Deel 13


Lieve Sa,

Ik droom nog altijd over Mirre en ook al weet ik dat ik me er niet al te druk om moet maken, doe ik dat toch wel. De droom die ik over mijn moeder had voordat ze overleed, blijft maar door mijn hoofd spoken en ik weet dat ik het mezelf nooit zal vergeven als er inderdaad iets aan de hand blijkt te zijn. Als ik er iets aan had kunnen doen, dan is het wel mijn schuld omdat ik niet op tijd ingegrepen heb. Dat tilt zwaar aan me.
Het leven zonder Bill is zwaar, maar het gaat wel als ik mezelf gewoon op de automatische piloot zet en gewoon doorga zonder erbij na te denken. Ik probeer hem te vergeten, ben druk bezig met van alles en nog wat overdag, maar ’s avonds kan ik niet slapen en dan denk ik vrijwel alleen maar aan hem, en hoe het met hem gaat. Tom zegt dat hij weer gebruikt en hij geeft mij daar de schuld van, maar ik snap niet hoe hij dat bedoelt. Nathalia is de enige schuldige in dit verhaal – of in ieder geval, voor zover hij dat kan weten. Hij weet niets van mijn deal af, behalve als Bill hem daarvan verteld heeft, maar dat kan ik me niet voorstellen. Onze relatie mag dan nu wel over zijn, maar de momenten die we gedeeld hebben waren het waard – dat is in ieder geval mijn mening – en ik weet bijna zeker dat onze geheimen onder ons blijven. We hebben ten slotte van elkaar gehouden, ooit, en ook al is dat nu niet meer zo, het verleden is onveranderbaar.



Ik had de weg van Wolmirstedt naar Magdeburg gelopen. Kilometers lang had ik enkel nagedacht en gehuild, tot mijn hersenen op een gegeven moment de denkfunctie verloren waren en ik alleen nog maar had kunnen voelen. Ik had me verschrikkelijk gevoeld, was daardoor het besef van tijd en omgeving verloren en eigenlijk was het een wonder dat ik nog thuis gekomen was. Toen ik Magdeburg eenmaal binnen gelopen was, verlichtten de eerste zonnestralen de straten al, maar mijn binnenste had de zon niet warm kunnen maken. De kilte die ik gevoeld had was onbeschrijfbaar geweest, zo gigantisch groot in omvang – ik kon me niet herinneren dat ik me ooit zo vreselijk gevoeld had. Ik kon me gewoon niet voorstellen hoe we alles zomaar weg hadden kunnen gooien door één ruzie, maar ik wist dat het onomkeerbaar was en dat ik het nooit meer zou kunnen veranderen. Het was voorbij. Over. Uit.
Nog voordat ik Julia’s flat goed en wel binnen gestapt was, had ze me zwijgend in haar armen genomen en sussende woordjes gefluisterd. Ik had echter niet moeten huilen, dat had ik die nacht al genoeg gedaan en ik was zo uitgeput dat ik eigenlijk alleen maar willen slapen. Julia had me op de bank gelegd en was naast mij ingeslapen, nog eerder dan ik de slaap had kunnen vatten, want zij was de hele nacht opgebleven om op mij te wachten en was doodmoe geweest.
Zodra ik wakker geworden was, was mijn leven als vrijgezel begonnen. Al vanaf de eerste seconde had ik het intens gehaat – nu ik eenmaal wist hoe het was om geliefd te worden, voelde het vrijgezellenbestaan onnatuurlijk leeg aan. Ik wilde niets liever dan Bill bellen, mijn excuses aan te bieden en hem te vragen alsjeblieft op zijn besluit terug te komen, maar ik deed het niet omdat ik bang was dat hij kwaad zou worden en het zou weigeren, waarna ik achter zou blijven met een hart dat nog meer verbrijzeld zou zijn dan eerst. Ik bleef mezelf maar vertellen dat het voorbij was, dat ik sterk moest zijn en dat ik verder moest gaan met leven. Het woord ‘voorbij’ verloor zijn betekenis naarmate ik het vaker dacht, tot het op een gegeven moment een inhoudsloos begrip werd en ik me niet meer kon herinneren wat het betekende. Tijd betekende niets meer, want het had zijn waarde verloren zodra Bill de schakeltjes van mijn ketting gebroken had. Verleden, heden en toekomst verloren hun waarde, werden één omdat ik ze niet meer uit elkaar kon halen – net zoals alle andere dingen die voorheen heel normaal hadden geleken. Niets leek meer het zelfde na het verliezen van mijn wezenlijke wederhelft. Ik kende enkel de definitie van verliezen nog, want verliezen was het enige dat ik nog kon en het enige dat ik ooit gedaan had.
Dagenlang bracht ik in mijn geďmproviseerde bankbed door, net zoals ik tijdens mijn eerste weken in Japan gedaan had. Ik at niet, dronk niet, dacht niet: ik lag en voelde alleen maar. De emotionele last die op mijn schouders drukte, was zo zwaar dat ik niet eens kon bewegen, laat staan dat ik overeind zou kunnen komen om te eten of dat ik op kon staan om buiten een wandeling te kunnen maken. Ik wist dat het op een gegeven moment zou verdwijnen, want dat had het in Japan ook gedaan, maar ik kon me dat op dat moment nog niet voorstellen. Ik had het gevoel dat ik voor eeuwig in op de bank zou blijven liggen, want een wereld zonder Bill leek onmogelijk om in te leven, maar met mijn verstand wist ik dat ik ook zonder hem kon: voordat ik hem had leren kennen, had ik dat immers ook altijd gedaan.
