Deel 11


Lieve Sa,

Julia kwam pas geleden met een roddelblad aan waarin een heel artikel over mij stond, afgeschilderd als een weet ik veel wat. Ik ben niet eens meer veilig voor de pers als ik rustig onder een boom zit na te denken, zelfs dan zoeken ze me op en maken ze foto’s van me. Het zat me niet lekker, maar nu heb ik gelukkig niets meer om over te piekeren. De zomer is eindelijk voorbij.
Bill weer zien en vasthouden was een uitbarsting van pure liefde. Misschien was het iets minder dan toen hij me kwam ophalen in Japan, maar dan nog, het was geweldig. Wat ik voelde, is gewoonweg onbeschrijflijk, zo puur en schoon en prachtig. Het geeft zo’n gevoel van verbondenheid als je elkaar zo lang hebt moeten missen en je elkaar opeens weer in de armen kunt sluiten, zo alsof het voor eeuwig zal zijn en je nooit meer zonder elkaar zou hoeven zijn. Bill en ik blijven vast voor eeuwig bij elkaar, dat moet gewoon. Ik hou ontzettend veel van hem en hij doet dat ook van mij, daar twijfel ik niet meer aan. De manier waarop hij me aankijkt is zo overduidelijk dat ik er voor de volle honderd procent zeker van ben dat het gevoel wederzijds is. We hebben samen zoveel meegemaakt dat het voor mij ondenkbaar is om het ooit nog zonder hem te doen: hij weet zowaar alles van me. We hebben zoveel tijd zonder elkaar kunnen overbruggen, zoals de afgelopen drie maanden, de tijd die ik in Japan doorgebracht heb en de dagen en avonden dat hij op tour was. Ook al duikt de media bovenop ons en worden we niet met rust gelaten, dat hebben we overleefd, daar hebben we ons doorheen gevochten. We kunnen het niet meer zonder elkaar. Dat moet.



Drie hele maanden had ik door moeten worstelen, tweeënnegentig dagen zonder degene die me er altijd weer bovenop hielp als ik me rot voelde, die tegen me praatte als ik me alleen voelde, die me troostte als het leven me even teveel werd. Het was zwaar geweest, en eenzaam, en dat maakte dat ik me trots voelde over het feit dat ik er zo goed doorheen gekomen was als je het feit dat ik er drie maanden had bijgelopen als een slons en ik dagenlang had staan nadenken voor een raam, gefascineerd door een boom die me aan mezelf deed denken, niet meerekende. De dag dat Bill me opbelde, kwam als een geschenk uit de hemel: mijn hart sloeg een miljoen keer over bij het horen van zijn zachte stem en de vlinders in mijn buik waren direct stormachtig gaan vliegen. Het voelde alsof het voor mij nog zomer moest worden, zo geweldig voelde ik me. Ik had opeens weer zin in het leven, had de behoefte te huppelen, te dansen, te springen en te zingen, maar ik liet het omdat het wat minder ging met Julia. Ze had mijn plekje bij het raam ingenomen en ik merkte dat ze weer slaappillen nam voordat ze naar bed ging. Ik vond dat ik haar rust moest respecteren na alles wat ze voor mij gedaan had toen ik zo’n wrak geweest was.
Het moment dat ik bij Bill in de auto stapte (na een uur door het appartement huppelen om mijn haar te drogen – dat kon niet met de föhn omdat Julia nog op bed gelegen had en ik haar haar rust gunde) had iets heel magisch. Ik had het gevoel dat het in slowmotion gebeurde, alsof ik me minder snel kon bewegen door de spanning die om ons heen hing. Het gevoel dat ik hem gewoon kon aanraken als ik dat wilde, dat ik mijn lippen op die van hem kon drukken als ik daar behoefte aan had en dat ik hem zou kunnen ruiken als ik maar dichtbij genoeg kwam, maakte dat het verschrikkelijk onwaar leek. Ik had hem zo lang moeten missen dat alles weer compleet nieuw voor me was, dat iedere zintuiglijke waarneming die ik deed me overweldigde. Hij was zo dicht bij opeens. Ik had het gevoel dat ik hem zoveel te zeggen had ondanks dat ik drie maanden lang niets gedaan had, wilde hem vertellen hoezeer ik hem gemist had en hoe geweldig het voelde hem weer te zien, maar ik was zo gespannen dat ik het mijn strot niet uit kreeg. De woorden bleven hangen op mijn lippen en waren er met geen mogelijkheid vanaf te duwen.
De hele verdere reis bleef het stil tussen ons – niet ongemakkelijk, eerder rustig, alsof we er allebei behoefte aan hadden even aan elkaars bijzijn te wennen. Het enige moment van lichaamscontact tussen ons – toen hij mijn hand licht aanraakte toen hij naar de versnellingspook reikte – zette me zo in vuur en vlam dat ik me niet eens meer kon bewegen, zo intens als het was geweest. Ik besloot me te concentreren op de vallende regendruppeltjes die op de voorruit uit elkaar spatten voordat ze weggevaagd werden door de heen-en-weer-zoevende ruitenwissers van Toms auto. Normaal gesproken hield ik niet zo van het najaar (vooral tegenwoordig niet meer, omdat het me keer op keer herinnerde aan het overlijden van mijn moeder en het achterlaten van mijn vrienden) maar het feit dat ik drie maanden op de herfst had zitten wachten omdat Bill dan bij me terug zou komen, maakte het heel anders. Het najaar kwam als een bevrijding, letterlijk, een bevrijding van de laagte die me zo in zijn greep gehouden had. Ik had Bill terug en daarmee ook de zin van het leven. Eigenlijk was ik slechts een kasplantje en was Bill de kas, het water en de warmte die ervoor zorgden dat ik niet zou verdorren. Het was nogal cru om dat te bedenken, maar ik was me ervan bewust dat het nu eenmaal zo was en het feit dat ik wist dat onze relatie niet zomaar patsboem over zou zijn, maakte dat ik er niet zo zwaar aan tilde. Er was geen reden tot paniek – ten minste, toen nog niet.
Af en toe wierp ik een blik opzij om naar zijn geconcentreerde gezicht te kijken en werd ik overvallen door een wervelstorm van vlinders in mijn maag. Zijn profiel tekende zich scherp af tegen het raampje aan zijn linkerhand, in een strakke lijn die ik keer op keer volgde: zijn piekerige haar, het kuiltje waar zijn voorhoofd ophield en zijn rechte neus begon, zijn mond – eerst de smalle bovenlip, dan de volle onderlip – en de speelse ronding van zijn zachte kin voordat de lijn zijn slanke hals volgde en in zijn shirt kroop. Hij was zo mooi in mijn ogen. Het was zo verschrikkelijk fijn om weer naar zijn prachtige gezicht te kijken dat het me niet eens uitmaakte waar we heen gingen – al gingen we naar het eind van de wereld, al bleven we de hele dag rondrijden in de auto van zijn wederhelft, het interesseerde me niet. Ik had geleerd hoeveel het waard was om zo naast hem te zitten, om slechts te wéten dat hij binnen handbereik was zonder dat er daadwerkelijk iets tussen ons gebeurde. We praatten niet, maakten geen oogcontact, we wáren er alleen maar en dat was vreselijk bijzonder.
Ik had het nauwelijks door dat Bill de auto parkeerde, zo sterk was ik op hem geconcentreerd geweest in de verstreken tijd. Zijn zachte stem deed me opschrikken uit mijn trance en opeens besefte ik me hoezeer ik het gemist had naar hem te luisteren. Kippenvel verspreidde zich over mijn armen en ik rilde van binnenuit bij het horen van die paar zachte klanken die zich vermengden met het tikken van de regen. Normaal gesproken zou ik zijn woorden niet eens gehoord hebben maar omdat het al zo lang geleden was dat ik het gehoord had, sloeg het zo ongeveer in als een bom. De haartjes in mijn nek stonden recht overeind.
“Ga je mee naar buiten?”
Het was vreemd wat voor een uitwerking die kleine woordjes op me hadden, wat ze me deden voelen, ook al was het een doodnormale zin. Ik knikte loom en langzaam, mijn blik gevangen in die van hem toen hij me eindelijk aankeek. Ik verzoop in zijn chocoladebruine ogen, verdronk in het verlangen hen van dichterbij te bekijken en raakte bijna in ademnood toen hij zijn ranke hand op die van mij legde. Dat was het moment waarop ik mijn ogen afwendde omdat het me eventjes teveel werd: ik kreeg teveel Bill in te weinig tijd na het zo lang zonder hem te hebben moeten doen.
