Deel 18


Lieve Sa,

Ik heb de puf niet om te schrijven op dit moment, sorry. Ik zit al urenlang in het ziekenhuis en ik kan me niet langer dan drie seconden concentreren. Het gaat niet goed met Bill, dat is alles wat je nu hoeft te weten.



De volgende morgen werd ik uit mijn slaap gerukt door het onverbiddelijke zoemen van mijn mobiele telefoon. Ik nam de tijd wakker te worden, keek naar het onbekende plafond boven mijn hoofd, bedacht me waar ik in godsnaam was en waarom ik zo naar rook stonk. Mijn hoofd bonkte zeurend en mijn maag voelde verschrikkelijk leeg aan, alsof ik al een week niets meer gegeten had. Langzaam maar zeker doken de herinneringen van de avond daarvoor op in mijn gedachten en herinnerde ik me dat ik met Justin mee naar huis was gegaan.
Direct toen ik me dat besefte, vergat ik het feit dat mijn telefoon afging en schoot ik overeind om om me heen te kijken. Ik merkte Justin op op de bank in een hoekje van de slaapkamer, versuft, met één oog open. Toen hij de gepanikeerde blik in mijn ogen opmerkte, werd hij echter glashelder en kwam hij langzaam overeind. Zijn blonde haar zat precies het zelfde als dat van Bill wanneer hij net uit bed kwam, net zo wild en plat op vreemde plaatsen en dat maakte mijn angst nog groter. Ik was als de dood dat er iets tussen Justin en mij gebeurd was – dat voelde als verraad, ook al had ik in werkelijkheid niemand meer die ik kon bedriegen. Diep van binnen zou mijn hart echter voor eeuwig van Bill zijn.
“Ik – jij,” hakkelde ik, totaal verward, wijzend van hem naar mij en weer terug. “Hebben – is er – je weet wel. Hebben wij…?”
Er viel een stilte waarin ik mijn hartslag bijna kon horen, boven het gezoem van mijn telefoon uit. Toen het ding stopte met zoemen, werd de stilte zo mogelijk nog ondraaglijker. We keken elkaar onafgebroken aan. Zijn blik was zo verschrikkelijk zacht, engelachtig bijna. Met iedere stille seconde die verstreek, zwol de paniek in mijn borst verder en werden mijn hersenen meer geteisterd door onbevestigde geestesbeelden. Mijn hoofd begon nog erger te bonken en mijn maag maakte salto’s in mijn buik alsof het een spelletje met me speelde – ik voelde me vreselijk. Ik kon me niet voorstellen dat ik ooit zoiets zou doen, dat ik Bill ooit op dezelfde manier zou bedriegen als waarop hij mij met Nathalia bedrogen had, maar met iedere vervlogen seconde werd ik er meer en meer zeker van dat het wel degelijk zo was. En dat kon ik niet verdragen.
“Er is niets gebeurd,” zei hij uiteindelijk, maar daarmee was ik niet overtuigd. Ik zakte terug in de kussens om mijn hoofdpijn en misselijkheid te laten zakken, maar mijn gedachten raasden nog altijd als ongeleide projectielen door mijn hoofd heen en maakten me totaal krankzinnig. Het feit dat hij zo ontzettend lang over zijn antwoord na had moeten denken, zorgde ervoor dat ik niet wist of ik hem wel kon vertrouwen. Misschien was hij wel niet wie ik had gedacht dat hij was.
Ik hoorde hoe Justin op zijn knieën naast het bed ging zitten. Mijn eerste impuls was van hem weg te schuiven, maar ik kon er de kracht niet voor vinden. Hij liet zijn zachte blik op mij rusten, onafgebroken, zijn hoofd leunend op zijn vuisten. Ik moest denken aan die keer dat Bill en ik ruzie hadden gehad en ik in Toms bed geslapen had. Toen hij vlak voordat ik ging slapen nog even bij me was komen kijken, had hij op precies dezelfde manier bij me gezeten, met precies diezelfde zachte blik. Ik trok mijn benen op en keek angstig van hem weg.
“Ik zweer het. Geloof me.”
Ik keek naar hem terug en keek hem diep in zijn lichtgele ogen, op zoek naar iets dat erop kon duiden dat hij loog. Ik kon niets vinden dat daarop leek. Hij straalde één en al zachtheid uit, waarheid. Ik kon hem niet níet geloven als hij zo naar me keek en ik wist zeker dat hij nooit zo naar mij zou kunnen kijken als hij een leugen vertelde. Het enige dat ik kon doen, was hem op zijn woord geloven.
Alle stress en adrenaline die ik in de laatste vijf minuten gevoeld had, stroomde beetje bij beetje uit mijn lichaam. Ik zuchtte van opluchting en sloot mijn ogen.
“Er is niets gebeurd,” herhaalde hij zacht, en hij pakte mijn hand. Toen hij dat deed, opende ik mijn ogen weer en keek ik hem kort aan, om daarna mijn blik weer af te wenden. Minutenlang was het stil tussen ons. Hij streelde mijn hand met veel zorg en zorgde er zo voor dat ik weer kalm werd. Mijn hartslag werd langzaam weer normaal. Ik voelde me abnormaal vredig op dat moment, ongeveer op diezelfde manier als waarop ik me altijd gevoeld had wanneer ik met mijn moeder stilzwijgend op de bank gezeten had, lang geleden. Opeens voelde ik weer hoezeer ik haar miste, hoe graag ik door haar vastgehouden wilde worden en hoe verschrikkelijk het was dat ik haar nog voor haar veertigste verjaardag was kwijtgeraakt. Ik dacht zo weinig aan haar.
De stilte werd verbroken toen mijn telefoon opnieuw ging. Ik schrok op en greep naar het zoemende apparaatje om te kijken wie me in godsnaam zo graag te pakken wilde krijgen. Een wee gevoel verspreidde zich in mijn onderbuik toen ik vijf bekende lettertjes op het schermpje zag staan. Julia. Ik voelde me opeens heel rot omdat ik haar al zo lang ontweek, ook al was het om mijn eigen bestwil. Het was niet eerlijk tegenover haar. Waarschijnlijk vroeg ze zich al dagenlang af waar ik uithing.
“Hoi?” vroeg ik timide toen ik had opgenomen. Ik had geen idee wat ik kon verwachten: een stortvloed scheldwoorden of een bezorgde preek. Misschien wel allebei.
Het bleek geen van beide te zijn.
“Hoi, met Julia,” hoorde ik zacht. Hoewel ze duidelijk haar best deed om het te onderdrukken, hoorde ik een duidelijke trilling doorklinken in haar stem. “Ik – eh. Waar ben je in godsnaam?”
