Deel 16
Lieve Sa,
Het lijkt allemaal steeds erger te worden. Alles waar ik ooit bang voor ben geweest, lijkt me in een razend tempo te overkomen – ik vraag me af of het ooit nog ophoudt. Mijn leven brokkelt langzaam af en ik weet zeker dat ik op een gegeven moment niemand meer zal hebben. Waarschijnlijk is dat ook maar beter, omdat er dan ten minste ook niemand meer is waarvan ik kan houden, maar ik kan niet tegen de eenzaamheid. Het feit dat ik als de dood ben om van Gustav te gaan houden, weerspiegelt eigenlijk wat ik op dit moment voel. Angst. Dat, opgeteld bij wat er afgelopen week gebeurd is, maakt dat ik het leven niet meer aankan. Bill is zo verschrikkelijk veel – misschien zelfs wel té veel. Het idee dat ik hem in het bos weer even zo dichtbij mij gehad heb en dat ik hem nu weer moet missen, is simpelweg ondraaglijk.
Het hele verdere feestje had ik zittend naast Gustav op de bank doorgebracht. Ik had me niet teveel geprobeerd te concentreren om wat er om me heen gebeurde, met een zuur gezicht drinkend van mijn cola. Mijn handen hadden getrild en het glas had tegen mijn tanden geklapperd, maar ik had me gered, precies zoals Gustav me gezegd had. Het feit dat ik in ieder geval steun had aan één iemand, had me gerustgesteld. Ik had het gevoel gehad alsof het mistte in mijn hoofd en hoewel ik dat soms heel vervelend vond, was het me op dat moment wel goed uitgekomen: het maakte me emotieloos, onverschillig en vooral wazig. Ik had wel geluisterd, maar niets gehoord. Ik had wel gekeken, maar niets gezien. Alles wat mijn zintuigen geregistreerd hadden, was aan me voorbij gegaan, alsof het niet daadwerkelijk gebeurde maar een droom geweest was.
De dagen na het feestje bracht ik vaak buiten door. Het werd langzaamaan weer beter weer en ondanks dat er nog een kille wind stond, deed het stralende zonnetje veel wonderen. Ik hoopte dat ik me beter zou voelen door buiten te lopen en me te goed te doen aan de frisse lucht, maar heel veel goed deed het niet. Ik dacht veel na, vooral over de verjaardag en hoe verwarrend het geweest was om Bill weer te zien. Zijn gezicht stond op mijn netvlies gebrand, de aanblik van zijn holle, zwarte ogen. Ik kon hem maar niet vergeten en kon bovenal niet begrijpen hoe zo’n prachtige jongen als hij in godsnaam aan de drugs kon zitten. Telkens weer herinnerde ik me hoe leeg zijn lach geweest was en hoe dat me herinnerd had aan die keer dat Mirre en ik Tom en Bill tegengekomen waren toen we uit gingen in Magdeburg. Toen had Bill ook gelachen – zijn lichaam althans. Zijn ogen hadden niet mee gelachen en dat was precies wat er op Nathalia’s verjaardag gebeurd was. Ik vroeg me af of het door de drugs kwam dat hij geen emoties meer leek te bezitten of dat het een andere reden had – iets dat ik misschien beter zou begrijpen.
Wat me buiten Bills gedrag was opgevallen, was het feit dat Georgs houding veranderd was. Wat ik me al bedacht had bij het feliciteren, bleek min of meer waar te zijn: hij leek zich inderdaad te beseffen dat wanneer het over was tussen Bill en mij, er voor hem ook geen kans meer bestond. De hele avond had hij, net als ik, afwezig in zijn cola zitten staren – hij had me geen blik waardig gekeurd. Ergens was ik daar tevreden mee, maar ergens ook niet. Eerder had ik gedacht dat de dingen weer zoals vroeger zouden worden als ik met Bill zou breken, want het was ten slotte ook allemaal met hem begonnen, maar de dingen schenen opnieuw te veranderen. Ik had geen idee of ik nog meer veranderingen wel aan zou kunnen.
Minutenlang kon ik in de buitenlucht lopen peinzen op alles wat geweest was en wat er nog moest komen. In de kou verzamelde ik moed om verder te leven, iedere dag weer. Ik repeteerde Gustavs woorden iedere keer weer in mijn hoofd, putte er kracht uit. Ik zou het wel redden, ook al zou het nooit meer goed komen tussen Bill en mij. In mijn eentje kwam ik er ook wel uit.
Toen ik op een keer na één van mijn wandelingen thuis kwam, zat behalve Julia ook Fleur op de bank. Al direct voelde ik dat er iets aan de hand was: zodra ik de deur achter me gesloten had, stopten de twee meiden met praten en viel er een ijzige stilte die alles in de kleine flat leek te bevriezen. Hun beide blikken bleven op mij gericht terwijl ik mijn sjaal afdeed en ze deden geen van beide een poging het gesprek te hervatten. Dat deed me de conclusie trekken dat ze het over mij gehad hadden en eigenlijk kon me dat vrij weinig schelen. Het interesseerde me niet wat ze van me vonden, ook al waren het mijn twee beste vriendinnen. Met snelle passen liep ik naar de badkamer toe om een verfrissende douche te nemen en hen de gelegenheid te geven hun gesprek af te maken.
“Eh – Maren?” hield Julia me echter tegen. Haar stem klonk voorzichtig en zacht, alsof ze bang was dat er iets zou breken wanneer ze te hard zou spreken. Ik hield mijn pas in en keek haar emotieloos aan. “Kun je misschien even gaan zitten, alsjeblieft?”
Ze verbaasde me enigszins, zo zeer dat ik heel eventjes niet wist wat ik moest doen. Uiteindelijk hervond ik het gevoel in mijn benen en ging ik op de bank zitten – ik had eigenlijk geen idee waarom ik dat deed, want beide meiden hadden zo’n nerveuze uitstraling dat ik niet eens zeker wist of ik het wel wílde weten. Julia beet op haar lip en probeerde mijn afwachtende blik te ontwijken, Fleur keek naar haar knieën en leek haar nagels opeens bijster interessant te vinden. De ijskoude spanning was om te snijden, maar ik bleef redelijk kalm. Normaal gesproken kon ik niet tegen nerveuze mensen om me heen en nam ik hun spanning over, maar het leek wel alsof ik helemaal níéts meer kon voelen. Ik wachtte enkel, en ik zweeg. Ik deed niets anders meer dan zwijgen.
