Deel 17
Lieve Sa,
Ik zit er totaal doorheen. Na Bill weer heel even bij me gehad te hebben, zo verschrikkelijk dichtbij dat het niet dichter kon, voel ik me zo koud. Hij is als een warme deken die alle zorgen van me wegnam en nu ik opeens weer zonder ben, komen al die zorgen des te harder aan. Hij is alles dat ik wil en alles dat ik ooit zal willen. Nooit meer in mijn hele leven zal ik iets zo verschrikkelijk begeren als ik Bill begeer. Hij is alles wat ik ben, ik ben alles dat hij is. Wij zijn het toonbeeld van liefde, maar hij schijnt dat niet te zien. In plaats daarvan begraaft hij zijn neus in de coke en spuit hij zichzelf vol met iets waarvan ik niet weet wat het is. Ik weet niet eens waarom hij het doet. Misschien is hij ook wel eenzaam, net als ik.
Ik heb Justin weer gesproken, na hem ongeveer een jaar niet meer gezien te hebben, maar ik weet niet of dat wel zo goed geweest is. Eigenlijk weet ik helemaal niets. Ik begrijp niets van mezelf, niets van wat ik doe. Alles lijkt zo tegenstrijdig te zijn.
Ik ontweek alles. Ik wist zeker dat wanneer Julia me langer dan een minuut vlak bij zich zou hebben, dat ze dan door zou hebben dat er iets gebeurd was wat ik niet scheen te kunnen verwerken en dat ze er met me over zou willen praten. Ik wist echter dat ze het gebeurde totaal af zou keuren en dat ze tegen me zou preken alsof ze mijn moeder was – bovendien wilde ik de ellende niet nog een keer doormaken door er over te moeten praten.
Mijn dagen bracht ik door in het park, meestal onder een boom die me beschutte tegen de vallende regen of schaduw bood tegen de eerste zonnestralen van de zomer. Ik deed daar niets, eigenlijk, ik zat alleen maar en ik dacht. Vaak vroeg ik me af of mijn gedachten nooit op zouden raken, of ik ooit door mijn denkstof heen zou zijn zodat er een zwarte leegte achterbleef in mijn hoofd, met als gevolg dat ik weer iets nieuws had om over te peinzen. Verder liet ik me gewoon overweldigen door de natuur, keek ik naar de ingewikkelde draaiingen die de boomstammen maakten om hun weg naar het zonlicht te vinden, staarde naar hoe de madeliefjes in het gras hun blaadjes ontvouwden zodra de zon zich hoog aan de hemel bevond, totdat het donker werd en er niets meer te zien viel. Dan stond ik op, meestal totaal verkleumd, en verhuisde ik naar het dichtstbijzijnde café. Ik dronk en ik bleef drinken, totdat het tijd was om naar huis te gaan. Julia sliep dan al. Ik kroop met mijn kleren nog aan op de bank, ging dronken door met peinzen en glipte het huis weer uit zodra de eerste zonnestralen boven de horizon uitpiepten. Ik hield het een week vol, toen was ik kapot, maar ik kon niet meer stoppen. Ik wilde wel slapen, maar het ging niet meer, net zoals huilen. God leek me langzaam alles af te nemen dat me rust gunde, zodat ik langzaam af zou sterven. Ik wist het zeker.
Precies datgene dat nooit had mogen gebeuren, was gebeurd. Precies datgene dat alle oude wonden zou openrijten, was gebeurd. We hadden het zelf gedaan, maar toch had ik ergens het gevoel dat het niet onze schuld was. De lust had de overhand genomen, plus de heroïne in Bills bloed. Het was niet goed geweest, maar het was gebéurd en ik moest daar vrede mee zien te krijgen. Dat laatste ging alleen niet zo gemakkelijk. Iedere dag in het park en iedere avond aan de bar dacht ik na over wat het voor mij betekend had – want nee, dat wist ik niet. Ik wist ook niet wat het behoorde te betekenen. Wat het voor hem betekend had, wist ik ook niet, maar ik hoopte dat het niet niets was. Ik zou het niet kunnen verdragen als het hem niets gedaan had. Tegelijkertijd had ik geen idee of hij het zich nog wel kon herinneren. Hij was high geweest. Van de wereld. Net als ik. Maar herinnerde het me nog wel, alles, ieder detail.
Het was zo verschrikkelijk imperfect geweest dat ik me afvroeg of wij het wel geweest waren. De liefde tussen ons bestond niet meer en daarmee leek ook de perfectie vervlogen te zijn. We werden enkel nog gedreven door lust en dat was zo léég dat ik het zelfs nog kon voelen wanneer ik daar onder die boom zat, in een gat net onder mijn maag. Ik wist niet of ik er spijt van had. Eigenlijk wist ik helemaal niets en hoe langer ik erover nadacht, hoe minder ik leek te weten. Mijn besef vervloog met iedere seconde. Ik had hem gemist, had hem teruggewild, maar ik had geen idee of de manier die we gekozen hadden wel de beste was geweest.
Ik was teleurgesteld en dat wilde ik niet.
Steeds weer zag ik alles voor me, als een waas door de donkerte van mijn hoofd heen. Het was een wonder dat ik me nog iets kon herinneren. Bills ogen, Bills haar, Bills aanrakingen. Als ik mijn ogen sloot, was de herinnering soms zo levend dat ik hem nog kon voelen. Dat was de reden waarom ik niet sliep. Telkens als ik dacht dat ik hem voelde, of rook, of hoorde, opende ik mijn ogen en was alles weer weg. Hij liet me alleen met mijn eenzaamheid en liet me verlangen naar meer van hem, hoewel ik wist dat het niet goed was om dat te doen. Het zou me kapot maken van binnen, net zo kapot als Bill van buiten was.