Ik wisselde blikken met Justin, welke overduidelijk nieuwsgierig was wie ik aan de lijn had. Met mijn lippen vormde ik de naam van mijn vriendin, waarna ik me weer op de waarschijnlijk bevende persoon aan de andere kant van de lijn richtte. Als ik Justin aankeek, kon ik me niet concentreren, gewoon omdat zijn blik dwars door me heen sneed. Hij kon precies het zelfde als Bill: me naakt laten voelen en daarmee kippenvel op mijn armen veroorzaken. Eigenlijk leken de jongens in veel opzichten op elkaar, behalve dan het feit dat mijn onvoorwaardelijke liefde slechts toebehoorde aan één van hen. Bill, wel te verstaan. Hij was degene die voor altijd in mijn hart zou zijn.
“Bij Justin,” zei ik, om daar direct “en het is niet wat je denkt” aan toe te voegen.
“Waar woont hij?” vroeg ze kalm doch dringend, alsof er haast was bij wat ze me wilde zeggen. Ik begreep er niets van, snapte niet waarom ze zo ontwijkend deed, maar ze maakte me er bang mee. Met ieder woord dat ze sprak, raakte mijn hart meer en meer vervuld van een kilte die iets onheilspellends had, Er was iets niet goed – helemáál niet goed en hoewel ik nog geen idee had van wat het was, wist ik dat het mijn schuld was.
Ik legde mijn hand over mijn telefoon.
“Waar woon je?” vroeg ik Justin. Ik merkte dat mijn stem heel vlak klonk, waarschijnlijk omdat ik de groeiende paniek in mijn borst uit alle macht probeerde te onderdrukken. Het bleef ontzettend lang stil – of misschien leek dat maar zo. De tijd tussen twee hartslagen in leek wel een eeuwigheid te duren. Justins blik was indringend maar tegelijkertijd zorgelijk. Uiteindelijk noemde hij zijn adres en richtte ik me weer tot Julia, om te herhalen wat Justin gezegd had. Ik merkte dat mijn stem instabiel trilde, net als die van haar.
“Oké,” zei ze vrijwel fluisterend. “Ik ben over vijf minuten bij je. Zorg dat je klaarstaat, goed?”
Ik werd vreselijk bang, enkel en alleen omdat ik niet wist waarom ze zo gebroken klonk. Ik was bang voor wat er gebeurd kon zijn. Er schoten allerlei onidentificeerbare rampscenario’s door mijn hoofd, de één nog duizelingwekkender dan de ander. Mijn kater was op slag verdwenen. Ik had het gevoel dat de tijd stil stond, dat er niets meer bewoog met uitzondering van mijn kloppende hart. Elke keer dat het sloeg, voelde ik een zindering door mijn hele lichaam kruipen, als een zenuwslopende rilling over mijn ruggengraat. Langzaam werd ik koud van binnen. Ik was zo verschrikkelijk bang.
“Is er iemand dood?” hoorde ik mezelf vragen, de doodse stilte doorbrekend.
“Ik ben over vijf minuten bij je,” herhaalde ze stil.
Ze hing op.

In een razend tempo had ik mijn haar gedaan en de uitgesmeerde, zwarte make-up van mijn gezicht gehaald. Ik heb geen idee waarom ik dat deed, eigenlijk, want er waren overduidelijk dingen aan de hand die veel belangrijker waren dan de staat waarin mijn hoofd verkeerde, maar het was een soort van automatisme waar ik niets aan kon doen. Ik had het gewoon gedaan.
Een laatste zenuwslopende minuut had ik met Justin op de bank in het woonkamertje van zijn rijtjeshuis doorgebracht. De stilte was geladen geweest, alsof er daadwerkelijk iemand dood was. Onbewust moest ik aan mijn moeder denken, hoe Bill en ik samen in dat kamertje achter de kerk gezeten had voordat haar begrafenis begon. Op dat moment had ik me precies het zelfde gevoeld. Ik had geen idee wat me te wachten stond en misschien wilde ik het ook maar niet weten. Als Julia zo van slag was, moest het wel iets verschrikkelijks zijn.
Ik was zo in gedachten verzonken dat ik eigenlijk niets van de omgeving in me opnam. Het enige dat ik nog van Justins huis weet, is dat de bank zacht was en dat het er rook alsof het raam al dertig jaar niet meer open geweest was. Voor de rest ben ik alle details verloren. Ik heb slechts een minuut op de bank gezeten, maar het leek wel een eeuwigheid te duren. Net zoals toen met mijn moeder. Toen was ik ook alle besef van tijd kwijt geweest. Iedere seconde leek drie keer zo lang te duren als het in werkelijkheid deed, maar iedere vervlogen minuut leek in een vingerknip gepasseerd te zijn. Het was bizar hoe vreemd de tijd ging doen wanneer je wilde dat er orde in je leven zou komen.
Toen er een auto voor het huisje gestopt was, was ik direct opgesprongen. Het was Toms auto geweest, maar dat was me toen nog niet opgevallen. Sneller dan de wind was ik naar de voordeur gerend, na Justin nog een knuffel gegeven te hebben.
“Tot gauw,” had ik gezegd na een succeswensing van hem in ontvangst genomen te hebben. Ik had geen idee dat ik hem nooit meer terug zou zien.
In de auto was het stil en was de spanning al net zo dik als in Justins woonkamer. Tom reed, Julia zat naast hem en het enige dat ik kon, was bij mezelf bedenken hoe Bill en ik daar ooit ook zo gezeten hadden. Vroeger. Toen hij nog van me hield. Ik had mijn hoofd precies zo tegen de rugleuning gedrukt als Julia op dat moment, had Bills hand precies zo afwezig gestreeld als waarop zij Toms hand streelde. Het enige dat bij ons echter nooit gebeurd was, was dat Tom zijn hand telkens onder die van Julia uit schoof, alsof hij haar wilde ontwijken. Het was vreemd om te zien, maar het drong ook niet tot me door. Steeds opnieuw probeerde ik te verzinnen hoe ik op een rustige manier zou kunnen vragen wat er in godsnaam aan de hand was zonder dat ik naïef of ongeïnteresseerd over zou komen. Ik kon niets bedenken.
Het was duidelijk dat Tom het moeilijk had en ik kon maar niet bedenken waarom. Het was een zootje in mijn hoofd, een wervelstorm die alles wat zinvol was verpulverde. Ik had het gevoel dat ik na zat te denken, maar achteraf gezien heb ik alleen maar in de horizon zitten staren. Niets wilde tot me doordringen. Ik had het gevoel dat ik in een vacuüm zat en dat ik afgesloten was van de buitenwereld, dat niets me kon raken. Het was angstaanjagend.
