Deel 15


Lieve Sa,

Het is vreemd om je te bedenken dat het leven doorgaat terwijl alles om je heen af lijkt te breken, terwijl alles om je heen verandert. Mirre is er niet meer – het enige dat me een beetje rust lijkt te geven, is de wetenschap dat ze bij mijn moeder in goede handen is. Ik voel me verschrikkelijk, heb het gevoel dat ik ieder moment in kan storten. Het enige positieve aan het feit dat ik me vreselijk voel, is het feit dat Julia er haar kracht door hervonden lijkt te hebben. Sinds ik het weet van Mirre, heeft ze voor zover ik weet niet meer geslapen, maar eerlijk gezegd weet ik niet of dat wel zo positief is als ik denk dat het is. Ik vind het fijn dat ze zich om mij bekommert, ook al weet ik zeker dat het haar net zo aangrijpt als het bij mij doet. Op dit moment hebben we vooral veel steun aan elkaar en het is prettig om zoiets te hebben.



De spreekwoordelijke klap kwam pas toen ik die avond lag na te denken over alles wat ik met Mirre beleefd had. Het was misschien niet veel, maar aan die paar kleine momenten had ik bergen prachtige herinneringen overgehouden. Haar verschijning stond op mijn netvlies gebrand, als de weergave van een verstild moment uit één van mijn herinneringen. Ik had geen idee uit welke herinnering het beeld kwam – óf het überhaupt wel uit een bestaande herinnering kwam – het kon ook zijn dat ik het plaatje zelf bedacht had. Feit was echter dat Mirre er bloedmooi was, met donkere oogmake-up en een rozenrode mond die bijna net zo sprekend was als Mirres gehele persoonlijkheid. In mijn hele leven had ik misschien slechts honderd uur met haar doorgebracht, maar desondanks had ik het gevoel dat ik haar door en door gekend had. We hadden het zo geweldig gehad in al die korten momenten, ook al leken we op het eerste gezicht twee totaal verschillende personen. Ook al hielden we niet veel contact, ik had haar altijd gezien als iets om op terug te vallen als er iets mis ging, iets dat gewoon in mijn leven ‘was’ zonder dat ik me ooit af hoefde te vragen wat het daar deed, iets waarvan je je pas besefte wat het voor je betekende als het er niet meer was. Op dat moment was dat het geval: opeens realiseerde ik me dat Mirre een soort ijkpunt voor me was geweest en dat dat me op brute wijze afgenomen was. En dat deed zeer.
Ze was doodgeschoten, gewoon, zomaar. De politie wist niet precies waarom, blijkbaar, maar ze vermoedden dat het iets te maken had met drugs. Ik kon dat echter niet bevatten – in mijn hoofd gingen Mirre en drugs niet samen, op welke wijze dan ook. Volgens oom Arne had ze niets van haar dood gevoeld, was ze gewoon in één keer – je weet wel. Waarschijnlijk had ze haar einde niet eens aan zien komen. Mijn intuïtie zei echter dat het anders was – ik weet niet precies wat het was, maar ergens wist ik gewoon dat dat een leugen was. Mijn nachtmerries waren pas begonnen na haar overlijden en ik wist gewoon dat ik die nooit gehad zou hebben als ze het niet had zien aankomen. Ook wist ik zeker dat ze geen vrede had met haar dood, of in ieder geval dat er meer achter zat dan een uit de hand gelopen drugsschandaal, want anders zou ze me die dromen nooit hebben laten krijgen. En ik, die de waarheid niet onder ogen had willen zien, had al haar aanwijzingen koppig genegeerd. Ik hoopte dat haar geest rust zou vinden nu ik ervan wist, hoopte dat ik haar geen pijn gedaan had door haar tussen hemel en aarde te laten zweven. Mijn schuldgevoel jegens haar was zo gigantisch groot – ik voelde me verschrikkelijk. Waarschijnlijk nam zij me niets kwalijk, maar dat was slechts omdat ze niet wist dat God erachter stak. Het was mijn schuld en dat was ondraaglijk.
Wat ik me direct nadat ik het nieuws gekregen had had afgevraagd, was of ze haar ketting om had gehad bij de begrafenis. Oom Arne had gezegd van niet, wat dus betekende dat ze van iemand gehouden had. Ik vroeg me af wie het was.
De tientallen uren nadat ik het nieuws te horen had gekregen, bracht ik slapend en wakend in een onnatuurlijk ritme door. Wanneer ik sliep, droomde ik over haar en wanneer ik waakte, dacht ik aan haar, starend naar het plafond, me afvragend waarom in godsnaam. Om me heen scharrelde Julia rond, continu, alsof ze bang was dat ik mentaal in zou storten als ze me ook maar één moment alleen zou laten. Ik had niet het idee dat ze doorhad hoeveel Mirres dood met me deed omdat ik niet huilde – omdat ik het niet kón. Het deed zeer te weten dat ze niet wist hoeveel verdriet ik had, het gaf me het gevoel dat we uit elkaar groeiden en dat haatte ik, vooral omdat ik haar op dat moment juist het hardst nodig had. Normaal gesproken had ik Bill gehad als reddingsboei om me aan vast te klampen als ik kopje onder dreigde te gaan, maar hij leek opeens net zo ver weg te zijn als Mirre. Ik had de behoefte mijn hart te luchten, maar wist dat ik dat alleen bij hem zou kunnen omdat voor de rest niemand van de deal afwist. Niemand zou me begrijpen, behalve hij. Nog nooit had ik hem zo gemist als ik op dat moment deed.
Alles was wazig en troebel, zowel het verleden en het heden als de toekomst. Ik wilde zo graag verder gaan met leven, de dingen die gebeurd waren achter me laten en de dingen die nog in het verschiet lagen met opgeheven hoofd tegemoet lopen maar God zette een rem op me. Mijn hele lichaam deed zeer van de verliezen die ik leed, mijn binnenste werd verschroeid door een ontembaar vuur dat ik wilde blussen maar de tranen die daarvoor nodig waren, kwamen maar niet. Ik wilde mijn verdriet kwijt, wilde vastgehouden en getroost worden, maar durfde er niet om te vragen, ook al wist ik zeker dat Julia me vast zou houden als ze van mijn verlangen zou weten. Ik was er echter te trots voor.