Iedere keer als mijn herinnering dat punt bereikte, voelde ik een prop in mijn maag. Het gevoel van de gezwollen huid van zijn littekens prikkelde de zenuwen in mijn vingertoppen nog altijd, de aanblik van de wonden in zijn andere schouder en zijn borst folterde mijn gedachten. Ik begreep het gewoon niet, waarom hij zichzelf zo kapot maakte. Hij was zo’n prachtig persoon, met zoveel toekomstperspectief, iemand die altijd met volle teugen van het leven genoten had. Sinds hij weer aan de drugs was, vroeg ik me echter af of hij er niet binnenkort een eind aan zou maken. Hij was veranderd, misschien nog wel meer dan ik. Hij vernietigde zichzelf, misschien zonder dat hij het zich besefte en hoe graag ik daar ook iets tegen wilde doen, dat kon niet. Ik stond te ver van hem vandaan. De enige manier waarop ik iets kon doen, was Tom ervan overtuigen dat hij zijn broer uit de vernieling moest halen, maar Tom haatte me. Ik kon niets doen en dat was – ja, ik weet niet wat het was. Het maakte in ieder geval dat ik me nog rotter voelde dan eerst.
Na opnieuw een hele middag gepeinsd te hebben en de zon achter de horizon te hebben zien verdwijnen, zocht ik een plaatsje in het café om de eerste helft van de nacht daar door te brengen. Ik was doodmoe en wilde het liefst slapen, maar ik nam niet eens meer de moeite het te proberen; want ik wist toch al dat het me niet zou lukken. Het was beter om mezelf vol te gooien met alcohol zodat ik voor even kon vergeten wat er gebeurd was dan eindeloos naar het plafond te moeten staren en Bill voor me te zien. Er was een overeenkomst tussen ons op dat moment, maar ik was er blind voor, of wilde er blind voor zíjn. We vergiftigden onszelf om te vergeten, om maar niet te denken aan wat er geweest was en sterk genoeg te zijn om de toekomst aan te kunnen, maar ik kon die link niet leggen. Ik zag de alcohol niet als gif, net zomin als hij de heroïne als gif zag. Het was een middel om te vergeten en ik vond niet dat ik er afhankelijk van was. Ik kon stoppen wanneer ik wilde, áls ik het al wilde, anders dan hij. Hij zat voor eeuwig aan de drugs vast, ik was vrij, wat dat betreft.
“Hoi!” begroette de barjongen me, op zo’n manier waarop het leek alsof hij me al jaren kende. “Weer het zelfde recept?”
Ik knikte zonder hem aan te kijken en trok mijn jas uit. Hij was er iedere avond, net als ik, en dus had hij geweten dat ik zou komen. Soms had ik het gevoel dat hij op me zat te wachten, zo opgewekt klonk hij altijd weer als ik plaatsnam op mijn vaste barkruk. Ik begroette hem nooit terug, zag daar de noodzaak niet van, maar ik wist dat hij het niet verdiende. Hij was altijd hartelijk tegen me, was zelfs bereid te onthouden wat voor drankje ik altijd had, maar dan nog. Tegen hem praten leek een soort van verraad te zijn. Ik wist dat hij charmant was, dat hij leuk was, maar ook dat ik me nooit meer zo wilde verliezen in een jongen als ik me in Bill verloren had.
Ik had Bill niet meer gevraagd wat hij wel en niet met Nathalia gedaan had. Toen we ongemakkelijk zwijgend naast elkaar in de auto gezeten hadden, op weg naar huis, had ik gewoon onderhuids gewéten dat zij precies hetzelfde meegemaakt had als ik.
De barjongen zette een goldstrike op de bar. Ik besloot bijna op te kijken en hem een dankbare glimlach te schenken, maar ik durfde het niet. Ik was doodsbang dat ik met één blik in zijn ogen totaal verkocht zou zijn en dat ik met hem net zulke hoogte- en dieptepunten zou beleven als met Bill, hoewel die angst ongegrond was. Er was maar één ding in mijn leven dat ik zeker wist, en dat was het feit dat ik altijd en alleen maar van Bill zou houden.
Ik pakte het kleine glaasje op en sloeg het achterover, waarbij de goudgele vloeistof mijn slokdarm bijna verschroeide. Er bestond geen gevoel dat welkomer was dan dat. Het was de smaak van vergetelheid en die deed me altijd goed. De tegenstrijdigheden in mijn hoofd werden me gewoon teveel. Aan de ene kant wilde ik peinzen en piekeren omdat ik wilde uitvogelen wat er om me heen gebeurde, maar aan de andere kant wilde ik er niet over nadenken omdat het zeer deed. Aan de ene kant wilde ik naar huis toe om me te laten troosten door Julia, maar aan de andere kant wilde ik dat niet omdat ik wíst dat ze mijn daden zou veroordelen. Aan de ene kant wilde ik voor eeuwig slapen, aan de andere kant wilde ik dat niet omdat ik Bill dan nooit meer zou kunnen zien. Ik dacht zo verschrikkelijk veel na, bekeek alles wat ik meemaakte vanuit een miljoen verschillende visies en standpunten, zo veel dat ik dacht dat ik door zou gaan draaien. Er bestond voor mij geen beter gevoel dan even geen flauw benul te hebben van wat er binnenin en buitenom mij gebeurde, om zoveel te drinken dat ik niet meer hoefde te denken aan Bill en Nathalia, samen, om mezelf niet meer te hoeven martelen met alle herinneringen die in mij huisden. Er was niets fijner dan mezelf te verlammen en mezelf zo te beschermen tegen alles dat ik had meegemaakt.
