Deel 12


Lieve Sa,

Het enige dat ik nu kan zeggen, is dat ik dood wil. En dat meen ik echt – dat is niet omdat – ja, ik weet het eigenlijk niet. Ik leef alleen nog omdat ik weet dat God me nooit zou laten gaan van hier, dat hij me toch wel in leven zou houden, maar anders was het voor mij al lang afgelopen geweest. Ik wil ook gewoon niet meer, weet je wel, niet zonder hem. Ik had altijd zo het gevoel dat ik zonder hem niets ben, dat ik zonder hem niets kan en dat blijkt ook waar te zijn. Leven is niets zonder hem. Niets is het meer waard opeens, ik weet niet. Ik weet eigenlijk helemaal niets meer. Alleen dat ik hem mis en dat ik mezelf haat voor alles dat ik ben.



Ergens aan het einde van oktober vierde Fleur haar negentiende verjaardag, met alle vrienden in haar ouderlijk huis. Helaas was Nathalia ook uitgenodigd, maar dat had ik al wel verwacht en ik had mezelf voorgenomen me niet teveel van haar aan te trekken en haar gewoon haar gang te laten gaan. Ik wilde een fijne avond hebben en die zou ik niet door iemand als zij laten verzieken. Ze was het niet waard.
Rond acht uur kwam de bus die Julia en ik genomen hadden aan in Wolmirstedt en toen ik uitstapte, voelde ik me direct vreemd. De laatste keer dat ik in mijn oude woonplaats geweest was, was toen Fleur Bill en mij getekend had, bij de kerk, en die herinnering emotioneerde me een beetje. Of eigenlijk emotioneerde alles in Wolmirstedt me, omdat ik alles kon terugvoeren naar mijn jeugd, naar toen mijn moeder nog leefde en ik nog gelukkig geweest was. De wereld had altijd zo klein geleken, zo vertrouwd en nu ik wist hoe groot het eigenlijk was, was het vreemd om terug te keren naar dat kleine wereldje.
Julia en ik liepen zwijgend naast elkaar naar Fleurs huis: ze wist dat ze moest zwijgen op zulke momenten. Ik had mijn handen diep in mijn zakken gestoken en dook diep weg in mijn kraag omdat ik het koud had, maar dat kwam niet omdat het ook echt koud wás. Eigenlijk was het nog heerlijk weer, zo voor het begin van de herfst: de zon was net niet helemaal onder en het rode licht wierp lange schaduwen op het asfalt terwijl er een warm briesje langs de huizen woei. Het leek een beetje op een zomeravond, zoals ik ze vaak gekend had in Wolmirstedt. Vroeger. Toen alles nog goed was.
Toen we op een gegeven moment Fleurs achtertuin in liepen, voelde ik nog veel meer. Alles overspoelde me opeens, meer dan ooit. Mijn hele jeugd dreef opeens naar boven. Hoe vaak had ik vroeger wel niet in die tuin gespeeld? De zandbak waarin we zo vaak taartjes en oliebollen ‘gebakken’ hadden, was er nog steeds, net zoals het klimkasteel dat haar vader ooit voor haar getimmerd had, compleet met schommel en glijbaan. Toen mijn blik op de garage viel, dacht ik aan al die keren dat we met de band geoefend hadden en hoe ons eerste optreden ertoe geleid had dat ik Bill ontmoet had. Dat Julia Tom ontmoet had. Dat Fleur Gustav ontmoet had. Autumn Leaves, dacht ik met een glimlach. Wat was dat lang geleden.
Plotseling voelde ik ook iets van schuld: ik speelde te weinig gitaar, ook al had Bill gezegd dat ik hem trots moest maken. Ik nam me voor weer meer te gaan spelen zodat hij ook daadwerkelijk een reden had om trots op me te zijn want – het moet gezegd – dat had hij niet bepaald. Ik was opeens ook heel blij dat Fleur dicht bij de bushalte woonde. Meer herinneringen aan vroeger had ik waarschijnlijk niet aangekund en dan was ik in tranen op Fleurs feestje aangekomen – niet echt de meest elegante entree die ik me kon bedenken.
We troffen Fleur aan in de keuken, vergezeld van een grote chocoladetaart en twee tompoezen omdat de tweeling nog altijd geen chocolade lustte. Julia omhelsde haar direct, overhandigde haar het cadeau dat wij samen de dag van tevoren voor haar gekocht hadden en gaf haar drie zoenen op haar wangen terwijl ik me nog bewust moest worden was waar ik precies was, bedwelmd door herinneringen. Ik kwam pas weer bij positieven toen zij mij omhelsde en ik haar warmte voelde, me opnieuw beseffend dat we geen kinderen meer waren die in het klimkasteel speelden of muziek maakten in de garage. We waren volwassenen.
“Gefeliciteerd,” bracht ik met moeite uit, maar enkel omdat ik het gevoel had dat het onbeleefd was om te zwijgen. Ook dat herinnerde me eraan hoe alles veranderd was, want voorheen had ik niets in Fleurs bijzijn onbeleefd gevonden. Julia en ik hielden vroeger zelfs wedstrijdjes om wie het hardst kon boeren, wat dan meestal gepaard ging met het laten ontploffen van colaflessen die vervolgens de hele keuken plakkerig sproeiden. Ook al was ik alweer driekwart jaar thuis, niets was nog wat het ooit geweest was en eerlijk gezegd had ik de hoop verloren dat het ooit nog zo zou worden. Dat was ook eigenlijk niet nodig – het was goed zo.
“Dankjewel,” antwoordde ze opgewekt, en ze wendde zich naar het aanrecht om het gebak, gepaard van schoteltjes en vorkjes, in de handen van Julia en mij te drukken. “Neem dat vast mee naar de woonkamer, wil je? Ik kom straks met drinken en zo – en Maren,” – ze wees op mij en de twee gebakjes in mijn handen – “Die tompoezen zijn voor Bill en Tom.”
“Weet ik,” antwoordde ik, misschien iets te snel om te kunnen verdoezelen dat ik me enigszins gekrenkt voelde door die opmerking. Het deed zeer dat Fleur leek te denken dat ik me dat soort dingen niet meer kon herinneren, die dingetjes van vroeger, terwijl dat vrijwel het enige was waar ik me mee bezig hield. Ik sloeg mijn ogen neer en liet een oorverdovende stilte vallen die duurde totdat Julia me met haar elleboog een stootje gaf en me met haar hoofd wenkte mee te komen naar de woonkamer, zodat we Fleur alleen zouden laten met de verrotte sfeer die ik zojuist gecreëerd had. Toen al kreeg ik een onheilspellend gevoel in mijn buik, maar ik besloot dat gevoel net zo hard te negeren als ik met Nathalia zou doen.
In de woonkamer werd ik min of meer verrast: ik had gedacht dat we de eersten zouden zijn, gezien het feestje officieel pas om negen uur begon, maar Tom, Bill en Nathalia zaten al op de bank en vochten om iets dat op de afstandbediening leek. Dat gevecht werd echter gestaakt toen Bill – die in het midden zat – mij in het oog kreeg. Hij stond op en liep direct op me af, met een schaduw van een glimlach op zijn gezicht waaruit ik kon opmaken dat hij mij net zoveel gemist had als ik hem. Ik vond het prettig om me telkens op die manier weer te beseffen dat we van elkaar hielden, dat we in wezen niet zonder elkaar konden. Het was onbetaalbaar om met hem te mogen zijn. Hij gaf me een zachte kus op mijn wang en legde één van zijn warme handen om mijn middel, waardoor ik direct een soort van verlangen op voelde laaien, diep van binnen, iets waarvan ik me niet eens gerealiseerd had dat het er was. Ik wilde mijn armen om hem heen slaan en hem nooit meer los laten, maar feit was dat ik gebak in mijn handen had en dat Bill het niet zo fijn zou vinden als dat in zijn haar terecht zou komen, wat ik verder ook nog met hem zou willen doen. Dat was dan ook de reden dat ik slechts zijn kus beantwoordde alvorens hem een schoteltje met een tompoes aan te reiken.