De stilte bleef, en ik bleef wachten. Ik voelde niets van zenuwen, ook al had ik daar misschien wel een reden toe. Mijn handen trilden lichtjes – niet van nervositeit, maar van spanning. Ik probeerde Julia’s blik te vangen om mijn ongeduld uit te drukken, maar ze bleef maar aan de zoom van haar shirtje plukken – Fleur was geen haar beter. Ze schuifelde met haar voeten en ging telkens verzitten, alsof ze zich geen houding wist te geven. Op die manier deed ze me denken aan de Fleur uit de droom die ik ooit gehad had, toen Julia had gedanst in het zonlicht en zij op een grote steen gezeten had. Ze leek zo jong op die manier.
“Eh,” verbrak Julia de stilte op een gegeven moment. “Je zou toch willen dat we altijd eerlijk tegen je zouden zijn, toch? Ongeacht hoe erg het is?”
Ze keek me recht in mijn ogen en op dat moment zag ik dat het ernst was. Haar blik was serieus, haar ogen koel en blauw. Ze boog zich een klein stukje voorover en liet haar stem zakken, maar nog altijd had ze die bezorgdheid in haar stem, dat kleine beetje voorzichtigheid. Ik kreeg kippenvel op mijn armen, maar ik merkte het niet. Er vormde zich een knoop in mijn maag – ik voelde het onheil aankomen en wist dat er niets was dat ik kon doen om het tegen te houden. Als Julia het moeilijk vond om iets te brengen, dan moest dat ‘iets’ wel verschrikkelijk zijn, dat wist ik uit ervaring. Ze kon het meest moeilijke nieuws brengen zonder te blikken of te blozen en ik ging me afvragen of ik nog meer slecht nieuws eigenlijk wel kon verdragen. Aan de andere kant wilde ik niet voorgelogen worden, wilde ik niet dat er dingen voor me werden verzwegen.
Ik knikte.
Julia wendde direct haar blik af en begon te spelen met de armband om haar pols – die ene die ze van Tom gekregen had. Ze zocht kort oogcontact met Fleur, maar Fleur bleef maar naar haar knieën staren. De knoop in mijn maag trok zich wat strakker, maar nog altijd was er nog geen spoortje van angst in mijn hele wezen te vinden. Ik had het gevoel dat – hoe erg het ook zou zijn – ik wel met het nieuws om zou kunnen gaan. Ik had al zoveel meegemaakt en ik leefde nog steeds, dus zo wereldschokkend zou het niet kunnen zijn.
“Fleur heeft van Gustav gehoord dat Tom tegen hem gezegd had dat Bill-”
“Bill is met Nathalia naar bed geweest.”
Het duurde eventjes voordat die woorden tot me doordrongen – ik herkende de betekenis van de woorden, de klanken en de letters niet. Heel langzaam sijpelden ze door tot mijn bewustzijn en heel langzaam begon ik me te beseffen wat het betekende: Nathalia had Bill verleid en hem zelfs zover gekregen dat hij met haar naar bed ging, wat dus betekende dat mijn afkeer jegens haar altijd terecht geweest was. Ook al was hij weer vrijgezel – ik vond niet dat ze het kon maken om hem op die manier van me af te nemen, zelfs als je het feit dat ze mijn aartsvijand was erbij betrok. Ik was met stomheid geslagen, want ik kon er met mijn hoofd niet bij dat hij aan haar toegegeven had, zelfs al was er drugs in het spel geweest.
“We weten het trouwens niet zeker,” zei Julia zacht, starend naar haar nagels. “Het zou ook kunnen zijn dat Tom het verzonnen heeft omdat hij kwaad op je is – ik heb geen idee, maar ik dacht gewoon dat je het – ja, je weet wel.” Ze pauzeerde. “Dat je het had willen weten.”
Bill. Nathalia. Bill. Nathalia. Hun namen galmden om beurten door mijn hoofd, telkens gevolgd door een punt die net zo definitief was als het eind van de relatie van Bill en mij. Ik vroeg me af wat zij had dat ik niet had, maar kwam al direct tot de conclusie dat dat niet de beste manier was om mezelf ervan te overtuigen dat het niet waar kon zijn. Nathalia had alles dat ik niet had – ze had zelfs Bill voor zich weten te winnen. Het enige waar zij niet over beschikte en ik wel, was een uit de hand gelopen deal die me de rest van mijn miezerige leven zou achtervolgen. Het was niet eerlijk. Hetgeen dat ik het felst begeerde, meer dan ik ooit gedaan had, werd me afgenomen door de persoon die ik het meest haatte van alle personen op aarde. Ook al was het nieuws slechts een roddel die Tom verzonnen had om me op de kast te jagen, dan nog vond ik het verschrikkelijk, gewoon omdat het me ervan bewust maakte hoe makkelijk God me kapot kon maken. Als bleek dat Bill het bed deelde met Nathalia, was mijn leven niets meer waard.
Ik knikte. De waarheid zou sowieso hard zijn, of het nu waar bleek te zijn of niet. Ik kon haar niet ontlopen. Ik was niet het soort persoon dat wegrende zodra het even moeilijk werd – of jawel, dat was ik wel, maar op dat moment realiseerde ik me dat ik het niet zou móéten doen. Ik moest de waarheid te weten komen, ook al wist ik dat dat zeer zou doen - daar hoefde ik niet lang over na te denken.
De uren die volgden, waren zenuwslopend. Telkens weer zag ik voor me hoe Nathalia Bill verleidde, hoe hij haar kuste zoals hij mij ooit gekust had, hoe hij verlangend naar haar opkeek met de hongerige ogen waar ik me al zo vaak in verloren had. Het deed me zeer het me telkens voor te stellen, maar ik raakte het beeld niet kwijt. Het speelde zich telkens opnieuw af, alsof het een bandje was dat zichzelf constant terugspoelde, tot frustrerends toe. Ik bleef mezelf maar voorhouden dat Tom het verzonnen moest hebben om mij tot waanzin te drijven, gewoon om me terug te pakken voor het feit dat ik God tegen me gekeerd had, maar toch bleven die beelden op de achtergrond spelen. Ik achtte Nathalia er capabel toe Bill het bed in te lokken, ook al wist ze dat onze relatie het niet waard was zo gauw weer teniet gedaan te worden door wat platte seks met haar. Nog nooit in mijn hele leven had ik zoveel haat gevoeld, behalve misschien jegens God.
Eigenlijk wilde ik alleen maar huilen, maar ik kon het niet. Het kropte zich allemaal op op een plek achterin mijn keel en het zat me in de weg, maar ik kon het niet kwijt. Ik bleef mezelf maar voorhouden dat het niet waar kon zijn, maar ergens in mijn hoofd wíst ik wel dat het niet goed zat. Tom had dan misschien een hekel aan me, maar zoiets achterbaks zou hij me nooit flikken, hoezeer hij me ook verachte.