Na wat opnieuw uren leek te duren, doemde het ziekenhuis op aan de horizon en kreeg ik het gevoel dat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik was niet meer in dat deel van Magdeburg geweest sinds de dood van mijn moeder, wat ik heel bewust gedaan had, precies zoals het niet bezoeken van haar graf. Aan sommige pijn wilde ik herinnerd worden, zoals de pijn die ik had omdat Bill en ik uit elkaar waren, maar de pijn van mijn moeders dood was er één waar ik nooit van mijn leven meer mee geconfronteerd wilde worden. Ik weet niet waarom ik dat onderscheid maakte, want het was beide mijn eigen schuld geweest en in principe was de pijn het zelfde, maar het was gewoon zo. In mijn ogen was het anders.
Toen we uiteindelijk het parkeerterrein van het ziekenhuis op reden, ontglipte mijn paniek me. Ik kon mezelf bij wijze van spreken weer zien rennen, over de oprit, met dezelfde mengeling van angst en hulpeloosheid in mijn lichaam als ik op dat moment voelde. De stilte tussen Julia, Tom en mijzelf drukte zwaar op mijn schouders, schreeuwde in mijn oren. Het brommen van de motor klonk onaards, onheilspellend, als een oorlogstrommel. Ik had het gevoel dat ik in een film speelde, zo onwerkelijk deed de situatie me aan. Het was precies het zelfde als maanden geleden, toen Albert me gebeld had dat mijn moeder in coma lag. De spanning hing tintelend boven onze kruinen, veroorzaakte een crisis in mijn hoofd die me compleet tot waanzin dreef. Ik moest weten wat er aan de hand was, maar ik durfde het niet te vragen, bang dat er iets onberekenbaars zou gebeuren. Het was net alsof we in een vat buskruit zaten en een dergelijke vraag een vonk zou kunnen veroorzaken die de boel zou laten exploderen. Ik was doodsbang.
Toen Tom de auto scheef op een parkeervak gezet had en hij de motor uitschakelde, viel de stilte kil bovenop ons, als een koude douche. Het ontnam me de adem. Een klein moment bestond er geen enkele vorm van beweging, zaten we als bevroren in de auto, geen idee hebbend wat we moesten doen. Het enige dat bewoog, was de stille traan op Toms wang, schitterend in het licht van de zon die ironisch genoeg helder straalde die dag. De stilte voor de storm.
Ik wilde vragen waarom we daar waren, maar ik durfde het niet, was bang voor het antwoord. Wat het ook was, het was mijn schuld. Als Julia en Tom mij iets niet konden vertellen, dan moest het wel iets verschrikkelijks zijn en zodoende moest het verband houden met mijn deal. God haatte me. De toekomstvisioenen schoten door mijn hoofd, volgden elkaar op zonder logica en maakten mijn paniek bijna voelbaar voor de mensen om me heen. Julia bleef doodstil zitten, met één hand in haar haar en de andere leunend op het kozijn van het open raampje. Tom veegde afwezig de traan van zijn wang en liet zijn handen moedeloos op zijn knieën vallen, alsof hij niets meer had om voor te leven. Ik had zoveel medelijden met hem dat ik bijna zou vergeten dat ik ruzie met hem had.
Vanuit het niets reikte Tom naar de deurklink en stapte hij uit de auto. Julia schrok op en deed precies het zelfde, gevolgd door mij. Ik moest mijn ogen dichtknijpen tegen het felle zonlicht dat opeens recht in mijn gezicht scheen, als een schijnwerper op Gods toneel. Meer dan ooit besefte ik me dat ik slechts een poppetje was dat bestuurd werd door alles wat Hij wilde, dat ik de dingen deed zoals hij wilde dat ik ze deed. In wezen waren we marionetten in Zijn handen, hadden wij geen eigen wil, ook al dachten we dat het wel zo was. Ik had geen idee waarom Hij juist míj had uitgekozen als middelpunt van zijn sadistische spelletjes, maar het was nu eenmaal zo en ik wist dat het geen zin meer had om ertegen te blijven vechten. Mijn lot aanvaarden was in principe het enige dat ik nog kon doen. Voor de rest had God de touwtjes in handen. Na het sluiten van de deal had Hij touwtjes aan mijn polsen en enkels geknoopt en had Hij het heft in handen genomen. Er was niets dat ik kon doen om dat te veranderen. Ik had het slechts kunnen voorkomen, dat was alles.
Ik volgde Tom en Julia - die dankzij hun langbenigheid heel wat sneller konden lopen dan ik – de glazen schuifdeuren door. Verschillende opkomende herinneringen zwommen in de oceaan van mijn hoofd, dompelden elkaar onder om boven te kunnen blijven. Ik zag weer precies voor me hoe ik ademloos in de richting van de receptie gerend was om te vragen waar ik Isabel Meyer kon vinden, met tranen stromend langs mijn verhitte gezicht, mijn stem rauw en pijnlijk door het kloppen van mijn hart in mijn keel. Precies dezelfde angst die ik toentertijd gevoeld had, voelde ik op dat moment opnieuw, brandend tussen mijn longen. Mijn longen leken vol te zitten met water, zodat ik niet voluit kon ademen en ik had het gevoel dat er een riem te strak om mijn buik getrokken was. Ik kreeg bijna geen lucht. Ik kon exact voor me zien hoe Georg met zijn auto tegen een boom gereden was omdat hij werd gevolgd door een meute obsessieve fans, hoe Fleur in een coma geraakt was omdat ze sinds ze van school gestuurd was vergeten was te eten, hoe Gustav bezweken was door de hoeveelheid stress rondom de band en – Bill. Daar wilde ik niet eens aan denken. Hem kon zo verschrikkelijk veel overkomen zijn dat mijn hoofd ervan begon te tollen.
We gingen niet langs de receptie maar liepen in één rechte lijn door naar de lift. Ik kon me nog herinneren dat er een gigantische rij voor gestaan had op de dag dat mijn moeder verongelukt was en dat ik daarom de trap genomen had, overmoedig door de adrenaline. Die bewuste dag was het echter heel rustig in het ziekenhuis, leek het bijna vredig. Het was zo verschrikkelijk tegenstrijdig met mijn onderhuidse gevoel dat ik me bijna af zou gaan vragen of ik wel een reden had om me zorgen te maken, maar één blik op mijn vrienden maakte me direct weer duidelijk dat ik dat wel degelijk had. Tranen welden onophoudelijk op uit Toms hazelnootbruine ogen. Bills ogen. Zijn ogen deden me denken aan die van Bill wanneer hij geen make-up droeg en we samen in bed gelegen hadden, die talloze keren waarvan ik op een gegeven moment gestopt was hen te tellen. Tom zag er zo vreselijk moe uit, alsof hij de hele nacht nog niet geslapen had en ergens had ik het gevoel dat dat daadwerkelijk zo was. Zijn ogen waren rood, zijn blik afwezig en hij was heel erg in zichzelf gekeerd, bang dat andere mensen meer van zijn emoties te zien kregen dan enkel die tranen. Het was zo’n hulpeloos tafereel, zo breekbaar en klein dat ik het liefst mijn armen om hem heen wilde slaan en hem wilde troosten, maar ik was me ervan bewust dat dat mijn taak niet was. Bill moest er voor hem zijn.