“Hier,” zei ik nep-vrolijk. “Dik worden jij.”
Ik grijnsde erbij om hem nog wat meer te overtuigen van mijn zogenaamde vrolijkheid en hij grijnsde terug op zo’n manier dat ik zag dat hij er niet in trapte. Hij pakte het bordje dankbaar aan en ik porde even speels tussen zijn ribben, waar nog altijd geen gram vet op te vinden was. Ik maakte niet vaak grapjes over zijn figuur, eigenlijk alleen als ik me rot voelde en ik vrolijk over wilde komen, dus ik had min of meer wel verwacht dat Bill niet in mijn nep-vrolijkheid zou trappen. Hij bevestigde het des te meer nog toen hij – nadat ik Tom zijn gebak voorgezet had – naast mij op de enige lege bank te zakken en Tom en Nathalia samen op de andere achterliet. Het deed me deugd dat hij bij mij kwam zitten, gewoon omdat ik even alleen met hem wilde zijn – of ja, niet dat we daar alleen waren, maar je snapt me wel. Ik wilde gewoon even rustig bij hem kunnen zitten zonder dat een zeker meisje met een rond gezicht, lijzig blond haar en ongetwijfeld een pond coke op zak hem zou kunnen opeisen. Ik had hem al een paar dagen niet gezien doordat hij met de band naar het buitenland had gemoeten en zodoende wilde ik hem even voor mezelf.
Ik nestelde me tegen hem aan en duwde mijn neus even in zijn hals om zijn geur op te snuiven: een mix van Bill en het geurtje dat ik hem voor zijn negentiende verjaardag gegeven had, zo’n twee maanden geleden. Het rook zo warm, zo puur, precies zoals Bill zelf was. Hij sloeg een slanke arm om mijn schouders en streelde de naakte huid van mijn sleutelbeen die het zwarte shirt dat ik droeg vrij liet, waardoor ik direct herinnerd werd aan de littekens die hij in zíjn sleutelbeen had staan. Ik rilde.
Toen ik mijn ogen opende, werd mijn blik direct gevangen door die van Tom, die een trekje van zijn net opgestoken sigaret nam, en ik dacht aan het telefoongesprek dat we twee dagen daarvoor gevoerd hadden. Ik had op bed liggen denken over Bills nachtmerrie, of hij misschien net zulke visioen-achtige dromen had als ik, en op een gegeven moment had ik mijn nieuwsgierigheid niet meer kunnen bedwingen. Ik had Toms nummer gedraaid, midden in de nacht. Het klinkt misschien vreemd dat ik Tom belde in plaats van Bill, maar iets zei me dat Bill zich bedreigd zou voelen als ik naar zijn dromen vroeg en ik wilde hem niet op stang jagen. Tom had het niet eens erg gevonden dat ik hem wakker gebeld had toen ik hem eenmaal gezegd had dat het om Bill ging (daarvóór was hij nogal tegen me tekeer gegaan) en had me zachtjes verteld over de nachtmerrie van zijn broertje, die op dat moment vredig naast hem lag te slapen. Hij zei me dat Bill gedroomd had over hun vader, dat Bill zich naarmate hij ouder werd steeds meer het idee kreeg dat hij hen in de steek gelaten had, ook al hadden Tom en hij genoeg aan Gordon. Ik had direct een steek in mijn buik gevoeld toen hij me dat verteld had: Bill had in principe al net zo min een echte vader als ik en het deed me zeer dat hij me er nooit over verteld had dat hij zich in de steek gelaten voelde. Ook had hij over vroeger gedroomd, vertelde Tom, over school, waar hij ontzettend veel gepest was. In zijn nachtmerrie was hij in elkaar geslagen, tot bloedens toe, en had hij doodsangsten uitgestaan omdat Tom er niet geweest was om hem te helpen. Hij had om Tom geschreeuwd, maar Tom was niet gekomen. Ik had het zo triest gevonden dat ik me had voorgenomen Bill nooit te vertellen dat ik het wist, want ik vermoedde dat hij dat niet zou willen. Bill had zijn trots en dat was dat hij mij beschermde: als ik zou weten dat hij al net zoveel moeite met het verleden had als ik, had hij in zijn ogen gefaald.
Ik schrok op uit mijn overpeinzingen toen Julia een schoteltje met een homp chocoladetaart in mijn handen drukte en ik mijn blik losscheurde van die van Tom. Ik had het gevoel dat ik droomde, zo wazig als ik me voelde, wat zeer waarschijnlijk kwam door de herinneringen die me één voor één overspoelden. Mijn geluk was dat Bill vlak bij me was en me zo kalm hield, al wist hij zelf misschien niet eens dat hij dat deed: ik voelde me onderhuids paniekerig en had het gevoel dat ik zou gaan huilen als ik me ook nog maar íéts zou herinneren. Ik kroop dichter tegen hem aan, luisterend naar zijn kalme hartslag en de gesprekken die om me heen ontstonden. Af en toe nam ik een hapje van mijn chocoladetaart, als mijn mond niet vol zat met de pudding die Bill me voerde omdat hij eigenlijk alleen het bovenste roze laagje van zijn tompoes lustte. Ik voelde me even zo alleen met hem dat Nathalia’s schelle stem, die overal bovenuit kwam, me niet eens stoorde.
Op een gegeven moment ging de bel en draaiden Bill en ik als één persoon ons hoofd om door het raam te kunnen zien wie er voor de deur stond. Ik glimlachte toen ik me dat bedacht: ‘als één persoon’, want dat was precies hoe ik het voelde. We waren versmolten, samen, één. Ik kon me er nog altijd over verbazen hoe vaak we precies het zelfde dachten, hoezeer we op elkaar leken en elkaar toch nog aanvulden. Hoe we bij elkaar leken te horen. Want ik wist dat het zo was: we waren voor elkaar gemaakt. Misschien was het Bills lot wel geweest om mij tegen het lijf te lopen en zijn leven te laten verzieken door mij. Wie weet.
Fleur sprong gauw op (iets té snel naar mijn mening, en ‘te’ duidde meestal niet op iets positiefs) en ze rende gauw naar de hal terwijl Bill en ik nog een glimp op probeerden van de Persoon In Kwestie. Julia, Tom en Nathalia leek het maar weinig te kunnen schelen: die laatste twee vochten om het roze laagje op Toms tompoes en Julia keek naar dat tafereel met een ietwat jaloerse blik in haar ogen. Ik begreep haar, vond het rot voor haar dat Tom zo deed, maar Tom was nu eenmaal impulsief en stom en hij bedoelde het vast niet vervelend. Ik vond de persoon die buiten stond even iets interessanter. Door de schemering was het moeilijk te zien wie het was, maar ik herkende de contouren van een man die overduidelijk ouder was dan ons allemaal en feit was dat Fleur hem binnenliet. Dat riep nogal wat vraagtekens bij me op: ze vierde haar verjaardag en liet een vreemdeling zomaar binnen – dat vond ik niets voor Fleur. Te oordelen naar de blik in Bills ogen toen we elkaar kort aankeken, dacht hij er precies het zelfde over.
