Deel 14


Lieve Sa,

Tom moet er zijn voor Bill en dat is allemaal mijn schuld. Bill heeft Tom verteld over God en nu weet Tom dat het allemaal mijn fout is en niet die van Nathalia. Ik kan me niet herinneren dat ik me ooit zo verschrikkelijk heb gevoeld, zo gehaat. Julia weet er nu ook van, Georg, Gustav en Fleur ongetwijfeld ook en als Bill het Tom verteld heeft, zal Nathalia er ook wel van op de hoogte zijn. Ik heb geen idee wat de rest ervan denkt, maar Tom haat me in ieder geval en ik zou het de rest ook niet kwalijk nemen mochten ze een ongekende hekel aan me hebben. Ik heb levens verwoest en dat verzwegen. Hoeveel meer kun je verkeerd doen?
En ik heb Mirre gebeld.



Julia’s haar was weer blond – wit, bijna. Ze bracht haar dagen door in bed en opeens leek alles weer terug te vallen naar hoe de situatie geweest was toen ik teruggekeerd was uit Japan. Ik hield me stil, dagen lang, omdat ik boven het feit dat ik Julia niet op haar zenuwen wilde werken ook zelf genoeg had om over na te denken. Ik voelde me schuldig – wás ook schuldig. Bill zat weer aan de drugs, waardoor Tom Julia niet meer kon zien omdat hij er voor zijn broertje moest zijn en zodoende lag Julia’s leven door mij aan diggelen. Ik had levens verwoest alsof het steden waren waar ik bommen op gegooid had. Het leek misschien wel alsof het mijn schuld niet was, maar dat was het weldegelijk, in direct gezien. Ik zat gevangen in een cirkeltje waarin ik telkens weer geconfronteerd werd met de gigantische fout die ik gemaakt had – ik kon er niet aan ontsnappen. Ik wilde het wel achter me laten, hoopte dat het ooit zou ophouden zodat ik verder kon gaan met leven, maar het kon niet. Het zou me blijven achtervolgen tot op de dag dat ik zou sterven en misschien daarna ook nog wel.
In mijn achterhoofd bedacht ik me wat ik zou doen wanneer ik erachter zou komen dat mijn vrienden me haatten. Het was een mogelijkheid om terug te keren naar Japan, naar Sa en Liam, maar ik betwijfelde of ik nog geld genoeg had om een ticket te kunnen komen. Ik woonde dan wel bij Julia, maar mijn eten moest ik zelf betalen en dat maakte dat mijn geld er toch in een hoog tempo doorheen ging. De enige manier waarop ik aan geld zou kunnen komen, was door te gaan werken, maar ik had geen idee of ik Julia wel alleen achter kon laten. Ze had het altijd zonder mij gered, maar toch. Ik durfde haar niet alleen te laten. Als haar iets zou overkomen, zou het mijn schuld zijn en er was al teveel mijn schuld om ook dat nog eens te laten gebeuren.
Iets anders dat me sinds die dag teisterde, was de gedachte aan Bill. De gedachte aan hem had zich al vaker aan me opgedrongen, maar ik had hem altijd weggeduwd – pas na Toms bezoek durfde ik hem echt toe te laten in mijn hoofd. Op de meest onlogische momenten dook hij op voor mijn geestesoog en dan vroeg ik me af wat hij op dat moment aan het doen was, of hij sliep, onrustig was, blowde, lachte, huilde, een nummer schreef dat over ons ging, afkickte, Nathalia zoende – of hij ook aan mij dacht. Ik was benieuwd hoe zijn nieuwe leven eruit zag – of in ieder geval hoe hij het deed zonder mij, of hij de draad van zijn nieuwe leven gewoon had opgepakt of dat hij net als ik niet verder kon met leven. Het leven zonder elkaar was zo anders dat het was alsof ik het leven van een ander leefde, ook al was de herinnering aan hem nog wel altijd bij me. Ik moest opnieuw beginnen, maar dat ging niet. Ik vroeg me af of dat ook voor hem gold, of hij onze liefde miste of dat hij me al vergeten was. Ik vroeg me af of hij gelukkig was.
En ik dacht aan Tom, want Tom had gelijk. Het was mijn schuld en er was niets dat ik kon doen om het ooit nog terug te draaien. Wat vernield was, was vernield en dat kon nooit meer heel gemaakt worden. Telkens als ik me dat besefte, vroeg ik me af wat me nog in Duitsland hield. Ik maakte alleen maar dingen kapot en was van geen enkel nut – het was egoïstisch om te blijven. Als ik bleef, was dat alleen beter voor mezelf omdat ik niet zonder mijn vrienden kon. Zij konden prima zonder mij, sterker nog, ze zouden beter afzijn als ik terug zou gaan naar Japan. Zonder mij kregen ze de kans hun leven te leven en naar een toekomst uit te kijken die min of meer zeker was. Als ik er niet meer was om van hen te houden, kon God hen niets meer aandoen. Ik moest weg.
Eigenlijk zou het nog het best geweest zijn zelfmoord te plegen zodat ik nooit meer van iemand kon houden en God hen niets meer aan zou kunnen doen, maar ik was bang voor de dood. Een deel van mij wist dat er een soort van hemel moest bestaan, een plaats waar ik mijn moeder terug zou kunnen zien, maar een ander deel van mij vreesde een donkere leegte die na het leven kwam. Ik was bang dat ik zou blijven zweven in een oneindigheid omdat God het me niet zou gunnen te sterven. En dus bleef ik leven.