Ik had geen idee dat Bill ooit met ongeveer dezelfde gedachte aan de drugs begonnen was. Het kwam simpelweg niet in me op. In wezen was die barjongen voor mij wat Nathalia voor hem geweest was. Hij bracht me een middel om te vergeten.
Hij keek naar me toen ik het lege glas zacht op de bar terugzette, dat voelde ik in iedere zenuw van mijn lichaam. Ik bleef stil zitten, weigerde op te kijken, en wachtte totdat een licht gevoel mijn hersenen zou zegenen. Ik vond mezelf zo verschrikkelijk gemeen. Hij gaf om me, zo leek het althans. Steeds als ik opkeek, voelde ik zijn bezorgdheid en zijn nieuwsgierigheid als een aura om hem heen hangen. Er waren zoveel mensen in het café, maar hij leek enkel oog voor mij te hebben. Hij leek oprecht geïnteresseerd en dat was ik niet meer gewend. Normaal gesproken vermeden mensen me omdat ik zichtbaar een hoop problemen met me meebracht, maar hij leek juist benieuwd te zijn naar wat mijn verhaal was en dat had ik al vreselijk lang niet meer meegemaakt. Niet meer sinds ik in de bakkerij was ontslagen.
Hij schonk me opnieuw in en ik bestudeerde hem van tussen mijn wimpers. Hij had krullen, bruin, en hij was lang. Ergens kwam hij me bekend voor, maar ik had geen idee waarvan. Ik wist zeker dat ik hem nog nooit echt ontmoet had, want dan zou ik zijn naam geweten hebben, maar hij had iets dat ik herkende, alsof ik hem ooit in een visioen gezien had.
Ik haalde mijn portemonnee uit mijn broekzak en pakte een briefje van vijf euro, wat ik op de bar neerlegde. Op het moment dat mijn vingers naar het glaasje reikten, schoof hij het echter naar me terug, met een hand die zowel robuust als teder aandeed. Verbaasd keek ik op, me niet beseffend dát ik het deed, en toen ik hem in de ogen keek, voelde ik me direct een stuk beter. Hij had iets kalmerends over zich, iets dat me een goed gevoel gaf. Het was geen flirten dat hij met me deed, meer iets als duidelijk maken dat hij er voor me was mocht ik dat nodig hebben. Ik kreeg direct het gevoel dat ik hem al jaren kende en dat maakte dat ik hem een flauwe glimlach schonk. Zijn ogen lichtten direct op en daar werd ik gelukkig van, omdat dat me het gevoel gaf dat ik een goede daad verricht had.
Afwezig stopte ik het geld terug in mijn broekzak en sloeg ik het glaasje opnieuw in één keer achterover, de schroeiende kaneelsmaak negerend. Het ging erom dat ik gauw zou vergeten wat er ooit allemaal gebeurd was – ook in dat café. Rechts van me was de muur waar Bill en ik voor het eerst gezoend hadden – wat ook precies de reden was dat ik het angstvallig vermeed naar rechts te kijken. De eerste nacht in het café had ik het wel gedaan, wat als resultaat gehad had dat ik urenlang naar de muur had zitten staren. In gedachten had ik ons kunnen zien staan, voor de eerste keer, telkens opnieuw. Achteraf had dat zoveel zeer gedaan dat ik het sindsdien vermeed, omdat ik mezelf nog meer herinneringen wilde besparen. Het was ook stom geweest om juist ‘ons’ café uit te kiezen als thuisbasis, maar dat was de enige plaats waar ik me enigszins thuis voelde. Die plek bezat een deel van mijn geschiedenis en dus hoorde ik daar te zijn, op dat moment.
“Maren?”
Ik schrok op toen ik mijn naam hoorde. Ergens was ik er vanuit gegaan dat het de barjongen geweest was – ik weet niet waarom, waarschijnlijk omdat hij voor zover ik wist de enige persoon in de wijde omgeving was die enigszins om me gaf, maar hij stond helemaal aan de andere kant en dus kon hij het niet geweest zijn.
“Maren?”
Toen ik merkte dat het geluid van rechts kwam, draaide ik mijn hoofd in één ruk om en werd mijn blik direct gevangen door twee geelbruine ogen, ongeveer drie meter bij mij vandaan. Direct voelde ik iets van herkenning, een heerlijk gevoel dat mijn bloed sneller deed stromen. Het was een jongen met springerig, blond haar dat me deed denken aan Liam, een zwarte jas en zachte trekken in zijn gezicht die mijn hart opgelucht lieten zuchten.
Justin.
Hij was teruggekomen.
Ik had geen idee waar hij vandaan gekomen was, wat hij daar deed, waarom hij daar was, maar het interesseerde me ook niet. Hij was er en dat was waar het om ging. Hij leek gewoon precies op het goede moment te komen, precies op dat moment dat ik gedacht had dat er niemand meer was die om me gaf en die ooit om me zou geven. Het had zo geweldig gevoeld toen hij me in zijn armen gesloten had en me even had vastgehouden, gewoon als vrienden, maar met zoveel warmte dat ik me een fractie van een seconde gelukkig gevoeld had. Ik had hem al zo verschrikkelijk lang niet meer gezien dat ik wel had kunnen sterven van opluchting om het feit dat hij er was. Het was nooit in me opgekomen om terug te gaan naar de bakkerij, ten eerste omdat ik bang was dat daar nog altijd paparazzi in de bosjes zou liggen en ten tweede omdat ik mezelf niet wilde verlagen tot het niveau van iemand die met hangende pootjes terugkeerde. Justin zou me daar waarschijnlijk nooit op veroordeeld hebben, maar ik vond het al erg genoeg om mezelf op die manier te zien.