Één van de weinige positieve dingen die Mirres dood met zich meebracht, was het feit dat ik Fleur weer iets vaker zag. Waarschijnlijk was dat alleen maar omdat Julia haar dat gebood, omdat Julia wilde dat er iemand bij mij was als zij om boodschappen moest, maar desondanks vond ik het fijn dat ze er was. Ik wist dat het niet haar schuld was dat ze Julia en mij niet zo vaak op zocht: zich op haar school storten was een soort uitlaatklep voor haar geworden toen ik naar Japan had moeten verhuizen en het was een verslaving voor haar geworden, iets waar ze niet meer mee kon stoppen, ook al was ik al bijna een jaar weer thuis. Dat was in ieder geval wat Julia me verteld had toen ik me er bij haar over beklaagd had – ik had me direct het stomste wezen van de hele wereld gevoeld. Ik had kunnen weten dat het mijn éigen schuld was geweest.
Maar enfin, gedwongen of niet, ze was er dan toch en ik geloof niet dat ze het erg naar haar zin had. Ik wilde wel met haar praten, maar er viel geen zinnig woord uit me te krijgen en dus zweeg ik, urenlang. In plaats daarvan luisterde ik naar haar verhalen over de kunstacademie en de geweldige mensen die ze daar aan de lopende band leek te ontmoeten. Ze vertelde ook veel over haar vriend, die oude student wiens naam ik telkens opnieuw vergat totdat zij hem weer liet vallen. Fabian. Ze sprak het uit met een hemelse klank van geluk in haar stem, een toon waaruit ik duidelijk kon opmaken dat ze honderd keer liever bij hem was dan bij mij. Op die momenten kon ik wel huilen – ze was zo gelukkig en ik had het gevoel dat ik haar daarbij in de weg stond door óngelukkig te zijn. Ik kon de afkeuring horen in haar stem – iets waarvan ik hoopte dat ik het me slechts verbeeldde, maar tegelijkertijd wist ik dat ik haar ergerde door mijn verdriet. Ze wilde haar leven leven en ik belemmerde haar door er alleen al te zijn – het was verschrikkelijk om dat te voelen. Ik wilde dat ze gelukkig was, maar ook dat ze weer net zoveel van me zou houden als vroeger. Die twee dingen leken echter tegenpolen van elkaar te zijn geworden en dat stak me, recht door mijn hart.
Na een aantal dagen gebeurde er iets ontzettend vreemds. Op klaarlichte dag ging de bel, zomaar, vanuit het niets, terwijl zowel Julia als ik niemand meer hadden die uit zichzelf langs zou komen. Eigenlijk kwam iedereen enkel wanneer wij erom vroegen, op commando. Het feit dat er plotseling iemand voor de deur stond die één van ons wilde spreken, kwam ons zo vreemd voor dat we elkaar eerst vijf seconden lang verbaasd aankeken om elkaar stilzwijgend te vragen of we het wel goed gehoord hadden. Toen de bel vervolgens opnieuw ging, werd de verbazing enkel nog veel groter.
Julia stond op om naar de deur te lopen, ik bleef wezenloos op de bank liggen. Ook al was ik benieuwd naar wie er voor de deur stond, ik kon de kracht er niet voor opbrengen op te staan. Ik had het gevoel dat ik driehonderd kilo woog door de lasten die ik op mijn schouders droeg en dat was te zwaar om allemaal mee te torsen. Dat wil echter niet zeggen dat ik in mijn hele lichaam gespannen was, dat ik brandde van nieuwsgierigheid en dat mijn maag salto’s maken van verwachting. Ergens hoopte ik dat het Bill zou zijn, om onze ruzie bij te leggen en alles te vergeven en te vergeten, maar ergens hoopte ik ook dat dat niet zo was. Ook al was het voor mij beter wanneer hij bij me terug zou komen, ik wist dat het hem kapot zou maken. Hij verdiende een leven zonder mij, een leven waarin geen God bestond die hem kapot zou maken omdat ik toevallig van hem hield. Hij verdiende een vriendin die hem liefde zou geven in plaats van een vriendin die hem zo leeg zoog dat hij drugs nodig had om zichzelf een levend wezen te voelen. Ik had hem zo vreselijk veel aangedaan dat ik bijna zou wensen dat onze relatie nooit bestaan had, dat ik mijn liefde aan iemand anders geschonken had in plaats van aan hem. Hij was altijd zo ongeschonden geweest, zo rein. Ik had hem vergiftigd door van hem te houden. Het klonk zo tegenstrijdig dat het bijna onlogisch leek, maar het was waar. Liefde was niet altijd puur. Het kon evengoed desastreus zijn.
Toen Julia de deur uiteindelijk opende, hoorde ik echter al direct dat het Bill niet was. Het was Fleur. Dat wist ik al voordat ik haar kon zien. Ze huilde. Haar gesnik weerklonk door de ruimte – een kort moment éénstemmig, daarna polyfoon doordat het zich mengde met de rustgevende klanken van Julia’s troostende stem. Ik vroeg me af wat er met haar aan de hand was, maar voelde wel dat ik geen medelijden met haar had en dat raakte me diep. Alsof ik niet meer van haar hield, en dat was niet zo. We mochten dan wel uit elkaar gegroeid zijn (want ik wist dat dat zo was. Ik kon het wel blijven ontkennen, blijven volhouden dat we op een gegeven moment weer net zo goed met elkaar om zouden kunnen gaan als vroeger, maar het víel niet te ontkennen) maar dat wilde niet zeggen dat ik niet meer van haar hield. Ik zou zelfs nog van haar houden als bleek dat zij ervoor gezorgd had dat mijn moeder dood was, hoeveel zeer me dat ook had gedaan. Misschien zou ik haar verachten, misschien zelfs de dood in wensen, maar onderhuids zou ik altijd van haar blijven houden. Die liefde zou nooit overgaan.