“Het regent,” zei ik zachtjes, doend alsof ik geïnteresseerd was in de regendruppeltjes die zachtjes op het raam tikten terwijl mijn aandacht nog steeds bij Bill was. Hij was zo verschrikkelijk overweldigend opeens, zo dichtbij – té dichtbij misschien wel – dat ik het er warm van kreeg. Mijn hartslag ging ongeveer twee keer zo snel als normaal en ik had het zelfde gevoel als ik had gehad toen ik hem voor de eerste keer gezoend had, zo zweverig en van de wereld, ernaar verlangend zijn lippen nog een keer op de mijne te voelen. Toen we daar zo naast elkaar in de auto zaten, naast elkaar, te overweldigd om iets tegen elkaar te kunnen zeggen dat van enige waarde was, was het alleen nog heftiger dan toen. Ik wilde niet alleen zijn lippen op die van mij voelen, ik wilde hém voelen. Ik wilde niet alleen zijn lippen proeven, ik wilde hém proeven – en ik voelde me een ontzettend slecht dat ik op dat moment alleen maar aan seks kon denken terwijl de liefde hetgeen was dat ik het meest gemist had. Zijn afwezigheid was echter zo chronisch geweest dat ik opeens verlangde naar alles van hem.
“Daar gaan we vast niet dood van,” antwoordde hij. “Kom.”
Hij opende het portier in één handige beweging en ik volgde zijn voorbeeld, om in een waas van kleine regendruppeltjes te stappen. Het was sprookjesachtig, alsof er een dikke mist over het bos lag, en ik voelde opnieuw een sterke kriebel in mijn maag, gewoon omdat de sfeer me zo perfect leek. Ik moest hem vertellen over God, over de deal, over mijn schuld en over wat ik iedereen indirect had aangedaan, en zo’n onheilspellende doch schattige sfeer leek me wel toepasselijk.
De auto schoot in het slot met één klikje op de sleutel, wat Bill heel wat minder patserig deed dan dat ik het Liam ooit had zien doen. Ik glimlachte toen zijn gezicht voor mijn geestesoog voorbij schoot en vroeg me af wat er van hem en Sa geworden zou zijn nadat ik vertrokken was. Ik had ooit beloofd nooit meer terug te komen, vooral tegenover mezelf, maar ik merkte dat ik hen miste, dat ik ernaar verlangde weer in hun armen gesloten te worden en weer even bij hen te zijn. De chaos in het leven waar ik ten tijde van Japan zo naar verlangd had, werd zo groot dat ik het liefst weer even rust wilde waarvan ik wist dat zij hem me konden bieden. Als ik maar zeker wist dat er mensen waren die op me zouden wachten, dan kon ik het daar best uithouden.
Toen Bill mijn hand pakte en hem warm omsloot met die van hem, zong mijn hele lichaam van geluk. Zijn slanke vingers verstrengelden zich met die van mij en ik herinnerde me weer hoe goed onze handen in elkaar pasten, als twee puzzelstukjes, en hoe bijzonder dat eigenlijk was. Het was er zo dankbaar voor dat ik telkens weer naar onze handen kon kijken met de wetenschap dat ik het was wiens hand hij vasthield en niet die van Nathalia of eender wie. Het feit dat we als twee puzzelstukjes in elkaar pasten, versterkte voor mij het gevoel dat we voorbestemd waren, dat we bij elkaar hoorden en dat dat altijd zo zou blijven. Dat we altijd bij elkaar zouden blijven, in voor en tegenspoed, in het leven en in de dood. Het eerste hadden we al bewezen, het tweede zou ooit nog wel komen.
Ik voelde de kleine regendruppeltjes op mijn gezicht spatten en voelde – ja, ik heb geen idee wat ik op dat moment voelde. Het valt niet te benoemen: het ging in ieder geval nog verder dan geluk. Mijn gevoel was onaards en bijna griezelig. Omdat hij lange benen had, maakte hij kleinere stapjes dan hij gewend was en ik deed juist grotere stappen dan normaal omdat mijn benen zo kort waren. Ik vond dat mooi omdat het betekende dat we rekening met elkaar hielden, zelfs met dat soort kleine dingetjes, en dat versterkte het gevoel van bijzonderheid. Die eigenschap zat er eigenlijk al vanaf dat ik een klein meisje was: de drang bijzonder te zijn.
Hoe dichter we bij de open plek kwamen, hoe meer de kriebels van geluk verdwenen en hoe meer de kriebels van nervositeit naar boven kwamen drijven. Misschien zouden we na mijn bekentenis wel nooit meer samen hand in hand lopen, zouden zijn lippen die van mij nooit meer beroeren en zou ik nooit meer dat heerlijke geluk kunnen voelen omdat hij het me kwalijk nam. Ik kon niet ontkennen dat dat terecht zou zijn – ik zou het hem misschien ook wel kwalijk nemen als hij een deal met God gesloten zou hebben (want kom óp – welke idioot sluit er nu een deal met iets waarvan je niet eens weet hoe machtig het is?) en zo mijn leven verwoest zou hebben. Als ik Bill was, zou ik waarschijnlijk een ontiegelijke hekel aan mezelf krijgen en mezelf nooit meer hoeven zien, hoeveel ik ook van mezelf zou houden en hoezeer ik ook niet zonder mezelf zou kunnen. Liefde was belangrijk, maar misschien was een fijne toekomst nog belangrijker.
Nee, dat loog ik. Voor mij was de liefde in ieder geval belangrijker dan mijn toekomst, maar ik bedacht me dat dat waarschijnlijk voor hem niet gold. Hij had de band, hij had fans waarvoor hij moest leven en hij kon dat best zonder mij. Hij had een broer die hem steunde, een moeder waartegen hij alles kon vertellen en – ja. In feite was ik overbodig.
Het meer lag er nog even verlaten bij als de laatste keer dat ik het gezien had, strak als een spiegel en onaangeroerd als altijd. Ik liet een zucht van mijn lippen ontsnappen en bedacht me dat er niets beter was dan terugkeren naar een plaats die altijd het zelfde bleef om te ontdekken hoezeer je zelf veranderd bent. Misschien was dat cliché, maar het was desondanks waar: iedere keer als ik terugkwam bij de open plek, dacht ik aan de laatste keer dat ik er geweest was en automatisch gingen mijn gedachten dan ook naar wat er gebeurd was sinds die laatste keer. Toen ik opzij keek, zag ik dat Bill waarschijnlijk ongeveer het zelfde had. Zijn lippen lagen niet volledig op elkaar en zijn blik stond op oneindig, alsof hij diep in gedachten verzonken was. Ik kwam tot de conclusie dat hij prachtig was, zijn gezicht zo versmolten in een uitdrukkingsloos geheel, de lijnen in zijn huid volledig vervaagd en zo sprookjesachtig. Bill zou niet misstaan in een sprookjesboek met zijn bleke huid, donkere haar en donkere ogen, die ranke lichaamsbouw en zijn schattige oortjes. Hij paste precies in de sfeer die het bos die dag uitademde, met al die mist en die kleine regendruppeltjes. Ik wenste dat Fleur erbij zou zijn om het te tekenen zodat ik er altijd naar kon terugkijken, want ik wist zeker dat het prachtig zou worden, dat het altijd weer hetzelfde gevoel van geluk gemengd met nervositeit in me op zou roepen. Het voelde geweldig.
“Ik moet je iets vertellen,” begon ik om hem op te laten schrikken uit zijn gedachten maar bij het zien van zijn gezicht, wenste ik direct dat ik het anders geformuleerd had. Het klonk alsof ik hem ging vertellen dat ik vreemdgegaan was of zoiets, en dat was waarschijnlijk precies wat hij vermoedde toen hij de blik in mijn ogen zag. “Het is niet wat je denkt – het is gewoon iets dat ik in het verleden gedaan heb, nog voordat Georg en ik – je weet wel…”
Hij zweeg en was stil. Zijn blik was op mij gericht, wat me nog nerveuzer maakte het te vertellen, maar ik wist dat het moest gebeuren en bovendien was er geen weg terug meer. Ik zette mijn blik op oneindig en staarde over het meer heen om zijn ogen te vermijden, want ik wist dat ik niet meer uit mijn woorden zou komen als hij mijn blik zou vangen, dat ik het oogcontact niet zou kunnen verbreken en dat ik het gesprek dan al zou afkappen voordat het eenmaal begonnen was door de magische woorden ‘laat maar’ te gebruiken. Dat was niet wat ik wilde. Ik wilde een open boek voor hem zijn, wilde dat hij alles wat ik deed zou kunnen begrijpen en dat kon niet omdat hij niet van de grootste fout in mijn hele leven afwist. Als hij daar niet van afwist, kon ik nooit echt volledig eerlijk tegen hem zijn en ik vond dat eerlijkheid één van de belangrijkste fundamenten was in relaties in het algemeen. Dat wij zelfs zonder dat deel van het fundament zo ver waren gekomen, wilde wel iets over ons zeggen, maar ik wist dat het nog beter zou kunnen worden als ik open kaart zou spelen en hem alles zou vertellen wat me dwars zat. Alles.
Na een goedkeurend geluidje te maken, begon ik aan mijn biecht, beheerst en op een toon waaraan wel te horen viel dat ik het verhaal van A tot Z had voorbereid in die dagen dat ik niets te doen gehad had. Ik vertelde hem over die ene avond in Magdeburg, dat ik na hem gezoend te hebben naar buiten was gegaan om na te denken over mijn gevoelens voor hem, dat ik achtervolgd was door een jongen en dat ik hem met zijn hoofd tegen de muur had moeten slaan voordat ik had kunnen ontsnappen. Ik wierp een snelle blik opzij en zag hoe zijn gezicht een bezorgde uitdrukking over zich kreeg, alsof hij iets wilde zeggen als ‘Waarom heb je me dat nooit verteld?’ maar hij bleef stil en liet mij mijn verhaal doen. Hij kneep zachtjes in mijn hand als steunbetuiging en liet daarmee de tranen in mijn ogen schieten: hij was lief voor me, maar dat was enkel omdat ik nog niet over God verteld had.