We zaten naast elkaar aan de bar te praten over alles wat ons het afgelopen jaar overkomen was – of ja, eigenlijk was vooral ik het die praatte. Niet omdat ik graag aan het woord was, maar omdat hij weigerde iets over zichzelf te vertellen voordat ik hem verteld had wat er in míj omging. Hij bleef maar vragen stellen en ik vond het niet eens erg. Ook al had ik hem al maandenlang niet meer gezien, het voelde vertrouwd om met hem te praten. Ik vertelde hem alles over wat er met me gebeurd was na de aanval in de bakkerij, over alles wat er tussen Bill en mij voorgevallen was, over alles wat er de afgelopen weken door mijn hoofd gespookt had. Ik vertelde hem over dat we elkaar een hele zomer niet gezien hadden om de druk van onze relatie af te halen, maar hoe alles uiteindelijk toch tot uitbarsting gekomen was. Ik vertelde hem over de drugs, over hoe ik erachter gekomen was dat Mirre al weken niet meer leefde en hoe die beide dingen me stukje bij beetje hadden afgebroken. Ik vertelde hem zelfs over Bill en Nathalia en over wat er de laatste keer dat ik hem gezien had gebeurd was. Het was een lang en saai verhaal, maar Justin luisterde alsof het het meest interessante was dat hij ooit gehoord had.
Ik vond het niet bijster moeilijk hem alles te vertellen. Justin zou me niet veroordelen, dat wist ik, en dus vertelde ik hem alles waar ik ooit over gepeinsd had. Bovendien hielp de alcohol me de juiste woorden te kunnen vinden. Hij luisterde zoals alleen hij dat kon. Ik had willen huilen, in zijn armen gesloten willen worden en willen horen dat alles goed zou komen – want ik wist dat hij dat dan zachtjes in mijn oor zou fluisteren – maar ik kon het nog steeds niet. Er was iets dat me tegenhield hem mijn verdriet te laten zien. God, natuurlijk, zoals altijd. Hij hield me altijd tegen en zóú me mijn hele leven nog tegenhouden in alles wat ik zou doen.
De barjongen luisterde mee, de hele tijd. Ik had het door, maar kon geen redenen meer bedenken waarom dat erg zou moeten zijn. Hij bleef mijn glas volschenken en ik bleef drinken terwijl ik vertelde, wachtte totdat ik licht in mijn hoofd zou worden en al mijn gevoelens naar de achtergrond verdrongen zouden worden door die lichte mist, maar dat gebeurde maar niet. Het enige dat de alcohol bereikte, was dat ik minder pijn voelde terwijl ik mijn halve levensverhaal vertelde en dat ik niet meer bang was dat de barjongen zich een beeld van mij zou gaan vormen terwijl hij me verder niet kende. Het interesseerde me niet meer. Ik wilde Justin gewoon vertellen wat er allemaal gebeurd was in de periode dat ik het zonder hem had moeten doen, gewoon omdat hij de enige was die geen oordeel over mij zou vellen, ook al wíst hij dat ik fout zat. Hij zou het nooit uitspreken en aan mijn kant blijven staan, onvoorwaardelijk. Justin was het enige onvoorwaardelijke dat ik nog bezat in mijn leven.
Toen ik uitverteld was, bleef hij een lange tijd stil. Justin wendde zijn blik af naar de bar en ik deed precies hetzelfde, om tot de ontdekking te komen dat mijn glas als in een wonder opnieuw bijgevuld was. Ik sloeg mijn ogen op en keek recht in de donkerbruine ogen van de jongen achter de bar, welke naar me glimlachte zodra hij merkte dat ik mijn blik op hem had laten rusten. Ik glimlachte terug en sloeg het drankje in één keer achterover, zodat mijn keel opnieuw in brand kwam te staan. Vroeger had ik nooit van goldstrike gehouden, omdat het zo sterk was en omdat het mijn keel compleet verschroeide, maar het was het beste middel om te vergeten wie ik was, wat ik had meegemaakt en wat ik nog mee zou maken zolang ik zou blijven leven. Mijn zelfdestructieve gedrag was bijna gelijk aan dat van Bill, maar drong niet tot me door. Ik zag de overeenkomst niet, of misschien wílde ik hem gewoon niet zien.
“Nu ben jij,” nodigde ik hem uiteindelijk uit om zijn verhaal te beginnen. Mijn keel schrijnde van het vele drinken en het spreken. Ik wendde mijn blik naar hem toe, maar hij blikte nog niet terug. Zijn handen speelden met het glas bier dat voor hem op de bar stond, afwezig, maar ik kon zien dat hij me verstaan had. Hij dacht na over hoe hij het ging brengen, waar hij moest beginnen. Waarschijnlijk had hij nog niet genoeg gedronken om precies te weten waar hij de juiste woorden vandaan moest zien te halen.
“Ik had een vriendin,” zei hij op een zachte toon terwijl hij mijn blik onopvallend ontweek. “Ze heette Marina.”