Het drong toen nog niet tot me door dat dat wel eens de reden van haar verdriet zou kunnen zijn.
Seconden lang aanschouwde ik het verdrietige tafereel, keek ik naar hoe Julia Fleur probeerde te kalmeren. Langzaam maar zeker kwamen er allerlei gedachten in me op waarvan ik geen idee had waar ze vandaan kwamen, gedachten die ik het daglicht niet wilde laten aanschouwen. Ik vroeg me af waarom ze in Godsnaam naar ons toe kwam, hoe ze dat in haar hoofd durfde te halen na er nooit voor ons geweest te zijn. Zij had het altijd te druk gehad met school en met Fabian om zich zorgen te maken om Julia en mij. Het voelde alsof ze met hangende pootjes terugkwam na zich beseft te hebben dat het ware geluk niet bestond. Ik schaamde me omdat ik zo over haar dacht, want ik wist dat het niet waar was. Ze was ons niet vergeten, dat zou ze nooit kunnen, al voelde het misschien wel zo.
Na verloop van tijd ving Julia mijn blik, over Fleurs schouder heen. Dat was het moment waarop ik mijn ogen afwendde. Het voelde alsof Fleur iemand was die ik niet kende, of slechts vaag, níet alsof ik jarenlang lief en leed met haar gedeeld had. Het was net alsof ik getuige was van een intiem moment waar ik ethisch gezien geen getuige van mócht zijn. Ze leek plotseling zo ver van me verwijderd.
Met alle kalmte die ze in zich had, leidde Julia Fleur naar de bank. Fleurs ogen waren rood en gezwollen van al het verdriet. Ik vroeg me af hoe lang ze al huilde. Ik benijdde haar omdat ze het kon. Wanneer God me de mogelijkheid terug zou geven te kunnen huilen, zou ik hem danken op mijn blote knieën. In mijn ogen was het de enige manier te uiten hoe ik me voelde. Ik had het gevoel dat niemand mijn verdriet serieus nam omdat God me de mogelijkheden me te uiten had afgenomen. Mijn vrienden leken te denken dat ik een aansteller was – en misschien was ik dat ook wel. Als je keek naar hoe lang Bill en ik al uit elkaar waren, was het misschien ook stom dat ik me er nog steeds klote over voelde. Wanneer je echter keek naar hoe intensief onze relatie was geweest, was het misschien ook wel logisch dat ik er geen vrede mee had dat we uit elkaar waren.
Zodra Fleur zich op het zachte leer van de met rommel bezaaide bank liet zakken, kroop ze dicht tegen Julia aan. Het leek net alsof Fleur me negeerde, alsof ik een spook was waar ze dwars doorheen keek. Direct voelde ik me weer misplaatst. Ik had het gevoel dat ik met mijn oor tegen een sleutelgat gedrukt stond terwijl er in de kamer achter de deur een vertrouwelijk gesprek gaande was. Ik behoorde geen getuige te zijn van wat er zich voor mijn ogen afspeelde. Ik mocht niet horen waarom Fleur zo’n verdriet had. Ik kon echter ook niet weglopen omdat ik me zo vreselijk zwaar voelde – en dat wilde ik ook niet. Het enige dat ik wilde, was dat Fleur me aan zou kijken en me zo bevestiging zou geven van het feit dat ik bestond.
“Wat is er aan de hand?” vroeg Julia stilletjes, Fleurs donkerblonde haar strelend met haar vingertoppen. Fleur antwoordde niet, simpelweg omdat ze dat niet kon. Haar ongecontroleerde snikken maakte het haar onmogelijk ook maar één simpel woord uit te brengen. Ze probeerde het wel, maar telkens als haar stembanden zich ver genoeg aangespannen hadden om verstaanbare klanken te produceren, verviel ze weer in haar schokschouderende verdriet. Ik kreeg er vreemde en gemengde gevoelens bij. Aan de ene kant wilde ik bij haar gaan zitten en proberen haar te kalmeren, precies zoals Julia dat deed, maar ik was aan de andere kant bang dat zij dat niet zou waarderen. Ik heb geen idee waar die angst vandaan kwam (eigenlijk heb ik geen idee of het wel angst te noemen is) maar ik vond het rot. Vroeger zou ik nooit hebben hoeven twijfelen aan of ik haar vast mocht houden en het voelde onnatuurlijk dat ik dat op dat moment wel deed. Alsof we geen vriendinnen meer waren. Wat misschien ook wel zo was.
Opnieuw ving Julia mijn blik. Ze keek me aan met een zekere zachtheid in haar ogen, alsof ze precies het zelfde voelde als ik, maar ook met iets gebiedends. Zonder woorden te gebruiken, zei ze me dat ik me niet zo aan moest stellen en dat ik Fleur vast moest houden, precies zoals zij dat deed, omdat ze het nodig had. Ik kon me er echter niet toe zetten. Ik wist zeker dat Julia dacht dat ik Fleur niet vast wílde houden omdat ik onderhuids kwaad op haar was, maar dat was niet waar. Er was niets dat ik liever wilde dan onze vriendschap helen (wanneer je Bill buiten beschouwing liet, in ieder geval) maar ik durfde het gewoon niet. Ik was bang dat zij het niet wilde. Ik was bang om afgewezen te worden, zoals ik dat altijd al geweest was. Ik was afgewezen door mijn vader, door Georg en door Bill en ik wilde niet dat ik Fleur aan dat rijtje toe zou moeten voegen. Zij was er altijd voor me geweest, al sinds ik het me kon herinneren, en dat mocht niet verdwijnen.