De enigen die me konden vertellen of het waar was, waren Bill, Nathalia en Tom. Die keuze was misschien moeilijk, maar desondanks snel gemaakt. Als er wat tussen die twee gebeurd was, wilde ik dat van Bill horen, ook al zou dat misschien nog het hardste aankomen. Urenlang bracht ik door op de bank, spelend met mijn telefoon, twijfelend of ik moest bellen of niet. Telkens weer toetste ik zijn nummer in, maar daarna deletete ik het weer omdat ik het gevoel had dat ik er nog niet echt klaar voor was. Ik vroeg me af hoe ik zou reageren als het waar bleek te zijn, hoe verschrikkelijk ik me dan zou voelen en of ik dan ooit nog naar Bill of Nathalia zou kunnen kijken zonder die gefantaseerde beelden voor me te zien. Altijd al had ik een hekel aan Nathalia gehad, al vanaf het begin dat ik haar leerde kennen, maar nog nooit had ik haar zo doodgewenst als op dat moment. Ik wist dat het slecht was om iemand dood te wensen (het was immers tegen Gods wil en ik was als de dood dat hij Bill zou laten sterven als ik nog één ding deed dat hem niet zinde) maar ik kon niet anders.
Dat moment was één van de momenten waarop ik Mirre meer miste dan normaal. Ik wist dat ze er was, ergens om me heen, maar ik kon haar niet vóélen. Intimiteit was iets waar ik ontzettend veel behoefte aan had op dat moment en omdat Fleur het te druk had met Fabian en Julia probeerde haar achterstand op school weg te werken, was er niemand die me dat kon bieden. Ik had het gevoel dat ik er alleen voor stond en dat vond ik rot. Mirre was er altijd voor me geweest, ook al woonde ze honderden kilometers verderop, en dat was opeens verdwenen. Ik had alleen nog een herinnering, maar dat bood geen steun, geen intimiteit.
Toen ik me uiteindelijk besefte dat ik waarschijnlijk nooit klaar zou zijn voor de waarheid, toetste ik Bills nummer opnieuw in en drukte ik op de knop die verbinding zou zoeken met zijn toestel. Mijn hart klopte in mijn keel toen ik mijn telefoon tegen mijn oor legde, wat in combinatie met het opgekropte verdriet dat daar zat een pijn veroorzaakte die niet te negeren viel. Ik begon me af te vragen of ik wel zou kunnen praten wanneer ik Bill aan de lijn zou krijgen, er al vanuit gaande dat dat een legioen emoties los zou maken die ik al evenmin zou kunnen negeren. Mijn ogen begonnen te branden, maar werden niet vochtig.
“Maren?”
Hij klonk verbaasd en ik had geen idee of dat een goed teken was of niet. Zijn stem klonk zo zacht, zo hemels en liefdevol en al direct kon ik me niet meer voorstellen dat hij me zoiets aan zou doen als met Nathalia naar bed gaan. Ook al konden drugs een compleet ander mens van iemand maken, dan nog kon iemand met een zachte stem als die van hem niet zo wreed zijn. Hij kon me nog steeds op wolkjes laten zweven als hij dat wilde, vooral ook omdat ik zijn verfijnde gezicht voor me kon zien wanneer ik mijn ogen sloot. Verlangen zinderde door mijn hele lichaam alsof het elektriciteit was bij het zien van dat beeld van hem en ik voelde hoe ik hem wilde als geen ander. Wat er ook gebeurd was tussen Bill en Nathalia, hij mocht voor geen goud van haar houden. Ook al was het mijn eigen schuld dat het was uitgegaan tussen ons, hij mócht niet van haar houden.
Helaas was mijn wil geen wet. Gods wil was wet een aangezien hij precies het tegenovergestelde deed van wat ik verlangde, was mijn leven geen cent meer waard.
“Hoi,” zei ik zacht toen ik mijn moed bij elkaar geraapt had. Mijn hart bonkte in mijn keel en maakte mijn stem gevoelig en schor. Ik wist dat het moment daar was, dat ik het hem gewoon moest vragen, maar plotseling leek ‘gewoon vragen’ zo kort door de bocht. Hij klonk zo teder en lief, precies zoals hij geklonken had toen we nog bij elkaar geweest waren – ik kon me niet voorstellen dat hij zo hard zou zijn om mijn hart te breken. En al was dat wel zo, dan wilde ik het misschien toch maar niet weten. Ik had zo’n prachtige voorstelling van Bill, zo’n hemels beeld dat was opgebouwd door alle momenten die ik met hem beleefd had en ik wilde niet dat dat daar een smet op zou komen doordat hij één keer iets – hopelijk – ondoordachts gedaan had.
Ik probeerde niet na te denken bij het idee dat het voorbedachte rade was geweest. Als ik er niet van overtuigd was geweest dat het een door Tom verzonnen fabeltje geweest was, had ik wel gedacht dat Nathalia Bill compleet gedrogeerd had zodat hij geen idee meer had van wát hij deed. Het was echter nog nooit tot me doorgedrongen dat het ook wel eens zo zou kunnen zijn dat ze wel degelijk van elkaar waren gaan houden en dat ik – kinderachtig als ik was – een opbloeiende relatie in de weg wilde gaan staan. Plotseling voelde ik me een verschrikkelijk slecht mens, alsof ik het Bill niet gunde om gelukkig te zijn – dat was immers niet waar. Ik gunde hem zijn geluk – sterker nog, ik hoopte dat hij een miljoen keer gelukkiger zou worden dan ik, zolang het maar niet met haar was.
“Is er iets?” vroeg hij om invulling te geven aan de stilte die gevallen was. Hij klonk niet eens geïrriteerd, eerder bezorgd, en dat was iets dat ik totaal niet verwacht had na de slaande ruzie waarmee we uit elkaar gegaan waren. Ik vond het lief en voelde hoop die ik niet verdiende te voelen. Op dat moment voelde ik zoveel spijt en berouw – om werkelijk alles dat er rondom Bill en mij gebeurd was. Onze relatie leek eigenlijk het enige dat me niet speet, behalve dan het feit dat hij voorbij was. Ik had zo graag willen zeggen dat het me speet van alles en dat ik hoopte dat we het nog een keer konden proberen, maar dat deed ik niet. Ten eerste was dat uit angst voor het antwoord, ten tweede omdat dat niet de reden was waarom ik belde.
“Ik – eh,” stamelde ik zachtjes. “Ik wil graag even met je praten – als jij dat tenminste ook wilt, want ik wil je niet in de weg staan of zoiets, maar…”
Ik liet mijn zin wegsterven in het niets, gewoon omdat ik geen idee had wat ik er nog aan toe moest voegen. Daarbij klopte mijn hart zo verschrikkelijk hard in mijn keel dat mijn stem niet meer werkte. Ik had het gevoel dat Bill mijn hartslag kon horen aan de andere kant van de lijn, zeker na het vallen van een stilte die al mijn gevestigde hoop weer deed vervliegen. Ik wilde hem zo graag dat het bijna zeer deed.