Terwijl de deuren dicht schoven en de lift langzaam naar boven zoemde, steeg de spanning opnieuw. De stilte was bijna verpletterend, net zoals het gevoel in mijn maag. Met iedere seconde die verstreek, voelde ik hoe we dichterbij ons uiteindelijke doel kwamen en daarmee verdween de spanning rondom de vraag die nog altijd gesteld moest worden. Binnen niet al te lange tijd zou het niet meer nodig zijn om te vragen wat er aan de hand was omdat ik er rechtstreeks mee geconfronteerd zou worden. Aan de ene kant was dat een prettig vooruitzicht, aan de andere kant deed dat de paniek in mijn borst echter groeien. Er was zoveel dat gebeurd kon zijn, zoveel dat verkeerd had kunnen gaan. Er was niets zo onvoorspelbaar als Gods humeur.
Vanuit mijn ooghoek zag ik dat Julia Toms hand vastgepakt had en ik was blij te zien dat hij hem niet terugtrok, al was dat niet bepaald het moment om blij te zijn. Het zag er echter zo onschuldig uit, hoe ze elkaars blikken verlegen ontweken. Ik had het gevoel dat ik naar twee mensen stond te kijken die elkaar nog moesten leren kennen, dat hun relatie nog puur was. De werkelijkheid was zo anders dat het bijna niet te geloven was.
Toen de lift stopte en de deuren open gleden, voelde ik hoe mijn hart zich een weg naar mijn keel zocht en hoe mijn paniek daardoor de vrije ruimte kreeg. Een gevoel van onrust danste in mijn buikholte, mijn keel voelde gezwollen aan en ik wist dat ik vanaf dat moment nog maar enkele momenten verwijderd was van datgene dat me harder met mijn lot zou confronteren dan ik ooit had meegemaakt. Ik had het gevoel dat ik met mijn hoofd op een houtblok lag, met mijn armen op mijn rug gebonden, en dat ik slechts nog hoefde wachten op het moment dat de bijl de lucht zou doorklieven. Ik was niet echt bang meer, niet zoals op het moment dat Julia me gebeld had, maar meer onrustig. Ik had geen vrede met mijn lot.
Julia en Tom stapten naar buiten, nog altijd hand in hand, en ik volgde hen. Ik had het gevoel dat ik onzichtbaar was, zo weinig aandacht besteedden ze aan me. De ziekenhuislucht maakte me misselijk, herinnerde me aan de dag dat mijn moeder me werd afgenomen en mijn leven nooit meer het zelfde zou zijn. De gang waarin we liepen, was een andere dan die waarin mijn moeder overleden was maar de herinneringen die er hingen, waren precies het zelfde. Ieder moment verwachtte ik een wit kuipstoeltje te zien waarin Albert zat, zijn ogen gesloten en zijn hoofd leunend tegen de muur, met een krijtwit gezicht en opgedroogde tranen op zijn ongeschoren wangen. Dat beeld van hem stond nog zo levensecht in mijn herinneringen gegrift dat hij bijna tot leven leek te komen.
We sloegen een hoek om en kwamen in een smalle hal met precies diezelfde, witte kuipstoeltjes als vroeger die bezet waren door mensen die ik op het eerste gezicht niet eens herkende. Toen ik echter beter keek, zag ik dat het mijn vrienden waren. Ik lokaliseerde Fleur, die ineengedoken en ongelukkig ogend naast Fabian zat. Tegenover hen zat Georg, zijn waarschijnlijk betraande gezicht verborgen onder een waterval van donkerbruin haar die zijn verdriet niet kon verbergen. Twee stoeltjes verder zat Gustav, zijn benen in een moedeloze houding voor hem uitgestrekt en zijn handen gevouwen op zijn schoot, alsof hij bad voor een goede afloop. Ergens in een hoekje zat Nathalia, met haar ellebogen leunend op haar knieën, haar blik op mij gericht. De stilte was ongemakkelijk, zeker op het moment waarop Gustav opstond en Tom in zijn armen nam. Gepanikeerd keek ik nogmaals de ruimte rond, zodat ik er zeker van kon zijn dat ik niemand over het hoofd gezien had.
Toms gesnik weerklonk tegen de koude muren van de gang, klein en hulpeloos. Van de zeven personen die er behalve hemzelf in de hal stonden, kon niemand zijn verdriet wegnemen en het deed zeer dat te beseffen. Ik wilde hem zo graag troosten, zeggen dat alles goed zou komen, maar ik was niet degene waar hij behoefte aan had. Op dat moment, daar, staand in die lange hal, begeerde Tom precies het zelfde als wat ik al maandenlang begeerde. We hadden precies het zelfde verlangen en ondanks het feit dat hij me haatte, schiep dat een band. Er was maar één iemand waar hij behoefte aan had, wist ik, maar die persoon was er niet op dat moment. Ze werden wezenlijk gescheiden door slechts één smetteloos witte muur, maar emotioneel waren ze mijlenver van elkaar verwijderd. Bill was er, maar tegelijkertijd was hij er niet. Ik had geen idee waar hij was.

De stilte maakte me gek. Ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar zou spatten door de spanning die van alle kanten op mijn lichaam drukte, dat mijn hersenen zouden exploderen door alles wat er door mijn hoofd heen ging. Het wachten was al minstens zo erg. Telkens als ik een deur dicht hoorde slaan, gingen alle haren op mijn armen overeind staan en was iedere zenuw in mijn lichaam zo alert als het maar zijn kon. Meestal was het één van de jongens met bekers koffie om de slaap weg te houden, of Julia die ieder kwartier vol goede moed naar beneden liep om een willekeurige dokter te vragen hoe de stand van zaken was. Ze kwam altijd zonder antwoord terug. Ik heb geen idee hoe ik het voor elkaar heb gekregen urenlang op dat witte stoeltje te blijven zitten zonder compleet door te draaien. Ik had honger en snakte naar iets te drinken, maar ik weigerde iets tot me te nemen omdat ik dan later op de dag naar de WC zou moeten. Ik wilde het niet riskeren weg te zijn op het moment dat één van de doktoren me zou komen vertellen hoe het er voorstond met Bill. Dat was ook de reden dat ik niet in slaap viel. Met heel mijn wezen concentreerde ik me op de deur voor me, de deur waarachter Bill lag. Ik wist niet eens of hij nog wel leefde.