“Ik – Fabian – we zijn – ik –” wist Fleur uit te brengen alvorens opnieuw te vervallen in een huilbui. Ik had geen idee wat ik moest doen. Het enige dat ik deed, was zitten, luisteren en kijken. Ik aanschouwde het verdriet wel, maar weigerde me erin te mengen. Op dat moment was het alsof ik een muur optrok die me beschermde van alles wat er om me heen gebeurde. Ik kon niets meer voelen; geen medelijden, geen verdriet, geen angst. Ik keek slechts naar wat er zich voor mijn ogen afspeelde, met een blik die niet de mijne was.
“Wat is er met Fabian?” vroeg Julia, plotseling geagiteerd en alert. “Heeft hij je iets aangedaan?”
Direct schudde Fleur wild met haar hoofd, wat Julia wat leek te kalmeren. Mij kalmeerde het niet. Het deed niets met me. Niets kon meer wat met me doen. Op dat moment maakte het me zelfs niet meer uit dat ik moederziel alleen was. Ik had overal vrede mee. Ik heb geen idee waardoor dat kwam, opeens. Misschien speelde God opnieuw een spel met me. Juist toen Fleur me meer nodig leek te hebben dan ze ooit in haar leven gedaan had, veranderde hij me in een gevoelloze robot. Ik weet zeker dat Fleur het begrepen moet hebben, dat ik haar verdriet niet over kon hevelen op mezelf omdat ik het al moeilijk genoeg had met dat van mezelf, maar waarschijnlijk had zij er net zulke gemengde gevoelens over als ik. Wij waren er nooit voor elkaar geweest. Julia was de enige die ons kon helpen. Naast haar eigen verdriet, wist ze zowel mij als Fleur te helpen ons verdriet te kunnen verwerken. Zij was waarschijnlijk de sterkste persoon die ik ooit zou kennen.

Zodra Fleur weer weg was, had ik nog veel meer om over na te denken. Het was mijn schuld dat ze zich zo voelde. Als ik God niet zo tegen mij opgezet had, was het nooit gebeurd.
Fabian was haar leraar geweest. Na hun liefde een aantal weken onderdrukt te hebben, waren de twee tegen beter weten in een relatie begonnen en ze hadden het verrassend lang volgehouden het voor de buitenwereld verborgen te houden. Pas een aantal dagen geleden had iemand de twee buiten school samen gezien en zo had de roddel zich langzaamaan verspreid. Toen het de directie van de kunstacademie bereikt had, hadden ze Fabian ermee geconfronteerd en hadden ze hem net zo lang onder druk gezet tot hij het niet meer kon ontkennen. Het gevolg was geweest dat ze Fabian ontslagen hadden en dat Fleur zonder pardon van school gestuurd was. Ze was er kapot van. De academie was alles voor haar geweest.
Ik voelde me ontzettend schuldig en bleef maar op een rijtje zetten wat ik allemaal veroorzaakt had. Mijn moeder was dood. Georg moest mijn liefde missen. Julia had een abortus moeten ondergaan en Tom had met haar die beslissing moeten nemen. Die laatste had moeten aanzien hoe zijn broer aan de drugs gegaan was, wat hen beide vernietigd had. Als klap op de vuurpijl had Fleur verloren waar ze zich altijd met hart en ziel voor had ingezet. Het enige dat haar nog overeind hield, was het feit dat Fabian en zij nog steeds samen waren. Het was nu wachten op wanneer Gustav zou verliezen wat hij het meeste lief had.
Of misschien was dat al gebeurd. Misschien had hij Fleur wel verloren aan Fabian.
Al wilde ik het niet, het leven ging door, zonder mama, Mirre en Bill – al was die laatste niet dood. Zo voelde het echter wel.
Ergens aan het eind van januari vierde Nathalia haar verjaardag – ik had geen idee of het haar negentiende of haar twintigste was en ik wilde het ook niet weten, net zomin als de precieze datum. Ik had er niet naartoe willen gaan (ik bedoel – ze had Bills leven verwoest en ik voelde er niet bepaald veel voor om vrolijk te gaan zitten vieren dat ze het nóg een jaar langer had volgehouden op aarde) maar Julia had me gedwongen te douchen, mijn mooiste kleren aan te trekken en met haar mee te gaan naar Wolmirstedt. Zo kwam het dus dat ik in mijn cupidoshirt zonder eetlust maar mét een gigantische homp slagroomtaart en mét cola (terwijl Nathalia donders goed wist dat ik daarvan walgde) feest zat te vieren. Voor zover ik dat kon.
We waren met zijn vijven: Julia, Fleur, haar vriend, Nathalia en ikzelf. Ook al wist ik dat ik binnen niet al te lange tijd in contact zou worden gebracht met Bill, ik was totaal niet zenuwachtig. Ik zat gewoon op de bank en voelde niets behalve de leegte in mijn buik, welke ik probeerde op te vullen door het eten van de slagroomtaart. Het drong niet tot me door wat er met me zou kunnen gebeuren wanneer ik oog in oog met Bill zou staan, wat ik zou kunnen gaan voelen – ik wilde er ook niet aan denken. Ik stopte al mijn gevoelens weg in die leegte binnenin, hield mezelf voor dat het zo erg niet zou zijn. Het was voorbij tussen ons en dat was dat, klaar, zand erover. Het had geen zin meer om te treuren, want daarmee zou ik hem niet terugkrijgen – als ik hem al terug wílde. We hadden samen een geweldige tijd gehad, maar er viel niets anders dan ellende meer uit onze relatie te halen. Het klonk misschien hard en definitief, maar het was desondanks waar. Samen hadden we geweldige dingen meegemaakt, ik had prachtige herinneringen overgehouden aan mijn tijd met hem, maar het was op. Het kon niet meer. En daar had ik vrede mee.
Ik had geen idee of ik die dag een goede of een slechte dag had, maar het leek nog het meest op een mengeling daarvan. Het was nog nooit zo geweest dat ik me zo vredevol en tegelijkertijd zo leeg gevoeld had – het was precies zoals Bill ooit gezegd had in Durch den Monsun. Ik was vol van hem, maar ook zo leeg.