Ik keek weer naar de overkant van het meer en vervolgde mijn verhaal, vertelde hem over dat ik God op mijn moeder gezworen had dat ik mijn leven zou beteren als hij me zou laten ontsnappen en dat ik dat niet gedaan had. Terwijl ik hem vertelde wat dat tot gevolg gehad had, bleef Bill stil en streek hij soms met zijn duim over de rug van mijn hand om te laten weten dat hij luisterde, waarna ik zachtjes kneep ten teken dat ik het waardeerde. Halverwege mijn eindeloze relaas brak mijn stem en tegen de tijd dat ik was aangekomen bij het stuk over dat het mijn schuld was dat mijn moeder overleden was, dat het mijn schuld was dat ik naar Japan had gemoeten, dat het mijn schuld was dat hij zich had vergrepen aan de drugs, dat het mijn schuld was van álles wat er verkeerd gegaan was en dat ík het was geweest wie de levens van alle mensen om haar heen verwoest had, rolden de tranen over mijn wangen en schokschouderde ik van het huilen. Ik baalde ervan dat ik mijn verdriet zomaar liet gaan, want ik had mezelf juist nog zo voorgenomen om sterk en stabiel te blijven bij het opbiechten van mijn fouten, maar ik was al gauw tot de conclusie gekomen dat er niets verschrikkelijker was dan degene van wie je het meest houdt te vertellen dat je zijn leven hebt verwoest. Ik had verwacht dat Bill mijn hand los zou laten uit afgrijzen, maar in plaats daarvan nam hij me juist in zijn armen, streek kalmerend over mijn rug en fluisterde sussende woordjes in mijn oor. Het feit dat hij dat deed, maakte dat ik nog harder begon te huilen, maar dan van opluchting. Hij haatte me niet.
Ik was ontzettend gelukkig dat ik het hem eindelijk verteld had, bovenop het feit dat hij niet kwaad op me was. Het leek alsof er een gigantische last van mijn schouders was gevallen en dat was heerlijk: ik voelde me merkwaardig licht en vroeg me af of ik zou kunnen opstijgen en wegvliegen als ik daar mijn best voor zou doen. Bill hield me echter nog steeds stevig vast en weerhield me daarvan, wat ik totaal niet erg vond. Zijn armen waren heerlijk warm en zacht, de strelingen over mijn rug zo mogelijk nog zachter en het gevoel in mijn buik dat hij bij me losmaakte nog het meest zacht.
“Wist je dat Julia zwanger was van Tom?” vroeg ik op een gegeven moment, niet wetend waarom ik het eigenlijk vroeg. Ik had nooit geweten of hij er wel of niet van wist, dat had Julia nooit verteld en ik had haar er nooit naar gevraagd, maar het voelde als het juiste moment om erover te beginnen. Als we dan toch bezig waren met het uit de weg ruimen van geheimen en verzwegen verhalen, dan mocht dat ook wel opgebiecht worden.
Onmiddellijk toen ik de vraag gelanceerd had, verstarde hij en maakte hij zich van me los om me in mijn betraande ogen aan te kijken, zodat in één keer zowel de kalmerende geluiden als zijn strelingen wegvielen. Hij had zijn stem niet eens nodig om me duidelijk te maken dat hij er niets van wist, dat zag ik wel aan de kwelling in zijn ogen. Ik wist dat hij niet kon leven met het idee dat zijn broer iets voor hem verzwegen had, ook al was dat tamelijk eerlijk: hij had immers ook nooit verteld over zijn verslaving en waarom hij drugs gebruikte. Er welden wat tranen op in zijn ogen die hij verwoed weg knipperde en hij wendde zijn gezicht af in een poging het voor mij te verbergen.
“Ook mijn schuld,” verzuchtte ik met een triest gevoel in mijn maag, en ik sloeg mijn armen om mezelf heen ter zelfbescherming. Ik vond dat het waar was, want door God was er iets wonderbaarlijk mis gegaan en ík was degene die God tegen haar en haar omgeving had opgezet. Bill leek daar echter anders over te denken, want hij draaide zich direct na mijn woorden weer naar me terug en sloeg zijn armen om mijn middel, zijn ogen gesloten, schuddend met zijn hoofd. Hij verborg zijn gezicht in mijn nek en streelde de huid daar met zijn lippen.
“Ik geloof niet in God,” zei hij met zijn mond vlak bij mijn oorschelp, zachtjes en gebroken. “Dit is niet jouw schuld.”

Die avond bleef ik bij Bill slapen. Nadat we teruggekomen waren uit het bos en ons in de opeens behaaglijk warme auto hadden genesteld, had hij stilletjes gevraagd of ik met hem mee naar huis wilde gaan en ik – verward als ik me voelde – had daar niets op tegen gehad. Ik had geprobeerd Julia te bereiken om het door te geven maar te oordelen naar het feit dat ze niet opnam, lag die nog op bed en zodoende had ik haar maar ge-sms’t met de mededeling dat ze niet voor mij hoefde te koken die avond en dat ik pas de dag daarna weer thuis zou komen. Nog geen vijf minuten later kreeg ik een berichtje terug met een heleboel liefs erin en de mededeling dat ze ontzettend blij voor me was dat het zo goed ging na die drie maanden eenzaamheid.
Hij sliep kalm en rustig, met een onschuldige uitdrukking op zijn gezicht waarvan ik hoopte dat ik die ooit nog eens terug zou zien als hij wakker was. Hij was zo ontzettend mooi als hij sliep, zo puur en onbeschadigd, alsof alles wat er gebeurd was maar een droom was geweest. De harde trekken die normaal gesproken zijn gezicht tekenden, de verkrampte spieren en de fijne lijntjes op zijn voorhoofd, verdwenen totaal als hij rustig sliep. Hij leek zo ontzettend veel op de oude Bill, de Bill die ik had leren kennen in Magdeburg, vlak voordat ik het podium op had gemoeten, de Bill die me diezelfde avond op de wang gekust had, de Bill die zo ontzettend zijn best gedaan had mij voor zich te winnen maar daar door één van zijn beste vrienden niet in geslaagd was en daardoor getekend was. Altijd als ik me dat bedacht, altijd als ik tot diep in de nacht op die manier naar hem lag te kijken, kreeg ik tranen in mijn ogen, vooral omdat ik wist dat ik de oorzaak van alles was. Het was zo pijnlijk me dat te bedenken, zo pijnlijk te weten dat degene die op dat moment naast je ligt gesloopt is door jouw toedoen. Ik zou er alles voor doen om de tijd terug te draaien en het allemaal nog een keer te doen: dan zou ik na die eerste zoen bij hem gebleven zijn. Dan zou er geen deal gesloten worden en zou ik niet overstuur op Georg gestuit zijn, waarna die me naar huis zou brengen en me zou zoenen voor de deur bij wijze van afscheid. Alles had zo anders kunnen zijn.
Ik ging dicht tegen hem aan liggen, legde mijn hoofd op zijn beschadigde sleutelbeen en ging met mijn vingers afwezig over zijn buik, in gedachten verzonken. Voor de zoveelste keer in maanden bedacht ik me hoe verschillend de wereld eruit zou zien als mijn moeder niet tegen die vrachtwagen op was gereden en ik nooit naar Japan had moeten vertrekken. Ik vroeg me af of Bill en ik dan nog steeds bij elkaar waren en zo ja, of de fans dan al eerder van onze relatie op de hoogte gebracht zouden zijn. Ik vroeg me af of de rivaliteit tussen Georg en Bill dan nog altijd zo gigantisch zou zijn, of de harmonie tussen de band dan anders zou zijn. Ik vroeg me af of de relatie tussen Tom en Julia dan nog bestaan had, of Julia dan ook zwanger geworden zou zijn en of ze dan ook haar rode haar weggevaagd zou hebben met een fles bleekmiddel. Ik vroeg me af of mijn moeder en Albert getrouwd zouden zijn en of hij dan met háár een baby gekregen zou hebben in plaats van met zijn nieuwe vriendin. Ik vroeg me af of het een jongetje of een meisje zou zijn geworden en hoe ze het genoemd zouden hebben. Mijn moeder hield van namen die begonnen met een M, dus waarschijnlijk zou zij namen als Menora, Mara, Micha, Mick of Michel geopperd hebben, maar Albert had een hekel aan de letter M en zou waarschijnlijk voor namen als Alexander, Thijs, Esmee, Babette of Anouk een goede keuze gevonden hebben. Ik glimlachte toen ik voor me probeerde te zien hoe ze eindeloos zouden kibbelen over een geschikte naam voor de baby en hoe ze uiteindelijk mij om advies zouden vragen, waarna ik zou zeggen dat ik zou kiezen voor de naam Ruth, als het een meisje werd. Ik had altijd al iets met de naam Ruth gehad, zeker na alles wat me overkomen was, omdat zij de persoon in de bijbel was die wist hoe het was om iets te verliezen en toch altijd door was blijven gaan. Bovendien stond haar naam voor vriendschap. Waarschijnlijk zou de baby uiteindelijk alsnog een jongetje geworden zijn en hadden ze niets gehad aan mijn advies.