“Ja,” zei hij vanuit het niets. Het kwam zo opeens, zo onverwacht dat ik eerst niet begreep wat het betekende. “Wanneer? Waar?”
Even was ik met stomheid geslagen. Ik had verwacht dat hij ontzettend kortaf zou doen en dat ik gedwongen zou zijn het hem telefonisch te vragen. Het feit dat hij me blijkbaar onder vier ogen wilde spreken, kwam nogal als een verrassing – ik wist ook niet wat ik moest antwoorden. Ergens wilde ik mezelf nog steeds voor onnodige pijn behoeden – ik wist dat het een marteling zou worden als ik hem in de ogen kon kijken wanneer hij alles op zou biechten. Het zou ondraaglijk zijn. Aan de andere kant verlangde ik ernaar hem weer te zien, ook al wist ik dat er geen enkele mogelijkheid was waarop we weer bij elkaar zouden kunnen komen. Er was teveel gebeurd. Het zou niet verstandig zijn – misschien zelfs zelfdestructief. En toch wilde ik hem zien. Mijn verlangen naar hem overwon alles.
“Morgen?” stelde ik voor. Mijn handen trilden en ik voelde mijn hart overal in mijn lichaam bonken. Het ging allemaal zo snel, voor mijn gevoel, alsof ik in een achtbaan zat.
“Kan het ook straks?” vroeg hij. Ik voelde mezelf week worden bij het horen van de zachtheid van zijn stem, bij de zorg die hij daarmee uitdrukte. Ik was totaal in de war, begreep niet waarom hij niet kwaad op me was. “Dan haal ik je op en rijden we naar het bos, goed?”
Het bos. Niet ‘ons’ bos. Ook al wist ik dat het niet meer ons bos was, toch deed het zeer opnieuw met mijn neus op de feiten gedrukt te worden. Ik miste Bill, miste de tijden van vroeger. Hij was alles dat ik wilde. Sinds het uit was, had ik gedacht dat ik nooit meer iets van hem zou kunnen krijgen en daarom was ik lamgeslagen door het besef dat ik weer heel even met hem zou kunnen praten. In mijn hoofd verdween datgene waar het om ging – of Bill met Nathalia naar bed was geweest – naar de achtergrond. Ik dacht niet meer aan háár en opeens waren daar alleen nog hij en ik, precies zoals het vroeger altijd geweest was.
“Ja, dat is goed,” antwoordde ik zonder het me echt te realiseren. Hij was alles dat ik wilde op dat moment, mijn verstand kon me niet tegenhouden. Het was vreemd te merken wat alleen zijn stem al met me kon doen en bij dat besef begon ik me af te vragen of ik me wel zou kunnen inhouden als ik hem zo dicht bij me zou hebben. Mijn emoties en gevoelens speelden een spelletje met me, lieten mijn hoofd op hol slaan. Ik kon alleen maar denken aan Bills huid op die van mij, het geluid van zijn stem, zijn handen door mijn haar, zijn blik verankerd in die van mij, de uren die we pratend over niets hadden doorgebracht en hoe verschrikkelijk graag ik hem terug wilde. Het was bijna angstaanjagend hoezeer ik naar hem verlangde.
“Ik ben er over een klein kwartiertje,” deelde hij opgewekt mee. Hij klonk alsof er helemaal niets gebeurd was tussen ons en eventjes hoopte ik dat dat zo was, om die hoop weer te laten vervliegen toen Nathalia mijn hoofd weer inkroop. Ik zuchtte diep maar ongehoord. Het kon nooit meer worden zoals vroeger – dat wist ik ook wel, maar toch bleef ik ergens altijd die hoop houden. Vroeger was iets dat al lang voorbij was, maar tegelijkertijd was het een droom die maar niet uit mijn hoofd viel weg te slaan. Vroeger was zo prachtig geweest, zo volledig, en daar verlangde ik naar.
Hij verbrak de verbinding.
De zon was koel, de lucht grijs. Het was begin maart en vooral warm, veel warmer dan het normaal aan het eind van de winter was. Normaal gesproken zou ik geboeid zijn door de knoppen die zich aan de bomen langs de weg begonnen te vormen, zou ik op zoek gaan naar de eerste tekenen van een vogelnest, maar op dat moment interesseerde me dat niet. Ik was volledig geconcentreerd op Bill, die naast me in de auto zat, met zijn slanke handen ontspannen op het stuur. Ik wist niet goed hoe ik me moest gedragen met hem zo dichtbij me, wat toch vreemd was als je je besefte dat we twee en een half jaar bij elkaar geweest waren – nog nooit had ik me echt ongemakkelijk bij hem gevoeld. Hij was zo overweldigend en hij leek totaal niet kwaad op me. Als ik zo vanuit mijn ooghoeken naar zijn gezicht keek, kon ik me niet voorstellen dat hij ooit met Nathalia het bed in zou duiken. Op de één of andere manier was dat onnatuurlijk. Hij hoorde bij mij en bij niemand anders.
De auto maakte dat ik me oncomfortabel voelde, precies zoals de eerste keer dat ik erin gezeten had. Alles straalde seks uit, van de gigantische achterbank tot aan de rode lichtjes in het dashboard, en dat was alles waar ik op dat moment aan kon denken. Seks met Bill. Ik schaamde me diep dat dat het enige is dat mijn wezen bewoog terwijl er zoveel meer was dat we in die maanden van samenzijn gedeeld hadden, maar dat was het enige waar ik aan kon denken. Ik wilde hem zo verschrikkelijk graag aanraken, mijn lippen op die van hem drukken en steeds een stukje verder gaan, maar ik wist dat ik het niet kon maken. Toch bleef het rondmalen in mijn hoofd, steeds opnieuw en opnieuw – het maakte zelfs dat ik bijna vergat dat ik nog moest vragen of hij het met Nathalia gedaan had. Bijna. Niet helemaal.
Want natuurlijk bleef dat op de achtergrond rondzweven. Het was net alsof ze tussen ons in zat, zo sterk voelde ik haar aanwezigheid. Ik probeerde haar weg te duwen naar een donker hoekje diep in mijn gedachten, maar ze kwam daar steeds weer uitgekropen. Ik wist dat er een moment zou komen waarop ik Bill moest vragen of de roddel waar was, maar daar dacht ik niet meer aan. Alles wat ik op dat moment wilde, was Bill. Bills lichaam, Bills geest en Bills liefde. Ik miste hem zo verschrikkelijk dat mijn lichaam er zeer van deed.