Er was een stilte gevallen in de woonkamer (Tom had zich het laatste stukje tompoes toegeëigend) en daardoor konden we precies horen wat er op de gang gebeurde: Fleur was onnatuurlijk vrolijk toen ze werd gefeliciteerd door iemand met een zware doch prettige mannenstem en ik zag hoe Nathalia en Julia een onheilspellende blik wisselden, net zoals Bill en Tom dat deden. Eventjes leek het alsof zij wel wisten wat er ging gebeuren en ik niet, alsof er een spelletje gaande was waar ik niets vanaf wist, maar dat duurde maar kort. Tot Fleur terug kwam, om precies te zijn. Toen had ik wel door dat de rest er ook niet op voorbereid geweest was. Fleur straalde, had een gigantisch brede glimlach op haar gezicht geplakt en haar hand lag in die van de jongen (of eerder man) die ze binnengehaald had. In stilte bestudeerde ik hem van top tot teen, net zo onopvallend als de mensen om me heen dat probeerden te doen – hij moest zich wel verschríkkelijk ongemakkelijk voelen. Hij was typisch zo’n mannetje dat de mode op de voet volgde, precies het tegenovergestelde van Bill, die de mode juist zoveel mogelijk probeerde te negeren en zijn eigen stijltje wilde creëren. Hij droeg een jas van bruin leer die net tot over zijn billen viel, een zwarte spijkerbroek, stevige zwartleren herenschoenen en een wollen sjaal, wat volgens de laatste mode hét accessoire voor mannen was – vandaar ook dat Bill er geen had. Boven de kraag van zijn jas uit piepte het witte kraagje van zijn zorgvuldig gestreken overhemd, wat hij waarschijnlijk droeg omdat het mooi correspondeerde met zijn witblonde haar, net zoals zijn bruine jas dat deed met zijn ogen. Ik vroeg me af wat hij in godsnaam kwam doen, gezien zijn leeftijd.
“Dit – eh – is Fabian,” zei Fleur met een abnormaal hoog stemgeluid dat veroorzaakt werd door een hoge dosis zenuwen. “Mijn vriendje, zeg maar…”

Fabian bleek jonger te zijn dan hij eruit zag. Ik had hem mínstens dertig geschat, maar hij bleek zesentwintig te zijn en ondanks dat ik dat alsnog wat te oud vond voor Fleur (ik bedoel – hij was zelfs ouder dan Georg) kon ik ermee leven. Hij was aardig. De manier waarop hij vertelde dat hij en Fleur elkaar kenden van school en hoe hij eigenlijk al direct voor haar gevallen was, beviel me wel, omdat ik het gevoel had dat hij haar met respect behandelde en dat was wat ik Fleur gunde. Hij vertelde dat hij wel vaker ouder geschat werd, maar dat dat ook wel handig was gezien het werk dat hij deed. Verder was hij niet gekomen, want Fleur had hem een waarschuwende blik toegeworpen en hem zo de mond gesnoerd. Ik had direct begrepen dat vragen over zijn beroep verboden waren, maar Tom (die het niet zo op vreemdelingen had) had direct gehapt en hem gevraagd wat voor soort werk hij dan wel niet deed.
“Dat doet er niet toe,” had Fabian geantwoord. “Maar zeg eens – Fleur zei dat jullie vieren in een band spelen! Hoe is dat?”
Hij had op de overige vier jongens in de kamer gewezen (Georg en Gustav waren inmiddels ook aangeschoven) en gedacht dat hij er goed aan had gedaan van onderwerp te veranderen, maar Tom was behalve impulsief en stom ook nog koppig en hij liet dat niet zomaar gebeuren.
“Dat doet er niet toe,” had hij gezegd, en hij had demonstratief zijn armen over elkaar geslagen om weer achterover in de kussens van de bank terug te zakken.
En zo was de toon voor die avond gezet: Tom negeerde Fabian, Bill had geen idee of hij zijn broer moest steunen of tegenwerken, Julia wilde niet kiezen tussen haar vriendin en de jongen van wie ze nog steeds hield en ze wierp me telkens smekende blikken toe om mij om zogenaamde raad te vragen. Ik had echter ook geen idee wiens kant ik moest kiezen omdat ik niet tégen Bill wilde zijn, maar hij deed niets en dus deed ik ook niets. Hij pakte slechts mijn hand en keek naar mij, naar hoe ik uit elkaar getrokken werd door de miljoenen dingen die ik voelde op dat moment. Aan de ene kant voelde ik een enorme drang om ruzie te laten ontstaan zodat de spanning die er al weken hing eindelijk doorbroken zou worden, maar aan de andere kant wilde ik ook de vrede bewaren omdat er anders nog meer zou veranderen dan er al veranderd was: ik vond het wel genoeg zo. Er was iets in mij dat wilde schreeuwen om aandacht, dat wilde huilen en op wilde biechten wat ze gedaan had wat betreft het vernietigen van mensenlevens, maar ook iets dat het wilde verzwijgen uit angst verstoten te worden. Er was ook een deel dat liefde wilde, zo snel mogelijk, maar ook een deel dat zei dat ik het niet verdiende. Er was iets in mij dat dood wilde, dat het leven verschrikkelijk vond, maar ook iets dat het leven de moeite waard vond omdat ik Bill had. Er waren een hoop kleine gevoelens die ik niet eens kan benoemen maar er altijd waren en zich ineengevlochten hadden met de grotere gevoelens, onontkoppelbaar, onlosmakelijk. En dan was er ook nog een deel dat helemaal niets wilde, dat niet wilde liefhebben, niet wilde denken en zich vooral niets wilde herinneren, want dat deed nog het meeste zeer.
Het was een kutavond, alweer, precies zoals alle andere zogenaamd ‘gezellige’ avonden die eender wie uit deze zogenaamde ‘vriendenkring’ organiseerde. Ik vroeg me af waarom we het eigenlijk nog probeerden, waarom we er niet gewoon een punt achter zetten en individueel verder gingen. Het was bekend dat Georg en Bill niet samen gingen als ik erbij was, maar we werden wel steeds alledrie uitgenodigd, wat uitmondde in veel spanningen en gedoe waar niemand zin in had. Het zelfde gold voor mij en Nathalia en nu ook met Tom en Fabian, hoewel dat nog wel kans op bijdraaien had. Eigenlijk kwam het erop neer dat ik de bron van alle ellende was.
Toen ik na minutenlang peinzen en staren naar Fleur en Fabian doorkreeg dat Georg naar me keek, stond ik op met een zucht en de mededeling dat ik even buiten een rondje ging lopen. Er kwam zoals verwacht geen respons en ik liep in een rechte lijn door naar de keuken, waar ik mijn jas op de kapstok gehangen had. Een glimlachje verspreidde zich over mijn gezicht toen ik aan Bob dacht, Fleurs hond, die altijd blaffend aan was komen rennen als hij iets hoorde en hoe hij altijd tegen me opgesprongen was, uitgelaten om mij te zien, zodat ik achteraf altijd helemaal onder de hondenharen gezeten had. Zelfs dat was er niet meer. Bob was dood en lag begraven in de achtertuin, naast de zandbak die vol zat met herinneringen.