Op een gegeven moment verdween het ook inderdaad. Na voor mijn gevoel eeuwen gelegen te hebben, lukte het me op een gegeven moment om van de bank te stappen en een douche te nemen. De blik in Julia’s ogen toen ze me opeens door de woonkamer zag lopen en me in de badkamer zag verdwijnen, had me aan mezelf toen denken, aan die keer dat ik thuis was gekomen en ik Bill gevonden had in de badkamer. Ze was niet opgelucht geweest dat ik eindelijk uit bed gekomen was, maar ze had gedacht dat ik een eind aan mijn leven zou maken en dat had een soort van schakelaar in mij omgezet. Als zelfs Julia al dacht dat het zo slecht met me gesteld was, dan wilde dat wel iets zeggen en vanaf dat moment, vanaf die ene seconde, had ik beslist dat ik zou knokken om er weer bovenop te komen. Voor geen goud zou ik zo ten onder gaan als Julia gedaan had.
Vanaf die dag had ik goede en slechte dagen. Op goede dagen had ik het gevoel dat alles goed zou komen, want vanaf dat punt kón mijn leven ook eigenlijk niet meer slechter worden, en dan maakte ik lange wandelingen om te genieten van alles wat er om me heen gebeurde. Ik voelde soms wel iets steken als ik een verliefd stelletje zag, maar aan de andere kant kreeg ik daarbij ook steeds meer het gevoel dat mijn geluk ook wel weer zou komen: Bill Kaulitz was niet de enige jongen op de wereld. Op slechte dagen bleef ik vrijwel altijd in bed liggen om te peinzen, ervan overtuigd dat ik nooit meer gelukkig zou worden zonder Bill: hij was immers speciáál en anders dan ieder ander in de hele wereld. Ik miste hem zo.
Toen ik op een goede dag weer sinds lange tijd gitaar zat te spelen, ging de bel. Eerder zou mijn hart een slag overgeslagen hebben omdat ik gehoopt zou hebben dat het Bill was, met een bos rode rozen en een chocoladecake om het goed te maken. Naarmate de tijd echter verstreken was, was dat gereduceerd tot slechts een sprankje hoop en ten slotte was het helemaal verdwenen. Vervlogen. Net als Bills liefde voor mij.
“Dat is Tom, Maren!” hoorde ik Julia vanuit de badkamer roepen. “Wil jij even opendoen?”
Ik nam het laatste akkoord weg door mijn vingers plat op de snaren te leggen en schoof mijn gitaar zorgvuldig opzij, waarna ik opstond. Ik had geweten dat het Tom was, want Julia had me die morgen al dertig keer verteld dat ze samen zouden gaan lunchen en dat ik die middag dus alleen thuis zou zijn, waar ik geen probleem mee gehad had. Julia en ik hadden de dag daarvoor een stuk of twaalf films gehuurd, dus ik zou me voorlopig niet vervelen en toevallig wist ik dat er pizza en pecan-caramel-ijs in de vriezer te vinden was, dus verhongeren zou ik al evenmin. Bovendien vond ik het fijn voor hen dat ze weer eens gezellig iets met zijn tweeën gingen doen, want ik was er nog altijd heilig van overtuigd dat zij voor elkaar voorbestemd waren. Als Bill en ik het dan toch niet bleken te zijn, dan moesten zij wel bij elkaar horen.
Ik haalde de deur van het slot, opende en zag – inderdaad – Tom in de deuropening staan. Ik had hem al een poosje niet meer gezien, niet meer sinds het uit was met Bill, en ik moet zeggen dat het me ergens wel zeer deed om hem te zien: die bruine ogen, de sierlijke boog die zijn wenkbrauwen maakten en zijn zachte kaaklijn riepen een gevoel van heimwee bij me op omdat ze me zo deden denken aan zijn tweelingbroer. Bill was nogal cru gezegd als een plant in mijn binnenste waarvan ik bezig was hem uit te graven, maar een aantal wortels vergat. Ik wist zeker dat er altijd iets van hem in mij zou blijven, net zoals dat er een klein stukje van ons in de geschiedenis achter zou blijven.
“Hoi!” zei ik vrolijk – haast angstaanjagend vrolijk als je je besefte wat ik al achter de rug had en wat ik nog te verwerken had. “Kom erin!”
Ik deed een stapje achteruit en liet hem binnen, om de deur achter hem weer te sluiten. Hij keek de kamer rond alsof hij er voor het eerst was, als een kind dat voor het eerst in een dierentuin was: opgelaten, zenuwachtig en geen idee hebbend wat hij kon verwachten. Ik glimlachte kleintjes en draaide mezelf weer terug naar de bank, waar mijn gitaar nog altijd op lag, als een soort van monumentje. Het was een soort symbool geweest van Bills liefde voor mij en opeens was het dat niet meer.
“Ze komt zo hoor,” zei ik terwijl ik weer ging zitten en hij keek min of meer opgeschrokken om. “Ze is nog in de badka-”
“Ik kom er zo aan!” riep Julia door mijn woorden heen, alsof ze had gehoord wat ik zojuist gezegd had. Ik lachte kort en Tom deed dat ook, verder zwijgend, terwijl hij nog even om zich heen keek. Niet lang daarna besloot hij naast mij te komen zitten, waarvoor hij eerst een stapel schoolboeken van Julia aan de kant moest schuiven. Er heerste een stilte die me beviel en ik voelde me eventjes heel gelukkig toen ik met mijn vingers over de snaren ging.
“Hoe gaat het met je?”
Hij vroeg het me min of meer vanuit het niets, maar hij wist me niet te verrassen omdat ik zo’n vraag eigenlijk wel verwacht had. De stilte had erom gevraagd – het was er het juiste moment voor geweest. Ik glimlachte en sloeg mijn ogen naar hem op, zodat ik zag hoe bezorgd hij keek, hoe verdrietig hij leek te zijn.
“Op het moment goed,” antwoordde ik. “Maar morgen kan het weer anders zijn.”