Ik stopte de gedachte diep weg omdat het teveel zeer deed eraan te denken en drukte mijn gezicht in Bills haar zodat ik de weeïge geur van kokos op kon snuiven, mijn ogen gesloten en mijn vingers nog steeds kriebelend over de huid van zijn buik. Onbewust streek ik over de huid waarin zijn tatoeage geprikt stond en ik dacht even terug aan een uur geleden, toen hij zijn ster op die van mij gedrukt had en we onze verlangens behartigd hadden. Het was zo geweldig geweest om na zoveel tijd weer één te zijn met hem dat het allemaal in een soort van waas gebeurd was, als een droom, maar wel een hele mooie droom.
Ik schrok op toen een getergd geluid Bills lippen verliet en toen ik half overeind keek om zijn verduisterde gezicht te bekijken, werd het al direct duidelijk dat hij in ieder geval géén mooie droom had. Zijn ogen waren gespannen toe geknepen en hij murmelde kleine woordjes waarvan ik geen idee had wat hij ermee wilde zeggen, wat hij bedoelde. De hand die ik op dat moment zachtjes streelde met mijn vingertoppen, balde zich tot een vuist en Bill draaide zich op zijn zij, met zijn gezicht van mij afgekeerd, en rolde zichzelf op tot een balletje. De manier waarop hij zachtjes kreunde deed me zeer en maakte dat ik me machteloos voelde, omdat ik wist dat er niets was dat ik kon doen om hem te kalmeren als hij sliep behalve hem wakker maken, maar hij had zijn nachtrust hard nodig.
Ik kroop tegen hem aan en streelde zijn arm en zijn buik in een poging hem te kalmeren hoewel ik wist dat het niet zou helpen. Hij rilde zachtjes in mijn armen en gooide zijn hoofd in zijn nek zodat ik zijn hals kon strelen en zachtjes mijn lippen op de vochtige huid daar kon drukken. Zijn vuisten grepen in het dekbed en hij probeerde zich om te rollen, maar slaagde daar niet in doordat ik hem stevig vasthield en nog altijd poogde hem rustig te krijgen. Zijn ogen bewogen snel onder zijn gesloten oogleden en hij kermde onrustig vlak voordat hij in elkaar door en zijn hoofd richting zijn knieën bracht. Ik had geen idee wat ik moest doen om hem stil te krijgen, om die vreselijke nachtmerrie uit zijn hoofd te krijgen en hem in alle rust verder te laten slapen. Ik had hem al wel vaker zien dromen, maar meestal waren die niet zo heftig als deze keer. Hij schokschouderde en kreunde net zoals die ene keer dat ik hem onder de douche gevonden had, al was hij toen niet in dromenland geweest – was het maar zo. Ik dacht er vreselijk veel aan hoe geweldig het zou zijn om op een dag wakker te worden en me te realiseren dat ik nog maar zes jaar oud was, dat mijn leven nog op het punt van beginnen stond. Nu ik wist wat er allemaal mis kon gaan, zou ik alles zo anders doen. Ik zou zorgen dat mijn vader iedere dag op tijd thuis zou móéten komen zodat hij geen tijd zou hebben om vreemd te gaan; desnoods zou ik met opzet mijn been breken, als hij maar bij mij en mama bleef. Ik zou serieus proberen gitaar te leren spelen zodat ik naar het conservatorium zou kunnen en een carrière in de muziek zou kunnen bemachtigen en mijn ouders trots op me zouden kunnen zijn. Ik zou een bandje beginnen met Fleur en Julia, meedoen aan het open podium in Magdeburg en daar de band Tokio Hotel ontmoeten. Wij zouden het platencontract krijgen in plaats van hen, zodat Julia de kans zou krijgen een relatie met Tom op te bouwen zonder dat hij opeens omgeven zou zijn door groupies waarmee alles zoveel makkelijker en sneller ging dan met een vaste vriendin. Bovendien zou Nathalia dan nooit een reden gehad hebben zich in het hele gebeuren te mengen. Ik zou me vanaf die avond volledig op Bill concentreren en hem zijn nummer míj laten geven in plaats van andersom, zodat Georg de kans niet zou krijgen sms’jes te sturen naar een meisje dat niets van hem moest hebben – zeker niet als ik dan al zou weten wat hij in de toekomst aan zou kunnen richten. Een maand voordat de eerste single van Autumn Leaves in de schappen zou komen te liggen, zou ik me door Bill laten zoenen en hem mijn liefde verklaren voordat we op tour zouden gaan. Ik zou hem iedere avond opbellen en hem lieve woordjes influisteren tot hij uiteindelijk in slaap zou vallen en heerlijk zou dromen over – ja… over alles waar hij op het eigenlijke moment níét van droomde.
Ik draaide hem met een zucht op zijn rug toen hij even stil en ontspannen in mijn armen lag en hij zijn hand al slapend over die van mij op zijn onderbuik gelegd had. Ik streek wat vochtig haar uit zijn gezicht, dat direct daarna weer vertrok alsof een onzichtbaar iemand hem folterde. Zijn handen grepen het dekbed en hij probeerde zichzelf weer op te rollen, maar ik hield hem tegen door half bovenop hem te gaan liggen en zijn schouders vast te houden. Ervan overtuigd dat ik de strijd tegen de nachtmerrie zou verliezen, bleef ik doorgaan met het fluisteren van sussende woordjes en streelde ik zijn gezicht, waarin iedere denkbare spier gespannen was. Ik vroeg me af waarover hij droomde, en dan vooral of het over drugs ging.
Plotseling ontdekte ik ‘nee’ in het scala van onbegrijpbare woorden dat hij nog altijd murmelde. Hij bleef het telkens herhalen, eerst zachtjes maar daarna harder totdat het een soort van wanhopige smeekbede werd, alsof hij door telkens ‘nee’ te zeggen de nachtmerrie kon laten stoppen. Ik pakte zijn hand vast en ging met de vingertoppen van mijn vrije hand over zijn trillende lippen. Hij slikte moeizaam, schudde zijn hoofd wild en draaide zich op zijn zij, waarbij ik van hem afgleed en ik mijn hand op zijn middel kon leggen. Nog altijd in slaap legde hij zijn voorhoofd tegen dat van mij, onbewust op zoek naar steun waarvan ik bereid was hem te geven als ik maar wist hóé, nog steeds krampachtig ‘nee’ uitstotend alsof het een soort van noodkreet van hem was, alsof hij wilde roepen dat ik hem moest redden, maar ik wist niet hoe.
Plotseling vlogen zijn ogen open en keek hij me recht aan. Het moment duurde seconden lang, alsof het een film was die op pauze gezet was maar dat kon niet aangezien hij wél jachtig ademde. Na wat een eeuwigheid leek te duren, sloeg hij zijn handen voor zijn ogen en brak hij opeens open, zoals ik hem dat nog nooit had zien doen. Hij begon te huilen met gierende uithalen als een klein kind dat doodsangsten uit had gestaan en plotseling weer in veiligheid was en het was zo hartverscheurend dat ik er buikpijn van kreeg. Toen ik zijn handen van voor zijn ogen haalde, zag ik dat de tranen over zijn wangen stroomden en hij kneep zijn ogen dicht om zijn schaamte te verbergen. In een impuls en een week gevoel in mijn hele lichaam trok ik hem tegen me aan en liet hem zijn gezicht in mijn nek begraven, die direct vochtig werd van zijn tranen. Ik streek langs zijn rug en fluisterde zachte geluiden in zijn oor terwijl zijn schouders bleven schokken van het huilen. Hij klampte zich aan me vast, zette zijn nagels zo hard in mijn rug dat het pijn deed, maar het maakte me niets uit omdat ik voelde dat ik er voor hem moest zijn.
“Tom,” fluisterde hij op een gegeven moment gebroken. “Wil je Tom halen?”
Hij keek me aan met een blik zó vol van verdriet dat ik het niet kon weigeren, ook al wist ik dat Tom me zo ongeveer zou vermoorden als ik hem midden in de nacht wakker zou maken. Ik streek wat haar uit zijn gezicht en maakte aanstalten uit bed te stappen, maar hij bleef zich krampachtig aan me vasthouden, nog altijd met die meelijwekkende en prachtige blik in zijn ogen. Hij keek smekend, alsof hij het niet aankon alleen achter te blijven en ik wist dat dat zo was.
“Niet weggaan,” bevestigde hij mijn vermoeden, zichzelf tegensprekend. Ik keek hem diep in zijn ogen, zag de wanhoop en de vernietigde ruïne van wie hij ooit geweest was en ik kón hem gewoon niet laten lijden. Ik drukte mijn lippen op die van hem, proefde het zout van zijn gevallen tranen en voelde dat zijn lippen nog altijd trilden. Zonder het lichaamscontact te verbreken streelde ik de zachte en vochtige huid van zijn hals, borst en buik, tot aan het randje van zijn boxershorts. Daarna nam ik afstand en maakte ik opnieuw aanstalten het bed uit te stappen. Dat keer hield hij me niet tegen.