In de verte kon ik de boomtoppen al zien, wiegend in de warme wind die ervoor zorgde dat het buiten goed te doen was. Het was zo vreemd om me te bedenken dat het ooit een plekje van ons tweeën geweest was, dat we daar al die honderden keren dat we alleen wilden zijn ons heil gezocht hadden, en dat het nu niemands thuis meer was. Het bos was weer alleen, net zoals Bill en ik, precies zoals het ook geweest was voordat God zich met mijn leven was gaan bemoeien. Ik vroeg me af of ze zich alleen voelde.
Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar Bill en ik probeerde uit te vogelen of hij het zelfde voelde als ik, die holte van pijn en verdriet, maar ik zag niets dat daarop duidde. Hij hield zijn blik strak op de weg gericht – het leek net alsof hij een soort van robot was. Het enige waar ik iets uit af kon leiden, was het feit dat hij steeds iets harder in het stuur kneep, waarbij zijn nog altijd zwarte nagels zich in het zachte leer boorden. Ik vroeg me af of hij nuchter was, maar wist niet precies waarom ik daar benieuwd naar was. Hij zou vast wel weten of hij met Nathalia naar bed was geweest, of hij nu high was of niet. Ik probeerde mezelf wijs te maken dat het me niet uitmaakte, maar ik kon mezelf er niet van overtuigen. Natuurlijk maakte het me wel uit. Ik wilde dat hij zich met zijn volle verstand realiseerde dat hij bij me was, hoewel dat misschien nergens op sloeg. Ik wilde gewoon dat hij dit moment net zo bewust meemaakte als ik.
Bekende kriebels kropen door mijn buik toen hij de auto parkeerde. Ik gaf de schuld aan de zenuwen en schoof het feit dat ik nog altijd gevoelens jegens Bill koesterde aan de kant – daar mocht ik immers niet meer aan denken. Wat voorbij was, was voorbij en daar moest ik me maar bij neerleggen. Bill en ik waren voorbij, zo simpel was het.
Hij stapte uit, ik volgde zijn voorbeeld en hij sloot de auto af. Even stonden we daar, in het midden van nergens, totaal onwennig. Ik durfde hem niet aan te kijken en hij ontweek mijn blik. Ik huiverde, maar had geen idee of dat kwam door het feit dat ik slechts een T-shirt droeg of dat de stilte me even teveel werd. We hadden nog geen woord gewisseld sinds we in elkaars aanwezigheid verkeerden, hadden nog geen enkele keer gecommuniceerd afgezien van die korte glimlach toen ik naast hem in de auto was gaan zitten. Er viel ook niets te zeggen. Nog niet.
Alsof we het afgesproken hadden, draaiden we ons tegelijkertijd naar het bos toe en zetten we de eerste stappen in de richting van de koelte. Ik was me vreselijk bewust van het feit dat hij vlak naast me liep. Normaal gesproken zou ik zijn lichaamswarmte kunnen voelen, maar op dat moment niet en dat verontrustte me. Dat was niet omdat ik dacht dat ik het me die duizend-en-één andere keren verbeeld had, maar omdat ik wist dat hij geen lichaamswarmte meer bezát. Het ging niet goed met hem, dat kon zelfs een kleuter zien. Na Nathalia’s verjaardag was hij eigenlijk alleen maar meer achteruit gegaan. De kringen onder zijn ogen waren nog donkerder, zijn huid nog bleker, zijn gestalte nog magerder, zijn gezicht holler. Steeds als ik naar hem keek, kreeg ik de neiging zijn hand te pakken en hem ervan te verzekeren dat alles goed zou komen, maar iets in mij zei me dat hij dat niet zou waarderen. Ergens vond ik dat logisch, want anders dan ik had hij een leven ná onze relatie – voor zover ik wist, althans. Als je er vanuit ging dat de roddel waar was, leek het er in ieder geval veel op.
Ik wenste dat er iets was dat de spanning zou kunnen doorbreken, maar er schoot me niets te binnen. Het zou een stuk gemakkelijker geweest zijn als híj het initiatief genomen zou hebben, als hij mijn hand gepakt zou hebben of zoiets, maar dat gebeurde niet. Misschien wilde hij dat niet, had hij vrede met zijn keuze, of misschien was hij bang, net als ik – ik weet het niet. Het enige dat ik wel wist, was dat ik het rot vond. Ik wilde hem zo ontzettend graag en nu ik hem zo dichtbij me had, durfde ik niets te ondernemen. Het leek opeens zo ongepast. Bovendien wist ik dat het eigenlijk niet verstandig zou zijn om zomaar bovenop hem te duiken, ook al zou hij meewerken. Er was nog altijd de kans dat hij onder invloed was, achteraf spijt zou krijgen en mij achter zou laten met een hart dat nog meer verbrijzeld was dan voorheen. Maar toch – daar dacht ik niet aan. Mijn lust had mijn denken zo geïmmobiliseerd dat ik niet nadacht over de gevolgen.
Naast elkaar liepen we in de richting van het meertje, zoals vanouds. Mijn hart bonkte zo hard dat ik bang was dat hij het zou kunnen horen. Telkens weer keek ik naar hem, liet ik mijn ogen even op hem rusten. Hij keek onafgebroken naar de grond. Het was vreemd hem zo bij me te hebben: aan de ene kant gaf het me een warm gevoel en werd ik er gelukkig van, maar aan de andere kant was het een marteling omdat hij niet langer een déél van mij was. Ik werd uit elkaar getrokken door verschillende gevoelens, werd heen en weer geslingerd tussen mijn verlangen en mijn verstand. Ik was al uitgeput voordat het twaalf uur ’s middags was.
Toen ik het water zag, voelde ik hoe ik onmiddellijk iets rustiger werd. Alles was nog precies het zelfde als de laatste keer dat ik er geweest was: het weelderige gras, het donkere water, de boom waarin ik onze namen gekerfd had. Opnieuw, zoals altijd als ik in het bos kwam, realiseerde ik me hoezeer ikzelf veranderd was – hoezeer álles veranderd was. Ik vroeg me af of Bill er ooit nog geweest was sinds het uit was tussen ons, of hij toen net als ik had zitten peinzen aan de oever en of hij onze namen in de boom had zien staan. Ik zat vol met dergelijke vragen, maar er was er slechts één die ik behoorde te stellen. ‘Ben je met Nathalia naar bed geweest?’ Het leek zo simpel, maar ik wilde wachten tot het moment daar was.
Dat was in ieder geval wat ik mezelf wijsmaakte. In werkelijkheid stelde ik het moment zo lang mogelijk uit, zodat ik zo lang mogelijk bij hem kon zijn.