Hij was even stil en ik merkte dat hij naar het kettinkje om mijn nek keek, welke ik een aantal dagen nadat Bill het kapot getrokken had weer gerepareerd had. Hij stak aarzelend zijn hand uit, strekte zijn vingers uit naar het glazen, dolkvormige dingetje en raakte het teder aan voordat hij het uiteindelijk even vastpakte en het bestudeerde, alsof hij probeerde naam te lezen die op de rijstkorrel geschreven stond. De kleine glimlach die zich om zijn mond vormde, was sereen.
“Je mist hem niet?” vroeg hij zachtjes, alsof hij niet wilde dat Julia ons gesprek zou horen.
“Dat zei ik niet,” antwoordde ik al net zo zachtjes. “Ik mis hem wel, maar ik red me wel. Het ging al een tijdje niet zo lekker en – je weet wel. Het komt wel goed. Het is beter zo.”
Ik had werkelijk geen idee waar die woorden opeens vandaan kwamen – nog nooit had ik eraan gedacht dat het wel eens béter zou kunnen zijn als we uit elkaar zouden gaan, dat was simpelweg nog nooit in me opgekomen. Het kwam me vreemd voor dat die leugen zo gemakkelijk aan mijn lippen ontsnapte, als het al een leugen wás, want eerlijk gezegd wist ik dat niet zeker. Misschien had ik het onderbewust altijd al geweten, maar had ik er nooit bij stilgestaan. Het klonk in ieder geval alsof ik het miljoenen malen in mijn hoofd gerepeteerd had voordat ik het eenmaal zei en ik wist zeker dat Tom dat ook gehoord had, te oordelen naar zijn ongelovige glimlachje.
Ik sloeg het eerste akkoord van Durch den Monsun aan en voelde daarbij kriebels in mijn buik, alsof er een briesje door mijn binnenste waaide dat de dode bladeren op de bodem van mijn maag even deed opdwarrelen. Het was zo vreemd om me te bedenken dat het nummer voor mij geschreven was, door de jongen die op het moment zo ver weg voor me was. Het leek zo lang geleden dat we samen door de regen gerend hadden, die eerste keer, gewoon omdat het was voordat mijn leven in elkaar was gestort. In principe waren er twee Marens – of nee, zelfs drie: eentje van voordat mijn ouders scheidden, ééntje tussen de scheiding en de deal in, en de Maren van na de deal. Als je het zo bekeek, was het ook wel logisch dat het uit was tussen Bill en mij: hij was verliefd geworden op de tweede Maren en diegene zou ik nooit meer worden.
Tom was stil, hing slechts ontspannen achterover in de bank en probeerde zich een houding aan te meten die zijn ontspannenheid zou benadrukken. Ik voelde dat hij naar me keek, maar weigerde terug te kijken omdat ik me even wilde verliezen in mijn herinneringen. Dat deed ik graag als ik een goede dag had – gewoon zitten en denken aan alles wat ik verkeerd had gedaan. Anders dan op slechte dagen maakte me dat op goede dagen niet emotioneel of iets in die richting – of ja, het was vervelend om er over na te denken, maar de rust die ik op goede dagen kende, maakte dat ik er over na kon denken zonder dat ik in huilen zou uitbarsten bij het denken aan Bills gezicht. Op goede dagen kon ik gewoon met een glimlach terugkijken op de leuke tijden die we gehad hadden, op slechte dagen wilde ik die fijne tijd gewoon terughebben. Ook al wist ik dat dat niet kon.
Ik vroeg me af hoe het met hem ging. Ik vroeg me af of hij net zo vaak aan mij dacht als ik aan hem, ook al kon ik me dat niet voorstellen omdat hij immers degene was die mij gedumpt had, niet andersom. Waarschijnlijk zat hij alweer aan de drugs – áls hij al ooit gestopt was, en dat stak recht door mijn hart. Bill was een goede jongen die een fijn leven verdiende, zonder drugs, zonder Nathalia en vooral zonder een God die hem vervolgde omdat hij een vriendin had die het nogal verbruid had wat God betrof. Ook al zou het nooit meer goed met mij komen, simpelweg omdat ik niet volledig was zonder Bill, ik wenste hem het beste leven toe dat maar denkbaar was voor hem. Hij verdiende het zo, want hij had immers altijd zo gestreden voor zijn waarden en had nooit opgegeven wat betreft de dingen waar hij in geloofde. Hij was zo verschrikkelijk bijzonder en ik besefte me toen het uit was pas hoezeer ik hem had tegengehouden in het ontwikkelen van zijn buitengewone persoonlijkheid. Ik was als een blok aan zijn been geweest en dat was hij kwijtgeraakt, wat ongetwijfeld positieve gevolgen voor hem had. Ik vroeg me af hoe het met hem ging.
“Bill -” begon Tom alsof hij mij gedachten had kunnen lezen, maar hij kreeg de kans niet zijn zin af te maken omdat Julia gehaast binnen kwam lopen met mooi opgestoken haar waar overduidelijk veel tijd in had gezeten en een perfect opgemaakt gezicht, waardoor haar sproetjes jammer genoeg niet meer te zien waren. Tom wendde direct zijn blik van me af en keek naar haar, waarna hij een kleine en gelukkige glimlach op zijn welgevormde gezicht kreeg. Opeens voelde ik ook een sprankje geluk binnenin mezelf, gewoon omdat ik kon zien hoe gelukkig zij weer samen waren.