Die morgen was Bill door Tom gevonden in ons bos, bij het meer. Hij was drijfnat geweest en had niet meer geademd. Klaarblijkelijk dachten de dokters dat hij zichzelf had geprobeerd te verdrinken en dat dat hem op een haar na gelukt was, maar ikzelf was er heilig van overtuigd dat hij high geweest was. Tom deelde mijn mening. Hij was er zeker van dat Bill zichzelf nooit van het leven zou beroven zonder daar eerst met Tom over gepraat te hebben, gewoon omdat ze elkaar ooit beloofd hadden dat áls één van hen er geen zin meer in had, de ander met hem mee zou gaan. De tranen die gevloeid waren terwijl Tom ons dat verhaal verteld had, hadden een zwembad kunnen vullen. Ik was zo geraakt door zijn verdriet dat ik op een gegeven moment was opgestaan en bij hem op schoot gekropen was, zijn hoofd in mijn nek gedrukt had en hem net zo lang had vastgehouden tot hij niet meer had hoeven huilen. Hij had het gewillig toegelaten.
Daarna was het wachten begonnen. Gustav had gezegd dat de dokters die Bill die morgen de kamer in hadden gebracht nog niet vertrokken waren en dat het zodoende niet zo lang meer kon duren voordat we iets te horen zouden krijgen. We zaten echter al urenlang te wachten, zenuwachtige blikken werpend op de klok die de seconden onverbiddelijk wegtikte, hopend dat er ooit een einde zou komen aan die zenuwslopende tijd. Ik dacht aan mijn moeder, de hele tijd, aan hoe ik haar miste en hoe graag ik zou willen dat ze bij me was. Of ja, ze was ook bij me, in mijn hart, maar ik wilde zo graag door haar vastgehouden worden, me mee laten voeren naar een droomwereld door haar zachte aanrakingen en de geur van haar bodylotion. Er was niemand, buiten Bill, waar ik op dat moment zo naar verlangde als naar haar.

Om me heen was het onrustig. Het was stil, maar er was niemand die ook maar één seconde stil kon blijven zitten. Georg liep om het kwartier weg om een beker koffie te halen of om naar de WC te gaan, moedeloos schuivend met zijn voeten. Gustav ijsbeerde onophoudelijk, met bonkende stappen die in mijn oren weerklonken als het zachte bonzen van een hart. Bills hart. Julia trommelde afwezig met haar nagels op het plastic van haar witte kuipstoeltje, in een ritme dat mijn zenuwen bijna deed knappen. Fleur wist zich geen houding te geven, trok haar benen telkens eerst op om ze daarna weer gewoon te laten hangen, wrong haar lichaam in alle vreemde houdingen om het zich toch enigszins comfortabel te maken op een plaats waar dat onmogelijk was. Tom schoot op de meest vreemde en onvoorspelbare momenten overeind, alsof hij zich opeens besefte dat hij op een punaise zat, om zich daarna weer in zijn stoel te laten zakken alsof er niets gebeurd was. Fabian tikte met zijn voet op de grond, in een ritme dat totaal afweek van dat van Julia. Nathalia was naar de grond verhuisd en had haar armen om haar knieën geslagen zodat ze heen en weer kon wiegen op de maat van Fabians voet. Ik zat daar gewoon, starend in een onbestaande horizon, naar het nummer op Bills deur. Pas toen het buiten al donker was, kwam ik tot de conclusie dat het nummer 483 was.
Iedere keer dat Tom weer opsprong of dat Georg me een beker koffie aanbood, had ik de neiging op te springen en te schreeuwen dat iedereen stil moest zijn en normaal moest doen, maar ik kon mezelf er niet toe zetten. Ik had het vreemde gevoel dat mijn hele lichaam verlamd was door de kilte die er om ons heen hing. Soms ging hun zenuwslopende gedrag ook gewoon aan me voorbij omdat ik zo diep in gedachten verzonken was. Ik heb geen idee wáár ik aan dacht, ik deed het gewoon.
Het vreemde was dat ik nog steeds niet kon huilen. Bij iedereen stroomden de tranen over de wangen, maar bij mij was dat niet zo. Ik was ontzettend kalm, zo erg zelfs dat ik er bijna bang van werd. Het was net als in contact komen met iets dat zo heet is dat het lichaam het niet kan verdragen: de zenuwen knappen en je voelt niets van de pijn. Bij mij was het precies het zelfde. Mijn emoties waren zo verschrikkelijk talrijk dat ik er niets van voelde. Ik voelde geen angst meer, geen pijn, geen verdriet, geen woede. Niets. Gewoon niets.
Toen de zon vrijwel volledig achter de horizon verdwenen was en langgerekte schaduwen de vloer tot een waar schimmenrijk maakten, dook er vanuit het niets een schoonmaakster op. Haar geblondeerde haar met donkere uitgroei zat in een slordig knotje achterop haar hoofd gebonden en haar roodroze lippenstift was in de lijntjes om haar mond gekropen. Haar huid was tanig en oranje. Eigenlijk slaat het nergens op dat ik me haar nog zo goed voor de geest kan halen, want een schoonmaakster was wel het laatste waar ik me zorgen om diende te maken, maar het was gewoon dat gevoel dat ik kreeg als ik naar haar keek. Ik herkende iets van mezelf in haar, zag de pijn in haar gerimpelde ogen. Ze leek me verbitterd en ongelukkig en ik vroeg me af of ik er later net zo uit zou zien als zij, met geel geverfd haar en lippenstift op plaatsen waar het niet behoorde te zitten.
“Ik moet jullie vragen of jullie weg willen gaan.”
Niemand schonk aandacht aan de doorrookte stem, ging gewoon verder met waar hij mee bezig was. De onzekerheid verlamde me, maakte dat ik niet op kón kijken, al had ik het gewild. Ik had het gevoel dat het ongeluk zou brengen als ik mijn ogen van Bills deur af zou wenden, alsof ik hem in leven hield door mijn aandacht op hem te richten. Ik wist dat het niet kon, maar ik had het gevoel dat wanneer ik het oogcontact met de deur zou verbreken, zijn hart zou stoppen met kloppen. Alles hing van mij af, dat wist ik, want het was mijn schuld. God was mijn schuld. Ik was degene die hem in ons leven gemengd had, als een dolle hond in een kamer vol breekbare spullen.