Ik doodde de tijd door naar Fleur en haar vriend te kijken, wat niet eens subtiel hoefde omdat ze toch niets doorhadden van alles wat er om hen heen gebeurde. Hun kinderlijke verliefdheid fascineerde me, omdat zij nog niets hadden hoeven doorstaan van alles waar Bill en ik al doorheen gemoeten hadden. Hun relatie was schoon en puur, ze waren nog niet door het slijk gehaald. Fleur geloofde niet in God en daar beneed ik haar om, omdat zij zodoende ook niemand had om deals mee te sluiten die haar leven overhoop zouden gooien. Wanneer er iets in haar leven was dat verkeerd zou gaan, dan zou ze denken dat het een speling van het lot was en dan zou ze daar vrede mee kunnen hebben. Ik daarentegen wist dat alles wat je maar hard genoeg dacht, werd opgevat als een wens en dat die wens ingewilligd zou kunnen worden, wat ten koste zou gaan van alles waar je maar enigszins waarde aan hechtte.
Hij streek met zijn vingers door haar donkerblonde haar en fluisterde woordjes in haar oor waar zij door moest glimlachen. Ik vond het zo lief, zo onschuldig en voelde daarbij een steek in mijn buik. Mijn onverschilligheid liet me in de steek bij het registreren van zoveel liefde – iets dat ik ooit ook gevoeld had maar door mijn eigen schuld moest missen. Ik probeerde het gevoel te negeren en blij te zijn om het geluk van mijn vriendin, maar dat ging niet. Mijn hart opende zich en liet mijn ongeluk naar binnen stromen, liet mijn ongevoeligheid verdrinken in een zee van tranen die ik niet kon huilen. Ik trok mijn mondhoeken triestig op bij het besef dat Fleur en Fabian waarschijnlijk nog een miljoen dingen te verduren zouden krijgen, want ik hield van Fleur. Het was zo vreemd te weten dat je mensen pijn kon doen door van hen te houden, enkel omdat je – ja. Omdat je zo stom was geweest het leven van de mensen die je liefhad in te ruilen voor dat van jezelf. Omdat je zo egoïstisch was geweest alleen te denken aan jezelf.
Ik zuchtte diep en liet mezelf wegzakken in de kussens van de onnatuurlijk zachte bank. Plotseling voelde ik me vreselijk leeg en eenzaam, nog meer dan ik me de afgelopen paar dagen gevoeld had. Ik had de behoefte om in huilen uit te barsten en al mijn verdriet eruit te gooien zodat iemand zou zien hoe verschrikkelijk ik me voelde, maar ik kon het niet. Ik voelde hoe de tranen brandden achter mijn ogen, hoe mijn keel schraal werd en hoe het verdriet zich opkropte in mijn buikholte, maar ik kon het er niet uit laten. Het was net alsof mijn tranen op waren – en het zou me niet eens verbazen als het zo bleek te zijn. In het afgelopen jaar had ik meer gehuild dan in de zeventien jaar daarvoor.
Ik dacht dat ik me niet nog vreselijker zou kunnen voelen. Totdat de jongens kwamen.
Zodra het busje van Georg stopte voor het huis van Nathalia, sprong de laatstgenoemde op en rende naar de deur toe. Vanaf dat moment sloeg ik mijn ogen neer, kon ik niet meer kijken naar het verliefde stelletje dat nog altijd onafscheidelijk op de bank zat. Ik voelde hoe Julia probeerde mijn blik te vangen, maar ik liet haar niet slagen – ik keek naar mijn knieën en sloeg mijn armen om mezelf heen om mezelf te beschermen, al deed ik dat onbewust. Zenuwen kriebelden in mijn onderbuik en ik probeerde wanhopig er niet aan te denken, maar dat wilde me niet lukken. Ik was zo geconcentreerd op wat er komen ging dat ik me overbewust was van er om me heen gebeurde, van de emoties die ik voelde. Toen ik naar mijn handen keek, zag ik dat mijn vingers trilden van anticipatie – en misschien ook wel van verlangen. Ik wist niet wat het was. Het feit dat ik niet wist wat ik kon verwachten, maakte dat ik steeds nerveuzer werd, dat ik met iedere seconde banger werd voor de persoon die binnen niet al te lange tijd binnen zou komen lopen.
Toen ik niet veel later opgewonden en vrolijke stemmen in de gang hoorde (of eigenlijk hoorde ik alleen die van Nathalia – die overstemde al het andere, maar ik wist dat ze de jongens binnen gelaten had), leek het alsof mijn darmen veranderd waren in wormen en alsof een mierenkolonie zich in mijn maag gevestigd had. Ik werd misselijk van het wachten op het moment dat ik hem zou zien – ik had ook geen idee wat ik verwáchtte. Ik had er bewust voor gekozen niet na te denken over hoe hij eruit zou zien omdat ik wist dat dat zeer zou doen en pijn was wat ik wilde vermijden. Normaal gesproken deed pijn me beseffen dat ik een levend wezen was en dat ik gevoel had, maar mijn pijngrens was bereikt en dat had ervoor gezorgd dat mijn zenuwen geen pijnsignalen meer naar mijn hersenen stuurden. Ik voelde niets meer, behalve leegte.
Mijn hart sloeg een slag over toen de deur van de woonkamer weer open ging en ik de stemmen van de vier jongens kon onderscheiden van die van Nathalia. Ik wilde wel opkijken, maar durfde het niet omdat ik bang was voor wat ik te zien zou krijgen, hoewel ik geen idee had wat me nog het meest zeer zou doen. Ik zou het verschrikkelijk vinden als hij er slecht aan toe was, maar zou me minstens zo miserabel voelen als hij overduidelijk gelukkig was met de keuze die hij gemaakt had. Ik had mijn oren gespitst om ieder geluid dat van Bill afkomstig zou kunnen zijn op te vangen, maar hij was minstens net zo stil als ik. Ik had nog altijd geen woord gesproken.