“We kunnen gaan,” zei Julia terwijl ze nog een paar verdwaalde spulletjes die op de keukentafel verspreid lagen in haar zwartleren, nieuwe handtas stouwde. Ik sloeg mijn ogen neer naar mijn gitaar en begon zachtjes Durch den Monsun te spelen, zo zacht dat alleen ik het kon horen. Toen ik vanuit mijn ooghoeken registreerde dat Tom nog eventjes naar me keek, alsof hij twijfelde of hij toch nog even zou vertellen waar hij zo mee zat, hield ik mijn hoofd schuin en knikte ik naar Julia, alsof ik hem iets wilde zeggen als ‘ga maar, ze wacht op je.’ Dat was ook eigenlijk zo. Ik was altijd een slaaf van de liefde geweest en dat zou ik blijven, zelfs al was het niet voor die van mezelf. Alles ging nu om de liefde tussen Tom en Julia, ook hoe Bill zich op dit moment voelde. Dat was liefde die voorbij was en alles wat voorbij was, was minder belangrijk dan datgene dat nog op het punt van gebeuren stond. Tom knikte kleintjes en trok zijn mondhoeken op in een bemoedigend gebaar, wat ik incasseerde met een grote glimlach. Het ging goed met me, misschien wel beter dan de afgelopen maanden, maar ik wist ook dat dat de volgende dag weer compleet anders kon zijn. Ik begon een beetje op een jojo te lijken: hoge pieken, diepe dalen, en steeds daartussen heen en weer geslingerd worden. Het was vermoeiend, maar ik redde het wel, daar was ik heilig van overtuigd. Bill was misschien wel heel veel, maar hij was niet álles: ik had Fleur nog, en Julia, ik had een leven te leven en ik had herinneringen waar ik met een fijn gevoel op terug kon kijken. Het was voorbij, maar het was wel gebeurd en die fijne momenten moest ik voor altijd bij me bewaren. Ik wilde hen niet verliezen zoals ik Bill verloren had.

Op een slechte dag zat ik in het bos dat opeens niet meer ‘ons’ bos was, maar gewoon ‘een’ bos, niets meer en niets minder en dat stak me. We hadden samen zoveel meegemaakt op die plek, en ik besefte me op dat moment weer dat ik het nooit meer terug zou krijgen. De herinneringen waren zo zwaar dat het moeilijk was om adem te halen. De atmosfeer om me heen was zo dik, zo vervuld van geschiedenis en gevoel dat ik het gevoel had te weinig zuurstof binnen te krijgen. Alles was opeens zo dichtbij – té dichtbij. Het deed zeer om daar te zijn. Ik had geen idee waarom ik terugkeerde naar een plaats die zo vol van alles was terwijl leegte alles was dat ik voelde. Misschien was het omdat ik de pijn verlangde, om toch maar íéts te voelen, ik wist het niet.
Het gras onder me was kil en vochtig van de pas gevallen regen, het meer was donker en vlak zoals altijd. Het leek wel alsof er een donkere laag ijs over haar lag die het water verhinderde te bewegen, net zoals de laag in mijn binnenste mijn emoties verhinderde te bewegen. Ik wilde wel huilen, maar kón het niet. Sinds het uit was, had ik nog geen traan gelaten, afgezien van toen ik van Wolmirstedt naar huis gelopen was, toen het nog maar net gebeurd was, en dat voelde verschrikkelijk. Het leek soms alsof alles zich ophoopte in mijn hoofd en ik had het gevoel dat ik uit elkaar zou klappen als ik het niet zou laten, maar ik kón het niet. Hoe verrot ik me ook voelde, hoe verlaten en hoe alleen, mijn verdriet hield me tegen te huilen. Of God hield me tegen, dat kon ook. Hij wilde me het gevoel geven dat mijn hoofd zou exploderen zodat ik me er nog meer bewust werd gemaakt van wat ik gedaan had. Dat moest wel.
Ik kon me de eerste keer dat we in het bos geweest waren nog zo goed herinneren, en wat voor een perfecte dag het toen geweest was. Ik kon nog precies voelen hoe de zon mijn huid verwarmd had, wat Bill bij me had losgemaakt door enkel naar me te kijken, hoe we samen door het bos gerend waren en uiteindelijk in het zwarte water geplonsd waren om ons te laten afkoelen. Het stond me nog zo goed bij dat ik hem, toen we opgedroogd waren en het langzaamaan was gaan schemeren, gevraagd had of hij van me hield of niet en dat hij toen verteld had dat hij enkel ‘ik hou van je’ tegen iemand zou zeggen wanneer hij er zeker van was dat hij zijn hele verdere leven met diegene zou willen delen. Blijkbaar had hij de verkeerde gekozen. Hij hield niet meer van mij.
Ik verlangde naar hem. De dag schoot door mijn gedachten, op zo’n manier dat ik alles weer voelde wat ik toen gevoeld had – zowel fysiek als mentaal. Ik dacht aan zijn lichaam, aan hoe ik zijn huid tegen die van mij gevoeld had toen we samen in het water lagen, hoe ik toen naar hem verlangd had, hoe ik de stap had willen nemen maar hij mij daar nog niet klaar voor had geacht. Op dat moment, toen ik daar zo zat, in mijn eentje, in het bos dat ooit ‘ons bos’ geweest was, voelde ik weer precies het zelfde en dat maakte me kwaad. Het feit dat onze relatie zo diep geweest was en dat zijn lichaam op het moment alles was waarnaar ik verlangde – dat frustreerde me. Ik had zoveel van hem gehouden – of nee, ik hield nog steeds van hem, en het enige wat ik wilde, was zijn lichaam tegen dat van mij. Ik verlangde niet naar de eindeloze gesprekken die we gevoerd hadden, ik verlangde er niet naar hand ik hand te lopen met hem, ik verlangde er niet naar om naar hem te kijken met het gevoel dat hij het beste was dat me ooit overkomen was. Het enige wat ik wilde, was zijn lichaam en dat maakte een gevoel van zelfhaat bij me los. Alsof onze relatie niet meer geweest was dan een aantal aaneengesloten one-night-stands.