“Gaat het wel?” hoorde ik op een gegeven moment zachtjes, en ik draaide me verrast om. Bill leunde tegen de post van de keukendeur en liep naar me toe terwijl ik mijn jas aantrok. Er stond iets van bezorgdheid in zijn ogen, iets dat ik niet verdiende en waarvan het zeer deed het toch te krijgen. Bill was te goed voor de wereld, of in ieder geval voor die van mij.
“Nee,” antwoordde ik naar waarheid. Het ging ook echt niet. Alles in Wolmirstedt stak me diep in mijn hart, alle herinneringen. Normaal gesproken kan ik het wel aan om aan vroeger te denken, om herinneringen toe te laten in mijn hoofd en hen her te beleven, te overdenken, maar in Wolmirstedt waren er teveel. Ik had het gevoel dat ik langzaam paranoia werd.
“Waar ga je naar toe?” vroeg hij kalm en hij pakte mijn hand vast, waarschijnlijk deels om me te steunen en deels om me tegen te kunnen houden als ik wilde vluchten. Ik keek hem in die diepbruine ogen van hem, die ogen die me zo boeiden en vertederden, die ogen waar ik zo van was gaan houden. Ik hield van ieder stukje van Bill, iedere vezel van zijn lichaam en geest had ik lief. Het was haast onaards.
“Naar – je weet wel. Mijn huis. Denk ik.”
“Zou je dat nu wel doen?”
De zachtheid in zijn stem was als die van duizenden donzen veertjes, zo hemels. Met een al net zo’n zachte duim streek hij over mijn wang, in een teder gebaar, terwijl de vingertoppen van de rest van zijn vingers de huid in mijn nek kriebelden. Hij maakte me bijna aan het huilen door zijn bezorgdheid, gewoon omdat hij me zo duidelijk maakte dat er iemand was die er voor me was. Het liefst had ik mijn hoofd geschud en was ik bij hem gebleven, maar iets in me zei me dat ik het móést doen, dat ik mijn oude huis moest opzoeken. Ik wilde zo graag bij mijn moeder zijn, opeens, en omdat ik niet naar de begraafplaats durfde gezien de herinnering die daar nog rond zweefde, was mijn oude huis een mooie tweede keuze. Ik knikte.
“Zal ik met je meegaan?” stelde hij voor, maar ik schudde mijn hoofd. Alles was even teveel op dat moment, zelfs Bill. Ondanks alles wat ik voor hem voelde. Er zat teveel in mijn hoofd en dat moest ik eruit laten waaien: telkens als ik naar Georg keek, dacht ik aan de korte momenten die we samen beleefd hadden, de ruzies die hij met Bill gemaakt had en het litteken in mijn arm dat voor hem gemaakt was. Als ik naar Gustav keek, dacht ik aan het feit dat hij als enige van iedereen van Fabian geweten had en voelde ik me kwaad worden op Fleur: Julia en ik waren haar beste vriendinnen en vroeger zou ze óns alles tot in de fijnste details over hem verteld hebben, niet Gustav. Als ik naar Nathalia keek, dacht ik aan Autumn Leaves, aan hoe ik Bill altijd tegen haar had willen beschermen en hoe dat uiteindelijk ook nodig had blijken te zijn. Als ik naar Tom keek, dacht ik aan hoe hij Julia ooit had bedrogen, hoe hij haar vervolgens zwanger gemaakt had en hoe hij het toch nog voor elkaar gekregen had dat ik hem niet intens haatte: hij wekte bij mij de indruk dat alles wat hij deed één grote per-ongelukheid was. Als ik naar Julia keek, dacht ik aan haar rode haar en haar sproeten, haar liefde voor Tom en haar onbevangenheid. Vroeger zou ze Fleur en Fabian overladen hebben met bijdehante vragen die stuk voor stuk over seks gingen, maar ze zat slechts stil op de bank. Als ik naar Fleur en Fabian keek, die elkaar nog niet los hadden gelaten vanaf het moment van binnenkomst en heel verliefd deden samen, dacht ik aan hoe Bill en ik vroeger geweest waren, hoe jong en onschuldig en vooral: hoe onbeschadigd. Het deed pijn te zien dat zij iets hadden dat wij ook ooit gekend hadden, maar nooit terug zouden kunnen krijgen.
“Doe je wel voorzichtig?” vroeg hij nog. “Het is donker buiten.”
Ik knikte kort, ging op mijn tenen staan en drukte mijn mond op de zijne, waar hij zacht op reageerde door zijn beide handen op mijn heupen te leggen, zijn hoofd een stukje te hellen en zijn tong zachtjes tegen mijn lippen te duwen. Ik opende mijn mond een stukje en liet hem toe, wat hij deed met alle tederheid die hij in zich had. Toen ik het warme metaal van zijn piercing voelde, realiseerde ik me hoe lang het geleden was dat we op die manier gezoend hadden, en hoeveel intimiteit we daarmee gemist hadden. Ik sloeg mijn armen om zijn hals en liet me meevoeren door mijn liefde, niet wetend dat het de laatste keer in lange tijd zou zijn dat ik zijn lippen zou kunnen beroeren.

Het was niet koud buiten, ook al was het al donker en vormde het stille leven op straat een schril contrast met wat zich in de warm verlichtte huiskamers afspeelde. Ik vroeg me af hoe vaak ik al over het asfalt gelopen had van de weg die ik op dat moment afstruinde. De route van Fleurs huis naar mijn huis was lang, maar stond desondanks nog altijd in mijn geheugen gegrift. Zelfs het asfalt droeg een deel van mijn verleden: als klein meisje had ik tikkertje op gespeeld, ik had erop ge-skippy-ballt, ik had erop leren fietsen. Het was vreemd hoe mijn figuurlijke levensweg opeens gestalte kreeg.
Wolmirstedt was niet veranderd – er waren hooguit een paar gevels geverfd of een paar voortuintjes omgespit. Ik glimlachte toen ik een houten ooievaar in één van de kleine tuintjes zag staan en ik dacht aan de jonge vrouw die daar altijd al gewoond had: blijkbaar had zij haar geluk gevonden met een man en hadden ze besloten hun geluk te bezegelen met een kindje. Dat was iets heel anders dan het verhaal van Tom en Julia, die het kindje juist weg hadden moeten laten halen om hun geluk te behouden, voor zover ze al geluk kenden. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om een kind van Bill te dragen, op de wereld te zetten en daarna samen met hem op te voeden, of hij een goede vader zou zijn en of het onze band zou versterken of juist op de proef zou stellen. Ik had nooit een uitgesproken kinderwens gehad, maar met Bill was alles anders. Het leek me heerlijk om iets te hebben dat alleen van ons samen was en van niemand anders.
Naarmate ik dichter bij mijn oude huis kwam, begon ik me meer en meer af te vragen of ik er wel goed aan deed om terug te keren naar waar alles ooit begonnen was. Er was meer in dat huis gebeurd dan ik me ooit had beseft, eigenlijk, meer dan ik me ooit zou kunnen beseffen. Wolmirstedt was misschien niet groot, maar de herinneringen die er lagen, waren dat wél. De geschiedenis was groots. Wolmirstedt was de plaats waar mijn liefde voor Bill ontstaan was – wat moet ik nog meer vertellen? Mijn liefde voor hem was het grootste dat ik ooit had meegemaakt.