Ik plofte neer op het gras. Hij bleef nog even staan, starend in het niets, met een zachte uitdrukking op zijn gezicht waarbij zijn lippen net niet helemaal op elkaar lagen. Verwachtingsvol keek ik naar hem op, waarna hij mijn voorbeeld volgde en hij zich eveneens op het gras liet vallen. Het viel me opeens op hoe krachtloos hij dat deed, alsof hij gewoon de spierfunctie in zijn benen had uitgeschakeld. Hij leek zo moe, alsof hij voor eeuwig zou willen slapen en daar werd ik bang van. Het leek wel alsof drugs het enige was dat Bill op de been hield en ik vroeg me af waarom hij weer was gaan gebruiken. Om welke reden.
Slechts één seconde ontmoetten onze blikken elkaar, maar het leek wel een eeuwigheid te duren. Ik schrok van wat ik in zijn ogen zag, werd er totaal door overvallen. Achter mijn weerspiegeling zag ik een wirwar van angst, verdriet, pijn, verwoesting, hulpeloosheid en dat kwam als een donderslag bij heldere hemel. Als in een reflex wendde ik mijn blik af en begon ik naar de oever aan de overkant van het meer te staren, compleet verward door wat ik even daarvoor gezien had. Hij had zo machteloos geleken, in een flits, en ik had het gevoel dat ik precies wist waardoor dat kwam. Hij was afhankelijk van de drugs, ongeacht wat hij gebruikte, en dat putte hem uit. Hij wilde wel stoppen, maar kón het niet omdat dat was wat hem op de been hield, omdat dat was wat hem hielp de ene dag na de andere door te komen. Ik kende het gevoel, vreemd genoeg, alleen wist ik niet waarvan. Hij draaide rond in een cirkel waar hij niet uit kon komen. Telkens als hij aan het einde was, begon het allemaal weer opnieuw.
Een tijd lang zaten we zo, gewoon naast elkaar, starend naar de overkant. Het besef van tijd verdween langzamerhand uit mijn hoofd, net zoals de reden dat we daar waren. Het enige dat telde, was het feit dát we daar waren – ik voelde dat het verlangen de vraag te stellen me langzaam verliet, ook al wist ik dat het moest gebeuren. Hij vroeg er ook niet naar, leek er niet om te geven dat ik hem helemaal daar naartoe had laten komen om met hem te praten en dat er vervolgens niets gezegd werd. Hij zweeg gewoon, net zoals ik dagenlang gezwegen had.
Ik hield van hem. Dat voelde ik op dat moment zo sterk dat ik me begon af te vragen of het wel echt was wat ik voelde. Ik staarde gewoon naar de overkant van het zwarte meer en verloor me in wat herinneringen aan de vorige keren dat we samen op dat gras gezeten hadden. Vreemd genoeg kon ik me vrijwel alles nog herinneren, iedere zintuiglijke waarneming, ieder klein moment dat we hadden doorgebracht in die hemelse stilte. Ik bezat geen herinneringen die zo levendig waren als die aan mijn momenten met Bill. Zelfs de herinneringen aan mijn moeder begonnen te vervagen. Ik deed echter geen moeite dat proces tegen te houden want ik wist dat hoe meer ik me daarop zou gaan concentreren, hoe meer de herinnering zou vervagen. Altijd had ik gedacht dat ik mijn moeder nooit zou vergeten – en dat zou ik ook niet, slechts het beeld vervaagde – maar ik had nooit een foto van haar bewaard. Ik wist dat ik uiteindelijk niet méér zou weten dan dat ik een moeder gehád had. Bill zou ik echter nooit meer vergeten. Ik had in mijn hele leven al zoveel naar hem gekeken dat ik hem met mijn ogen dicht zou kunnen schilderen.
“Maren?” hoorde ik opeens, en ik keek op. “Vind je het goed als ik – je weet wel? Ik moest even – ja. Het spijt me.”
Zijn zin stierf weg en hij keek naar het lange gras onder zijn voeten. Even viel ik stil – niet omdat ik niet wist wat ik moest zeggen, maar omdat ik werd getroffen door zijn verschijning. Hij was precies zo weerbarstig en fragiel als die avond waarop we onze eerste ruzie gehad hadden en ik vanaf de andere kant van het meer naar hem had zitten staren. Het maanlicht was het enige dat nog miste. Ik vond hem zo mooi dat het niet te beschrijven viel. Toen hij opkeek, ontmoetten onze blikken elkaar opnieuw en ik knikte ten teken dat het oké was. Hij rilde van top tot teen.
Op het moment dat hij op wilde staan, gebeurde er iets met me dat ik niet kan verklaren. Het was gewoon net alsof er iets in me knapte. Als in een reflex wilde ik hem bij zijn arm pakken, maar ik wist mezelf daar nog net van te weerhouden. Het gebeurde zo plotseling dat ik bijna bang van mezelf werd, enkel omdat ik heel even buiten mezelf geweest was. Ik had nooit geweten dat Bill zoiets kon laten gebeuren. Natuurlijk wist ik dat mijn gemis diepgeworteld was, maar het feit dat ik totaal buiten mezelf kon geraken als hij weg dreigde te lopen – nee, dat had ik nog nooit meegemaakt.
“Niet weggaan,” zei ik nog voordat hij eenmaal opgestaan was. Het duurde even voordat ik me realiseerde hoe hulpeloos en wanhopig het geklonken had, alsof hij het enige was waar ik voor leefde. Ironisch genoeg was dat ook zo. Ik keek naar hem op en hij keek op mij neer – we hadden beide een smekende blik in onze ogen. “Ik vind het niet erg.”
Ik fluisterde het bijna, zo zacht was het. Het was zelfs zo zacht dat ik me afvroeg of ik het wel echt gezegd had, maar te oordelen naar Bills reactie, was dat wel zo. Hij twijfelde eventjes, zo leek het, alsof hij het me wilde besparen. Ik vond dat lief van hem, want eerlijk gezegd wist ik ook niet zeker of ik het wel wílde zien. Het enige dat ik wist, was dat ik niet wilde dat hij van me weg zou gaan. Niet weer.
Uiteindelijk knikte hij en liet hij zich weer in het gras zakken. Hij trok zijn jasje uit en legde dat op de grond, tussen ons in, binnen mijn bereik. Ik voelde het verlangen het naar me toe te trekken en mijn gezicht erin te verbergen zodat ik zijn geur op kon snuiven en ik mezelf dat wat komen ging kon besparen, maar ik liet het. In plaats daarvan keek ik naar hoe hij een pakje sigaretten uit zijn broekzak haalde en dat in zijn schoot legde. Toen hij het opende, zag ik dat er echter helemaal geen sigaretten in zaten. Één voor één pakte hij er een aansteker, een stukje aluminiumfolie, een flesje troebele vloeistof, een zakje poeder en een spuit uit, die laatste nog in de verpakking. Er kroop een rilling over mijn ruggengraat, maar het kwam niet in me op mijn blik af te wenden. Ik wilde weten wat het was dat hem redde van de ondergang.