Een dag of vier later zat ik in gedachten verzonken mijn nagels te lakken, in een felle kleur rood die me deed denken aan de aardbeientaarten die mijn moeder vroeger wel eens bakte en de kleur van haar lippenstift, waarmee ik als klein meisje altijd de grootste lol gehad had als ik ‘clowntje’ ging spelen met Fleur en Julia. Diezelfde Julia, maar dan een stuk of veertien jaar ouder, zat op dat moment aan tafel met een kop thee, een koektrommel en een gigantische stapel boeken waarvan ik blij was dat ze niet van mij waren. Julia had het afgelopen jaar een achterstand opgelopen wat school betreft, wat natuurlijk kwam door de slapeloze nachten en al het ongeluk dat haar overkomen was en dat moest ze allemaal inhalen in het tweede jaar van haar studie. Gelukkig ging het wat beter met haar, afgezien van de diepe inzinkingen die ze af en toe had, en had ze in die heldere momenten genoeg motivatie om haar achterstand in te halen.
Terwijl ik luisterde naar het krassen van haar pen, dacht ik terug aan de avond van Bills nachtmerrie. Met tranen in mijn ogen omdat ik het beeld van de wanhopige blik in Bills ogen maar niet van mijn netvlies geveegd kreeg, had ik hem wakker geschud en hem gesmeekt uit bed te komen omdat Bill om hem vroeg. Ik weet zeker dat het niet de gepanikeerde toon in mijn stem geweest was die hem uiteindelijk uit zijn bed gekregen had, maar het feit dat zijn broertje hem nodig had en dat had mijn hart tegelijkertijd verscheurd en verwarmd. Tom was langs me heen naar de slaapkamer naast die van hem gelopen, daar naast Bills bed gezakt en hem zachtjes gezegd dat alles weer oké was, dat hij veilig was bij ons. Ik had het heerlijk gevonden dat hij het woord ‘ons’ gebruikt had, omdat het betekende dat hij dacht dat ik het ook in me had Bill te beschermen, hoewel ik me op dat moment ontzettend stom vond omdat ik er zelf niet opgekomen was Bill te zeggen dat ‘alles oké’ was. Die drie kleine woordjes leken hem rustiger te maken dan alle andere dingen die ik in het half uur daarvoor sussend gefluisterd had.
“Alles is oké.”
Ik glimlachte bij de gedachte aan Bills porseleinen gezicht, de aanblik van hoe hij rustig werd van Toms aanwezigheid. Tom had me geboden een glaasje water voor zijn broertje te gaan halen in de badkamer, wat ik gedaan had zonder tegen te stribbelen omdat ik het gevoel had gehad dat ik nogal overbodig geweest was. Ik was expres langer in de keuken rond blijven scharrelen zodat Bill de kans kreeg zijn verhaal te doen zonder dat ik daar als een remmende factor maar een beetje stond te staan en ik was pas weer naar boven gegaan toen er meer dan vijf minuten verstreken waren. Boven had ik de broers samen in bed aangetroffen, Bill huilend in Toms armen en Tom Bill kalmerend door precies het zelfde te doen als ik. Telkens als Bill adem hapte om iets te zeggen, kapte Tom hem zachtjes af door dingen als ‘het is goed’ en ‘stil maar’ te zeggen en Bills gezicht tegen zijn schouder te drukken. Het was zo verschrikkelijk mooi geweest dat ik als bevroren naar het wonderschone tafereel had staan kijken totdat Tom me gewenkt had om me duidelijk te maken dat ik hem het glas water aan had moeten geven. Een week gevoel verspreidde zich in mijn buik toen ik weer voor me zag hoe Tom Bills bovenlichaam omhoog getild had, hoe hij het glas water aan Bills lippen gezet had en hoe Bill het gulzig had opgedronken, alsof hij drie dagen in de woestijn had doorgebracht.
Terwijl ik aan mijn tweede hand begon en het kwastje in de rode lak doopte, dacht ik terug aan de autorit van het bos naar Loitsche, hoe stil Bill gedurende die paar minuten geweest was. De verwarde uitdrukking op zijn gezicht was onvergetelijk geweest, de leegte in zijn ogen onpeilbaar. Het feit dat zijn broer hem niet verteld had over één van de meest verschrikkelijke gebeurtenissen in zijn leven, had hem merkbaar zeer gedaan en dat was voornamelijk de reden geweest dat ik het zo mooi gevonden had dat Bill en Tom Bills verdriet gedeeld hadden. Toen we samen in de auto gezeten hadden, was ik – net als Bill – vrij bang geweest dat ze uit elkaar gegroeid waren, maar het had gebleken niet zo te zijn – gelukkig. Ik zou niet weten wat Bill moest zonder zijn broer en andersom.
Ik keek met een schuin oog naar Julia, die net een krakeling uit de koektrommel pakte, en probeerde me voor te stellen hoe ze het zou doen als moeder. Direct kwam ik tot de conclusie dat ik dat niet kon. Tom als vader ging nog wel, maar alleen als het een jongetje geworden zou zijn: hij zou waarschijnlijk de hele dag met hem stoeien, armpje drukken, hem leren hoe de kleur blond eruit zag en hoe hij de D-cuppers moest onderscheiden van de A-cuppers. Tom zou ervoor zorgen dat zijn zoon een exacte kopie van hemzelf zou worden, met dreads en maatje XXXL en al – met en dochter zou hij waarschijnlijk niets kunnen aanvangen. Met een zucht concludeerde ik opnieuw dat het beter was dat het kindje nooit geboren was.
Een vloek rolde over mijn lippen toen ik scheef lakte en ik een rode streep nagellak op de tafel trok. Gefrustreerd trok ik mijn blik los van Julia, die onverstoord door bleef werken, en pakte chagrijnig de fles roze nagellakremover die naast me stond om er een scheut van op een wattenschijfje te doen. Natuurlijk moest ook dat verkeerd gaan en schonk ik de helft over mijn vingers, waardoor mijn nog niet eens opgedroogde nagellak al direct begon te rimpelen en het duidelijk werd dat ik wel weer overnieuw kon beginnen. Mijn humeur was direct verpest voor de rest van de dag. Met een woeste uitdrukking op mijn gezicht begon ik de rode lak van mijn vingers te boenen, zo krachtig dat ik op een gegeven moment mijn vingertopjes niet meer voelde.
“Lukt het?” hoorde ik van achter een gigantisch boek waaruit Julia iets overschreef, te oordelen naar de vinger met de keurig gelakte nagel (ik gromde) die ze bij het eind van een regel hield. Ik wierp haar een doodse blik toe en boende de rode streep van de tafel.
“Hou je erbuiten,” antwoordde ik met een grafstem terwijl ik aanstalten maakte om overnieuw te beginnen. Direct hield ze haar mond en ging ze door met haar werk, precies zoals ik haar niet al te subtiel gevraagd had om te doen, maar ik merkte al meteen dat ik het vervelend vond dat ze me gehoorzaamde. Vroeger zou Julia met een grote grijns op haar gezicht haar middelvinger naar me opgestoken hebben en me verder geplaagd hebben met het feit dat ik oud genoeg was om te weten hoe ik mijn nagels moest lakken, waarna ik uiteindelijk in lachen uitgebarsten zou zijn en haar gelijk zou hebben geven waarna de stemming weer gezellig zou zijn. Doordat ze echter precies deed wat ik haar vroeg, bleef de chagrijnige stemming hangen en dat voelde vervelend. Ik hield er niet van om Julia af te bekken maar normaal gesproken leek het door die draai die ze aan het gesprek gaf net alsof het een grapje geweest was. Die draai ontbrak.
Ik draaide de dop van de nagellakremover weer op de fles en doopte het kwastje in de lak, met het voornemen me niet meer te laten afleiden door een heel scala aan gedachten. Dat ging echter al direct weer fout doordat ik vanuit mijn ooghoeken zicht had op de tekening die Fleur ooit van mij en Bill gemaakt had, bij de kerk, die ene met die traan. Ik dacht weer aan Bills breekbaarheid en wat ik hem had aangedaan en verloor mezelf direct weer in de woeste rivier die zich ‘mijn gedachtestroom’ noemde. Dat was ook de reden dat mijn pink al direct mislukte en ik geërgerd zuchtte om mijn eigen stupiditeit. Julia hief haar hoofd op.