Ik wenste dat het zou gaan regenen zodat het water al mijn slechte gedachten kon meenemen, maar de wolken bleven slechts donker en lieten hun tranen niet lopen – alsof ze het niet konden, net als ik. Het zou mijn gevoel perfect aanvullen, het zou de kroon op mijn verschrikkelijke dag zijn. In films ging het altijd regenen als de hoofdpersoon zich onmetelijk kut voelde en dat vond ik altijd zo mooi en symbolisch, alsof de hemel meevoelde met die persoon. Het verschil tussen een film en het echte leven was echter niet alleen dat films grotendeels fictie waren en dat het een soort van tactiek was van schrijvers en filmmakers om het weer af te stemmen op het humeur van de hoofdpersoon. Het was namelijk ook zo dat God in de hemel woonde en dat God nooit zou huilen om mij. Ik had het zelf verpest, ik had mijn lot in mijn eigen handen gehad en ik had het gemaakt zoals ik het gemaakt had, daar had hij niets aan gedaan. Het was niet zijn schuld, noch was het Bills schuld, zoals Nathalia me al eerder onder de neus gewreven had, noch was het de schuld van de jongen die me tegen de muur gedwongen had. Het was allemaal mijn eigen schuld geweest. Ík had die deal gesloten, en niemand anders.
Er druppelde een traan op de donkerblauwe stof van mijn T-shirt. Het was precies het zelfde shirt als Bill ook had, die ene die we voor mijn gevoel eeuwen geleden gekocht hadden, met de crčmekleurige cupido-print. Ik had werkelijk geen idee waarom ik het droeg, want het was iets van ons geweest en dat ‘ons’ bestond niet meer, maar het had waarschijnlijk dezelfde reden als waarom ik teruggekeerd was naar het bos: de pijn herinnerde me eraan dat ik leefde. De verdoving door de leegte die Bill in me had achtergelaten was zo gigantisch dat er iets dat al even groot was voor nodig was om me weer iets te laten voelen. Pijn was het enige dat voldeed.
Ik stak met een zakmes in de zompige aarde om me heen om mijn woede en verdriet kwijt te raken of in ieder geval te verminderen, maar het wilde niet helpen. Al minutenlang stak ik alleen maar in de aarde, mijn gedachten razend langs allerlei dingen die Bill ooit gezegd had, wervelend door alle dingen die we ooit samen meegemaakt hadden, strijkend langs iedere visuele herinnering die ik nog van hem bezat. Ik was bang dat ik hem zou vergeten. Bovendien deed denken aan hem zeer, wat het mes in mijn vingers eigenlijk overbodig maakte. Ik zou zoveel met het metaal kunnen doen, zoveel dat mij beter zou doen voelen, maar die lichamelijke pijn had ik niet meer nodig omdat de geestelijke marteling die behoefte ophief. Bovendien was dat iets vroeger, iets dat ik niet meer wilde. Het was tijd voor een vierde Maren, de Maren ná Bill, en het snijden was iets van de derde Maren. Ik was haar niet meer en wilde haar ook niet meer worden, want het deed zeer om haar te zijn. De derde Maren wist hoe het geweest was mét Bill, de vierde Maren had daar geen idee van en miste het dus ook niet. Ik wilde geen pijn meer voelen, wilde niet meer verdrietig zijn, wilde nooit meer boos zijn. Ik wilde niets meer voelen.
Ik veegde mijn ogen droog en kwam overeind, wat maar moeizaam ging doordat de kou was doorgedrongen in mijn benen. Behalve mijn binnenkant, voelde ook mijn buitenkant bevroren aan, wat nog niet eens zo vreemd was als je bedacht dat de kalender het begin van december bereikt had, dat het waarschijnlijk al over middernacht was en dat ik die morgen vergeten was een jas aan te trekken, verdoofd als ik geweest was. Ik voelde mezelf niet meer, was me er niet meer van bewust dat mijn geest bij mijn lichaam hoorde en dat was vreemd genoeg best fijn. Het was net alsof ik gestorven was, alsof ik een geest was en dat vond ik prettig omdat ik daardoor dacht dat ik nooit meer iemand pijn zou kunnen doen, inclusief mezelf. De wereld was waarschijnlijk veel beter af zonder mij.
Ik zette een paar wankele stappen in de richting van een boom, welke ietwat verloren tussen de anderen stond. Ze stak af tegen de rest doordat ze zo groot was en omdat ze er zo grillig en verdrietig uitzag, doordat haar takken zo triestig naar beneden hingen. Ik had vooral als het zonnig was vaak met Bill onder die boom gezeten, omdat ze schaduw bood door haar grote bladeren en omdat haar voet perfect was om op te zitten, doordat haar wortels deels boven de grond lagen. Anders dan de hemel, leek de boom wel met me mee te voelen en daarom mocht ik haar. Zij leek te weten dat ik een mens was.
Beheerst stapte ik op één van haar wortels om iets hoger te staan en ik hief het mes op. Even aarzelde ik nog, maar daarna drukte ik het met een ongekende kracht in haar bast en trok ik een rechte streep naar beneden, alsof ik wilde dat ze zou bloeden. In hanenpoten kerfde ik Bill’s naam in de stam, net iets onder de cirkel die we er ooit samen in gezet hadden als blijk voor onze liefde. Bill had een hart te cliché gevonden, en bovendien vond hij het niet iets dat onze liefde symboliseerde: een hart kon immers breken. Een cirkel had daarentegen geen einde. Hij had het iets gevonden dat voor ons stond, omdat we er beide van overtuigd waren geweest dat onze liefde voor eeuwig zou zijn, dat we voor altijd samen zouden blijven tot op het moment dat één van ons zou sterven en de ander alleen achter zou laten. We leefden echter beide nog en we waren beide alleen.