Ik probeerde me voor te stellen hoe Bill zich gevoeld moest hebben op het moment dat hij naar beneden gezonken was en hij de weg naar boven niet meer had kunnen vinden. Verdrinking scheen een zachte dood te zijn, omdat door het tekort aan zuurstof je hersenen op een gegeven moment gewoon stopten met werken en je niets voelde van het sterven zelf. Ik vroeg me af of Bill zichzelf had voelen wegzakken in die eindeloze slaap, of hij vlak voordat hij het bewustzijn verloor de mooiste momenten van zijn leven voorbij had zien komen – want ik had ooit gelezen dat dat zo was. Wanneer het licht uit dreigde te gaan, drongen je fijnste herinneringen zich een weg naar de oppervlakte, zelfs die waarvan je geen idee had dat je ze bezat, en dan stierf je. Ik vroeg me af of hij mij gezien had.
In wezen voelde ik me op dat moment alsof ik zelf aan het verdrinken was. Op het moment dat Julia me gebeld was en zij en Tom me waren komen halen, was ik ondergedompeld in een ijskoude bak water. Minutenlang had ik tegengestribbeld, had ik paniekerig gezocht naar de oppervlakte, doodsbang om te sterven. Toen ik me echter beseft had dat ik de zon nooit meer terug zou zien, op het moment dat ik te horen had gekregen dat het Bill was die achter die deur lag, had ik het echter opgegeven. Zittend op mijn plastic kuipstoeltje had ik al mijn herinneringen aan Bill de revue laten passeren, want dat waren de enige herinneringen die ik had die het waard waren teruggehaald te worden. Daarna was ik het bewustzijn verloren, had ik me afgesloten van de rest en was ik gestopt met denken. Ik vroeg me af of ik ook daadwerkelijk zou sterven. Ik had het gevoel van wel.
De schoonmaakster aanvaarde ons stille ‘nee’ en begon met het schoonmaken van de vloer. Het soppende geluid van haar dweil in de emmer water mengde zich met het getik van Julia’s nagels en Fabians voet en vormde een vreemde symfonie van wanhoop. Hoezeer ik het ook probeerde te negeren, het geluid drong zich een weg naar mijn gehoororgaan en liet me niet meer los. De simpele geluiden raakten me diep in mijn hart en maakten een emotie in me los die ik al een poosje niet meer gevoeld had. Verdriet.
Ik tilde gehoorzaam mijn voeten op zodra de vrouw mijn stoel naderde, precies zoals de mensen die naast me zaten hadden gedaan, zodat ze ook de vloer onder mijn stoel schoon kon maken. Terwijl ze dat deed, rook ik de geur van tabak die rond haar heen hing, gemengd met de zoete bloemengeur van het schoonmaakmiddel. Ik werd er misselijk van, enkel en alleen omdat het zo tegenstrijdig was. In een ziekenhuis gingen mensen dood en dan maakten ze de gangen schoon met een middel dat rook naar rode rozen. Het klopte niet in mijn hoofd – ik kon de link niet leggen. Als er al een link bestond. Ik begreep het gewoon niet.
Het geluid van de symfonie stierf weg toen de schoonmaakster de gang achter zich liet en de zogenaamde stilte terugkeerde. Minutenlang staarde ik naar de deur, luisterde ik naar de zenuwachtige geluiden die de mensen om me heen produceerden. Gustav bleef maar ijsberen, liet donkere voetsporen achter op de natte vloer. Georg stond op en liep weg, schuivend met zijn voeten, om even later terug te komen met een volle beker verse automaat-koffie. Fleur huilde zachtjes, Fabian fluisterde haar sussende geluidjes toe. Alle geluiden vormden een lied waarvan alleen de woorden nog misten en ik voelde dat het míjn taak was om hen te zingen. De muziek klonk herkenbaar, waardoor ik het gefrustreerde gevoel kreeg dat ik de tekst ooit wel gekend had, maar vergeten was. Iets zei me dat de woorden van het lied Bill zouden kunnen redden, ook al wist ik dat dat alleen in sprookjes kon.
Ik heb geen idee hoeveel tijd er verstreek. Alles in mijn hoofd ging in slowmotion, maar buiten mezelf leek het alsof alles zich bewoog met de snelheid van het licht. Iedere keer als Georg opstond om een nieuwe beker koffie te halen, leek het alsof hij binnen een fractie van een seconde alweer terug was. Gustav leek niet door de hal te ijsberen, maar te rennen met een snelheid waarop hij het wereldrecord sprint met ruim een seconde zou kunnen verbeteren. De klok liep echter zo langzaam dat ik me afvroeg of de uurwijzer niet gewoon stil stond. We waren gevangen in een web dat de tijd gesponnen had en ze liet ons er niet uit. We waren afhankelijk van de tijd, allemaal. We waren afhankelijk van de tijd die Bill nog restte.
Op een gegeven moment hoorde ik voetstappen door de gang weerklinken, met een echo die zo hard terugkaatste dat het leek alsof er met een hamer tegen mijn hoofd werd geslagen. Ze kwamen vanuit het niets en kropen steeds dichterbij. De haren in mijn nek gingen recht overeind staan, een rilling gleed als een ijsblokje over mijn ruggengraat en mijn adem stokte in mijn keel. Ik had het gevoel dat ik in een film speelde, zo onwerkelijk leek mijn leven opeens. Ook al was het geluid van voetstappen iets dat ik dagelijks hoorde, een ziekenhuis bij nacht terwijl de jongen waarvan ik hield misschien al wel drie uur lang dood was, maakte alles anders. Opeens had ik het gevoel dat ik in een horrorverhaal beland was en dat Magere Hein ons besloop om ons één voor één te onthoofden voor het aangezicht van God. Of misschien kwam God ons zelf wel onthoofden. Ik had geen idee.
De voetstappen waren echter noch van God, noch van Magere Hein, waardoor ik er weer aan herinnerd werd dat mijn leven de harde realiteit was: ik zat voor de tweede keer in drie jaar in een ziekenhuis in gedachten al afscheid te nemen van één van de mensen waarvan ik hield. Het was zo verschrikkelijk ironisch dat het bijna pijnlijk werd.
“Ik moet jullie verzoeken weg te gaan,” zei een klein, blond verpleegstertje waarvan ik me niet kon voorstellen dat ze haar studie al afgerond had. Weer keek niemand op. Ik denk dat we allemaal te diep in gedachten verzonken waren om nog aandacht te schenken aan iets dat zich buiten onze vriendenkring afspeelde. We waren enkel op elkaar geconcentreerd, zochten steun bij elkaar en lieten ons niet uit elkaar drijven door een kind dat waarschijnlijk jonger was dan ieder van ons. Ik liet me niet wegjagen door iemand die niets afwist van de situatie, door iemand die niets met ons te maken had. Ze had geen idee van de banden die er tussen ons bestonden, had geen flauw benul van het feit dat we allemaal kapot zouden gaan als één van ons dood zou gaan. Ze begreep niet dat we moesten blijven – niet omdat we wachtten op een uitslag, maar gewoon omdat we bij Bill moesten zijn. Ze snapte er gewoon niets van en dat maakte haar in mijn ogen dom. Ik zou me nooit weg laten sturen door iemand die me niet begreep.