“Zal ik het doen?” vroeg ze behulpzaam, maar bezorgde me daarmee wel een vreemd gevoel in mijn buik. Het was zo verschrikkelijk lief van haar dat ze het aanbood nadat ik haar zo afgesnauwd had, maar tegelijkertijd ergerde ik me aan het aanbod omdat ze leek te denken dat ik niets zelf kon – wat ook waar was, daar niet van, maar toch. Ik zuchtte, draaide de dop op het flesje en schoof het voor me uit als uitnodiging dat ze me mocht komen helpen. Ze grijnsde breed, legde haar pen neer, schoof haar stoel achteruit en kwam tegenover me zitten aan de tafel in het midden van de zithoek. Ik spreidde mijn vingers en legde mijn handen voor haar op tafel waarna zij naar het potje greep en de dop er afwezig afdraaide. Ik bestudeerde haar gezicht waarin nog altijd de glans van vroeger miste en vroeg me voor de miljardste keer in weken af hoe alles in godsnaam zo verkeerd had kunnen gaan. Als Julia en Tom besloten zouden hebben het kind te houden, zou Julia nu ongeveer net bevallen moeten zijn en ik merkte dat ik het vreemd vond om me dat voor te stellen. Julia was totaal geen type om met een kind op haar arm door het huis te lopen, met een kinderwagen rondjes door de schaarse parken in Magdeburg te lopen en het in slaap te wiegen als het net zijn flesje melk gedronken had. Julia was geen moederlijk type en zou dat ook nooit worden.
“Waarom wist Bill niet af van de baby?”
Het floepte eruit voordat ik er erg in had. Ik had zo gebiologeerd naar haar zitten kijken en na zitten denken over Bill dat ik niet eens doorhad dat ik sprak totdat de woorden mijn lippen verlaten hadden. Ik had min of meer verwacht dat ze zou verstijven, het kwastje neer zou gooien en de kamer zou verlaten om me een week niet meer onder ogen te komen, maar wonder boven wonder bleef ze rustig doorlakken. Mijn hart, dat heel eventjes sneller was gaan kloppen, kwam weer tot rust terwijl ik wachtte op een antwoord waarvan ik zeker wist dat ze het zou gaan even. Julia was niet iemand die zou blijven zitten als ze me geen antwoord wilde geven.
“Omdat we hem er niet mee wilden belasten,” antwoordde ze zonder haar blik van mijn handen af te wenden, de nagel van mijn ringvinger rood kleurend. Daarna viel er een korte stilte waarin ik wachtte op meer informatie waarin ik zeker wist dat die zou komen. Toen het te lang stil bleef naar mijn zin en ik net weer het woord wilde nemen, kapte ze me echter af. “We wilden níémand ermee belasten, het was óns probleem. Iedereen had het druk met andere dingen, niemand had zin in zielige verhalen van Tom en Julia die zichzelf in de nesten gewerkt hadden door een fucking báby te kweken, gelóóf me. Bill zat aan de coke, Gustav en Georg probeerden de band bij elkaar te houden en Fleur had het te druk met school om nog aan andere mensen te denken. Het was óns probleem, ónze beslissing. Níémand wist ervan.”
Ik viel even stil, had geen idee wat ik kon zeggen. Het klonk zo alsof ze gelijk had, ook al keurde ik het niet echt goed dat ze haar vrienden en vriendinnen buiten een zaak gehouden had die zo bepalend voor haar leven was geweest. Het was haar leven, natuurlijk, háár beslissing, maar ik vond het zo rot dat ze altijd alles maar alléén wilde doen terwijl ze vrienden had die haar best wilden helpen als ze daar maar om gevraagd had. Ik wist zeker dat Fleur haar schoolwerk met liefde aan de kant gelegd had als Julia haar verteld had dat ze een kind in haar buik had waarvan ze niet wist wat ze ermee moest, net zoals ik zeker wist dat Gustav en Georg de band tijdelijk in de ijskast zouden hebben gezet als Tom hen om hulp gevraagd had. Ik wist zelfs zeker dat Bill míj even uit zijn gedachten zou hebben gezet als hij geweten had dat zijn broer hem nodig had gehad, dus ik kon niet begrijpen dat ze het niet verteld had.
“Zou je het wel aan mij verteld hebben? Als ik in Duitsland had kunnen blijven, bedoel ik?”
Ze schudde direct haar hoofd en stelde me daarmee teleur. Haar broze krullen zwiepten dor langs haar gezicht terwijl ze het kwastje in de nagellak doopte en aan mijn tweede hand begon.
“Jij zou het waarschijnlijk te druk hebben met rouwen om je moeder, een studie uitzoeken, Bill, dat soort belangrijke dingen. Door je verdriet zou je waarschijnlijk niet eens gezien hebben dat Tom en ik een probleem hadden. Misschien pas na de – je weet wel, maar eerder niet. Niemand had het door voordat-”
“Het is al goed,” kopieerde ik Toms woorden van vier dagen daarvoor toen ik merkte dat het haar eventjes teveel werd. “Ik vond het gewoon rot dat Bill van niets wist, dat is alles…”
Er viel een doodse stilte toen die woorden weggestorven waren. Als ik in haar plaats gestaan had, zou ik waarschijnlijk gevraagd hebben of ik het Bill verteld had, maar Julia was zo snugger dat ze die conclusie kon trekken zonder me ernaar te vragen. Het leek haar ook weinig uit te maken dat hij het wist, waarschijnlijk omdat ze het toch als een afgesloten hoofdstuk in haar leven beschouwde en ze zich op andere dingen wilde concentreren – wat haar nog lukte ook. Ik beneed dat zo in haar: als ze iets achter zich wilde laten, dan deed ze dat ook gewoon. Ik daarentegen bleef terwijl ik wel wílde verder leven, steeds hangen in het verleden.
Ze slaakte een diepe zucht en bedekte de nagel van mijn laatste duim met een laagje rood dat me op dat moment niet meer deed denken aan de aardbeientaarten van mijn moeder, maar aan de kleur die haar haar vroeger gehad had. De glans van de nagellak kwam overeen met hoe haar ogen vroeger geglansd hadden, deed me denken aan haar stralende glimlach en ik werd overspoeld door een golf van heimwee naar wie zij vroeger geweest was, naar hoe ík vroeger geweest was. De onbezorgde tijden van vroeger bleven maar aan me trekken, aan mijn geweten knagen. Het was zo verschrikkelijk lang geleden dat Fleur en ik Julia hadden geplaagd met het feit dat ze bij de marjorette gezeten had, dat we iedere willekeurige keuken ondergespoten hadden met frisdrank en dat we bij elkaar aan hadden geklopt als we een probleem hadden, of wilden praten over hoe onze nieuwe vriendjes zoenden. Het leek eeuwen geleden.
“Dankjewel,” zei ik haar als dank dat ze mijn nagels gelakt had, maar zo klonk het niet. Het klonk meer als ‘dankje dat je me dit verteld hebt’ of ‘dankjewel dat je mijn vriendin wil zijn ondanks dat ik je leven verpest heb’. Ik werd me ervan bewust dat Julia één van de weinige personen in mijn leven was op wie ik werkelijk kon bouwen, ook al was ze een wrak en ook al had ze zelf nog niet eens een fundament waarop ze zélf kon leunen. In feite was Julia iemand waarvan ik zielsveel hield, ook al had ik mezelf dat nooit zo met die woorden beseft. Ik had het wel geweten, diep van binnen, maar nooit had ik erbij stilgestaan dat dat wat wij hadden ook een vorm van houden van was. Toen ik haar zo aankeek, zag ik dat ik haar niet kon missen en dat dat voor haar ook gold.

Ik zag Mirre heel duidelijk, al was het niet bepaald duidelijk te zien dat zij het was. Haar normaal gesproken donkere, krullende haar was spierwit en zat gebonden in een strakke staart. Haar gezicht was al even bleek als haar haren en haar lippen waren felrood, net zoals haar lange nagels. Ik kon me niet herinneren dat Mirre ooit lange nagels gehad had, de donkere make-up die ze droeg was ook nieuw voor me en voor zover ik wist, was ze nooit ontevreden geweest met haar haar. Spierwit stond haar niet, zeker niet in combinatie met haar huid en met de knalrode lippen was ze net een porseleinen pop, wat nog versterkt werd door haar breekbare uitstraling. Ze was magerder dan ik haar ooit gezien had, maar vreemd genoeg stond het bij de nieuwe look die ze zich blijkbaar aangemeten had. Het was alsof het zo hoorde.
De omgeving was me onbekend, maar stond me al direct tegen. Het was bouwvallig, rook er muf en de grond was bezaaid met uitgetrapte peuken en dingen die ik niet kon identificeren. Ik vroeg me af waar we waren, of Mirre er woonde en zo ja: waaróm in godsnaam. Het was er eng, de sfeer die er hing was onprettig door de grote en vuile ramen in de ene muur van het vertrek en ik had het gevoel dat het gebouw in elkaar zou storten als ik ook maar één stap zou zetten. In een asbak op de vermolmde houten vloer smeulde een sigaret.
Een paar meter achter Mirre zag ik een jongen die ik niet kende. Hij had piekerig wit haar dat in zijn gezicht sprong en net zo wit was als dat van Mir, en hij torende meer dan een kop boven haar uit. Ik voelde direct een soort van angst jegens hem, door de mate waarin hij me imponeerde, door de trekken in zijn gezicht. Hij leek me verbitterd, beschadigd, maar ik zag ook dat hij dat niet wilde laten zien. Hij was knap door die gigantische zweem van mysterie die om hem heen hing en ik zag in één oogopslag dat Mirre van hem hield: hij droeg haar ketting.