Pas na een aantal dagen achtereenvolgend piekeren, bedacht ik me weer waar ik aan gedacht had voordat Tom gekomen was: Mirre. Dat had tot gevolg dat ik een hele donderdagmiddag zat te piekeren over die droom, net zoals ik al eerder gedaan had, wat het zou kunnen betekenen en wat ik ermee aanmoest. Ik had geen idee of ik het aan zou kunnen nog meer slecht nieuws over me heen te krijgen nadat ik gehoord had dat Bill weer teruggegrepen had naar de drugs, maar voor hetzelfde geld zou er niets met Mirre aan de hand zijn en dan zou er een grote last van mijn schouders vallen. De vraag was alleen of God me zo genadig zou zijn. Aan de andere kant was het tijd om een knoop door te hakken, om voor eeuwig een einde te maken aan de twijfel en daarbij – waarschijnlijk – ook aan die enge dromen.
Tegen het vallen van de avond, toen de warme kleuren van de schemering door de ramen van het flatje schenen, besloot ik te bellen. In een opwelling pakte ik mijn telefoon uit mijn broekzak, scrollde ik door mijn telefoonboek om haar nummer te vinden en drukte ik op het knopje met het groene telefoontje. Toen ik het apparaat eenmaal tegen mijn oor gedrukt had, kon ik niet meer terug. Mijn hart klopte in mijn keel terwijl ik luisterde naar de stilte die altijd voorafging aan de toon van het overgaan van de telefoon, maar het duurde verontrustend lang. Het kwam in me op dat dat kon komen door mijn zenuwen, dat daardoor de tijd zich vertraagde, maar aan de andere kant had ik niet het gevoel dat dat zo was. Het duurde onnatuurlijk lang en dat maakte dat er zich een wee gevoel in mijn maag situeerde.
Toen een langgerekte pieptoon aantoonde dat er geen verbinding gemaakt kon worden, leek het even alsof mijn bloed van ijs was. Mijn darmen kronkelden in mijn buik en ik werd even misselijk van angst, omdat het voor mijn gevoel een vermoeden bevestigde. Het hoefde niets te betekenen te hebben – ze kon haar telefoon wel kwijtgeraakt zijn, een nieuwe telefoon gekocht hebben en mijn nummer te onbelangrijk gevonden hebben om over te nemen omdat ze me toch nooit meer sprak, haar batterij zou op kunnen zijn. Het hóéfde niets te betekenen, maar mijn intuïtie zei me dat ik een groot probleem had en dat God me opnieuw een streek geleverd had. Het kon niet niets betekenen. Dit, gecombineerd met de dromen en de ketting – het was teveel toeval op één plaats. Als je dat nog eens vermenigvuldigde met het feit dat ik had onderhandeld met de hemel, dan werd duidelijk dat mijn voorgevoel wel juist móést zijn. Er was iets met Mirre aan de hand, dat kon niet anders, en ik moest erachter zien te komen wát voordat het te laat was.
Ik verbrak de verbinding en probeerde het nogmaals, en nogmaals, en nogmaals, maar telkens liet die eindeloze piep me weten dat er niets meer was om verbinding mee te zoeken. Ik probeerde kalm te blijven, maar de paniek verergerde zich iedere keer als ik de verbinding moest verbreken en op een gegeven moment gooide ik mijn telefoon door de kamer uit frustratie. Als ik had kunnen huilen, zou ik het gedaan hebben. Als er ook maar íéts was dat mijn emotie zich weer kon laten uiten, dan zou ik het doen. Er was iets met mijn nichtje aan de hand en ik kon er niet om huilen – dat voelde verschrikkelijk en egoïstisch, alsof het me niets kon schelen terwijl ik wist dat het me wel kon schelen. Sterker nog – het was een zaak van wereldbelang, voor mij althans. Mirre was mijn verleden en ik kon niet aanzien hoe alles uit het verleden leek weg te vallen alsof het steentjes uit een dominospel waren. God speelde een spel met mijn leven en mijn dierbaren waren zijn inzet – ik kon niets doen om hen te redden.

Na nog een aantal minuten stilletjes voor me uitgestaard te hebben, stond ik op en liep ik naar de badkamer. Ik had geen idee waarom ik dat deed, want ik had die morgen ook al een uur wezenloos onder de douche gestaan, maar wellicht had ik het idee dat het water me tot rust zou brengen. Het was een zootje in mijn hoofd, één grote wervelwind van gedachten, overpeinzingen, angsten en twijfels. Er was niet eens meer ruimte voor andere gedachten, normále gedachten, bijvoorbeeld over hoe heet de douche stond en of ik de deur wel op slot gedaan had. Het boeide me ook niet – het enige dat er wél toe deed, was mijn nichtje en hoe ik met haar in contact zou kunnen komen. Mijn gedachten gingen als een trein zonder eindbestemming, als een orkaan op volle kracht. Haar mocht niets overkomen – ik moest ervoor komen dat ze ongedeerd zou blijven. Als haar iets zou overkomen, was dat mijn schuld. Mijn schuld, en die van niemand anders.
Zonder erover na te denken, kleedde ik mezelf uit en stapte ik onder de douche. Het water was verschroeiend warm, maar ik merkte het niet eens. Mijn gedachten waren gefixeerd op Mirre en op mijn dromen, wat ik uit welke tekens kon afleiden: de vleugels, het witte licht, het zwarte gat, de brand, de sigaret, de val, de jongen en het meisje, de spuit. Alles drukte onheil uit, een naderend einde. Ik begreep maar niet waarom God haar moest hebben, want zij had niets misdaan, net zomin als Bill, Julia en Tom iets gedaan hadden. De dood van mijn moeder had ik nog kunnen terugvoeren naar dat ik op haar gezworen had dat ik mijn leven zou beteren, maar ik had nooit iets gedaan wat kon verklaren dat hij ook de rest van mijn geliefden uitroeide alsof het onkruid was.