Ik sloeg pas verschrokken mijn ogen op toen ik merkte dat er iemand afwachtend voor me stond – het loodzware gevoel in mijn maag verdween niet toen Gustavs zorgelijke blik die van mij ving. Direct sprong ik op, schudde ik zijn uitgestoken hand en beantwoordde ik de twee kussen die ik op mijn wangen gedrukt kreeg. Ik feliciteerde hem niet – niet alleen omdat ik al dagen achtereen gezwegen had en ik niet de behoefte had om te spreken, maar gewoon omdat ik niemand zou feliciteren met Nathalia. Nooit.
Zodra ik Gustavs hand had losgelaten, verbrak ik ook het oogcontact en feliciteerde ik Georg, die achter hem in het rijtje stond. Hij legde zijn hand kort op mijn schouder nadat ik ook van hem twee zoenen gekregen had – niet opdringerig zoals normaal, maar juist gebroederlijk en zorgzaam. Ik vond het zo’n lief gebaar dat ik er even perplex van stond en ik me af ging vragen of het feit dat Bill en ik uit elkaar waren iets met hem gedaan had. Misschien had hij opeens ingezien hoe groots onze relatie geweest was, te oordelen naar de gigantische leegte die het achterliet, en had hij eindelijk door dat hij nooit zoveel van mij zou kunnen houden als Bill gedaan had. Ik had geen idee wat het precies was, maar het voelde prettig.
Tom liep me straal voorbij, deed net alsof hij me niet zag en ergens verwonderde dat me ook niet. Natuurlijk was hij kwaad op me – waarschijnlijk zou ik precies het zelfde gedaan hebben als hij Julia of iemand anders waarvan ik hield aan de drugs geholpen had. Ik vond het rot dat het zo gelopen was tussen ons, maar ergens had ik er wel vrede mee. Hij feliciteerde Julia, die naast me zat, met drie bijbehorende kussen op haar wangen. Ik zag hoe ongemakkelijk ze zich daarbij voelde, kon haar gemis bijna voelen door alleen maar naar haar te kijken. De twijfel was van haar gezicht af te lezen, hoe ze zich afvroeg of het wel goed was om hem zo dichtbij te laten komen omdat het ongetwijfeld zeer deed om te weten wat ze moest missen als ze hem weer los zou laten. Na al die dagen dat ze zich sterk had gehouden voor mij, zag ik opeens weer hoe blond haar haar was en hoe ze haar sproetjes verborg onder een dikke laag make-up. Ik was door mijn eigen ellende bijna vergeten hoe slecht ze er zelf aan toe was.
Op een gegeven moment, toen Tom en Julia elkaar weer hadden losgelaten, ving Julia even kort mijn blik. Daarna wendde ze hem af en staarde ze kort en subtiel naar een punt achter me, waarna ze weer naar mij keek. Als in een automatisme keek ik om en plotseling staarde ik in twee donkerbruine ogen – Bills ogen. Mijn hart sloeg een slag over van schrik en ik had geen idee wat ik moest doen, of ik hem net als Julia met Tom gedaan had zo dichtbij zou moeten laten komen of dat ik hem slechts een hand moest geven. Dezelfde twijfel zag ik weerspiegeld in zijn doffe ogen. Hij was emotieloos en leeg en ik voelde geen enkel spoortje van warmte, ook al stonden we zo dicht bij elkaar. Ik had het gevoel dat ik doodging.
Voor mijn gevoel stonden we een eeuw lang zo tegenover elkaar, zo dichtbij dat ik de kokosgeur van zijn wax bijna kon ruiken. Ik keek hem aan en hij staarde terug – ik geloof niet dat één van ons in staat was het oogcontact te verbreken. Op dat moment voelde ik ontzettend veel, meer nog dan ik me achteraf kan herinneren. Ik was bang, maar tegelijkertijd voelde ik iets van hoop die ik nog niet verloren was en liefde die nog altijd in me huisde, al had ik het een beetje onderdrukt. Ik had het verlangen hem vast te houden, zijn bleke gezicht aan te raken en te strelen alsof hij nog bij mij hoorde, alsof er nooit iets tussen ons gebeurd was. Het deed zo’n zeer dat ik wenste dat ik flauw kon vallen zodat ik niets meer zou voelen, maar ik wist dat het niet zou gebeuren. Ik voelde me een beetje verdoofd, maar tegelijkertijd ontzettend bewust van zijn lichaam tegenover dat van mij, zijn gezicht dat nog geen dertig centimeter van elkaar verwijderd was. Het leek net alsof de wereld eventjes alleen om ons draaide en alsof er voor de rest niemand was die ertoe deed.
Ik wenste dat ik zo volwassen had kunnen zijn om hem de hand te schudden en hem twee kussen op zijn wangen te drukken, maar ik kon het niet. Ik wílde het wel, ik wilde niets liever dan zijn hand vastpakken en de huid van zijn gezicht beroeren met mijn lippen, maar ik kon het niet. Ik was bang dat mijn hoofd zou exploderen van pijn en verdriet als ik het zou doen.
Als in een trance liet ik mijn ogen snel over zijn lichaam dwalen – het lichaam dat ik ooit zo dicht tegen het mijne had mogen voelen. Hij was zo veranderd opeens, alsof hij zich onherkenbaar had willen maken voor mij. Zijn broek was losjes en comfortabel, zijn T-shirt zat strak om zijn magere lichaam. Hij was overduidelijk afgevallen – door de drugs waarschijnlijk, ik zou niet weten waardoor anders. Zijn gezicht was een beetje ingevallen en zijn huid leek op sommige plekken doorzichtig te zijn, precies zoals Julia dat wel eens had in tijden waarin ze zich tamelijk miserabel voelde. Zijn haar was piekerig, nog even zwart als altijd. De bandjes die hij altijd om zijn hals en polsen droeg, ontbraken opvallend – het enige dat hem dat keer sierde, was een breed zweetbandje om zijn arm dat ik herkende als één van Toms meest dierbare bezittingen – zeer waarschijnlijk om de wond die de naald altijd achterliet te verbergen. Het was zo overduidelijk dat hij er iets mee verborg dat hij hem beter niet kon dragen.