“Hoor eens,” begon Georg stil. “Ik ga niet weg voordat ik weet of hij het gaat redden of niet.”
De verpleegster was stil, wist niets meer te zeggen. Ze stond daar gewoon, inééngesloten door een hecht vriendenverband waarvan ik trots was dat ik er deel van uitmaakte. We zouden ons niet laten wegjagen.
“We weten niet hóe het heeft kunnen gebeuren, weten niet waaróm. Ik kan hem niet achterlaten terwijl ik weet dat hij dood zou kunnen gaan. We moeten bij hem blijven. En ik begrijp dat het eigenlijk verboden is, dat we hier niet behoren te zijn, maar we kunnen hem niet alleen laten. Dan redt hij het niet.”
De stilte die viel, zinderde in de lucht. Er hing een spanning die bijna tastbaar was, een sfeer van anticipatie die een rilling langs mijn ruggengraat zond. Ik wendde mijn blik af van de deur, blikte in de richting van de verpleegster en zag dat ze niets kon verzinnen om terug te zeggen, dat ze sprakeloos was. Net als ik. Georg had me de woorden uit de mond gehaald. Wat hij gezegd had, was precies dat wat ik voelde op dat moment, maar ik had het niet beter kunnen verwoorden. In zijn stem hadden de verdrukte vermoeidheid en het teveel aan emoties een grote rol gespeeld, maar eveneens de vastberadenheid die hij bezat. Hij raakte me. Hij raakte me zo diep dat er ergens, in het donkerste hoekje van mijn binnenste, een bevroren rivier ontdooide en weer langzaam begon te stromen. Voordat ik erg in had, stroomde er een kleine traan over mijn wang, proevend van de vrijheid die ik plotseling ook kon proeven. Het leek alsof ik alle opgebouwde spanning losliet door dat ene zoute druppeltje – opeens voelde ik me zo bevrijd. En hoewel alles op de wereld me even tegen leek te zitten, voelde ik me op dat moment heel even heel gelukkig.

Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd was, maar feit was dat er nog geen vijf minuten later een dokter naar buiten was gekomen met de mededeling dat Bill het waarschijnlijk niet ging redden. De klap die dat teweeg gebracht had, maakte dat iedereen zo lamgeslagen was geweest dat de verpleegster verder bijna geen moeite had hoeven doen om ons het ziekenhuis uit te zetten en ons dralend op de parkeerplaats achter te laten. Daar waren we ook gebleven. Het had geen zin om naar huis te gaan, want we wisten dat de enige plaats waar onze aanwezigheid zin had, zo dicht mogelijk bij Bill was.
De hele nacht hadden we doorgebracht op het asfalt van de parkeerplaats, zo dicht mogelijk bij elkaar om elkaar wat warmte te gunnen. Het was ijskoud, maar ik geloof niet dat iemand van ons er iets van gevoeld had. Onze angst verteerde ons van binnenuit, liet ons onze hoop verliezen. Nog nooit in mijn hele leven heb ik een nacht meegemaakt die zo verschrikkelijk emotioneel was. Iedereen huilde, zocht steun bij elkaar, hield elkaar vast. De hele nacht bleven we elkaar maar vertellen dat het wel weer goed zou komen, ook al wist iedereen van ons dat het niet waar was. Zonder Bill zouden we stuk voor stuk doordraaien.
De dag daarna was in vele opzichten anders dan de vorige. Ik denk dat het kwam door die emotionele nacht dat we overdag wat rustiger waren, allemaal. De spanning was weg nu we wisten dat Bill het waarschijnlijk niet zou gaan redden. Aan de ene kant was dat tegenstrijdig, maar aan de andere kant ook volstrekt logisch. We konden het allemaal vrij snel accepteren omdat we sinds dat Bill aan de drugs was allemaal al mentaal afscheid van hem genomen hadden. Het feit dat hij het niet zou gaan redden, was eigenlijk een soort van bezegeling van iets dat we al heel lang wisten. Onderhuids hadden we dat allemaal al vermoed. Dat het uiteindelijk bevestigd was, nam de spanning weg. Hadden we de vorige dag allemaal nog gestresst bij elkaar gezeten, zwijgend en huilend, die dag werden er juist gesprekken gevoerd, gingen er soms een aantal van ons een rondje lopen en werd er soms zelfs af en toe gelachen om grappige herinneringen aan Bill. De enige die niet aan die dingen meedeed, was ik, maar zelfs ik ging vooruit. Iedere beker koffie die Georg me aanbood, nam ik dankbaar aan. Ik was doodmoe, maar moest en zou wakker blijven. Ik wilde niet riskeren dat ik sliep wanneer we te horen kregen dat Bill zijn laatste adem had uitgeblazen, wilde niet dat hij zonder mij zou gaan. Ik moest bij hem blijven.
Nadat ik Tom met hun manager had horen bellen over het wel of niet bekend maken van Bills ongeluk, begon ik weer te denken aan hoe het had kunnen gebeuren. Eerder had ik me alleen maar geconcentreerd op het feit dát Bill bijna dood was, niet op het feit hóe het gebeurd was. Langzaamaan stak de storm in mijn hoofd weer op en in korte tijd wervelden verschillende ideeën door mijn hoofd alsof het dorre bladeren waren. Ik probeerde me in hem in te leven en zo te bedenken waarom hij in godsnaam midden in de nacht naar ons bos gegaan was om daar onder invloed te gaan zwemmen, maar dat viel nog niet mee. De gedachtegang van iemand die drugs gebruikt, is moeilijk te volgen voor iemand die nog nooit drugs gebruikt heeft. Telkens weer spoelde ik het filmpje in mijn hoofd terug om een aantal dingen te veranderen en het daarna nog eens te bekijken, maar het werd nooit een logisch verhaal. Ik kwam er niet uit. Het enige dat ik met mijn gepeins bereikte, was hoofdpijn en een gevoel van vermoeidheid dat niet teniet gedaan kon worden door een dosis cafeïne.