Ik probeerde mijn gedachten uit te schakelen door me te concentreren op hoe ik de vanilleshampoo over mijn haren verspreidde. Het lukte niet helemaal – het enige resultaat dat ik ermee boekte, was dat ik erboven ging zweven. Mijn gedachten zakten als het ware naar mijn maag en daardoor werd mijn hoofd helder, zodat ik kon nadenken over een oplossing. Mirre nam haar telefoon niet op – wat niets hoefde te betekenen, maar dat terzijde – dus moest ik aan haar huistelefoonnummer zien te komen, gezien die niet in mijn mobiel stond. Ik had echter nog niet in het nabije verleden naar haar huistelefoon hoeven bellen omdat ik het makkelijker vond haar op haar eigen toestel te bellen – behalve natuurlijk vroeger, toen ze nog geen mobieltje gehad had. Toen had ik het nummer altijd aan mijn moeder gevraagd, maar het probleem was dat zij door mijn schuld onder een vrachtwagen gereden was en sinds die dag niet meer leefde. Ik kon het natuurlijk op internet opzoeken, maar ik had geen computer tot mijn beschikking – Julia internette altijd op school. Ik kon aan Fleur vragen of ik bij haar thuis zou mogen opzoeken, maar zij had het waarschijnlijk zoals altijd te druk met school. Van Gustav had ik geen idee waar hij woonde, dus dat was ook geen goede optie. Georg was in mijn opzicht ook geen optie, al had hij niet meer voor zijn leven te vrezen: ik zat immers niet meer vast aan een jongen die hem het liefst de hersens in zou slaan wanneer ik binnen een straal van één meter van hem verkeerde. Ik moest het zo snel mogelijk te weten komen, want ik wist dat ik niet heel veel tijd meer had. Als Mirre een probleem had, dan moest dat binnen niet al te lange tijd opgelost worden en iedere verspilde seconde was er één.
Ik kreeg hoofdpijn van het denken en het hete water. Een vorm van onderhuidse paniek had zich strakgetrokken in mijn borst, maar desondanks kon ik mijn hoofd nog helder houden. Ik moest Mirre helpen, maar had geen idee hóé ik dat kon, óf ik dat wel kon. Ik wist zelfs niet eens of er wel iets was waarmee ik haar kon helpen. Ik kan niet goed omschrijven wat ik voelde – het was net alsof ik een soort van kriebelige deken om me heen geslagen had die ik het liefst van me af wilde werpen. Pure frustratie die ik niet kan beschrijven. Het was verschrikkelijk.
Plotseling bemerkte ik de getatoeëerde ster op mijn heup en verdween het verstikkende gevoel – mijn hoofd werd op slag helder. Het was niet dat ik vergeten was dat ik hem had, integendeel zelfs, maar het was net zo geweest als met de Tokio Hotel poster die ik ooit in mijn slaapkamer opgehangen had: ik had geleerd hem te negeren. Toen ik er echter zo rechtstreeks mee geconfronteerd werd, viel het niet meer te negeren. De vijfpuntige figuur leek me aan te staren vanuit een wereld die niet de mijne was, vanuit een verleden dat ik al lange tijd afgesloten had. Plotseling werd ik herinnerd aan Bill, van zijn zachte aanrakingen tot de brief die hij vlak voor de zomer voor me geschreven had. Hij had van me gehouden, al vanaf het moment dat hij me voor het eerst in de ogen gekeken had – hij had zelfs met me willen trouwen, ooit. Ik kon me niet voorstellen dat dat opeens allemaal voorbij kon zijn, ook al was het al een maand geleden dat het uit was gegaan. De woorden uit de brief bleven maar door mijn hoofd dwalen alsof het verdwaalde echo’s waren, op zoek naar een thuis in mijn hoofd dat ik hen niet wilde bieden omdat ik wíst dat ik hen moest vergeten. Ik kon het echter niet vergeten – ik kon hém niet vergeten. Hij bleef altijd bij me, in mijn hoofd en in mijn hart, alle herinneringen die we deelden. We hadden urenlang met elkaar aan de telefoon gehangen, honderden euro’s had ik besteed aan sms’jes naar hem, al mijn vrije tijd had ik in hem gestoken – het kón niet zomaar over zijn. Die ene ruzie waardoor we verloren hadden, kón niet opwegen tegen alles wat we daarvoor al overwonnen hadden. Het kón niet.
Ik tekende de ster over met mijn nagels, waardoor hij omrand werd door een vage, rode lijn. Ik dacht aan mijn moeder. Haar dood was direct gezien veroorzaakt door die kleine tatoeage op mijn buik, waardoor ik huisarrest gekregen had. Als ik niet zo dom was geweest om te ontsnappen, was het misschien wel nooit gebeurd – of nee, dat was niet waar. Het zou sowieso gebeurd zijn, want God had er toch wel voor gezorgd dat ze mijn deal niet overleefd zou hebben.
En plotseling wist ik wie ik moest bellen.
In een razend tempo zette ik de douche uit, droogde ik me af en raapte ik een aantal kledingstukken bij elkaar die daar al een aantal weken verloren rondzwierven. Er was geen tijd te verliezen – ik wist hoe ik mijn nichtje kon redden en alle tijd die ik maar kon sparen, was kostbaar. In mijn haast in de woonkamer te komen, struikelde ik bijna over een lukraak neergesmeten handdoek, maar het interesseerde me niet. Míj mocht alles overkomen – alles was immers mijn schuld – maar Mirre daarentegen had niets misdaan en móést gespaard blijven. Ik zou er alles aan doen om haar veiligheid te verzekeren, al moest ik ervoor naar Nederland gaan en zou dat betekenen dat mijn spaarpotje voor een ticket naar Japan verloren ging.