Boven de daken van de huizen uit, torende de kerktoren. Ik richtte mijn blik op de spitse toren om te vergeten waar ik liep, om te vergeten dat ik terug ging naar waar ik ooit ter wereld gebracht was, maar in wezen kwamen er alleen nog maar meer herinneringen naar boven. Één enkele gedachte, één enkele afspraak met God, had mijn leven en dat van anderen voor eeuwig veranderd. Het was onomkeerbaar, onverbiddelijk geweest, een proces waardoor we allemaal tien jaar door verouderd waren. Wat wij ervaren hadden met zijn allen, alle moeilijkheden, hadden ons onzeker gemaakt van onze toekomst. Opeens hadden we ons leren beseffen dat er niets zeker was; we hadden jarenlang op dun ijs gelopen en doordat ik een deal gesloten had met iets waarvan niemand wist hoe machtig het precies was, waren we er doorheen gezakt en zodoende dreven we in ijswater. Ik hield ervan de situatie te vergelijken met een gigantische oceaan: de horizon was aan alle kanten het zelfde, het water was ijskoud en we waren stuk voor stuk doodmoe, maar ook angstig om op te geven. We wilden allemaal overleven, waren allemaal op zoek naar een toekomst, maar we konden maar niet beslissen welke kant we op zouden zwemmen. Iedereen wilde een andere kant op, maar we wilden ook bij elkaar blijven en zodoende bleven we maar ronddobberen, verkleumd en koud. Ik vroeg me af hoe lang het zou duren voordat we één voor één op zouden geven en we onszelf naar de bodem zouden laten zakken, om het licht boven ons te zien wegsterven naarmate we dieper zonken en onszelf langzaam te verliezen in een staat van oneindigheid in het donker, tot we opnieuw een licht zouden zien.
Op een gegeven moment stopte ik met lopen en wist ik dat ik dat ik mijn doel bereikt had. Ik had geen idee hoe ik het wist, want ik keek enkel naar de kerktoren en maakte mezelf blind voor alles om me heen, maar ik vóélde gewoon dat ik er was. Ik sloeg mijn ogen neer, draaide mezelf een kwartslag en liet een vlaag van mijn verleden me de adem ontnemen. Het was zo verschrikkelijk vreemd om er opeens weer te zijn nadat ik het zo lang had moeten missen, om te weten dat ik er mijn hele jeugd had meegemaakt, dat ik tal van emoties beleefd had tussen die vier muren en dat er andere mensen in waren komen wonen – mensen die geen idee hadden van wat ik daar allemaal gevoeld had. Dat bakstenen huisje was in wezen een doos vol emoties en gevoelens die alleen ik zou kunnen zien en voelen, dingen die onzichtbaar waren voor mensen die ze nooit gekend hadden.
Het was nog precies het zelfde, behalve dan dat het Te Koop-bord weg was en dat er weer gordijnen langs de ramen hingen, anders dan op de dag dat ik het huisje had moeten achterlaten. De voordeur was nog precies dezelfde als degene waarvoor ik de eerste keer gezoend was door Georg. De regenpijp waarlangs ik ontsnapt was toen mijn moeder me huisarrest had opgelegd naar aanleiding van mijn tatoeage, was nog steeds bevestigd tegen de muur. Het raam van mijn kamer was nog altijd beplakt met de stickers die ik er met mijn vader op geplakt had toen ik vijf jaar was en die er nooit meer afgegaan waren. Van buiten was het eigenlijk nog precies het zelfde, maar ik wist dat het van binnen heel anders zou zijn.
Ik zuchtte en liet mezelf op de stoeprand zakken, mijn voeten met de oude allstars recht voor me uit gestoken. Dat was ook nog precies het zelfde. Die schoenen had ik ooit van mijn moeder gehad en ondanks dat ze afgetrapt en lelijk waren geworden, kon ik ze niet weggooien. Ik had het vreemde gevoel dat zij voorleefde in mijn schoenen, dat zij mijn voeten leidde en dat zij me bracht naar waar ik heen moest gaan. Zij bracht me naar plekken die ik van haar moest leren kennen, zij liet mij een weg zien waarvan zij wilde dat ik hem zou bewandelen en ik zou dat doen voor haar, omdat ik wist dat zij wijzer was dan ik. Ze bracht me naar hier.
Ik was even stil, trok mijn knieen op, sloeg mijn armen er omheen en schommelde een beetje heen en weer. De herinneringen aan alles wat er vroeger gebeurd was, overspoelden me één voor één. Ik kon opeens weer zien hoe ik als klein meisje voor mijn slaapkamerraam gezeten had en hoe ik mijn vader iedere morgen had uitgezwaaid als hij naar zijn werk vertrok, niet wetend dat daar een vrouw op hem wachtte die ons gezin uit elkaar zou trekken. Ik kon opeens de geur van appeltaart ruiken die me altijd naar huis gelokt had als ik buiten had gespeeld met Fleur en Julia, zag hoe mijn moeder me een stuk gegeven had en hoe ik dat met smaak had opgegeten, terwijl hij nog warm was. Ik kon voor me zien hoe ik mijn moeder geholpen had met het zaaien van zonnebloempitten in de voortuin: mijn moeder had er extra veel gekocht omdat ze gedacht had dat ze toch niet allemaal uit zouden komen, maar uiteindelijk hadden alle plantjes de weg naar het licht gevonden en in die zomer had de tuin vol gestaan met zonnebloemen. Ik kon nog voor me zien hoe hun gele blaadjes lonkten naar zonlicht, hoe ik iedere dag naast mijn lievelingsbloem gestaan had om te zien of hij al groter was dan ik. Toen dat eenmaal het geval was, had mijn vader me opgetild en me hoog boven de bloem gehouden terwijl hij gezegd had dat ik altijd groter zou blijven dan de bloem, wat me altijd bijgebleven was. Ik kon de klanken van mijn eerste gitaarspel nog horen toen ik boven zat te oefenen, met het raam open, en hoe ik hem iedere keer gefrustreerd uit het raam had willen gooien wanneer het weer niet lukte. Ik herinnerde me hoe mijn moeder mijn eerste zogenaamde concerten had aangehoord wanneer ze buiten in de voortuin van de eerste zonnestralen had zitten te genieten en hoe trots ze op me geweest was toen ik het eerste nummer dat ik ooit geleerd had, foutloos gespeeld had. Ik bedacht me hoe Georg me gezoend had voor die houten voordeur, hoe hij me ervan had proberen te overtuigen dat ik zijn telefoonnummer al had en hoe ik dat niet had kunnen geloven omdat ik dacht dat het Bill geweest was met wie ik al wekenlang contact had. Ik wist nog goed hoe vaak ik in mijn vensterbank gezeten had om de zon te zien ondergaan achter de kerktoren terwijl ik belde met Bill, hoe ik genoten had van zijn stem en van de geuren en kleuren die de avondstond met zich had meegebracht. Ik herinnerde me nog hoe ik ooit met Bill in diezelfde vensterbank gezeten had en hoe we samen de sterren hadden proberen te tellen, hoe hij me gezegd had hoe klein hij zich voelde wanneer hij zo naar de hemel keek, hoe hij bang was voor het grote om hem heen en hoe graag hij zichzelf wilde vereeuwigen om er zeker van te zijn dat hij nooit opgeslokt zou worden door het grote onbekende. Het was vreemd om me te bedenken dat we nu inderdaad opgeslokt werden door de figuurlijke oceaan die zich in mijn hoofd gevormd had.