Zijn handen trilden terwijl hij het aluminiumfolie zo vouwde dat het een kommetje werd. Hij deed het zo geroutineerd, op zo’n manier waaraan ik kon zien dat hij het al veel vaker gedaan had en daar wilde ik niet aan denken. Het kostte hem moeite het zakje poeder te openen, maar uiteindelijk slaagde hij erin en deed hij er een beetje van in het aluminiumfolie. Ik sloeg mijn armen om mijn knieën en probeerde mezelf te weren tegen de kilte die me leek te overspoelen. Met zijn tanden draaide hij het flesje open en hij sprenkelde wat van de vloeistof in het kommetje. Al die tijd vermeed hij mijn blik, alsof hij zich schaamde. Terwijl hij het goedje met zijn aansteker verhitte, snifte hij even, alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten. Ik hoopte dat hij dat zou doen, want dan had ik een reden om hem vast te houden en misschien – héél misschien – zou ik mijn tranen kunnen laten gaan wanneer ik hém zou zien huilen.
Net als het flesje opende hij de verpakking van de spuit met zijn tanden. Ik voelde een gigantische angst jegens dat kleine voorwerp. Het zag er heel normaal uit, eigenlijk, maar misschien was dat juist het angstaanjagende: het besef dat zoiets kleins zoveel kapot kon maken. Hij zoog de vloeistof uit het kommetje op en klemde de volle spuit daarna tussen zijn tanden, zodat hij zijn handen vrij had het aluminiumfolie tot een propje om te vormen. Ik zag het zilver van de naald schitteren in het licht. Toen ik slikte, merkte ik dat ik een brok in mijn keel had. Ik wist niet goed wat het nu precies was dat me zo emotioneerde, maar het tafereel in zijn geheel was gewoon iets dat recht door mijn hart stak. Bill was aan de heroïne of wat het dan ook was, en ik had dat kunnen voorkomen. In plaats van God te vragen me te redden in ruil voor mijn ongelovigheid, had ik me gewoon moeten laten verkrachten. Het was bijna absurd hoe simpel die oplossing leek. Ik zou liever honderd keer verkracht worden dan te moeten aanzien hoe Bill heroïne in zijn bloed joeg.
Bill schoof het zweetbandje dat hij nog altijd om zijn elleboog droeg omlaag en onthulde daarmee een klein, rood plekje. Het litteken dat de naald keer op keer openreet. Hij frunnikte aan één van de leren bandjes om zijn pols, welke uiteindelijk los kwam – hij vermeed nog steeds mijn blik. Hij trok het bandje strak om zijn bovenarm, net iets boven zijn elleboog, en gespte het stevig vast. Ik voelde iets verschrikkelijks in mijn buikholte, alsof daar een klok liep die de seconden aftelde voordat de tijdbom binnenin mij zou exploderen. Bill had voorheen slechts coke gesnoven. Ik wist dat wanneer je eenmaal aan de heroïne zat, er geen weg terug meer bestond.
Hij voelde met zijn duim naar een ader, volkomen geautomatiseerd. Ik werd bang van hem en ik sloeg mijn armen nog wat dichter om mezelf heen, uit zelfbescherming, al wist ik niet waartegen ik mezelf wilde beschermen. Ik kon mijn ogen niet van Bill afhouden, die mooie jongen die ik ooit ontmoet had op een houten bankje in Magdeburg, toen alles nog normaal was. Hij had nog geloofd in de ware liefde, ik was er toen nog van overtuigd geweest dat er na regen altijd zonneschijn kwam. Nu wist ik dat ik voor altijd Durch den Monsun zou moeten. Als je zag hoeveel er veranderd was, leek het bijna een wonder dat we onszelf nog niet van kant gemaakt hebben. In zekere zin was het dat ook. Hij hield mij in leven, de heroïne hield hém in leven. Het was zo surrealistisch dat je bijna zou vergeten te vermelden dat het mijn schuld was.
Ik wist een snik te onderdrukken toen hij de naald in zijn ader liet glijden. De tranen brandden achter mijn ogen, wat inmiddels een familiair gevoel was. Hij keek niet toen hij de vloeistof langzaam in zijn arm naar binnen drukte en ik vond dat het daarmee net was alsof hij daarmee wilde ontkennen dat hij gebruikte. Starend in de verte voorzag hij zijn lichaam van nieuw leven – want ik wist zeker dat heroïne zijn eerste levensbehoefte was, precies zoals zijn liefde dat voor mij was. Hij zag drugs niet als een gif, maar iets dat hij nodig had om in leven te blijven, zoals andere mensen zuurstof nodig hebben. Hij spoot met dezelfde routine als waarop anderen ademhalen.
Toen alle vloeistof in zijn bloed verdwenen was, trok hij de rode naald terug, gespte hij het leren bandje weer los en bedekte hij het wondje met Toms zweetbandje. Snel ruimte hij alles weer op, op een haastige manier, alsof hij zo gauw mogelijk weer wilde vergeten wat hij gedaan had. Alles ging terug in het lege pakje sigaretten en daarna was alles weer precies zoals vijf minuten geleden, behalve dan het feit dat ik een traumatische ervaring rijker was. Ik rilde precies zoals Bill even daarvoor nog gedaan had.
Bill staarde in de verte, ik staarde naar hem zonder dat ik het doorhad. Onbewust zocht ik naar dingen die erop duidden dat de drugs begonnen te werken, maar ik kon niets zien. Ik was zo verschrikkelijk bang opeens, al had ik daar niet echt een reden toe. Ik was bang voor die heroïne, bang voor wat het met Bill zou doen. Hij vergiftigde zijn bloed om in leven te blijven – dat klonk zo tegenstrijdig in mijn oren. Ik wilde hem zo graag vragen waarom hij weer was gaan gebruiken terwijl hij juist zoveel gelukkiger zou moeten zijn zonder mij, maar ik deed het niet.
“Het spijt me,” zei hij zacht. Ik weet niet waarom hij het zei, maar het deed wel heel veel zeer. De rillingen liepen over mijn ruggengraat, één voor één, steeds opnieuw. Ik verlangde zo naar zijn warmte, maar ik wist dat zijn aanraking koud zou zijn. Zachtjes wiegde ik heen en weer, terwijl ik in mijn hoofd een zacht melodietje zong om mezelf te kalmeren. Het hielp niet.