Eenmaal in de woonkamer, had ik geen idee waar ik moest beginnen met zoeken. Het kaartje met het telefoonnummer zat in mijn portemonnee, maar ik had dat ding al zo lang niet meer gebruikt dat ik niet wist waar ik het moest zoeken. Waarschijnlijk lag het onder drie lagen rommel en was het dus onvindbaar – met als resultaat dat ik nog een dag zou moeten wachten voordat ik Mirre zou kunnen bereiken en het misschien wel te laat zou zijn. Iedere seconde stierf er ergens op aarde één persoon en het kon zomaar zijn dat Mirre daarbij zat. Dat mocht niet gebeuren.
Ik voelde de paniek weer opzwellen in mijn borstholte en begon lukraak met zoeken op de keukentafel. Dat was de eerste keer dat ik mezelf erom vervloekte dat ik zo’n chaoot geworden was. Vroeger had ik altijd veel opgeruimd, maar na de dood van mijn moeder was ik erachter gekomen dat er belangrijkere dingen waren om me zorgen over te maken en toen was ik ermee gestopt. Julia was zelf eigenlijk nooit geordend geweest, met als resultaat dat de flat één grote stortplaats van rotzooi was. Pizzadoos na schoolboek na kapotte oorbel legde ik aan de kant op zoek naar mijn portemonnee maar het enige dat ik vond, waren lege chocoladewikkels, lege flesjes nagellak en gebroken oogpotloden. Het feit dat de schemering buiten verdween en dat het donker werd in de ruimte, hielp niet echt mee mijn frustratie te laten verdwijnen. Na de keukentafel spitte ik de laden in het dressoir door (ik negeerde de tekening van Bill en mij die daar nog altijd hing) en doorzocht ik de stapel rommel op tafel die op de tafel in de zithoek lag. Toen ik hem daar ook niet vond, overwoog ik zelfs om de prullenbak om te keren om te zien of hij dáár niet toevallig in terecht gekomen was, maar als in een wonder was dat het enige plekje in het huis waar geen zooi te vinden was.
Uiteindelijk vond ik mijn portemonnee onder de zitting van de bank waarop ik sliep. Snel doorzocht ik het naar het kaartje dat al meer dan een halfjaar onaangeraakt in mijn portemonnee zat, welke ik opgevouwen vond tussen een aantal groezelige briefjes papiergeld. Mijn hart sloeg een slag over toen ik me besefte dat ik het gevonden had, dat ik - als het goed was - nog maar twee telefoontjes verwijderd was van Mirre, dat ik misschien binnen een paar minuten zou weten of ik een reden had om me zorgen te maken of niet. Er vormde zich een prop in mijn maag bij het bedenken dat God haar niet ongedeerd gelaten had, maar ik wist dat ik het móést weten. Ik ontvouwde het papiertje en pakte mijn telefoon uit mijn broekzak om het nummer in te toetsen.
Albert.
Mijn hart ging als een razende tekeer toen ik op het groene telefoontje drukte en ik het toestel tegen mijn oor legde. Ergens heel diep van binnen wenste ik dat ik weer zo’n langgerekte piep zou krijgen als toen ik Mirre had geprobeerd te bellen en dat dat betekende dat het aan mijn eigen telefoon lag, maar na een korte stilte ging hij over en wachtte ik op verbinding met de andere kant van de lijn. Ik peuterde zenuwachtig aan mijn nagels en begon te ijsberen in de hoop nog een beetje kalm te worden, maar iedere keer dat de telefoon over ging, vergrootte het gevoel in mijn borst zich. Het was geen paniek, geen verwachting, geen angst en geen hoop maar iets dat ik niet kan beschrijven. Misschien was het wel een mengeling van dat alles, ik heb geen idee, maar het maakte dat ik niet stil kon zitten en dat ik onophoudelijk trilde over mijn hele lichaam.
“Met Albert,” hoorde ik een vertrouwde stem de stilte doorbreken. Mijn hart maakte een sprongetje bij het besef dat ik verschrikkelijk dichtbij was, maar tegelijkertijd werd ik ongekend zenuwachtig.
“Hé, Albert,” zei ik met een trilling in mijn stem. “Met Maren – je weet wel, Meyer, die ene die-”
“Oh – hoi Maren!” onderbrak hij me vrolijk. “Wat is er aan de hand?”
Ik begreep mezelf niet goed op dat moment. Aan de ene kant vond ik het prettig dat hij me meteen vroeg wat ik van hem wilde omdat dat me tijd zou schelen wat Mirre betreft, maar aan de andere kant vond ik het rot dat hij wíst dat ik iets van hem wilde, dat er een reden was dat ik hem belde. Ik zou het zo fijn gevonden hebben als hij even gevraagd had hoe het met me ging, hoewel ik er niet op zat te wachten hem te vertellen dat Bill en ik uit elkaar waren en ik verwachtte dat mijn nichtje iets vreselijks overkomen was, maar toch. Ik snapte niets van mezelf.
“Ik vroeg me af of je misschien nog een agenda van mijn moeder had – ergens,” zei ik vrij snel en emotieloos, om maar niet te lang stil te staan bij het feit dat mijn dode moeder eigenlijk de enige link tussen ons was, afgezien van Justin. “Ik kan mijn nichtje niet bereiken en zij was de enige die hun huisnummer had – dus ik dacht – misschien heeft Albert nog wel iets van haar.”
Toen ik het zei, merkte ik pas hoe stom het eigenlijk was om te verwachten dat mijn moeders ex-vriend nog een agenda van haar zou hebben. Een agenda was iets zonder waarde, gewoon een hoop papier dat ieder normaal persoon (of in ieder geval iedere normale man) direct zou weggooien – maar daar stond tegenover dat Albert niet onder het kopje ‘normale mannen’ viel.