Ik had geen idee hoe lang ik daar zat, maar feit was dat op een gegeven moment de schemering verdween en de hemel donker kleurde. Op een gegeven moment zag ik hoe een vrouw van middelbare leeftijd de gordijnen voor het keukenraam sloot nadat ze mij op de stoep had zien zitten en ze me onderzoekend bekeken had. Ik leek vast een crimineel die op de loer lag, iemand die het in de zin had haar huis te overvallen, maar het interesseerde me niet dat dat zo was: ik vond het enkel vreselijk hoe ze door de gordijnen te sluiten mijn oude wereld van mij afsloot. Het was een feit dat mijn oude leven me vergeten was, anders dan hoe ik me mijn oude leven nog kon herinneren als de dag van gisteren.
Ik merkte maar half hoe op een gegeven moment de deur van het huis naast ons open ging en hoe mijn oude buurvrouw naar buiten stapte, met in haar hand de riem van haar hond. Ze blafte luid, wat de kille stilte om de huizen doorbrak en me weer meevoerde naar vroeger. Als kind had ik vaak met haar gespeeld, gestoeid en geknuffeld en ik had het altijd een feest gevonden als ik haar uit had mogen laten. Ze was mijn beste vriendin geweest voordat ik Fleur en Julia ontmoet had en daarna had ik haar eigenlijk een beetje verwaarloosd, maar ik koesterde nog altijd hoop dat ze me zou herkennen. Ik tilde mijn hoofd op en zag haar om haar bazin heen springen, uitgelaten en dolblij om weer naar buiten te mogen, precies zoals ze dat vroeger gedaan had. Het leek net alsof de tijd in Wolmirstedt stil had gestaan, alsof alles had gewacht totdat ik terug zou komen maar nu ik dat eindelijk gedaan had, besefte ik me dat ik er nooit meer tussen zou passen. Mijn stadje was misschien niet veranderd, maar ik was dat wel. Ik hoorde er niet meer thuis.
Ik schrok op toen ik de deur dicht hoorde slaan en mijn buurvrouw de riem aan de halsband van de hond bevestigde, om daarna haar tuinpad af te lopen. De hond kwispelde wild en sprong nog altijd om haar heen, vrolijk en blij – zij keek slechts grimmig en leek totaal niet gelukkig om het feit dat ze ’s avonds de hond nog moest uitlaten. Vroeger was ze altijd gezellig en aardig geweest: altijd als ik met de hond was komen spelen, kreeg ik roze limonade en een rond koekje waarvan ik me de smaak niet meer kon herinneren. Ze had me altijd gevraagd hoe het op school ging (wat me altijd een extra koekje had opgeleverd, want op de basisschool haalde ik enkel goede cijfers en dat vond ze knap van me), wat ik later wilde worden (ik had steevast ‘beroemd’ geantwoord), hoe het met mijn vader en moeder ging (ik had nooit begrepen wat ze daarmee wilde zeggen totdat mijn ouders aangekondigd hadden te willen gaan scheiden) en of ik al verliefd was. Altijd als ik bij haar geweest was, had ze een andere naam van me te horen gekregen. Toen ik nog klein was, was ik vaak ‘verliefd’ geweest. Ik herinnerde me haar als een vrolijke vrouw, een gezellig iemand die ik als mijn oma beschouwd had, maar blijkbaar had iets ook haar verbitterd.
Ze herkende me niet toen ze voorbij liep, evenals de hond.

Toen de tranen op mijn wangen inmiddels opgedroogd waren en ik mijn kont niet meer voelde door de koude stenen waarop ik zat, stond ik op en besloot ik dat ik terug moest gaan, want Fleur vierde immers haar verjaardag en ik zat te huilen alsof ik op een begrafenis was. Ik verlangde ernaar om Bills armen even om me heen te voelen, om zijn stem me te horen vragen hoe het was, of het ging en hoe ik me voelde, waarna ik tegen hem aan kon kruipen en zwijgen, want ik wist dat hij het antwoord daaruit zou kunnen halen. Hij begreep me blindelings.
Ik liep de route weer terug en al gauw kreeg ik Fleurs huis weer in het oog. Met het achterlaten van mijn huis, liet ik ook mijn zorgen achter, maar mijn herinneringen nam ik mee. Ik herbeleefde alles op de weg terug en wist dat ik het voor altijd zou blíjven herbeleven, tot het denken me onmogelijk zou worden gemaakt en God zou er wel voor zorgen dat dat niet zou gebeuren. Het was een regelrechte marteling om telkens te denken aan hoe het ooit geweest was en je daarbij te realiseren dat je het nooit meer terug zou kunnen krijgen omdat de tijd alles veranderd had. Er waren mensen gestorven en er waren mensen bijgekomen en dat hield het heden tegen terug te veranderen in het verleden, wat me frustreerde. Ik wenste dat ik nooit in God geloofd had.
Toen ik de achtertuin in liep, hoorde ik plots gegiechel en rook ik iets dat een onheilspellend gevoel in me losmaakte. Als het was wat ik dacht dat het was, dan was dat alles behalve goed. Ik bleef even stil staan en spitste mijn oren om te lokaliseren waar het geluid vandaan kwam: het bleek uit het kleine schuurtje te komen dat naast het klimkasteel stond. Het stond daar al zolang ik het me kon heugen en ik was eigenlijk een beetje vergeten dat het er was, gewoon omdat het zo vanzelfsprekend was. De donkergroene verf bladderde van het vermolmde hout af, het was overwoekerd door klimop en het werd eigenlijk alleen nog maar als fietsenschuurtje gebruikt, terwijl het vroeger nog als werkplaats gefungeerd had. Ik had het er altijd vredig uit vinden zien, zo groen en opgenomen door de natuur, maar met die geur en de kleine, lacherige geluiden die ik hoorde, zag ik het opeens in een heel ander licht.
Toen ik Bills lachje herkende, begon mijn hart sneller te kloppen en draaide ik me een kwartslag. Ik vroeg me af wat hij daar binnen deed, wie er bij hem was en voorál wat hij daar in godsnaam aan het doen was. Langzaam deed ik een stapje in de richting van de deur met de roestige klink, stilletjes om niet gehoord te worden en gewoon door te kunnen lopen als er niets aan de hand was zonder dat ik als gluurder gezien werd. De zenuwen kriebelden in mijn buik, want ik wist als geen ander dat het niet goed zat, zéker toen ik de tweede giechelige stem als die van Nathalia herkende. Het kwam in me op dat ze tóch een geheime relatie zouden blijken te hebben en dat ik getuige ging zijn van iets dat ik nooit in mijn hele leven zou willen zien, maar dat achtte ik meteen al onmogelijk gezien die geur die ik rook. Maar dan nog. Ik wist niet wat ik erger zou vinden: hen op heterdaad betrappen of mijn overheersende vermoeden bevestigd zien.
Ik legde mijn hand op de deurklink en bedacht me of ik wel wílde weten wat er aan de hand was. Als mijn vermoeden werkelijkheid bleek te zijn, dan zou dat niet goed voor mij zijn maar ik wist dat ik moest ingrijpen als het zo was omdat dat beter voor hém was. Het was kiezen tussen hem en mezelf en direct toen ik me dat besefte, wist ik waarvoor ik zou kiezen. Nog even stond ik bevroren voor de deur, totdat nog een giechel van hem me ontdooide en ik de klink naar beneden drukte, om geconfronteerd te worden met precies datgene dat ik zo gevreesd had.
Ze hadden geen seks. Dat had ik hem nog kunnen vergeven. Dit was zoveel erger.