Het viel me al direct op dat hij over haar praatte alsof ze dood was en dat maakte me direct nieuwsgierig. Als hij een dierbaar iemand had verloren, dan hadden we iets van ons samen, iets emotioneels dat ons bond. Ik was benieuwd naar het verhaal dat erachter stak, hoe hij haar precies verloren was en bovendien of het zijn eigen schuld geweest was. Ik verlangde ernaar dat hij zou vertellen, maar hij bleef stil, een hele tijd lang, terwijl mijn blik nog altijd op hem rustte. Hij leek het niet eens te merken.
Hij reikte naar zijn broekzak en haalde daar een pakje sigaretten uit. Het beeld van Bill die heroïne uit zijn broekzak haalde, drong zich een weg door mijn vertroebelde gedachten en bleef als op mijn netvlies gebrand zitten, totdat ik met mijn ogen knipperde tegen het felle licht van Justins aansteker. Zodra hij het topje van zijn sigaret met behulp van het kleine vlammetje roodgloeiend had gemaakt, stak hij zijn aansteker terug in het pakje, welke op de bar bleef liggen. Hij rookte precies het zelfde merk als Bill.
Terwijl Justin in stilte rookte, kreeg ik nog een goldstrike van de barjongen. Ik schoof het geld – dat nog op de bar lag – opnieuw naar hem toe, ook al wist ik dat hij het met een glimlach weer naar me terug zou schuiven. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vroeg me af waarom hij alles voor me betaalde, waarom hij steeds bijschonk. Waarschijnlijk zag hij dat ik het nodig had of iets in die richting – ik had geen idee wat het was, maar ik vond het in ieder geval lief. Hij kwam me nog steeds zo vreselijk bekend voor, alsof ik hem een keer op straat was tegengekomen, in een flits die me altijd bijgebleven was, maar ik kon me dat moment niet meer herinneren.
Ik sloeg de inhoud van het kleine glaasje achterover en genoot van de warme prikkeling die door mijn slokdarm in mijn maag plonsde. Nog steeds voelde ik niets van het effect dat de alcohol zou moeten hebben, geen mist of een draaierig gevoel, geen vergetelheid. Lichamelijk werd ik moe, maar mijn hoofd bleef ondraaglijk helder. Ik probeerde me te herinneren hoeveel drank ik al in mijn lichaam had zitten, maar ik had geen idee. Veel, dat was een ding dat zeker was, maar ik wist niet hoeveel precies.
Ik vroeg me af wat mijn moeder tegen me zou zeggen als ze me zo zou kunnen zien zitten, hoe teleurgesteld ze in me zou zijn. Ik haatte mezelf zo op dat moment.
“Wat is er met haar gebeurd?” vroeg ik vanuit het niets, doelend op Marina.
Hij keek verbaasd op van zijn bier, met een blik in zijn ogen waaruit ik kon afleiden dat hij geen idee had waar ik het over had. Pas na een seconde of drie klaarde zijn blik op en leek hij me eindelijk te begrijpen. Dat was het moment waarop hij opnieuw zijn ogen neersloeg en in zijn glas staarde alsof hij naar iets op zoek was. Woorden, waarschijnlijk. Het intrigeerde me hoe de normaal gesproken zo spraakzame Justin opeens heel stil werd, hoe hij geen idee scheen te hebben van hoe hij het moest vertellen – óf hij het me wel moest vertellen. Hij was overduidelijk in twijfel, alles in zijn houding straalde aarzeling uit, maar ik kon niets bedenken dat hij me niet zou kunnen vertellen.
“Ze bleek niet te zijn hoe ik dacht dat ze was,” zei hij uiteindelijk cryptisch, met weloverwogen woorden. Hij keek naar opzij en schonk me een flauwe glimlach die ik beantwoordde alvorens mijn volgende glas drank achterover te gooien.
We zaten daar nog een hele tijd, in stilte. Het was fijn om bij Justin te zijn, zelfs al had ik hem al zo’n lange tijd niet meer gezien, gewoon omdat ik me bij hem zo thuis voelde. Als ik bij hem in de buurt was, had ik zelfs al waren we stil altijd het gevoel dat we eindeloos lange gesprekken voerden door middel van onze lichaamstaal, net zoals ik dat bij Bill altijd gehad had voordat we uit elkaar gegaan waren en precies zoals met mijn moeder, voordat ze overleden was. Het bracht een hoop kalmte met zich mee en die kalmte kon ik wel gebruiken, zeker nu de alcohol niet meer leek te werken. De storm in mijn hoofd was gaan liggen sinds hij bij me was en dat voelde zo fijn dat ik bang was dat hij zou vertrekken.
De seconden tikten weg en glas na glas sloeg ik achterover. Alles om me heen leek in slowmotion te bewegen, alsof we met zijn allen onder water leefden en zo onmogelijk sneller konden bewegen. De muntjes die op de bar lagen, rinkelden toen ik afwezig met mijn nagels op het hout begon te tikken. Ik voelde me nerveus, maar had geen idee waardoor het kwam – ik had ook geen reden om nerveus te zijn. Justin was bij me. Eigenlijk moest ik ontzettend nodig naar de WC, maar ik deed het niet omdat ik niet meer alleen wilde zijn. Ik was veel te lang alleen geweest, al die dagen lang, en nu ik hem eindelijk terug had, wilde ik niet dat hij weer weg zou gaan.
“Drink je dat altijd?” vroeg hij opeens, de stilte om ons heen doorbrekend, met een hoofdknik naar het net-opnieuw-gevulde glaasje goldstrike op de bar.
Ik knikte.