“Eh – ja, dat zou best kunnen,” antwoordde hij, waarna ik mijn ogen kort sloot met een zucht van opluchting en ingehouden blijdschap. “Ik geloof dat ik ergens op zolder nog een doos heb staan waar ik nog een paar spulletjes van je moeder in zitten – als je nou morgen eens langskomt, aan het begin van de middag, dan zal ik het morgenochtend opzoeken en dan kan ik het aan je mee geven, goed? Ik kan het nu niet voor je zoeken, Isabel ligt op bed en ik wil haar niet wakker maken, als je het niet heel erg vind. Is het dringend?”
Ik was even van mijn stuk gebracht bij het horen van mijn moeders naam. Het klinkt misschien vreemd, maar het was net alsof ik haar naam vergeten was omdat ik haar in mijn hoofd altijd gewoon ‘mama’ noemde.
“Nee, het is niet dringend,” loog ik, nog altijd een beetje verbouwereerd. Er was niets dat op dat moment meer dringend was dan Mirres telefoonnummer, maar het feit dat hij zijn baby niet wakker wilde maken en dat ik eraan herinnerd was dat zijn baby de naam van mijn moeder droeg, maakte dat ik niet echt meer kon nadenken over mijn woorden. Ik was bedwelmd, zo leek het, door het horen van haar naam. Het was wonderbaarlijk wat drie lettergrepen met me konden doen.

De dag daarna stapte ik om half één op Julia’s fiets. Ik had er niet eens aan gedacht dat ik zelf geen fiets meer had (die van mij was gestolen als gevolg van het niet op slot zetten toen ik de bus naar Magdeburg genomen had na te horen hebben gekregen dat mijn moeder aangereden was) totdat ze uit haar slaapkamer gekomen was om me te vragen waarom ik in godsnaam al zo vroeg op was. Ik had haar verteld dat ik naar Albert zou gaan om Mirres telefoonnummer op te halen en toen had ze me aangeboden haar fiets te lenen. Ik had geprobeerd te verbergen dat ik een secondelang teruggezogen werd naar het verleden toen ik haar bedankte, maar ik geloof niet dat dat me echt gelukt was, te oordelen naar de medelijdende glimlach die ze op haar gezicht gehad had voordat ze haar slaapkamer weer in verdwenen was. Haar blonde haar leek licht te geven in het donker.
Het was de bedoeling geweest dat ik om twaalf uur zou vertrekken, maar ik was erachter gekomen dat Julia’s fietssleutel niet in het fietsslot gezeten had en dus had ik eerst de hele flat overhoop moeten halen. Uiteindelijk had ik het ding na een halfuur gevonden op de plaats waar de dag ervoor mijn portemonnee nog had gelegen en zodoende was ik veel te laat vertrokken. Ik fietste op een hoog tempo door de regen, waarbij het briefje met Alberts adres wapperde in mijn hand.
Pas om kwart voor één had ik het juiste huis gevonden. Het stond in een redelijk dure buitenwijk en stond op zichzelf, mooi en imposant, veel te groot voor drie mensen. Op de één of andere manier deed het me best zeer dat dat zo was, alsof een vrouw met veel geld veel beter was dan een alleenstaande moeder. Albert had overduidelijk een nieuw leven gekregen ná mijn moeder en ik maakte mezelf kwaad op mezelf dat ik dat zelf niet kon, dat ik zelf maar bleef hangen in het verleden en dat ik ieder moment uit mijn herinnering telkens herbeleefde wanneer er iets was dat me aan vroeger deed denken. Albert had geluk gehad dat ik niet van hem gehouden had, hoe vreemd dat ook mag klinken, want anders was hij er waarschijnlijk een stuk slechter aan toe geweest.
Ik wiste mijn gedachten, verzamelde mijn moed bij elkaar en liep met ferme passen de oprit op, om halt te houden voor een zware, houten deur. Heel even stond ik stil, alsof ik twijfelde of ik aan moest bellen – wat ik in wezen ook deed. Aan de ene kant was ik heel vastberaden, want ik moest Mirre te pakken zien te krijgen om haar te waarschuwen voor wat haar boven het hoofd hing, maar aan de andere kant was ik bang het huis binnen te gaan – bang voor wat ik daar aan zou treffen. Het huis symboliseerde Alberts nieuwe leven en ik hoorde daar niet in thuis.
Uiteindelijk hief ik mijn arm omhoog en drukte ik op de bel, welke ik achter de deur in de gang hoorde weerklinken. Direct klonk er een dof gestommel, alsof het van heel ver weg kwam, en na een aantal seconden werd de deur voor me open gedaan. Albert zag er precies zo uit als hij altijd gedaan had. “Hoi!” riep hij in al zijn vrolijkheid uit, alsof hij niet diezelfde dag in de spullen van zijn oude en tevens dode liefde had zitten zoeken. “Kom erin!”
Ik stapte naar binnen en liet hem de deur achter me sluiten. Pas toen ik binnen stond, kreeg ik in de gaten dat hij een kind op zijn arm had zitten dat zachtjes jammerde. Isabel. Ik werd er even door gebiologeerd, omdat ik niet verwacht had dat ik zo direct geconfronteerd zou worden met iets waarvan ik had gehoopt er nooit mee in contact te komen. Ze droeg kleertjes waarvan ik vrijwel zeker wist dat Albert ze voor haar gekocht had omdat ze zo volmaakt schattig waren, net zoals het roze mutsje dat over haar blonde donshaartjes getrokken was. Ze staarde me aan met haar grote blauwe ogen die leken op die van haar vader, alsof ze in mij precies hetzelfde zag als ik in haar.
“Ik heb nog niet goed kunnen zoeken,” zei Albert nog voordat ik me had kunnen verontschuldigen over het feit dat ik veel te laat was. “Diana moest vanmorgen onverwacht naar haar werk en net toen ik wilde gaan zoeken, werd Isabel wakker en moest ik haar eten geven en – je kent dat wel. Ik kan haar niet meenemen naar zolder, want dan zou ze wel eens van de trap kunnen vallen, maar ik durf haar ook niet alleen achter te laten, snap je? Oh – je kunt daar je jas ophangen.”