Nathalia en hij zaten op de met blaadjes bezaaide vloer van het rotte schuurtje, omgeven door rookwolken die afkomstig waren van de sigaretten die ze tussen hun vingers geklemd hielden. De geur van wiet verraadde echter dat het niet ‘gewoon’ sigaretten waren. Toen ze doorkregen dat iemand de deur geopend had, keken ze beide verschrokken op en op het moment dat ik Bills bloeddoorlopen ogen kon onderscheiden van de rookwalmen, zonk mijn hart en bevroor ik van top tot teen. Ik besefte me dat het definitief over was, dat hij zich door Nathalia weer terug in zijn dal had laten slepen terwijl we er net samen uitgekropen waren en ik zo trots op hem was omdat hij zijn drugsverleden achter zich had gelaten. Ik voelde me opeens zo machteloos, want ik had gedacht dat alle ellende wat dat betreft achter ons lag en dat we verder konden gaan met het oplossen van andere problemen, maar het bleek nog niet voorbij te zijn. De stilte die viel was koud en geladen, het verspreidde kippenvel over mijn armen en voordat ik weer gevoel in mijn bevroren lichaam kreeg, voelde ik hoe er een traan over mijn wang rolde. Het zou nooit helemaal voorbij zijn. Hij bleef verslaafd, voor altijd.
Ik stapte achteruit en liet het schuurtje achter me om door te lopen naar de achterdeur. Ik besloot om gewoon te doen alsof ik niets gezien had en hem er op een ander tijdstip rustig over te ondervragen, want ik wist dat als ik dat op dat moment zou doen, dat ik dan dingen zou gaan zeggen die ik niet meende. Pp dat zelfde moment wist ik echter al dat me dat niet zou lukken. Ik voelde zoveel op dat moment, behalve de machteloosheid: woede, verdriet, angst, kilte, verlangen, pijn en haat en dat dan allemaal vermengd tot iets dat me per seconde verder afbrak. Ik wist wel dat het mijn schuld was, want ik wist dat ik eigenlijk bij Bill had moeten blijven, maar ik voelde het verlangen die schuld op iemand anders af te schuiven – Tom, bij voorkeur, want hij had op Bill moeten letten terwijl ik weg was. Welke idioot zou zijn pas afgekickte broer alleen laten met iemand waarvan hij wist dat ze drugs bij zich had?
Bill greep mijn arm echter al vast voordat ik de deurklink van de achterdeur ook maar had kunnen aanraken. Ik sloot mijn ogen toen hij me omdraaide omdat ik zijn rode ogen niet wilde zien, omdat ik wilde ontkennen wat ik zojuist gezien had, omdat ik wilde ontkennen dat Bill zwak was en dat hij verslaafd was aan dingen waarvan hij dacht dat ze zijn leven beter zouden maken terwijl ze hem alleen maar verder afbraken. Hij zou mijn tranen niet te zien krijgen, niet die dag in ieder geval, want Fleur vierde haar verjaardag en ik zou die door niemand laten verpesten, ook niet door mezelf. Ik hield mezelf voor dat het wel kon wachten tot de volgende dag, maar ik wist wel dat dat niet zou kunnen. Fleurs verjaardag was niet het belangrijkste – Bills welzijn was dat wel.
“Als we nu praten, ga ik dingen zeggen die ik niet meen,” zei ik met een trillende stem om hem te laten weten dat hij moest zwijgen. Ik voelde hoe hij met zijn vingertoppen over mijn wang streek, heel zachtjes, alsof ik kon breken als hij te hard zou duwen en ik had het gevoel dat dat nog best waar kon zijn ook. Ik had het gevoel dat ik in duizend stukjes zou breken als ik hem tot me toe zou laten.
“Het is niet wat je denkt dat het is,” zei hij me een stem die niet van hemzelf was. Mijn ogen vlogen open, alsof zijn woorden een sleutel waren die hen openden en op het moment dat ik zijn rode ogen zag, voelde ik me opeens kwaad worden. Hij loog tegen me. Ik had altijd gedacht dat onze eerlijkheid het karige fundament van onze relatie gevormd hadden, zeker nadat ik hem alles van mijn deal met God uit de doeken had gedaan, maar blijkbaar had ik het mis gehad en betekende eerlijkheid niets voor hem. Als hij niet kon stoppen met gebruiken, dan wilde ik dat hij dat gewoon zou zeggen in plaats van dat hij het voor me zou verzwijgen – wellicht was hij nooit helemaal afgekickt en had hij me dat slechts doen geloven omdat ik het niet aan zou kunnen als ik de waarheid onder ogen zou krijgen. Het stak me nog meer omdat ik wist dat het waar was – ik kón het ook niet aan. Het was nog logisch ook dat hij het voor me verzwegen had, ik kon me er zelfs in vinden, maar dat maakt niet dat ik het minder erg vond. Ik vond het vreselijk.
“Wat is het dan wel? Aspirine?” beet ik hem toe. Ik wenste dat ik normaal had kunnen nadenken en dat ik in staat zou zijn geweest een rustig gesprek met hem te voeren, maar de emoties zaten me zo hoog dat ik dat niet meer scheen te kunnen.
“Dat is niet eerlijk,” kaatste hij gekrenkt terug. “Je weet dat ik de waarheid sprak!”
“En dat doe je nu niet.”
Ik zei het niet als een beschuldiging, meer als een constatering, en die trof doel. Hij viel stil, liet zijn koude vingers van mijn wang naar mijn schouder zakken en schuifelde met zijn voeten, alsof hij niet wist of hij een stapje dichterbij of verder weg moest doen. Ik maakte de keuze voor hem en zette een stap achteruit, waardoor zijn hand van mijn schouder viel en er een ruimte van minstens een meter tussen ons in gecreëerd werd. Ik kon hem niet toelaten, niet dichterbij, want ik wist dat ik zou zwichten voor de blik in zijn ogen en dat moet ik niet laten gebeuren. Hij had zijn belofte gebroken en dat was iets dat ik zeer serieus nam omdat ik wist wat de gevolgen van het breken van een belofte konden zijn: ik had het zelf ervaren.
“Nathalia-”
“Het is allemaal haar schuld.”
Ik bracht het weer als een constatering, alsof het al een feit was dat zij voor alle ellende gezorgd had. Mijn paniekerige stem verried echter dat ik best wel wist dat alles uiteindelijk mijn schuld was, want ik was degene die God tegen zich had en niet Nathalia. Ik voelde hoe tranen opwelden naar mijn ogen hoewel ik op dat moment geen verdriet voelde – de adrenaline in mijn bloed overstemde alles en dat maakte dat ik slechts wilde zeggen wat ik dacht, hoe ondoordacht dat ook was en ondanks het feit dat ik niet kon bevatten wat de gevolgen daarvan zouden kunnen zijn.
“Nee, het is niet haar schuld,” antwoordde hij met al net zoveel paniek in zijn stem, alsof ook hij voelde hoezeer het uit de hand liep. “Nathalia bood me gewoon de mogelijkheid – ik had kunnen zeggen dat ik het niet wilde maar -”
“Maar waarom deed je dat dan niet?”
Dat was geen constatering meer, maar een beschuldiging. Het klonk zo verschrikkelijk gemeen uit mijn mond dat ik me bijna wilde verontschuldigen, maar hij was me al voor met zijn weerwoord voordat ik daar de kans voor kreeg. Hij sloeg zijn armen over elkaar in een defensieve houding waar ik hem het liefst uit wilde halen door hem vast te houden, maar ik wist dat het al te laat was.
“Waarom zeg jij nooit tegen Georg dat hij van je af moet blijven?”