“Het is het enige dat snel genoeg werkt, normaal gesproken,” antwoordde ik terwijl ik mijn blik afwendde. Ik had geen idee waarom ik dat deed, eigenlijk, maar ik kon hem op dat moment gewoon niet in de ogen kijken. Ik schaamde me voor mijn gedrag, schaamde me voor het feit dat ik niet sterk genoeg om me over mijn verleden heen te zetten zonder daar bepaalde middelen voor te gebruiken. Ik wist dat het verkeerd was om zoveel te drinken, zeker avond na avond, maar ik zag mezelf niet als alcoholist. Ik was getraumatiseerd en dat was heel wat anders. Het klinkt misschien fout om van jezelf te zeggen, maar ik had zoveel meegemaakt en dat had littekens achtergelaten, letterlijk en figuurlijk, ook al wist ik dat ik het allemaal aan mezelf te danken had. Ik wist dat Justin me niet zou veroordelen op welke methode ik gebruikte om over mijn verdriet heen te komen - zelfs al zat ik op dat moment heroïne te spuiten, hij zou me niets verbieden. Altijd als ik bij hem was, had ik het gevoel dat ik een volwassen persoon was omdat hij me zelf liet uitmaken wat goed voor me was, omdat hij me geen dingen voorschreef en niets afkeurde van wat ik deed. Als ik bij hem was, had ik tegelijkertijd het gevoel dat wat ik deed niet zo heel erg was, maar tegelijkertijd liet hij me beseffen dat ik niet goed bezig was. Het was vreemd wat hij met me deed, verwarrend, maar desondanks erg prettig.
“Normaal gesproken?” herhaalde hij vragend.
Ik knikte terwijl de barjongen me opnieuw een glas inschonk. Toen ik opkeek, ontmoetten onze blikken elkaar voor een kort moment en in een flits herkende ik zijn gezicht. Ik had ooit over hem gedroomd. Als ik Bill nooit had leren kennen, zou ik met hem getrouwd zijn en zou ik een zoon van hem gekregen hebben. Ik wist niet wat me overkwam, was totaal lamgeslagen. Het was verschrikkelijk vreemd om van die onbekende jongen te weten dat hij mijn man zou zijn geworden als ik de liefde van mijn leven nooit had leren kennen. Het was absurd.
“Hé – gaat het wel?” hoorde ik Justin vragen. Ik draaide mijn hoofd in zijn richting. “Je bent zo bleek opeens. Het gaat niet goed, hè?”
Zijn hand raakte mijn wang zacht aan, maar ik schrok er zo van dat ik mijn gezicht direct afwendde. Verschrokken trok hij zijn hand terug.
“Ik moet naar buiten,” wist ik uit te brengen, angstig doordat ik in mijn hoofd de storm weer voelde opsteken. Ik durfde de barjongen niet meer aan te kijken omdat ik bang was dat hij mijn angst gezien had, al wist ik niet waarom. Alles lag opeens anders dan een halve minuut eerder, enkel en alleen omdat ik wist dat ik verliefd op hem zou kunnen worden – dat wilde ik niet. Bill was de enige voor mij en hoe lief de barjongen ook mocht zijn, hoezeer hij ook zijn best deed om me beter te doen voelen, hij kon nooit tussen Bill en mij inkomen. Ook al was het uit.
“Sorry,” stamelde hij. “Ik wilde niet-”
“Jij deed niets,” onderbrak ik hem gauw, terwijl ik langzaam misselijk werd. Ik voelde de alcohol opeens klotsen in mijn buik – het leek alsof ik de hele zee opgedronken had. “Het is gewoon – ik moet even naar buiten.”
Hij keek me peilend aan, met een bezorgde blik in zijn goudbruine ogen. Ik staarde terug, mijn ogen wijd opengesperd. Mijn gedachten raasden als raketten door mijn innerlijke wereld, alle gedachten tegenstrijdiger dan mogelijk was. Ik was zo benieuwd naar de jongen achter de bar, wilde meer dan ooit zijn naam weten, maar tegelijkertijd wist ik dat ik weg moest gaan. Het zou niet goed zijn als ik hem beter zou leren kennen, want ik wist nu dat ik hopeloos verliefd op hem kon worden. Ik wist echter ook dat Bill de enige jongen was van wie ik ook grenzeloos wilde houden. Hij was in mijn ogen de enige die het waard was grenzeloos geliefd te worden.
Ik moet eruitgezien hebben als een hert dat recht in de koplampen van haar naderende dood keek, maar zo voelde ik me in principe ook - zo wanhopig. Ik moest naar buiten, vluchten om nooit meer terug te keren, en Justin moest met me mee, want ik durfde niet alleen. Ik was als de dood dat ik net zoals jaren geleden iemand zou tegenkomen, buiten. God, bijvoorbeeld, zodat hij opnieuw een deal met me zou kunnen sluiten waarmee ik nóg meer zou verliezen. Alle angst die ik bezat, probeerde ik via mijn ogen uit te stralen, om hem zonder woorden duidelijk te maken dat het van wereldbelang was dat ik weg zou gaan. Ik móest weg.
Justin knikte, nog steeds met die bezorgde blik in zijn ogen. Ik liet een zucht van verlichting ontsnappen, blij dat hij me begreep. Hij reikte zijn hand naar me uit en hielp me van mijn kruk af te komen.
Zodra ik rechtop stond, schoot de alcohol recht naar mijn hoofd. Direct werd ik overspoeld door een golf van misselijkheid, paniek en – eindelijk – vergetelheid. Ik moest me aan de bar vastklampen om niet om te vallen. Opeens was alles om me heen onzichtbaar, één volle waas van kleur en donkerheid. Ik voelde hoe Justin me bij mijn schouders vastgreep, maar in eerste instantie kon ik hem niet eens zien omdat alles voor mijn ogen donker werd. Alle geluiden om me heen klonken dof en vaag, alsof er een vissenkom over mijn hoofd geplaatst was. Ik had het gevoel dat ik uit mijn lichaam gleed en was doodsbang dat ik op dat moment zou sterven. Na vijftien seconden was het echter alweer voorbij.