Hij gebaarde met een hoofdknik naar een vurenhouten kapstok die ergens in de hoek van de goudgeel verlichte hal stond. Ik trok mijn blik los uit die van Isabel en hing mijn jas op, waarna ik Albert de trap op volgde. Hij leuterde nog steeds hele verhalen, maar ik was gestopt met hen te volgen. Soms ving ik een aantal dingetjes op over dat Diana (ik nam maar aan dat dat zijn nieuwe vriendin was) werkte bij een advocatenkantoor en dat Isabel al bijna kon lopen, maar voor de meerderheid zeilde alles aan mijn hoofd voorbij. De baby keek me aan van over Alberts schouder, met drie vingers in haar mondje gepropt en haar blauwe, huilerige ogen wijd opengesperd. Sinds ze een nieuwe hobby gevonden had in het aanstaren van schuldbewuste Marens, huilde ze niet meer maar leek ze – ja, ik had geen idee wat dan wel. Ik had ooit iets gelezen over dat baby’s een sterker bewustzijn hadden dan volwassen mensen en ik vroeg me af wat ze voelde als ze naar mij keek – of ze iets voelde van mijn schuld.
“Hier, als jij Isabel even vasthoudt -” hij propte de baby in mijn armen. “- dan klim ik die trap even op, zoek ik dat nummer en dan kun jij je nichtje bellen.”
Ik schrok me wild toen ik opeens het kleine lijfje van zijn dochter in mijn armen voelde. Mijn eerste instinct was om het los te laten maar gelukkig deed ik dat niet, want iets zei me dat Albert me dat niet in dank afgenomen zou hebben. Terwijl Albert de trap opklom, verbeterde ik mijn houvast op het kindje en liet ik mijn blik vangen door haar onnatuurlijk blauwe baby-ogen. Ze was beangstigend en dat vond ik vreemd, want zij zou eerder bang moeten zijn voor mij dan andersom, maar het wás gewoon zo. Ze staarde me aan alsof ze precies wist wat ik allemaal gedaan had in mijn leven, alsof ze kon voelen dat ik Gods grootste vijand was. Ik wist daarentegen helemaal niets van haar en dat maakte dat ik me zwakker voelde dan zij, ook al had ik de macht om haar van de trap te gooien en kon zij dat niet bij mij. Ze leek me te willen wegjagen op de één of andere manier, alsof ze me wilde waarschuwen vooral niet in het leven van haar vader te willen doordringen omdat zij me dat anders wel betaald zou zetten. Ik wist zeker dat ik dingen zag die er niet waren, maar ik zág ze alsnog en ik vond het doodeng.
Ik sloot mijn ogen zodat Isabel me niet meer aan kon staren en besloot me te concentreren op haar gewicht in mijn armen. Plotseling moest ik denken aan Julia, aan het feit dat zij op dat moment ook een kindje had kunnen hebben dat eventueel precies zo geheten zou hebben als ik – het stak me. Ik had nooit echt een hart voor kinderen gehad maar toen ik Isabel zo vasthad en de warmte van haar kleine lichaampje tegen dat van mij voelde, voelde ik opeens iets dat ik nog nooit eerder echt gevoeld had. Het was niet iets dat ik direct als moedergevoelens wil bestempelen, maar ik voelde wel iets van liefde voor haar, naast de angst die ze me inboezemde.
Toen ik mijn ogen weer opende, was de enge Isabel weg en zag ik alleen nog maar een lief kindje dat gebiologeerd werd door de persoon die haar vasthield.
Ik hoorde Albert iets ondefinieerbaars roepen vanaf de zolder en mijn mond krulde zich om in een glimlach toen ik me besefte dat de toon waarop hij dat deed me deed denken aan de eureka-uitroepen die hem kenmerkten. Niet lang na die blije schreeuw daalde hij de trap weer af en nam hij Isabel weer van me over. Ik was dolblij dat ik haar weer los mocht laten.
“Gaat het wel?” vroeg hij me met een bestuderende blik die ik haatte omdat ik me er zo bekeken door voelde. Ik vond het lief dat hij interesse in me toonde, maar het geneerde me alsnog.
“Hoezo?” vroeg ik, me er oprecht niet van bewust wat hij bedoelde - ik voelde me relatief goed, als je keek naar de vage angst die ik jegens Isabel gevoeld had en het feit dat de herinneringen aan mijn moeder allemaal zo dichtbij leken te komen. Ik hief mijn hand op naar mijn gezicht om te voelen of ik misschien niet stond te huilen (wat me verbaasd en misschien ook wel opgelucht zou hebben, want huilen kon ik nog steeds niet) maar mijn wangen waren droog.
“Je ziet een beetje pips,” beantwoordde hij mij vraag, met een min of meer beschuldigende toon in zijn stem. “Eet je wel goed genoeg?”
Ik moest glimlachen om zijn bezorgdheid – het klonk écht alsof het hem iets uitmaakte of ik mezelf wel goed verzorgde of niet. Ik kan niet precies uitleggen hoe het voelde, maar het was net alsof ik me opeens besefte dat hij mijn moeder niet vergeten was, alsof hij toch nog ergens een soort van verantwoordelijkheid jegens mij voelde terwijl ik verre van familie van hem was. Hij had niets meer met mij te maken en dat maakte dat ik me warm van binnen voelde toen hij me zo bezorgd toesprak. Het was net alsof er weer iemand was die om me gaf.
“Het is niets,” verzekerde ik hem. “Het komt vast door het licht of zoiets.”