Een aantal dagen later zat ik beduusd op de bank, mijn gitaar bewegingsloos in mijn handen. Ik had iets willen spelen maar nog voordat ik had kunnen beginnen, had ik me verloren in mijn gedachten over een droom die ik die nacht gehad had. Mirre was er wederom in voorgekomen, compleet met vleugels, wit haar en witte kleding en ze was vergezeld geweest van een helder licht dat me verblind had, zodat ik haar gezicht niet had kunnen zien. Het was heerlijk weer geweest, met een helder zonnetje aan een strakblauwe hemel en niets had erop gewezen dat er wéér iets angstaanjagends zou gaan gebeuren, maar dat was wel gebeurd. Niemand kon me nog wijsmaken dat die dromen – of eerder nachtmerries – niets te betekenen hadden. Niemand.
In mijn droom waren we samen – Mirre en ik – op de markt geweest die ik herkend had als die in Amsterdam, waar we vijf jaar geleden onze rijstkorrelkettingen gekocht hadden. Alles was precies het zelfde geweest als toen, met als enig verschil dat we gewoon onze huidige leeftijd hadden gehad. Het had geleken alsof de geschiedenis zich in mijn hoofd herhaald had, totdat we uiteindelijk bij het kraampje gekomen waren waar we eerder in mijn leven onze kettingen gekocht hadden. Ik had er één gekocht, maar Mirre kreeg van de verkoper een doosje dat eruit gezien had als een EHBO-koffertje waar in plaats van een rood plusje een roze smilie op gestaan had. Daarna waren we weer verder gelopen, in de richting van een donkere straat. Vlak voordat we het plein afgelopen waren, had ik opgemerkt dat op mijn rijstkorrel niet míjn naam geschreven stond, maar die van Aiden.
Daarna waren we op een bankje gaan zitten, in die donkere straat, en toen ik naar links gekeken had, was het marktplein opeens verdwenen. Alleen wij twee waren daar nog, in het donkere steegje dat alleen verlicht werd door het witte licht dat Mirre uitstraalde. Ze had het koffertje op schoot genomen en het geopend, waarna het hard was gaan waaien, alsof het doosje een storm bevat had die nu bevrijd was. Daarna had ze er een soort van injectienaald uit gehaald, die al gevuld geweest was met een kleurloze vloeistof, welke ze diep in een ader van haar arm had laten glijden. Vanaf daar kon ik me enkel de paniek nog herinneren, hoe strak de knoop in mijn buik was geweest toen ik had gezien hoe de vloeistof al het licht uit haar leek te zuigen terwijl overduidelijk was dat ze juist iets ín haar lichaam spoot. Ze was langzaam zwart gekleurd, alsof ze langzaam verrotte of verdorde en was daarna opgestegen, mij schreeuwend en gillend achterlatend. Ik was zwetend wakker geworden, met opgedroogd zout op mijn wangen.
De grootste schok was daarna echter gekomen. Toen ik na gekalmeerd te zijn uit bed was gestapt om een glas water te gaan halen in de keuken, had ik in de spiegel gezien dat het rijstkorreltje aan mijn ketting afgebrokkeld was, in miljoenen kleine stukjes die de vloeistof in de hanger troebel gemaakt hadden. Daarna had ik mijn gitaar gepakt en was ik op de bank gaan zitten, me als bevroren afvragend wat het allemaal te betekenen had en - nog belangrijker - wat ik ermee aan moest. Ik had al vier keer over haar gedroomd (die ene keer met het zwarte gat, daarna die met die bruiloft, toen die met al dat vuur en ten slotte die van de laatste nacht, met de markt) en dat was me iets te vaak om nog toevallig te kunnen zijn. Daar nog bovenop kwam het feit dat er in iedere droom iets verschrikkelijks met haar gebeurde, dat ze in iedere droom stierf of al gestorven wás en dat maakte dat mijn voorgevoel nog verschrikkelijker was. Aan de andere kant had ik geen enkele reden om te geloven dat er iets met haar aan de hand kon zijn – ik bedoel, ik was niet helderziend en het kón ook daadwerkelijk toeval zijn. Maar dan nog, het zat me niet lekker.
Ik zat daar urenlang te denken. Julia stond op een gegeven moment op, ze douchte, ontbeet en maakte zich op en ze scheen niet te merken dat ik me uiterst vreemd gedroeg. Dat was ook niet vreemd, aan de ene kant, want Tom zou haar die middag weer op komen halen om iets met haar te gaan lunchen of wat dan ook en ze keek daar zo ontzettend naar uit dat haar aandacht voor mij nogal verslapt was. Ik nam het haar niet kwalijk: ik gunde het haar om gelukkig te zijn, ik gunde het haar om uit alle ellende te stappen en opnieuw te beginnen. Ze was zo verschrikkelijk sterk en ik bewonderde haar daar zo om, gewoon omdat ik wist dat ik nooit zo sterk uit mijn ellende zou komen als zij gedaan had.
Ik bedacht me waarom ik in godsnaam van die dromen had. Nog nooit had ik dromen gehad die me zo beangstigden, nog nooit had ik dromen gehad waarvan ik het gevoel had dat ze iets zouden kunnen voorspellen en nog nooit had ik over Mirre gedroomd, laat staan dat ze een engel was of dat ze stierf voor mijn ogen. Het had iets sinisters over zich, iedere droom op zich, iets onverklaarbaars dat ik niet scheen op te kunnen lossen. Mirre kón gewoon niet sterven, dat ging gewoon niet. Ze was verstandig, ze had een goed stel hersenen en ze was volledig gezond geweest toen ze voor de laatste keer bij me geweest was – al was dat al drie jaar geleden. Ik hield mezelf voor dat als ik haar op zou bellen, ik te horen zou krijgen dat alles goed met haar ging en dat ik me zorgen maakte om niets, maar tegelijkertijd durfde ik niet. Ik was bang dat mijn zorgen terecht waren.