“Het gaat echt niet goed, hè?” bracht Justin verbouwereerd uit. Ik schudde mijn hoofd, maar stopte daar gauw mee toen ik me realiseerde dat ik daar nog veel duizeliger van werd. Hij keek me nog één keer aan, met een blik die alle zachtheid van de wereld uitdrukte, en ging me daarna voor naar buiten. Ik hield zijn hand krampachtig in die van mij, bang om hem kwijt te raken in de mensenmassa en er plotseling weer alleen voor te staan.
“Succes,” hoorde ik plotseling. Als in een reflex draaide ik mijn hoofd, om recht in het gezicht van de barjongen te kijken. Hij glimlachte naar me en ik kon het niet laten terug te glimlachen voordat ik Justin de deur uit volgde en voor eeuwig zijn leven uit liep.
Het was niet koud buiten – niet dat ik kon voelen, ten minste. Ik weet nog wel dat de hemel heel helder was omdat ik de sterren probeerde te tellen, precies zoals ik dat altijd gedaan had wanneer Bill en ik ’s nachts in ons bos gelegen hadden, zwemmend in de oneindigheid. Voor de rest weet ik niets meer. Justin leidde me naar een plek waar het rustig was en dat was alles waar het mij om ging. Als ik maar weg was van die barjongen en niet alleen gelaten werd, dan was het goed. Het interesseerde me ook niet. Niets interesseerde me. Ik wist niet meer wie ik was, wat ik deed en waarom ik dronken was, maar ik wílde het ook niet weten. Het maakte me niet uit.
Ik was nog nooit zo misselijk geweest als op dat moment. Mijn hoofd tolde, mijn maag klotste en mijn knieën knikten, wat tot resultaat had dat het maar goed was dat Justin mijn hand vast had omdat ik anders iedere drie seconden op de grond zou zijn gezakt. Overal om me heen zag ik dingen die er niet waren, bewegende schaduwen van denkbeeldige dinosaurussen en knipperende lichten van UFO’s die alleen in mijn beschonken gedachten bestonden. Telkens als ik dacht dat er iets langs mijn hoofd zoefde, dook ik in elkaar en viel ik bijna op het vochtige asfalt. Iedere keer als ik achter me iets hoorde, keek ik snel om en begon mijn hoofd te tollen, waardoor ik begon te slingeren. Gelukkig was Justin er om me overeind te houden – zonder hem zou ik nog geen drie meter van het café weggekomen zijn. Hij hield mijn hand vast en greep me telkens bij mijn schouders als ik mijn evenwicht kwijt dreigde te raken, zo voorkomend dat mijn gezicht pijnlijk in contact zou komen met het wegdek.
Na wat wel een eeuwigheid leek, kwamen we bij een bankje en kon ik eindelijk gaan zitten. Mijn benen voelden aan als pudding en pas toen ik daadwerkelijk zat, voelde ik dat mijn gehele lichaam zeer deed. Ik had het gevoel dat ik urenlang zware dozen getild had, een marathon gelopen had en een eeuwigheid onder water gezwommen had, zo vermoeid was ik. Mijn hoofd tolde, maar het werd al minder doordat ik niet meer hoefde te lopen, net zoals het klotsen van mijn maag. Het enige dat niet verdween, was de vergetelheid. Ik had geen idee wie ik was, wie Justin was, waar we waren en wat we daar in Godsnaam aan het doen waren. Het enige dat ik wist, was dat het prettig was om niets te voelen. Onderbewust wist ik nog wel iets over mezelf, dat ik wel een kutleven moest hebben en dat er wel een reden moest zijn dat ik me had volgegoten met alcohol, maar het bovenste bewustzijn was weg. Ik wist de dingen ongeveer maar niet precies en dat interesseerde me ook eigenlijk niet.
Justin ging naast me zitten. Hij was ondraaglijk stil. Ergens verlangde ik ernaar dat hij een preek tegen me af zou steken over hoe slecht het was waar ik mee bezig was, omdat dat een teken zou zijn dat hij om me gaf, maar dat deed hij niet en ergens vond ik dat ook niet erg. De stilte was welkom, net zoals de frisse lucht. Het zorgde ervoor dat de misselijkheid zakte en dat de wazigheid bleef – wat precies was wat ik wilde. De waanbeelden verdwenen eveneens, alsof ze er nooit geweest waren. De wereld om me heen was nog wel wazig, maar ik kon in ieder geval dingen herkennen als prullenbakken en bomen en zag er geen wolven en aliëns meer in. De storm in mijn hoofd was er nog steeds, maar ik had opeens het gevoel dat ik erboven zweefde in plaats van dat ik er middenin stond. Ik voelde me heel licht, opeens.
“Ik heb je gemist,” zei hij plotseling vanuit het niets, alsof hij de woorden had uitgesproken op het moment dat ze in zijn gedachten naar boven geborreld waren. Hij keek me aan met die lichte ogen van hem, doorboorde me met zijn indringende blik en zorgde ervoor dat ik kippenvel op mijn armen kreeg. Hij was doodeng als hij zo keek. Ondanks het feit dat zijn ogen veel lichter waren dan die van Bill, deed hij me toch aan hem denken op dat moment. Bill had precies het zelfde gekeken voordat ik in een vlaag van verstandsverbijstering zijn mond verwarmd had met die van mij – wat ik achteraf maar beter niet had kunnen doen. Omdat de herinnering plotseling bij me kwam bovendrijven, wist ik even niet wat ik moest uitbrengen. Het beeld van Bill ogen was al net zo plotseling gekomen als Justins woorden en doorbrak de vergetelheid.