Mijn ogen gleden over zijn lippen, welke hij geroutineerd bevochtigde. Ik voelde een steek door mijn maag gaan bij het besef dat ik daadwerkelijk naar hem verlangde, dat ik niets liever wilde dan hem zeggen dat het me speet, dat ik van hem hield, om hem vervolgens te smeken me terug te nemen. Ik wist toen echter zeker dat ik het daarmee alleen maar erger zou maken en dat mijn hart daardoor nog verder zou verbrijzelen. Het enige dat ik moest doen, was hem vergeten en verder gaan met mijn leven, maar dat klonk zoveel gemakkelijker dan het was. Ik had maandenlang lief en leed met hem gedeeld – dat kon ik niet simpelweg vergeten. Als je daar nog bij optelde dat Bill zelfs mooi was als hij eruit zag als een drugsverslaafde, werd mijn gemis opeens heel logisch. Ik had hem nodig als geen ander.
Het werd me teveel. Ik scheurde mijn blik van hem los en liep langs hem heen in de richting van de keuken, met het gevoel alsof ik een klap in mijn gezicht gekregen had. Het deed zo verschrikkelijk veel zeer om met hem in één ruimte te zijn dat het me bijna onwerkelijk voorkwam. Ik had het gevoel alsof ik vluchtte en ik wezen deed ik dat ook – ik vluchtte voor de pijn. Pijn deed me eraan herinneren dat ik leefde en ik wilde niet meer leven. Niet zonder Bill.

“Gaat het wel?”
Ik draaide me geschrokken om en zag Gustav in de deuropening van de keuken staan. Hij leunde nonchalant tegen de deurpost en deed overduidelijk zijn best niet al te bezorgd over te komen, maar daar slaagde hij niet bepaald in. Het liefste wilde ik hem toeschreeuwen dat het níét goed met me ging en al mijn frustraties eruit gooien – want het gíng ook niet goed met me – maar ik deed het niet. In plaats daarvan schudde ik kalm mijn hoofd en draaide ik de kraan open om wat koel water over mijn polsen te laten lopen. Het was niet dat het daadwerkelijk wonderen verrichtte, maar zolang ik in mijn hoofd maar het gevoel had dat het hielp, werd ik er wel rustiger van. Zo was het ook dat keer. Ik voelde hoe het tempo van mijn hartslag daalde en hoe ik mijn gedachten en gevoelens weer op een rijtje kreeg. Ik concentreerde me op het vallende water en verbeeldde me hoe mooi het zou zijn als ik net zo gemakkelijk uit mijn leven kon wegstromen als het water uit de kraan.
“Is het Bill?” vroeg hij met een stemgeluid waar ik rustig van werd. Ik knikte, ook al was dat in feite een leugen – eigenlijk was het míjn schuld. Álles was mijn schuld, ík had alles wat er gebeurde op mijn geweten. Alle dingen die in eerste instantie de schuld van een ander leken te zijn, waren weer terug te voeren naar mijn deal in God. Plotseling had ik een soort van goddelijke positie gekregen: ik had het lot van al mijn dierbaren in mijn handen. Als ik wilde dat hen iets zou overkomen, hoefde ik alleen maar van hen te houden.
Het koele water stroomde langs mijn vingers, maakte hen gevoelloos. Ik staarde naar de ring die ik vlak voor de zomer van Bill gekregen had – ik droeg hem nog altijd. Ook al wilde hij niet meer met me trouwen en had de ring voor hém geen enkele emotionele waarde meer, voor mij was het nog altijd een symbool voor hoe mijn leven ooit geweest was. Ik kon geen afstand doen van wat hij ooit voor me gevoeld had, kon geen afstand doen van het feit dat we altijd geweten hadden dat we bij elkaar hoorden en dat Bill zelfs met me wilde trouwen, ook al had hij zichzelf ooit beloofd dat hij daar nooit aan zou beginnen. Voor mij was die simpele ring van onschatbare waarde, gewoon omdat het zo onwerkelijk leek dat zo’n klein voorwerp zoiets groots kon uitbeelden. Ik had altijd gedacht dat onze liefde geweest was zoals die ring, zo zonder einde, maar het had gebleken anders te zijn en dat deed me nog altijd zoveel zeer.
“Mis je hem?”
Ik keek op terwijl ik de kraan dichtdraaide en zag dat hij een paar stappen dichterbij gedaan had. Zijn blik ving die van mij en ik voelde hoe de adrenaline in mijn lichaam begon te zakken bij de aanblik van zijn bruine ogen. Gustav straalde iets van kalmte uit, ik werd rustig van zijn aanwezigheid en dat vond ik prettig. Ik vroeg me af waarom hij me überhaupt achterna gekomen was, waarom uitgerekend hij het was die zich afvroeg of het wel goed met me ging. Nog nooit had Gustav iets van interesse in me getoond – ik bedoel, ik zag hem wel als een vriend binnen de groep en ik kon het goed met hem vinden, maar we hadden nog nooit een één op één gesprek gehad en die verandering daarin overweldigde me min of meer. Ik vond het prettig, daar niet van, want het was fijn om te weten dat er in ieder geval íémand was die zich nog om mijn welzijn leek te bekommeren, maar het verbaasde me dat dat Gustav was. Aan de andere kant was het echter ook wel logisch, want hij was degene die ik het minst goed kende en die waarschijnlijk ook het minste wist over mijn deal. Toen ik me dat besefte, realiseerde ik me dat ik hem eigenlijk weg moest jagen – ik wilde niet het risico lopen dat ik van hem zou gaan houden omdat hij me toevallig aandacht gaf. Gustavs leven was het enige dat nog min of meer onaangetast was en ik wilde dat graag zo houden. Het feit dat ik de rest van mijn vrienden mentaal geruïneerd had, was al erg genoeg.
