenbad van cola en hield hem naar me uit toen ik mijn ogen opsloeg. Het glas was maar half gevuld (de rest werd op dat moment opgezogen door het wollen tapijt) en de prik was eraf, te oordelen naar het ontbreken van de normaal gesproken bruisende belletjes. Waarschijnlijk zou één slok het glazuur van mijn tanden laten breken en zou ik rillingen krijgen van de zoetheid die nog erger zou zijn dan normaal, maar ik besefte dat ik de sfeer alleen weer ontspannen zou krijgen als ik het glas aan zou nemen. Ik nam het glas van haar over en nam een flinke slok om daarna te genieten van hun ontspannen glimlachjes, de rilling die over mijn rug kroop negerend.
Ik lustte nog altijd geen cola.

De hemel kleurde diep rood en oranje, net zoals ik vaak in films had gezien, zo betoverend. De oranje zon zonk langzaam weg achter de hoge gebouwen van de buitenwijken, zodat de flats zich zwart aftekenden tegen de felle achtergrond. Lange schaduwen bedekten de straten, de kleine huisjes die her en der verspreid stonden en de boom in de achtertuin van ‘onze’ flat, waaronder ik zat. Eindelijk had ik de stap gewaagd naar buiten te gaan en naar haar toe te lopen, bij haar te gaan zitten om haar gezelschap te houden, genietend van de zonsondergang, de laatste warmte opvangend. Het was een waar spektakel om te zien hoe de natuur langzaam ging slapen, om te zien hoe de kleine bloemetjes langzaam hun blaadjes sloten om zichzelf af te sluiten van alles daarbuiten en ik voelde het verlangen die nacht daar te blijven, om me één te voelen met de planten om me heen. Ik dacht aan de avond dat ik voor het eerst ruzie had gehad met Bill en ik ook in mijn eentje had zitten kijken naar het vallen van de avond, al was de hemel toen anders gekleurd geweest. Het moest hoogzomer zijn, hoogstens begin augustus. Te vroeg nog, in ieder geval.
Ik dacht aan God, aan hoe zijn leven achter de aarde eruit zou zien. Misschien kon hij me wel zien zitten, ineengedoken, leunend tegen de stam van de boom, ernaar verlangend dat de kleine blaadjes zouden vallen, of misschien wíst hij slechts dat ik er was. Ik vroeg me af wat God was, of hij echt een man was of slechts een geest, of hij maar op één plaats tegelijk kon zijn of dat hij zo gigantisch groot was dat hij alles in de gaten kon houden. In mijn gedachten was God altijd een persoon, iemand die ik de schuld gaf, iemand waar ik tegenaan kon trappen, maar ik kon me niet voorstellen dat een persoon zulke grootse dingen kon doen. God moest meer een macht zijn, iets dat ons stuurde en beïnvloedde, iets dat permanent aanwezig was en boven ons stond, maar het was zo vreemd om je te beseffen dat je eigenlijk nooit alleen was, dat er altijd een God bij je was.
Ik was zo langzamerhand tot de conclusie gekomen dat ik Bill moest vertellen over de deal die ik met God gesloten had en wat dat teweeg had gebracht. Waarschijnlijk zou hij me haten achteraf omdat ik zijn leven verwoest had, maar hij moest er gewoon van weten. Mijn geheim over de deal was het grootste dat ik ooit gehad had en ik was niet goed in het bewaren van geheimen, zeker niet tegenover mensen van wie ik hield – en het viel niet te ontkennen dat ik van hem hield. Hij had recht om te weten wie de schuld droeg van zijn verwoeste leven, hij had het recht te weten dat alles door mij kwam. Het ging moeilijk worden het te bekennen; waarschijnlijk zou hij kwaad worden en zou ik hem nooit meer terug zien, maar ik móést het doen. Het voelde als verraad als ik het niet deed. Iedere keer als ik hem in zijn ogen keek en zag dat hij gebroken was, maakte een schuldgevoel zich van mij meester, elke keer weer. Ik kon het simpelweg niet maken om hem te verzwijgen dat ik alles in werking gezet had, dat ik iets gedaan had waar mijn omgeving voor had moeten boeten. Ik wilde niet iedereen op de hoogte brengen, maar tegen Bill kon ik gewoon niet blijven liegen. Ik zou nooit met een schone lei kunnen beginnen als ik hem niet ingelicht had over mijn fouten. Ik vroeg me af wat mijn bekentenis teweeg zou brengen tussen ons, of hij me zou begrijpen of niet, of er een ruzie uit zou voortvloeien of dat we juist dichter naar elkaar toe zouden groeien. Onderbewust had ik me al voorbereid op het ergste.
Ik zuchtte getergd en liet mijn hoofd op mijn opgetrokken knieën zakken. Ik had gehoopt door wat zelfvertrouwen te krijgen door tussen de gigantische gebouwen te gaan zitten, zodat ik me nietig zou voelen en mijn problemen opeens zou klein zouden lijken, maar het werd alleen nog maar erger. Het was niet het contrast gigantisch-nietig dat de boventoon voerde, maar meer het contrast mooi-lelijk, of goed-slecht. De natuur om me heen was zo mooi dat ik er alleen maar meer verdorven uit leek te komen.