Opeens was hij weg en waren Mirre en ik alleen. Het begon te regenen en te waaien en toen het gebouw begon te schudden, verloor ik bijna mijn evenwicht. De smeulende sigaret rolde uit de asbak naar een hoekje van de vuile ruimte, waar hij zwak bleef gloeien tussen een aantal papiersnippers. Mirre liep naar een raam en keek naar buiten. Ik wilde naar haar toe lopen, maar mijn benen waren zwaar en ik had opeens het gevoel dat ik onder water was, hoewel de lucht om me heen droog was. Ik kwam maar langzaam vooruit, alsof ik tegen een niet-bestaande stroom in liep en opeens overviel een gigantische angst me. Mirre bleef rustig staan, haar blik naar buiten gericht, oneindig ver. Ze had zo’n vreemde waas over haar ogen, alsof ze niet echt leefde of hallucineerde. Dat, gecombineerd met hoe onaards ze eruit zag, maakte me bang.
Toen ik na een oneindigheid tegen de onzichtbare krachten gevochten te hebben en ik achter Mirre stond, schrok ik me een ongeluk. Haar spiegelbeeld was niet echt haar spiegelbeeld – het was meer het tegenovergestelde van haar. De ‘echte’ Mirre droeg wit, had gebleekt haar en een huid zo wit als papier, haar spiegelbeeld had daarentegen donker haar, een asgrauwe huid en vleugels van zwarte veren. Ze huilde, maar het kan ook zijn dat ik het verwarde met de regen die tegen het raam beukte. Het was in ieder geval angstaanjagend en maakte dat ik even niet meer wist hoe ik adem moest halen. De dingen die ik normaal gesproken automatisch deed, gingen opeens niet meer: ademen, bewegen, kijken, zelfs mijn hart klopte niet meer.
Mirre draaide zich rustig en sereen naar me om en keek me recht aan, met wijd open gesperde ogen. Ik schrok – ten eerste omdat ik had gedacht dat ik onzichtbaar voor haar geweest was en ten tweede omdat de leegte in haar ogen me intrigeerde. Vroeger had ze altijd groene ogen gehad, maar nu waren ze van het puurste grijs dat ik ooit gezien had. Ze leken op tunnels van steen, lange tunnels zonder een licht aan het einde. Putten met water. Onpeilbaar. Diep. Dood.
Toen ik een schittering in haar ogen zag waarvan ik me realiseerde dat het een weerkaatsing was van wat er achter me gebeurde, draaide ik me met een ruk om. Mijn hart begon weer te kloppen op het moment dat ik doorkreeg dat er werkelijk waar overal vuur was, behalve tussen Mirre en mij in. Ik schrok me kapot, voelde hoe ik het steeds warmer kreeg door de dansende vlammen om me heen. De paniek die zich in mijn borst verspreidde, was ontzettend groot, immobiliserend bijna, ik wist niet wat ik moest doen. Ik wendde mijn hoofd vliegensvlug naar Mirre toe, die het raam geopend had en op de vensterbank klom. Ik wist precies wat ze ging doen, dat ze ging springen om te ontkomen aan de vlammen en ik wilde gillen, schreeuwen dat ze bij me moest blijven en dat we samen een andere weg zouden vinden om eruit te komen, maar het ging niet. Sirenes zongen in de verte, maakten mijn paniek groter en groter, lieten het opzwellen als een luchtballon. Mirre keek om, ze zei mijn naam en zei dat ik met haar mee moest komen, ik schudde mijn hoofd.
Ze haalde haar schouders op en stapte in de diepte.
Ik schreeuwde, rende naar het raam. Opeens was het onder-water-gevoel weg en schoot ik door de ruimte, totaal in paniek, de warmte brandend achter me. Toen ik uit het raam hing, zag ik Mirre, omringd door sensatiezoekers, haar witte haren als een waaier uitgespreid op de grijze stoep onder haar. De mensen om haar heen deden niets, ze stonden alleen maar en keken naar hoe ze daar lag: slap, wit, met lippen rood als bloed, haar lichaam gebroken. Ik schreeuwde om hulp, maar ze keken niet op en bleven maar naar mijn nichtje kijken, naar hoe betoverend ze eruit zag, onaards, als een elfje uit een sprookje.
Ik hoorde een zachte stem achter me, laag, misschien een beetje raspend. Met een ruk draaide ik me om en zag ik de jongen die ik al eerder gezien had, met het witte piekerige haar en de piercing in zijn onderlip. Hij stak zijn hand uit en klapperde met de witte vleugels die zich ontvouwden op zijn rug. Ik keek hem niet-begrijpend aan en hij deed een stapje naar me toe, met een vriendelijke uitdrukking op zijn gezicht. Achter hem duwde een meisje op, lang en slank, met al net zulk wit haar als Mirre en de jongen, met rode lippen en donkere nagels. Ze was betoverend mooi, net zoals hij, net zoals mijn nichtje en ik schrok toen ik haar hoorde praten. Ze zei dat ik mee moest komen, dat we er samen wel uit zouden komen, maar ik schudde mijn hoofd. Toen ze dichterbij kwam, deinsde ik achteruit.
Ik voelde de aarde onder mijn voeten verdwijnen en viel. Tot ik neerkwam.


Jachtig ademend werd ik wakker, verhit door de paniek en het vuur dat achter me opgelaaid was en het duurde even voordat ik doorkreeg dat ik in veiligheid was, dat er niets meer was om bang voor te zijn. Ik lag gewoon op mijn bank, omsloten door de dekens waaruit ik me direct probeerde te bevrijden toen ik doorkreeg dat dat de reden was dat ik het zo warm had, en er was niets dat probeerde me zeer te doen. Er was geen vuur, geen jongen, geen Mirre, geen enge spiegelbeelden en geen kraakpand. Niets. Alleen rust.
“Gaat het?” hoorde ik opeens een stem vanuit de duisternis klinken. Hoewel ik wist dat het Julia was (want het kon niemand anders zijn) schrok ik me rot doordat het zo onverwacht kwam. Ik draaide mijn hoofd in alle kanten om te zien waar het geluid vandaan kwam en zag haar toen, haar silhouet donker afstekend tegen de witte keukendeur waarvoor ze stond. Blijkbaar was ze uit bed gegaan om een glas water of eender wat te pakken en was ze middenin de deur-open-makende beweging gestopt (haar hand lag nog op de deurkruk) toen ze mij wakker had horen worden. Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht en wreef met mijn wijsvingers in mijn ogen.
“Nachtmerrie,” kreunde ik. Op de één of andere manier schaamde ik me ervoor dat ze me dromend had gezien, ook al was ze mijn beste vriendin. Mijn moeder had me ooit gezegd dat ik soms debiele dingen deed in mijn slaap, zeker als ik droomde, en zodoende geneerde ik me.
“Ik merk het,” antwoordde ze en ze liep de keuken in, mijn daarmee alleen achterlatend met de vragen en vrezen die door mijn hoofd spookten. Ik liet mezelf achterover in mijn kussen zakken en staarde met grote ogen naar het plafond, geen idee hebbend wat ik moest aanvangen met mijn nachtmerries. Ze verontrustten me, maar ik wist niet of ik ze serieus moest nemen of niet. Het waren maar dromen, hersenspinsels van dingen waar ik overdag teveel mee bezig was, maar ze leken vaak zo levensecht dat ik dacht dat ik ze wel serieus móést nemen. Misschien zou ik er spijt van krijgen als ik het niet deed, maar ik zou paranoia overkomen als ik er een hele betekenis achter zou gaan zoeken waar achteraf niets van waar zou blijken te zijn. De vraag was welk risico ik wilde nemen.
Ik sloot mijn ogen en probeerde het gezicht van die ene jongen voor me te zien, maar daar slaagde ik niet meer in. Zijn uiterlijke kenmerken kon ik me nog wel bedenken, het feit dat hij wit haar gehad had, dat hij lang geweest was en dat zijn ogen kil en koud geweest waren, maar ik kon ze niet meer samen passen tot de puzzel die uiteindelijk het beeld moest vormen. Wat ik me nog wel kon herinneren, was het gevoel dat hij in me opgeroepen had: het beklemmende gevoel dat ik gekregen had toen ik naar hem gekeken had, het overheersende dat hij over zich gehad had, alsof alles ondergeschikt moest zijn aan hem – ik wist dat het niet goed geweest was dat hij in die droom gezeten had, noch was hij goed voor Mirre. Als hij wel echt bestond. Ik vroeg me af waarom hij in godsnaam haar ketting gedragen had, want dat kon er alleen op wijzen dat zij van hem hield, maar iedere idioot kon zien dat hij geen goede jongen was. Ook Mirre.
Plotseling schoot me iets te binnen, heel vaagjes, van jaren terug. De laatste keer dat ik haar gezien had, in de zomervakantie, was ik nogal nijdig op haar was geweest vanwege haar geflirt met Bill (geheel onterecht, want ik was toen nog met Georg samen geweest). Bij ons afscheid, buiten, had ze haar excuses aangeboden en toen was er een naam gevallen die ik me nog duidelijk kon herinneren omdat ik hem zo mooi gevonden had.