Ik knikte en voelde hoe een prop zich in mijn keel situeerde toen ik Bills gezicht weer aan mijn geestesoog voorbij zag flitsen. Zijn schoonheid was zo overweldigend. Het viel niet te ontkennen dat ik naar hem verlangde, naar zijn huid op die van mij, zijn handen die door mijn haren streken, zijn vingers verstrengeld met die van mij. Ik begeerde hem meer dan wat dan ook – dat had ik al gedaan toen we nog bij elkaar geweest waren, maar deed ik des te meer nu ik niet meer naar hem mócht verlangen. Hoe verder weg hij van me stond, hoe liever ik hem bij me wilde hebben, zowel letterlijk als figuurlijk.
Een diepe zucht ontsnapte aan mijn lippen toen ik op zoek ging naar iets om mijn verkoelde handen mee af te drogen. Gustav overbrugde de afstand die nog restte tussen de plaats waar hij stond en het aanrecht en bekeek me kritisch terwijl ik in een gootsteenkastje naar een handdoek zocht – welke ik uiteindelijk vond. Ik boende mijn handen warm en liet hem mijn blik vangen. Zijn ogen stonden warm en zorgelijk en dat gaf me een geborgen gevoel, alsof hij er werkelijk iets om gaf hoe het met me ging. Ik wilde graag iets tegen hem zeggen, hem vertellen dat ik het prettig vond dat hij bij me was, maar ook dat ik er in mijn eentje wel uit zou komen. Ik wilde niet dat hij het risico liep kwijt te raken wat hij het meest liefhad, precies zoals mij dat gebeurd had.
“Zeg, ik weet dat ik je niet echt goed ken of zoiets,” begon Gustav terwijl hij een klein gebaar met zijn arm maakte, waaruit ik ophaalde dat hij niet precies wist hoe hij moest verwoorden wat hij wilde zeggen. “Maar – nou ja. Als je eens behoefte hebt om te praten of zoiets, of als je iets kwijt wil of je eenzaam voelt, dan wil ik gewoon dat je weet dat ik er voor je ben.”
Als ik nog het vermogen gehad had te huilen, had ik het op dat moment zeker weten gedaan. Ik vond het zo verschrikkelijk lief van hem dat hij er voor me wilde zijn – het valt niet te beschrijven wat het met me deed. Ik voelde me zo ontzettend eenzaam sinds Mirre overleden was en dat was vreemd, want in de praktijk was het niet zo dat er vreselijk veel in mijn leven veranderde nu zij niet meer in leven was – in theorie was dat echter wel zo. Ze was er altijd voor me geweest, ook al had ik nooit een beroep gedaan op haar aanwezigheid. Het ging gewoon om het feit dat ze er was gewéést en dat dat nooit meer terug zou komen.
We stonden stil tegenover elkaar, leken te wachten op iets dat niet zou komen. Op een gegeven moment legde hij een hand op mijn schouder en keek hij me recht in mijn ogen – het schoot door me heen dat hij de enige jongen tot dan toe was waarbij ik mijn hoofd niet in de nek hoefde te leggen om hem aan te kunnen kijken. Ik voelde me opeens zo veilig en geborgen, alsof Gustav een schild was dat me tegen God en al het leed dat hij met zich meebracht beschermde. Het was zo geweldig om te weten dat er iemand voor me was terwijl ik het gevoel had dat iedereen een hekel aan me had: Bill en Tom om de deal, Julia en Fleur voor alle ellende die dat met zich mee bracht. Niemand leek meer zin te hebben om er voor me te zijn omdat ik simpelweg altijd steun nodig had – en ergens kon ik dat wel begrijpen, maar dat betekent niet automatisch dat ik er daardoor beter mee kon leven. Ik vond het vreselijk dat iedereen van me weg leek te glippen, en dan nog vooral dat ik dat allemaal zelf in de hand gehad had.
“Je redt het wel,” zei hij op een fluistertoon die zo hartverwarmend was dat ik bang was dat mijn hart zou smelten. “Ik weet zeker dat het weer goed komt tussen jullie – jullie zijn alleen allebei zo koppig!”
Ik schudde mijn hoofd en zuchtte opnieuw. In mijn hoofd zocht ik naar woorden die konden omschrijven dat er geen enkele kans was dat het ooit nog goed zou komen zonder dat ik hem iets zou verraden over de deal, maar daar slaagde ik niet op tijd in. Nog voordat ik iets had kunnen bedenken, omhelsde hij me stevig en trok hij me tegen zich aan, zodat zijn lichaamswarmte mij ontdooide. Ik wenste dat ik de tranen die achter mijn ogen huisden zou kunnen laten gaan, maar het ging niet. Het enige dat ik voelde, was Gustavs warmte en een verdriet binnenin mij dat zo gigantisch groot was dat ik bang was dat ik mezelf erin zou verliezen – dat ik zou verdwalen en ik nooit meer de uitweg zou kunnen vinden. Wat Gustav me gaf, leek het echter kleiner te maken, minder leeg en donker, zodat het voor mij gemakkelijker zou zijn om er weer uit te komen. De put waarin ik leefde, werd opeens iets minder diep en dus hoefde ik minder ver te klimmen naar het licht. Ook al wist ik dat ik hem nooit zou bellen omdat ik daarmee het risico liep dat ik van hem zou gaan houden en ik ook zijn leven zou verwoesten – ik was hem dankbaar. Gewoon omdat hij me de mogelijkheid gaf mezelf te redden zonder daar andere mensen mee pijn te doen. Ik wilde hem zo graag bedanken, hem zeggen hoe blij ik was dat hij zoiets groots voor me deed, maar er waren niet genoeg woorden die konden beschrijven wat ik voelde – ik had overtreffende trappen nodig die niet bestonden. Het was magisch en groots en het voelde zo fijn.