“Dat is iets heel anders!”
“Nee, dat is het niet! Jíj wil niet dat ik blow, ík wil niet dat Georg aan je zit!”
“Blowen is slécht voor je, Georg -”
“- is slecht voor jou!”
Ik viel stil en zag de situatie voor mijn ogen ontsporen, zag alle hoop als water door mijn vingers glippen en de waas van adrenaline maakte plaats voor regelrechte paniek. Ik wilde dat ik gewoon ‘stop’ kon roepen en dat dan alles weer voorbij was, dat we dan een toneelstukje bleken te spelen en ik hem gewoon zou kunnen vasthouden, maar we raasden al op ons einde af en ik wist dat het niet meer te redden was. Ik had nooit weg moeten gaan, dan was het niet gebeurd. Ik had nooit die deal met God moeten sluiten, dan was het nooit zo uit de hand gelopen.
“Hij is niet slecht voor me,” riep ik uit. “Jij ziet gewoon dingen die er niet -”
“Hij is álles wat ik haat!”
“Dat is niet eerlijk.”
“Weet je wát niet eerlijk is? Nou?” hij schreeuwde het zo hard dat ik zeker wist dat de mensen binnen het konden horen en dat maakte dat de paniek die groeide in mijn borst nog groter werd. “Dat als ik jóú niet gekend had, dat ik dan nooit ruzie gehad had met Georg, dat Tom nog gelukkig geweest was en dat ik dan nóóit aan die rotzooi gezeten had!”
Er viel een stilte die me verpletterde. Ik zag al onze momenten samen aan me voorbij gaan, van het begin tot het einde, en ik wist dat het voorbij was. Plots zag ik weer hoe hij naar me gekeken had toen onze blikken ons voor het eerst ontmoet hadden, die glinstering in zijn ogen, dat kleine bewijs van liefde. Hoe hij me diezelfde avond een schuchtere kus op mijn wang gegeven had en hoe lieflijk hij mijn hand had vastgehouden, heel kort maar. Ik herinnerde me hoe we samen tussen de weilanden in Loitsche hadden gerend, door de regen, en hoe hij daarna Durch den Monsun voor me geschreven had. Ik herinnerde me hoe we voor het eerst gezoend hadden in Magdeburg, vlak voordat ik gezoend was door Georg omdat hij het bleek te zijn die me verliefd gemaakt had door middel van lieve sms’jes. Ik wist nog hoe ik hem was tegengekomen in Magdeburg, samen met Tom, toen ik daar uit was met Mirre en hoe hij met haar geflirt had om mij te laten inzien dat ik van hem hield – wat hem nog gelukt was ook. Ik dacht aan de dag van het afscheid vlak voordat de jongens op tour zouden gaan, hoe Bill naar Georg en mij had gestaard de hele dag en hoe schuldig ik me gevoeld had jegens hem. Ik herinnerde me het kaartje dat ik voor mijn verjaardag gehad had, waar boven Bills ‘i’ een hartje geprijkt had in plaats van een puntje. Ik herinnerde me het telefoongesprek dat we gevoerd hadden nadat Georg vreemd gegaan was, hoe hij me al direct vergeven had en hoe ik hem uiteindelijk uit had durven nodigen voor het Open Podium in Magdeburg. Ik wist nog goed hoe geweldig het gevoeld had om hem voor het eerst weer vast te houden na die maanden zonder hem, hoe een gezellig avond we gehad hadden en hoe we hadden afgesproken te gaan winkelen met zijn tweetjes. Ik kon me nog precies herinneren hoe ik een elleboogstoot gekregen had van een doorgedraaide fan en hoe lief hij voor me geweest was, hoe hij me die dag midden op straat gezoend had in Loitsche. Ik wist nog hoe ik Bills eerste bui had meegemaakt, hoe hij om me gevraagd had toen Tom hem wilde laten eten en hoe die conversatie uiteindelijk geëindigd was met het feit dat Tom een bord naar zijn hoofd gesmeten had gekregen. Ik herinnerde me hoe hij mijn moeder voor het eerst ontmoet had, hoe we naar ons bos gefietst waren en hoe geweldig onze paar uren daar geweest waren – en hoe verhelderend ook, want daar had hij me uitgelegd waarom hij niet zomaar tegen iemand zei dat hij van haar hield. Ik wist nog van het feest dat ze gegeven hadden, van het glas Smirnoff dat hij opgedronken had toen iemand hem gevraagd had of hij van me hield ten teken dat hij die vraag niet wilde beantwoorden en hoe we de dag daarna voor het eerst met elkaar naar bed geweest waren, hoe magisch dat geweest was. Ik wist nog zo goed hoe we onze tatoeage hadden laten zetten, hoe kwaad mijn moeder geweest was toen ze hem ontdekt had maar dat dat me niets had kunnen schelen omdat we verbonden waren. Het stond me nog zo goed bij hoe hij ondanks dat hij een bui had gehad naar het ziekenhuis gespoed was toen mijn moeder het ongeluk gekregen had, hoe hij zachtjes voor me gezongen had en hoe hij er de dagen daarna ook voor me was geweest. Ik wist nog hoe ik erachter was gekomen dat hij zichzelf gesneden had omdat hij wist dat hij afscheid van me moest nemen, ik wist nog hoe verrot ik mezelf gevoeld had en hoe ik met mijn leven gevochten had. Ik kon me nog herinneren hoe ik hem mijn ketting gegeven had en hoe we afscheid genomen hadden, hoe hij me daarna achterna gekomen was in de auto en hoe ik zijn hand had vastgehouden totdat we letterlijk gescheiden werden. De dagen vol leegte stonden me nog zo goed bij, hoezeer ik moest knokken om vol te houden tot hij me zou komen halen, want dat had hij me beloofd. Ik wist nog goed hoe moeilijk het was zonder hem, hoe ik me niet voor kon stellen dat het ooit nog erger kon worden. De dag dat hij me op was komen halen, stond me nog bij als de dag van gisteren omdat het alles wat ik ooit gevoeld had liet terugkomen in één ogenblik. Het was het toppunt van magie geweest, het toppunt van álle emoties die een mens kan voelen en ik had er niet eens over na hoeven denken of ik mee terug zou gaan naar Duitsland. Misschien had ik de verkeerde keuze gemaakt. Daarna was alles fout gegaan.
“Wat wil je daarmee zeggen?” vroeg ik hees en paniekerig, proberend mijn resolute toon vast te houden, mijn stemgeluid ongeveer twee keer zo hoog als normaal. Ik wist heel goed wat hij daar mee wilde zeggen. Het liet een gevoel van paniek in me los, alsof mijn gevoelens een ontsporende trein waren – angstaanjagend. Ik was zo bang opeens.
Hij bracht zijn hand naar het kettinkje om zijn nek, sloot zijn vuist om de hanger en trok ruw zodat de tere schakeltjes braken, net zoals mijn hart. Zijn hals was opeens vreemd en leeg, precies zoals ik me voelde op dat moment, en een machteloos gevoel nestelde zich in mijn buik toen hij het gebroken sierraad in mijn hand duwde. Ik keek hem in zijn ogen en zag behalve de rode adertjes een resolute blik, iets vastberadens, geen emoties behalve dat besluitvolle. Hij was niet kwaad, noch was hij verdrietig – hij was alleen maar zeker van wat hij deed, alsof hij dacht dat het beter was voor ons om uit elkaar te gaan. Ik wist echter dat het niet zo was.
Maar het was voorbij.