Ook de droom die ik ooit over mijn moeders dood gehad had, bleef door mijn hoofd spoken. Dromen konden wel degelijk dingen voorspellen, maar ik was als de dood zo’n dergelijke gave te hebben – als het al een gave wás. Misschien liet God me die dingen wel gewoon zien en was het niet een gave die ik zelf kon controleren. Als ik mijn moeders droom min of meer voorspeld had, dan zou het ook goed kunnen dat ik Mirres eventuele dood aan het voorspellen was. Misschien had ze wel kanker gekregen in dat jaar dat ik in Japan gezeten was, misschien zou ze de dag daarna wel onder een auto lopen of misschien was hun huis in brand gestoken en was de hele familie verbrand. Het waren allemaal mogelijkheden die niet te voorzien waren als je er niet toevallig over droomde.
“Kan dit?” hoorde ik Julia op een gegeven moment vragen, waardoor ik min of meer uit mijn gedachtestroom gehaald werd. Ze draaide een rondje, waarbij de lichtgele stof van haar jurkje rond haar benen zwierde. Ik knikte afwezig, ook al vond ik het belachelijk dat ze een jurk droeg – ik bedoel, het was net voor kerstmis en de temperatuur lag niet ver boven het vriespunt. Ze leek desondanks tevreden met mijn antwoord en huppelde tevreden terug naar de badkamer om haar haar te doen, dat inmiddels weer bijna net zo rood was als het ooit geweest was. De geur van lavendel die ze altijd droeg, bleef achter in de woonkamer en maakte me nog soezeriger dan ik al geweest was. Mijn hoofd leek vol te zitten met watten, mijn ogen leken te zijn voorzien van een laagje matglas en mijn hele wereld leek mistig. Ik verlangde opeens weer naar hem, naar Bill. Hij zou vast wel geweten hebben wat mijn dromen betekenden.
Ik klemde mijn hand wat steviger om de hanger van mijn kettinkje, welke ik aan de hals van mijn gitaar bevestigd had – ik twijfelde er niet aan het ding weg te gooien, ondanks dat het kapot was: het was het enige dat me nog verbond met mijn nichtje. Daarom maakte het feit dat het rijstkorreltje uit elkaar gevallen was me zo bang. Áls er al iets was dat God me wilde laten weten, dan was dát wel de duidelijkste aanwijzing. Als de rijstkorrel afbrokkelde, dan brokkelde Mirre ook af. De ketting symboliseerde haar – het kón niet zo zijn dat het toeval was. Die dromen, de ketting – het klónk misschien niet angstaanjagend, maar dat wás het wel degelijk. Ik moest haar bellen om te zien of alles goed met haar ging. Het zou niet uitmaken mocht ik slecht nieuws krijgen want dan wist ik ten minste van de stand van zaken – of ja, het zou wel uitmaken want ze was mijn nichtje, maar – ja. Verdomme. Ik durfde niet.
Het ging langs me heen hoe het schelle geluid van de bel door de flat klonk, merkte het pas op toen Julia naar de deur toe stuiterde. Haar rode haren dansten om haar gezicht, waarop weer sproetjes te zien waren: ze poederde ze niet meer weg. Ze was weer precies die Julia van vroeger, zo vrolijk en vol van leven. Ze zag eruit als de zomer in eigen persoon, met die gele jurk en de pastelkleurige linten in haar krullen en dat maakte me blij. Alles in mijn leven leek duister maar dan was zij daar, als een stralende zon aan mijn donkere hemel. Ze maakte me warm en gelukkig, was iets waar ik me aan vast kon klampen terwijl de wereld om me heen afbrak, zoals Bill dat ook ooit voor me geweest was. Geluk stond haar, het maakte haar mooi.
Toen Julia de deur zielsgelukkig opende en de persoon erachter met een stralend ‘hallo’ verwelkomde, herkende ik Toms stem. Hij klink kil, koud en gespannen, misschien een beetje ongelukkig – heel anders dan Julia in ieder geval, wiens warme stem deed vermoeden dat we het winterseizoen hadden overgeslagen.
“Is Maren thuis?” vroeg hij haar met een stem die trilde van een ingehouden emotie die ik niet kon herkennen. “Het gaat om Bill.”
Bill. Toen ik de klank van zijn naam hoorde, werd alles om me heen plotseling kraakhelder, alsof er een betovering verbroken was waardoor ik opeens weer normaal kon denken. Ik zag zijn gezicht voor me, zijn in de hemel verfijnde gezicht; de zachte vormen van zijn kaaklijn en jukbeenderen, de zachtheid van zijn wangen, het gevoel van zijn lippen op de mijne, de denkrimpels in zijn voorhoofd, de krul in zijn wimpers en ik kon zowaar voelen hoe zijn vingertoppen over mijn gezicht dwaalden. Ik werd overvallen door een gevoel van gemis, iets groots dat me zoveel zeer deed dat het wazige gevoel in mijn hoofd verdween. Mijn liefde voor hem was zo groot geweest dat het waarschijnlijk nooit meer zou verdwijnen – het zou altijd bij me blijven. Ik kon hem niet laten gaan.
Heel langzaam stond ik op, geen acht meer slaand op de gitaar die nog altijd bewegingloos op mijn schoot lag. Hij gleed op de grond, maar ik had het niet door. Er was iets met Bill aan de hand, dat moest wel, want Tom klonk ernstig en ik had hem nog nooit zo serieus tegen iemand horen spreken. Ik zag hoe Julia een stapje opzij deed na gezegd te hebben dat ik binnen was en hoe Tom langs haar heen liep, met het waggelende loopje dat ik inmiddels al met hem identificeerde. Direct registreerde ik een harde trek in zijn gezicht die ik herkende van Bill, omdat hij precies zo had gekeken op die ene avond, zo’n drie seconden voordat we uit elkaar waren gegaan. Hij was onmiskenbaar kwaad, maar wilde dat ook overduidelijk verbergen, alsof hij dacht dat ik weg zou vluchten als ik zou merken dat hij me haatte – want hij haatte me, dat zag ik al in één oogopslag. Met iedere stap die hij dichterbij kwam, zag ik het meer en meer, steeds beter, totdat hij op een gegeven moment voor me stond. Het was net alsof hij de haat uitstraalde alsof het warmte was, want ik voelde hoe mijn hele lichaam ervan doordrenkt raakte. Vreemd genoeg was ik niet bang en bleef ik kalm: er was niets in mijn lijf dat erom schreeuwde weg te rennen, te bukken of me te verbergen. Ik bleef gewoon staan, met hem tegenover me, zijn gezicht gespannen van het inhouden van zijn woede.