Een gevoel van eenzaamheid overspoelde me, ook al was ik samen met de boom. Ik wilde zo graag met iemand praten, met iemand die van mijn problemen wist en een oplossing zou kunnen bedenken, maar die mensen bestonden niet. God was de enige die me kon helpen, maar die had ik tegen me in het harnas gejaagd en dus had ik niemand meer. Ik miste Justin, miste onze gesprekken in de warme bakkerij waar het zo heerlijk naar verse donuts en saucijzenbroodjes rook, miste zijn luisterend oor en zijn radar voor oplossingen. Al een miljoen keer had ik, als ik voor het raam stond en naar beneden keek, bedacht dat ik weer eens bij hem langs moest gaan, op het werk, zodat we na sluitingstijd weer eens een goed gesprek konden voeren, maar ik had het nooit gedaan. De angst voor suïcidale en agressieve fans zat nog altijd in mijn hoofd: telkens als ik aan mijn laatste werkdag in de bakkerij dacht, kwam het gebroken gevoel ook weer terug en dan besloot ik toch maar niet bij hem langs te gaan. Bovendien wist ik ook niet of hij wel zin had in een gesprek met mij: ik had al zo lang niets meer van me laten horen en het stond nogal egoïstisch om een maand later opeens weer op te duiken en een gesprek te eisen. Ik vroeg me af of hij mij ook miste.
Ik hief mijn hoofd weer op en keek naar de hemel boven me, verbaasde me over hoe het rood van de horizon zich mengde met het zwart aan de tegenoverstaande horizon. Het duurde niet lang meer voordat het donker zou worden, wist ik, wat fijn was omdat dat betekende dat de zomer op zijn einde liep en dat Bill gauw bij me terug zou komen. Als de boom haar trots zou laten vallen, zou die van mij weer terugkomen. Dat was een fijne gedachte.
Het was onvoorstelbaar hoe er in zo’n grote stad zo’n rustig plekje te vinden was. Het geluid van de brommende auto’s en de zoevende scooters was vrijwel niet te horen waar ik zat, het verminderde zich tot het geluid van een mug, zo zacht. Magdeburg was een troosteloze stad vol grijze stenen en andere lelijkheden maar op stille plekjes als onder mijn boom, kon je opeens schoonheden ontdekken die je anders nooit op zouden vallen. Er werd gewoon te weinig bij stilgestaan dat er ook in grote steden natuur te vinden was, ook al was het schaars. Iedere stad had een hemel boven zich waar zich de mooiste kleurenspektakels op aftekenden, iedere stad had een luchtruim met vogels en vlinders, iedere stad had flora en fauna, ook al was het niet te zien. Overal op aarde was wel iets moois te vinden, je moest er alleen naar willen kijken.
In de verte hoorde ik een kerkklok slaan, een heerlijk vroom geluid in de warme sfeer die over Magdeburg hing, en ik sloot mijn ogen om de slagen te tellen. Ik kwam tot de zes, daarna verloor ik mezelf weer in onsamenhangende gedachten die willekeurig afdwaalden naar vier onderwerpen tegelijkertijd. Ik peinsde over Justin, over Bill, over mijn moeder en over Sa en Liam, die nog in Japan zaten. Met een zucht probeerde ik me te bedenken hoe het met het café afgelopen moest zijn, of ze nog bij elkaar waren, of ze me misten of dat ze me vergeten waren, precies zoals ik hen opgedragen had te doen. Vreemd genoeg vond ik het een rot idee om vergeten te worden door hen, omdat we toch veel gedeeld hadden en zij de enige personen op de hele wereld waren die wisten van de deal met God. Aan de andere kant wilde ik geen sporen meer hebben in Japan, behalve dan de gitaar die ik bij mijn vader achtergelaten had. Of ja, eigenlijk telde dat niet: hij had hem voor mij gekocht, dus hij was van hem. Ik wilde niets meer met hem te maken hebben.
Toen de zon volledig verdwenen was achter het grote appartementencomplex en ik baadde in de schaduw, dwong ik mezelf om op te staan. Kippenvel verspreidde zich over mijn armen toen een koude zucht wind over mijn huid streek en ik rilde innerlijk. Bij wijze van afscheid legde ik mijn hand even vlak op de bast van de boom, een flauwe glimlach om mijn mond. Ik voelde me min of meer schuldig omdat zij alleen achterbleef in de kou terwijl ik naar binnen ging en daar omsloten zou worden door Julia’s warmte, omdat zij alleen achterbleef en ik niet. Ze zou voor eeuwig eenzaam blijven, tenzij er een tweede boom neergezet zou worden, maar daar was geen ruimte voor in de grote stad, zelfs niet in de buitenwijken. Er was een grote kans dat de woeste grond waarop mijn boom stond ooit bezet zou worden door een zoveelste flatgebouw zodat zij het veld zou moeten ruimen. Misschien was ze dood wel beter af dan zo eenzaam en alleen.
Ik zuchtte opnieuw en draaide me om, stak de straat over zonder te kijken of er een auto aankwam (misschien was ikzelf ook wel beter dood af dan zo eenzaam en alleen) en ging het flatgebouw binnen, stapte de lift in en ging naar de vierde verdieping, naar kamer 483.
Nog een paar weken.