“Ik jou ook,” zei ik uiteindelijk. Ik had geen idee of het waar was, maar dronken mensen spreken naar het schijnt altijd de waarheid en dus ging ik er vanuit dat ik niet loog. Ik wilde in ieder geval dat hij niet weg ging en dat kwam in wezen op het zelfde neer.
Er viel weer een stilte tussen ons waarin ik afwezig naar de hemel staarde. Justin staarde naar me, dat kon ik voelen, maar ik schonk er geen aandacht aan. De gehele tijd deed ik alsof ik de sterren het meest interessante verschijnsel in mijn leven vond, maar in werkelijkheid interesseerde het me niets. Ik deed het enkel om maar iets te doen te hebben. Doordat ik naar de sterren keek, voelde ik me opeens heel klein en dat had een wonderlijke uitwerking op me. Het gevoel van misselijkheid leek plotseling te verdwijnen, op zo’n manier waarop het was alsof het er nooit geweest was en dat vond ik fijn. Het deed het lijken alsof ik geen gevoel bezat.
“Gaat het weer?” vroeg Justin na verloop van tijd zonder zijn blik minstens één keer van me afgewend te hebben. Ik voelde me verschrikkelijk in de gaten gehouden, maar vreemd genoeg vond ik dat voor die ene keer prettig, omdat ik daarmee wist dat er ten minste iemand was die erom gaf of het wel goed met me ging of niet.
“Ja,” antwoordde ik naar waarheid. Het ging ook goed met me. De vervelende verschijnselen van de alcohol waren verdwenen, de prettige dingen waren gebleven. Mijn hoofd was licht en leek vol te zitten met pluizige, zachte watten – een verademing in tegenstelling tot mijn hersenen, die normaal gesproken de meest onsamenhangende dingen produceerden en me urenlang in hun greep hielden met de razende gedachten en gevoelens. Watten bezaten geen gevoelens en geen gedachten en dus was die ongevoeligheid een verademing in tegenstelling tot de rest van mijn leven.
“Zal ik je naar huis brengen?” stelde hij vervolgens voor. “Ik denk dat het beter voor je is als je nu je roes gaat uitslapen – dan heb je er morgenochtend waarschijnlijk minder last van dan wanneer je hier blijft zitten.”
Ik knikte omdat ik het daar wel mee eens was, maar stopte midden in die beweging toen ik me besefte dat ik geen idee had waar ik woonde. Ik wist wel waar het was, hoe de flat eruit zag en ik kon me herinneren dat Julia in kamer 483 woonde, maar ik had geen idee hoe ik daar zou moeten komen. De straatnaam was me ook een raadsel. Toen ik Justin dat vertelde, betrok zijn gezicht in een bedenkelijke frons en viel er weer een stilte. Ik keek de andere kant uit, naar daar waar de straat eindigde in een T-splitsing, en herinnerde me in een flits hoe ik ooit die richting uit was gerend, vol van paniek en doodsangst. Toen ik naar de andere kant keek, zag ik dat de straat doodliep. Ik had geen idee of het dat straatje was waar alles ooit begonnen was, maar het leek er verbazingwekkend veel op. Vreemd genoeg schoot ik niet in de stress en bleef ik onnatuurlijk kalm. Het was alsof er iets bij me was dat me vertelde dat ik me geen zorgen hoefde te maken, dat iets dergelijks me nooit meer zou overkomen. Ik denk dat het mijn moeder was.
“Zou je er iets op tegen hebben om bij mij te slapen?” vroeg hij, opnieuw uit het niets. “Ik bedoel – niet om – maar…”
Ik liet een klein lachje aan mijn lippen ontsnappen en schudde vervolgens mijn hoofd. Het was schattig hoe onzeker hij opeens leek, hoe hij rekening met me hield. Dat zou de laatste twijfel bij me hebben weggehaald als ik geaarzeld zou hebben – want natuurlijk twijfelde ik niet. Ik had voor de rest geen enkele plaats waar ik naartoe zou kunnen. Justin was mijn enige redding. Ik was me bewust van alles wat er tussen ons zou kunnen gebeuren, gezien de staat waarin ik verkeerde, maar die angst woog niet op tegen de angst alleen buiten te moeten slapen. Bovendien vertrouwde ik hem. Ik wist zeker dat hij niets zou doen waarvan hij wist dat ik het niet wilde – en hij wist dat ik van Bill hield, onvoorwaardelijk, voor eeuwig.
Hij glimlachte opgelucht en stond op om zijn hand naar me uit te strekken. Ik pakte hem dankbaar aan en liet me overeind trekken. Onmiddellijk schoot het draaierige gevoel weer terug mijn hoofd. Het duurde even voordat ik mijn evenwicht hervonden had met die puddingbenen, maar uiteindelijk lukte het me dan toch, met hulp van Justin, die me al die tijd stevig bij mijn middel vasthield. Pas toen ik hem ervan had verzekerd dat het goed ging en dat ik best alleen kon lopen, liet hij me los en liepen we het straatje uit. Ik was nog steeds een beetje onevenwichtig en gedesoriënteerd, maar ik redde me wel. Ik had het zo vaak al in mijn eentje gered.