Toen ik op de lampen boven onze hoofden wees, wist ik meteen dat het een lamlendig smoesje was; ze verspreidden een oranje-achtig, warm licht – het kon niet zo zijn dat je er door die lampen bleekjes uit ging zien. Albert leek zich er echter niet zo van bewust te zijn. Hij glimlachte gerustgesteld en drukte een klein boekje uit elkaar dat ik herkende als mijn moeders agenda – mijn hart sloeg een slag over toen ik me dat besefte. Plotseling werd ik overspoeld door een golf van warmte, alsof haar geest in het boekje zat en ze me omarmde omdat ik haar weer teruggevonden had – ik had geen idee wat het was, maar het was heerlijk. Ik was weer een stap dichterbij de waarheid.

Het valt met geen pen te beschrijven wat ik voelde toen ik de stem van oom Arne hoorde. Na al die uren, dagen en maanden van anticipatie en verwarrende hersenspinsels, voelde het onwerkelijk om zo dicht bij de waarheid te zijn. Ik hoefde hem alleen maar te vragen of ik Mirre kon spreken en dan zou ik te horen krijgen hoe het met haar ging – het kon binnen een minuut gebeurd zijn. Aan de andere kant werd ik ook zenuwachtig en begon ik opnieuw te twijfelen aan of ik het wel wílde weten. De waarheid kon verlichtend zijn, maar eveneens hard aankomen. Vrijwel direct besloot ik echter dat ik het móést weten: eerder had ik het niet gedaan uit zelfbescherming, maar pas op dat moment realiseerde ik me dat ik mezelf daarmee alleen maar voor de gek hield. Het moest ooit gebeuren.
“Met Maren,” barstte ik los nadat ik die knoop had doorgehakt, met een hele hoop kriebels van nervositeit in mijn maag. “Zou ik Mirre-”
“Oh, God – Maren – wat ben ik blij dat je belt,” onderbrak hij me, en meteen wist ik niet meer wat ik moest zeggen. De toon in zijn stem was ernstig en serieuzer dan ik ooit meegemaakt had – direct sloeg de paniek weer toe. In mijn ogen betekende de toon in zijn stem iets onheilspellends, iets dat betekende dat er iets verschrikkelijks met Mirre aan de hand was. Het was alsof ik kopje onder ging in water dat zo zwart was dat ik niets kon zien, behalve het waterige zonnetje dat boven mijn hoofd het wateroppervlak doorbrak. Ik wist waar ik naartoe moest, maar het duurde eventjes voordat ik me besefte dat dat snel moest gebeuren omdat ik het anders niet zou overleven. Ik wilde wanhopig naar boven zwemmen, maar het ging niet omdat het water zo stroperig was dat ik niet vooruit kwam. Ik moest lucht hebben – zuurstof. Mirre.
“Zou ik Mirre kunnen-” viel ik direct uit, gedreven door een waas van paniek die me al mijn grenzen deed overschrijden. Ik vergat alles om me heen, vergat zelfs dat de persoon aan de andere kant van de lijn een levend iemand was. In mijn hoofd bestond er alleen nog maar Mirre en ik en een muur die tussen ons instond – een muur die ik moest zien te doorbreken.
“Maren, luister even,” onderbrak hij me met nog steeds die doodse kalmte in zijn stem. “Je moet even kalm blijven en eventjes naar me lui-”
“Je snapt het niet,” viel ik naar hem uit. De paniek zwol op in mijn borst en verspreidde zich naar andere delen van mijn lichaam, drukte mijn hersenen plat zodat ik niet meer fatsoenlijk en rationeel na kon denken. “Ik móét Mirre nu-”
“Maren, rústig!” probeerde hij me te kalmeren. “Je begrijpt niet -”
“Nee, jíj begrijpt het niet!” riep ik uit, er niet aan denkend dat Julia nog op bed lag. Ik kon alleen nog maar denken aan het feit dat mijn nichtje zeer waarschijnlijk in de problemen zat en dat mijn oom me verhinderde haar te redden. Ik was in staat hem iets verschrikkelijks aan te doen op dat moment – achteraf was ik blij dat hij een aantal duizenden kilometers verderop zat en dat hij niet naast me stond. “Ik móét -”
“Je móét even luisteren,” verzuchtte hij, met een dwingende ondertoon in zijn nog altijd geduldige stem. “Mirre is -”
“Ik meen het!” onderbrak ik hem. “Er is haast bij!”
“Nee, Maren, je hoeft je niet meer te haasten,” antwoordde hij zachtjes, en direct viel ik stil. Hij klonk geëmotioneerd en daar schrok ik van, omdat dat moest betekenen dat er iets heel ergs aan de hand was. Mannelijke mannen, zoals mijn oom, waren in mijn ogen nooit echt emotioneel, behalve als er iets vreselijks gebeurd was. De enige conclusie die ik uit zijn woorden kon trekken, was dat mijn nichtje reddeloos verloren was. Als het niet meer noodzakelijk was te haasten, dan betekende dat het einde voor haar.
Ik zweeg, en er was veel voor nodig om mij te laten zwijgen. Ik zag Mirres gezicht voor me, haar schitterende groene ogen en haar springerige krulhaar – een heel ander iemand dan het meisje met het spierwitte haar dat ik al een aantal keer in mijn dromen had gezien. Gemengde gevoelens overheersten mijn wezen, maar paniek was hetgeen dat me verlamde. Ik was doodsbang voor wat ik te horen zou krijgen, kwaad op mezelf omdat ik zo tegen mijn oom was uitgevallen en ik voelde ook een vorm van zelfhaat omdat ik wist dat – wat het ook was dat er met Mirre aan de hand was – het mijn schuld was. Daarmee kwam ongewenst ook mijn zelfmedelijden de hoek om kijken, maar dat probeerde ik de kop in te drukken omdat ik wist dat ik geen medelijden verdiende, en al helemaal niet van mezelf.