Voor mijn gevoel stonden we minutenlang zo. Ik had mijn gezicht opgeheven naar hem zodat ik hem in de ogen kon kijken, welke een ongekende haat uitstraalden. Ik had geen idee waarom hij zo kwaad op me was en ondanks dat ik me normaal gesproken verschrikkelijk zou voelen wanneer iemand me zo minachtend aankeek, voelde ik op dat moment niets van onrust. Het was alsof ik in een vacuüm verpakking zat waardoor er geen emoties bij me konden komen. Mijn wereld was door het horen van Bills naam zó helder geworden dat ik boven mezelf zweefde, leek het, zodat ik geen emoties meer kon voelen. Het was heerlijk.
Totaal onverwacht hief hij zijn arm op en sloeg hij me met de vlakke hand in mijn gezicht. Het deed zeer, maar ik gaf geen krimp en bleef gewoon staan waar ik stond, alsof er helemaal niets gebeurd was. Het deed me herinneren aan de laatste keer dat ik door iemand geslagen was, door mijn moeder om precies te zijn, ongeveer een uur voordat ze zichzelf de dood ingereden was. Het was niets voor haar geweest om me te slaan en het zelfde gold voor Tom. Ik kende hem als een vredelievend persoon die nooit iemand zou slaan – anders dan zijn broertje. De jongen die ik liefhad.
“Het is jouw fucking schuld!” schreeuwde hij terwijl er tranen in zijn ogen opwelden.
“Tom – doe normaal!” riep Julia uit toen ze zag dat ik zelf geen aanstalten maakte me te verdedigen – daar had ik zelf ook geen behoefte aan, omdat ik het gevoel had dat het zo erg niet was. Ondanks dat Tom me haatte en ondanks dat hij me pijn deed, voelde ik met hem mee. Hij huilde bijna en dat kwam bijna nooit voor – de laatste keer dat ik het gezien had, was toen ik afscheid van hem had moeten nemen, net voordat ik naar Japan vertrok. Als Tom op die manier geëmotioneerd raakte, dan zat het fout. Goed fout.
“Nee!” schreeuwde hij naar haar, zodat hij mij de rug toe moest keren. “Het is háár schuld! Zij – Bill – hij – ik bedoel-”
Ik hoorde hoe zijn stem brak voordat hij zich weer naar mij terugkeerde en plotseling voelde ik iets: angst. Niet jegens zijn woede, maar jegens zijn verdriet. Er moest iets héél erg vervelends met Bill aan de hand zijn mocht Tom daardoor kunnen huilen – en huilen deed hij. Er biggelden tranen over zijn wangen en zijn stem trilde doordat hij zijn verdriet wilde verbergen, waarschijnlijk omdat hij niet zwak over wilde komen. Plotseling deed hij me een beetje denken aan mezelf – niet veel, maar gewoon een klein beetje. Omdat ik ook sterk wilde lijken maar het eigenlijk niet was.
“Het is jóúw schuld!” riep hij weer terwijl hij een wanhopig gebaar maakte met zijn armen.
“Wát is haar schuld?” vroeg Julia met een wanhopige ondertoon in haar stem en ze wierp mij van achter zijn rug een blik toe waarin ze me leek te smeken voor mezelf op te komen, of in ieder geval íéts te zeggen. Ik kón echter niets zeggen, stond te versteld om nog iets te kunnen uitbrengen. Julia voelde zich waarschijnlijk net zo als ik toen Bill Georg aangevlogen had, zo machteloos, alsof je een goederentrein voor je zag ontsporen en je niets kon doen om hem nog op de rails te kunnen houden. We waren beide bang – niet voor Toms woede, maar wat die woede teweeg kon brengen. Hij had nog nooit iemand geslagen. Nog nooit.
“Bill!” huilde hij. “Trut!”
Hij duwde me tegen mijn schouders, waardoor ik wel een stap achteruit móést doen omdat ik anders achterover zou vallen. De blik in zijn ogen was wanhopig en op slag wist ik precies wat er aan de hand was. Cocaďne. Heroďne. XTC. Nathalia was wat er aan de hand was – Nathalia, en al het dood en verderf dat ze met zich meebracht. Ze vergiftigde Bill met haar praatjes en haar zogenaamde medicijnen. Nu ik van het toneel verdwenen was, dacht ze ongetwijfeld hem voor zichzelf te kunnen winnen maar listig als ze was, moest ze hem wel eerst gedrogeerd hebben omdat hij anders nooit iets met haar zou beginnen. Nooit. Dacht ik.
“Doe normaal!” riep Julia weer uit, en ze pakte Toms hand vast om hem naar haar toe te draaien. Ik was zo geschrokken dat ik opeens helemaal niets meer kon, zag alleen maar voor me hoe hij naald na naald in zijn ader liet glijden, hoe hij pil na pil achterover sloeg en hoe hij de dag begon met een lijntje coke – het was verschrikkelijk. Als Nathalia op dat moment in mijn buurt geweest zou zijn, zou ik bovenop haar gesprongen zijn en haar geschopt en geslagen hebben totdat ze dood geweest was, dat wist ik zeker. Iemand die zo’n mooi persoon als Bill kapot maakte door hem spul te geven waarvan hij zelf was gaan geloven dat hij er beter van werd, verdiende het niet om te leven.
Net als ik.