Ach – het maakt ook niet uit, eigenlijk. Als ik weer naar school moet en Aiden zie, dan – nou ja. Je weet wel…
Aiden. Mirre had alleen zo aan Bill gehangen die keer omdat ze Aiden zo nodig wilde proberen te vergeten, maar ze had zelf ook wel doorgehad dat ze dat niet zou kunnen. Mirre had van hem gehouden, je hoefde haar niet eens goed te kennen om dat uit die paar woorden op te maken. De toon waarop ze de zin had uitgesproken, had genoeg gezegd. Ik herinnerde me het gebroken stemgeluid en bedacht me dat hij waarschijnlijk onbereikbaar voor haar geweest was, dat hij iets was waarvan zij dacht dat ze het nooit zou kunnen krijgen. Blijkbaar was het haar toch gelukt, min of meer, want hij had haar ketting gedragen. Ik begreep niet waarom ik over hem droomde, waarom ik over Mirre droomde en waarom die dromen zo griezelig waren, stuk voor stuk. De eerste keer had ze zichzelf in een zwart gat gegooid, de tweede keer was ze in het wit en met vleugels op mijn bruiloft verschenen en nu gooide ze zichzelf uit het raam – ik kwam er maar niet achter wat het kon betekenen. Misschien waren het maar gewoon dromen, voor zover je ze ‘gewoon’ kon noemen, maar aan de andere kant had ik al eens vaker iets levensechts gedroomd en een aantal weken daarna was mijn moeder overleden.
“Hier, pak aan,” hoorde ik opeens, waardoor ik opschrok uit mijn gedachten. Ineens kreeg ik door dat Julia voor me stond met twee glazen water en dat ze één daarvan in mijn handen probeerde te duwen. Ik ging rechtop zitten, pakte het aan maar dronk niet. Vreemd genoeg, ondanks de hitte die ik in mijn droom had doorstaan, had ik geen dorst. Ik draaide met mijn glas zodat er een klein draaikolkje ontstond en verloor me even in die kleine herinnering van vroeger, aan de vergane keren dat ik hetzelfde met mijn drinken gedaan had. Die keer dat ik bij Georg thuis op de bank gezeten had en jus d’orange gedronken had omdat ik niet ongezond over wilde komen. Die talloze keren dat ik het gedaan had terwijl ik Bill had aangestaard over de tafel waaraan we op dat moment aan gezeten hadden. Lang geleden, met mijn moeder en een kop thee op de bank. Nog langer geleden, met mijn vader, toen we stiekem dingen gedronken hadden waarvan mijn moeder het niet wilde hebben omdat het ongezond was voor kinderen. Een glimlach kroop over mijn gezicht toen ik mijn ogen opsloeg en zag dat Julia ook draaikolkjes zat te maken, net zoals vroeger. Haar ogen ontmoetten die van mij en we wisselden een blik van verstandhouding, wisten precies waar de ander aan dacht op dat moment. Aan vroeger, zoals altijd.
“Waar droomde je over?” vroeg ze op een gegeven moment, de hemelse stilte doorbrekend met haar weke stem. De manier waarop ze klonk, deed me soms denken aan een zeester, al weet ik niet waarom. Ze richtte haar ogen op het draaikolkje in haar glas en ik deed precies het zelfde, maar stopte met draaien, waardoor het water op een gegeven moment weer rustig werd. Ik wenste dat het in mijn eigen leven ook ooit zo zou zijn: dat ik gewoon kon stoppen met draaien en dat dan alles weer rustig zou worden.
“Mirre,” antwoordde ik, en ik wierp een blik in de duisternis alsof ik daar een antwoord zou kunnen vinden op alle vragen, maar die kwamen niet. Duisternis was levenloos, net zoals mijn ziel: het kon niet spreken, noch kon het mijn problemen oplossen. “Ik droom vaak over haar de laatste tijd…”
Ik sloeg mijn ogen weer neer naar mijn glas en begon weer met het draaien ervan, werd gehypnotiseerd door het water dat tegen de wanden klotsten en stelde me voor dat Bill en ik in een klein bootje middenin die storm zaten. We zouden reddeloos ten onder gaan als het water niet rustig zou worden: er waren geen andere ontsnappingsmogelijkheden. De enige die ervoor kon zorgen dat het over zou zijn, was God, maar op hem konden we niet meer rekenen en dus zou het gauw afgelopen zijn met ons, ténzij we samen keihard tegen de stroom in zouden roeien. Ik betwijfelde echter of we daar de kracht nog voor hadden.
Julia keek me aan op zo’n manier alsof ze verder wilde vragen over hoe of wat, maar mij wilde laten denken dat ik zélf op het idee gekomen was verder te vertellen, alsof ze mijn gevoel van eigenwaarde wilde vergroten op die manier, ook al zag ik niet in hoe het daardoor vergroot zou kunnen worden. Mijn eigenwaarde was terecht geminimaliseerd tot dat van een pinda, misschien nog wel kleiner. Door mijn deal met God was ik erachter gekomen dat er dingen waren die belangrijker waren dan ikzelf, dat ik nietig was en dat ik eigenlijk niets betekende voor de rest van de wereld. Ik bracht het eigenlijk alleen maar ellende, niets goeds. Ik vroeg me af wat ik überhaupt nog op aarde deed.
“Ze gaat altijd dood,” zei ik plompverloren, alsof het dan voor haar duidelijk zou zijn hoe zwaar ik aan mijn droombeelden tilde. Opeens vond ik mezelf belachelijk, gewoon omdat ik van mezelf dacht dat ik in contact stond met het bovennatuurlijke of wat dan ook, terwijl dat belachelijk was om me dat te bedenken. Er kon niets met Mirre aan de hand zijn, dat kón gewoonweg niet. Mirre was bovenop het feit dat haar ouders zich ontzettend beschermend opstelden tegenover haar, ook nog eens zélf ontzettend verstandig: ze zou nooit dingen doen waar ze zelf niet achter stond, dingen doen waarvan ze wist dat ze niet goed voor haar waren. Ik dacht dat ik haar wel goed genoeg kende om dat te kunnen concluderen, na al die jaren van verstandhouding. Ongelukkig genoeg had ik het ook wel eens mis.
“En jij denkt dat er iets achter die dromen zit?” giste ze, waarna ik verbaasd opkeek, verward omdat ze zoals altijd in mijn hoofd leek te kunnen kijken. Ik had een hele tijd gedacht dat de tijd die gave gewist had, dat het onmogelijk was geworden voor ons om tot elkaar door te dringen en dat ik me af kon sluiten voor Julia als ik dat wilde, maar het bleek anders te zijn. Boven dat er zoveel veranderd was, was er ook veel het zelfde gebleven en dat deed me goed.
“Ja,” zei ik met een knik. “Niet omdat ik in dat gedoe geloof, maar – gewoon. Het lijkt zo echt.”
Ze trok haar mondhoeken op op een meelevende manier, wat me ervan overtuigde dat ze dacht dat ik gek werd of zoiets. Het zou me niet eens verbaasd hebben, want soms had ik óók het idee dat ik gek werd: visioenen, contractbreuk met God, weet ik veel wat nog meer. Ik zag dingen die niet konden, dacht dingen te weten die misschien wel allemaal niet waar waren: niemand had ooit kunnen bewijzen dat God bestond, ook al moet je sommige dingen eerst geloven voordat je ze kunt zien.
“Ik zou me er maar niet al te druk om maken,” antwoordde Julia zachtjes. “Het was maar een droom, gewoon een droom. Er kan niets met Mirre aan de hand zijn – dan zou je dat toch weten?”
Ik knikte bedenkelijk. Ze had gelijk – als er iets met haar aan de hand zou zijn, dan zou ik daar al wel van op de hoogte gebracht zijn. Mijn oom en tante waren er voor haar en die zouden haar nooit iets laten overkomen, dat wist ik zeker. Ze hielden van haar, net zoveel als ík van haar hield. Maar aan de andere kant – ik hield van Bill, zielsveel zelfs, en toch had ik zijn leven verwoest. Ik had geen idee of ik ervan uit kon gaan dat mijn oom en tante meer verantwoordelijkheid voor hun dochter droegen dan ik dat deed voor de liefde van mijn leven.
“Je hebt gelijk,” antwoordde ik, hoewel ik niet overtuigd was. Ik had met eigen ogen gezien hoe simpel het leven te verwoesten was, met hoeveel gemak, en misschien had Mirre dat ook wel moeten ervaren. Misschien wist God hoeveel ze voor me betekende, ook al sprak ik haar veel te weinig en had ik haar al een jaar of twee niet meer gezien, en wilde hij haar van me afnemen. Er zaten zoveel dingen in mijn hoofd dat ik niet meer wist wat ik moest geloven: het feit dat er echt iets met haar aan de hand was, te oordelen naar de onheilspellende droombeelden, of dat ik me zorgen maakte om niets en dat ik me onmetelijk aanstelde. Want ik was een aansteller, dat wist iedereen. Ik had een drang naar drama, altijd al gehad – ik had gedacht dat het verdwenen was toen mijn ouders scheidden en ik doorkreeg dat een soapleven niet je van het was, maar misschien was het nooit echt helemaal verdwenen.