Hij keek naar me op. Onze blikken verstrengelden zich. Ik wist dat we vroeger, als we elkaar op die manier aangekeken hadden, we eindeloze stille gesprekken hadden kunnen voeren. Op dat moment was het echter alsof hij een andere taal sprak dan ik. Hij wilde me iets vertellen, dat wist ik zeker, want ik hoorde de smekende klanken van zijn mentale stem, maar ik kon het niet verstaan. Ik bleef maar luisteren, probeerde de taal die hij sprak te begrijpen, maar het lukte me niet en dat frustreerde me, vooral omdat ik me besefte dat alles maar bleef veranderen.
Na wat uren leek te duren, stak hij uitnodigend zijn hand naar me uit. Zijn ranke vingers waren naar me uitgestrekt en ik wilde niets anders dan hen aanraken, hen verstrengelen met die van mij. Opeens moest ik denken aan hoe ik mijn vingers op precies dezelfde manier naar hem had laten reiken toen ik bij mijn vader achterin de auto gezeten had en ik van hem gescheiden werd. Langzaam schoof ik steeds iets dichterbij, iedere centimeter tussen ons in overbruggend met een gevoel van anticipatie in mijn maag. Ik raakte hem pas aan toen ik ontzettend dicht bij hem was, beroerde zijn vingertoppen met die van mezelf. Het was alsof er een droom uitkwam, zo welkom was het gevoel van zijn zachte huid. Het liefst had ik mijn ogen gesloten, gewoon omdat het me eventjes teveel werd, maar hij hield mijn blik vast. Zijn pupillen waren zo klein dat ze bijna niet te zien waren.
Zijn hand vouwde zich dicht om die van mij en maakte me tegen verwachting in warm. Ik rilde nog steeds – niet meer van angst, maar van verlangen naar hem. Ik wist dat het verkeerd was. Hij had vergif in zijn aderen en hij was mijn éx, maar dan nog. Het gevoel van zijn huid maakte dat er een knop omging. Plotseling bestond er geen goed en kwaad meer, alleen Bill en ik en het verlangen dat ons leek te binden. Ik had het gevoel dat ik mijn adem inhield. Het was net alsof ik net zo gedrogeerd was als hij. Mijn hoofd was wazig en ik zag niets meer, geen voor- en nadelen, geen angst, geen risico’s. Niets.
Opeens trok hij zijn blik los en keek hij naar beneden: naar mijn hand die in de zijne lag. Zijn duim streek over mijn ring – de ring die ik ooit van hem gekregen had, alweer bijna een jaar geleden, als blijk van zijn onvoorwaardelijke liefde voor mij. Ik droeg hem nog steeds, opdat ik nooit zou vergeten dat er ergens iemand rondliep die met mij had willen trouwen als ik mijn leven niet in Gods handen gelegd had. Hij leek geschokt te zijn bij het zien van het sieraad – of misschien eerder verbaasd, alsof hij eigenlijk verwacht had dat ik het verleden net zo gemakkelijk opzij kon leggen als hij. Natuurlijk was dat niet zo. Ik was verbaasd bij het zien van de blik in zijn wijd opengesperde ogen, wist niet wat ik moest zeggen. Hij keek op zo’n manier alsof hij het niet begreep, alsof hij niet snapte dat ik mijn verlovingsring nog droeg, terwijl het feit dat het uit was tussen ons zijn initiatief geweest was. Verbazing was iets dat zijn gezicht prachtig maakte, met zijn mond half open en zijn blik zijdezacht. Onweerstaanbaar.
Ik wist niet wat ik deed, echt niet, maar voordat ik er erg in had, drukte ik mijn lippen op die van hem. De tijd leek stil te staan toen ik zijn zachtheid voelde en ik schrok van de schok van herkenning die door mijn lichaam zinderde zodra ik hem raakte. We leken stil te staan in het moment, alleen wij samen terwijl de wereld om ons heen doordraaide, en ik hoopte dat het voor altijd zo kon blijven. Hij was niet alleen mijn verleden, maar tevens mijn heden en ik hoopte dat hij ooit ook mijn toekomst zou blijken te zijn, al was het maar voor even.
Ik voelde hoe hij zijn handen op mijn schouders legde en even dacht ik dat hij me weg zou duwen, maar dat was niet zo. Hij verstrengelde zijn vingers met mijn haar, trok me iets dichterbij hem, zodat ik zijn lichaam tegen dat van mij kon voelen. Het werd totaal donker in mijn hoofd, alle gedachten werden uitgeschakeld, behalve in de verste uithoek van mijn hersenen. Ergens wíst ik dat het niet goed was, dat ik hem eigenlijk behoorde te vragen of hij met Nathalia precies het zelfde gedaan had als wat ik voelde dat er tussen ons zou gaan gebeuren, maar dat interesseerde me opeens niet meer. Ik voelde enkel nog hoe graag ik hem wilde en wat ik allemaal zou doen om hem weer even zo dicht bij me te hebben als vroeger.
Zachtjes streek hij met zijn tong langs mijn onderlip en ik opende mijn mond een stukje om hem toe te laten. Ik kon wel huilen op dat moment, enkel en alleen omdat al mijn verlangens tot uitbarsting kwamen in dat kleine, lichte hoekje in mijn hoofd. Er gebeurde opeens zoveel, alles wat ik begeerd had overkwam me in minder dan één uur. Zijn tong streelde zachtjes die van mij, met de timiditeit die hem ook gekenmerkt had toen we elkaar voor het eerst gezoend hadden, in een grijs verleden. Ik miste die oude tijden. Ik kon me niet meer voorstellen dat ik in eerste instantie ontkend had dat ik van hem hield, gewoon omdat het zo verschrikkelijk overduidelijk geweest was. Onze liefde had voor eeuwig moeten zijn, maar dat was hij niet meer.
Toen ik mijn hoofd even terugtrok en hem in zijn ogen keek, realiseerde ik me dat hij geen idee had wat hij deed. Zijn blik was zo verward, zo afwezig. Hij wist overduidelijk niet wat hem overkwam, maar ik had daar vrede mee, zolang het maar gebéurde. Bill verwarmde mijn mond met die van hem, opnieuw, iets ruwer dat keer. Met een stille kracht dwong hij me achterover, in het lange, vochtige gras. Hij was overal, op iedere vierkante centimeter van mijn lichaam, en ik kon het niet weerstaan. Ik wist dat het verkeerd was wat we deden, wat we zóuden gaan doen, maar dat was niet meer waar het om ging. Het ging om hem en om mij, om alles wat we gedeeld hadden en wat we nog zouden delen in de rest van ons leven. Zijn vingers klemden zich om de zoom van mijn T-shirt.
In mijn hoofd werd alles donker.