“We konden je niet bereiken, Maren, en dat spijt me,” zei hij op een fluistertoon die de razende orkaan in mijn binnenste leek te kalmeren. “We hebben geen mobiel nummer van jou en Mirre had haar telefoon niet bij zich toen het gebeurde – we hebben geen idee waar het ding dan wel was, we hebben het nog steeds niet gevonden, maar -”
“Is ze dood?” hoorde ik mezelf vragen. Ik vroeg het niet bewust – het was meer alsof ik boven mezelf zweefde, alsof het iemand anders was die vroeg wat er met mijn nichtje aan de hand was. Het holle gevoel in mijn buik maakte me misselijk en ik voelde me precies zo als toen ik met Albert aan de telefoon gezeten had en hij me verteld had dat mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ik voelde me leeg en had het gevoel dat ik langzaam afstierf door de onzekerheid. Tranen prikten achter mijn ogen, maar ze drongen niet naar buiten, hoe graag ik dat ook wilde. Wezenlijk huilen kon ik nog altijd niet. Van binnen was ik echter gebroken en het voelde verschrikkelijk dat ik dat er niet uit kon huilen, dat ik het ongewenst opkropte in mijn binnenste totdat ik zou exploderen. Ik zag Mirre voor mijn geestesoog – niet de engel die ze in mijn dromen geweest was, met de vleugels, het witte haar en de holle ogen, maar de mooie Mirre die ik veel te lang geleden voor het laatst gezien had. Ik kon haar aanwezigheid bijna voelen, zo scherp was de herinnering die in mijn geheugen gegrift stond.
Ik zakte neer op de bank en klampte me vast aan mijn hoofdkussen toen hij me zei dat het hem speet, voelde hoe er opnieuw een deel van mijn wereld afbrokkelde. Er vormde zich een prop in mijn keel en de druk op mijn longen verhoogde zich, waardoor het moeilijk werd adem te halen. Het voelde alsof ik stikte in mijn verdriet, alsof ik verdronk in een oceaan van ongehuilde tranen. Ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat ik droomde, dat ik opgelucht wakker zou worden in de wetenschap dat het maar een nachtmerrie geweest was – het besef dat ik niet sliep, leek niet tot me door te dringen. Niets drong tot me door, niets van wat er om me heen gebeurde. Het liefst wilde ik schreeuwen, gillen, huilen, maar ik werd verdoofd door iets dat ik niet kende. Ik wilde vragen wat er met haar gebeurd was, hoe ze gestorven was, maar mijn keel was zo verschrikkelijk gezwollen dat ik niets uit kon brengen. Ik voelde me machteloos bij het besef dat ik niets kon doen tegen God, die het symbolische huis van mijn wezen kamer voor kamer uitbrandde en de muren afbrak met een gigantische hamer. Ik kon alleen maar toekijken, kon alleen maar zien hoe hij me stapje voor stapje kapot maakte.
“Ik begrijp dat het moeilijk is,” zei Arne aan de andere kant van de lijn. “Eerst je moeder en nu dit.”
Ik wilde antwoorden dat hij geen idee had, dat het nog veel erger was omdat ik wist dat het geen toeval was – sterker nog, dat het mijn eigen schuld was, maar ik kreeg geen geluid uit mijn keel. Ooit in mijn leven, tijdens één van die miljoenen seconden die ik al geleefd had, had ik een deal gesloten met een macht die mijn hele leven leek te beheersen en te vernietigen omdat ik mijn afspraken niet nagekomen was. Hij kon me niet begrijpen – niemand kon dat als zelfs Bill me nooit begrepen had op dat punt. Het was niet dat ik mijn moeder en mijn nichtje ‘gewoon’ verloren had, het was nog veel erger. Ik had hen láten verliezen door hen de inzet te laten zijn van een spel dat ik van God verloren had. Het lot bestond niet.
Ik probeerde mezelf onder controle te krijgen, probeerde rustig adem te halen en tot me door te laten dringen wat mijn oom allemaal tegen me zei, maar het ging langs me heen. Het was net alsof hij een taal sprak die ik niet begreep – ik hoorde wat hij zei, hoorde de klanken van zijn stem, maar ik kon ze niet meer thuisbrengen, was vergeten welke klank bij welke letter hoorde en wat die letters in combinatie betekenden. Ik was bang dat ik doordraaide, dat mijn hersenen oververhit raakten door alles wat ik voelde en dat ik blijvend hersenletsel op zou lopen – dat zou ik nog niet eens zo vreemd gevonden hebben. Ik probeerde gecontroleerd adem te halen, met mijn ogen gesloten zodat ik me nergens anders op hoefde te concentreren, en voelde hoe mijn hartslag langzaam zakte. Op de één of andere manier was ik doodsbang.
“Ik bel je straks terug,” wist ik uiteindelijk uit te brengen. “Ik moet even-”
“Ja, ik snap het,” onderbrak hij me met een begripvol stemgeluid, zich niet beseffend dat hij helemaal niets van de hele situatie begreep. “Het is moeilijk.”
Ik wist een klein glimlachje op mijn mond tevoorschijn te toveren, ook al wist ik dat hij het niet kon zien. Opeens zag ik hem als een kind dat verkondigde dat hij wist hoe de wereld werkte, maar daar totaal geen idee van had. Het was de glimlach van een moeder die vertederd werd door de onwetendheid van dat kind – ik had geen idee waarom ik lachte, want ik had daar geen enkele reden toe. Van binnen voelde het alsof ik verbrand werd, verschroeid, alsof ik verstikt werd door de rook. Ik wachtte op de klap, op het moment waarop het tot me door zou dringen dat ik Mirre verloren had.
“Ja,” bevestigde ik. “Heel erg.”
Ik verbrak de verbinding.