Ergens later die middag deed het zich voor dat Nathalia en ik de enigen waren die zich in de gang bevonden. Ik warmde mijn koude handen aan een beker lauwe koffie en probeerde niet teveel aandacht te schenken aan haar, maar dat ging vrij moeilijk. Steeds als ik me op Bill probeerde te concentreren, drong ook het besef tot me door dat ik binnen een straal van drie meter verkeerde van de persoon die hem van me afgepakt had. Steeds als ik haar hoorde zuchten of zag bewegen vanuit mijn ooghoeken, dacht ik eraan dat zij precies hetzelfde gevoeld had als ik. Ooit was ze een vriendin van me geweest – of ja, in ieder geval een soort van, en ik voelde me zo verraden door haar. Ook al was het toentertijd al lang uit geweest tussen mij en Bill, ze had het gewoon niet kunnen maken. Iedereen wist dat we bij elkaar hoorden en zij was daar tussenin gaan staan. Ik begreep niet dat ze zich nog durfde te vertonen.
Plotseling bedacht ik me of Bill misschien nog van me hield, ergens. Ik had geen idee waar dat opeens vandaan kwam, maar het was het enige logische antwoord dat ik kon bedenken op de vraag waarom hij naar het bos was gegaan. Misschien vocht hij net als ik van binnen het conflict uit tussen vergeten en herinneren. Misschien was hij naar het bos gegaan om de pijn van de herinnering te voelen, had hij daarna gespoten om het te vergeten en was hij daarna gaan zwemmen om het juist níet te vergeten. Het klinkt vrij onlogisch als ik het zo vertel, maar in mijn hoofd klopte het precies. Het was precies wat ik ook al een miljoen keer gevoeld had. Ik durfde niet te hopen dat het waar was, maar er bestond in mijn denkbeeld geen andere verklaring voor wat er gebeurd was. Aan de ene kant zat er iets prachtigs aan mijn conclusie, omdat hij dus tóch van me hield, maar aan de andere kant was het verschrikkelijk. Hij zou sterven door én voor mij.
“Ik wil even zeggen dat het me spijt.”
Ik schrok op en keek om me heen om te lokaliseren waar het geluid vandaan kwam, al was er maar één iemand die die zin had kunnen uitspreken. Nathalia. Toen ik mijn blik uiteindelijk op haar liet rusten, voelde ik een vreemde mengeling van haat en medelijden waarvan het niet lang duurde voordat ik hem verklaren kon. Ik haatte haar omdat zij Bill net zo dichtbij zich gehad had als ik, het medelijden kwam gewoon om hoe ze daar zat. Haar ogen waren nog altijd rood, haar haar was broos en pas toen ik zo naar haar keek, zag ik dat ze zich misschien inderdáád wel ongemakkelijk voelde in mijn gezelschap. Ik had geen idee of ze sinds Bill achter die deur lag te wachten op de sluimerende dood nog drugs gebruikt had, maar eigenlijk interesseerde dat me niet meer. Ze leek zo verrot te zijn en dat raakte me. Ik werd er bijna sentimenteel van. Het was bizar.
Ik zweeg, gewoon omdat ik perplex stond. Ik kende haar beweegredenen niet, had geen idee of ze haar excuses aanbood omdat Bill op sterven lag en ze schoon schip wilde maken voordat hij ons zou achterlaten of omdat ze het echt meende, maar dat was niet waar het om ging. Ze bood haar excuses aan en dát kwam zo onverwacht dat ik niets wist om terug te zeggen. Ik had alles van haar verwacht: een arrogante glimlach omdat ze zo trots was dat ze het eindelijk voor elkaar had gekregen, ontwijkend gedrag omdat ze me niet onder ogen durfde te komen, maar niet dát. Geen excúses. Dat was niets voor haar, in mijn optiek. Nathalia behoorde gemeen te zijn en geen rekening te houden met de gevoelens van mensen om haar heen. Nathalia behoorde alleen maar aan zichzelf te denken en Bill voor zichzelf te willen hebben, wat ze daar ook voor zou moeten doen. Plotseling zag ik in dat ik het misschien wel fout had gehad, al die tijd, maar het duurde even voordat ik dat mezelf kon toegeven. Ik had er zo naast gezeten.
“Ik weet dat je een hekel aan me hebt en dat dat ook nooit meer overgaat, maar ik wil gewoon dat je weet dat het niet mijn bedoeling was om Bill – je weet wel.”
Ze klonk alsof ze moeite moest doen om klanken te produceren – wat me nog niet eens zou verbazen. Van iedereen in de groep had Nathalia nog het meest gehuild van iedereen. Eerst had ik gedacht dat ze dat alleen maar deed om aandacht te trekken maar op dat moment, toen ze mij haar excuses aanbood voor alles dat ze gedaan had, zag ik in dat ze het meende. Ik had het gevoel dat er een ingewikkelde goocheltruc voor mijn ogen werd uitgevoerd en dat ik niet zag wat nu precies de truc was. Ik had het gevoel dat ik werd bedrogen door mijn eigen lichaam, dat ik droomde, dat ik dingen zag die er niet waren. Ik weet niet wat het was, maar het voelde tegelijkertijd frustrerend en verlichtend. Het loslaten van mijn haat leek iets te helen, diep van binnen.
“Ik had hem die shit nooit mogen geven, dat weet ik ook wel, maar hij had het zo moeilijk met alles om jullie heen en ik wilde gewoon dat hij zich wat fijner zou voelen.” Ze snikte en veegde een aantal gevallen tranen weg. “En ik weet dat het mijn schuld is dat hij hier ligt, dat ik me nóóit met hem had mogen bemoeien, maar ik wilde hem alleen maar hélpen.”
Ze begroef haar gezicht in haar handen en snikte luid. Mijn mond viel letterlijk open van verbazing. Ik weet dat ik er idioot uit moet hebben gezien, maar dat interesseerde me niet. Het leek alsof de wereld plotseling omsloeg. Ineens zag ik haar onschuld in en besefte ik dat ze zich net zo verschrikkelijk gevoeld moest hebben als ik, de afgelopen paar uren. Zij dacht dat alles háár schuld was terwijl ík degene was die alles in gang gezet had. Als ik God nooit in mijn leven betrokken had, zou zij hem nooit hebben leren kennen. Het klonk zo simpel en in wezen wás het dat ook. Het was zo verschrikkelijk simpel dat het me ging duizelen wanneer ik me bedacht hoe mijn leven eruit zou hebben gezien wanneer ik God erbuiten had gelaten.
“Ik weet dat ik het niet meer goed kan maken, maar ik wil dat je weet dat ik Bill zie als een vriend en als niets meer. En ik weet dat het geen excuus is, maar we waren allebei high en – het gebeurde gewoon. Het had nooit mogen gebeuren en ik weet dat hij er precies hetzelfde over denkt als ik. Als ik het terug kon draaien, had ik het nooit gedaan. Het spijt me.”
Er viel een korte stilte waarin ik mijn gedachten op een rijtje probeerde te zetten, wat maar moeizaam ging. Al jarenlang haatte ik haar, vond ik haar een heks van het ergste soort, dacht ik dat ze dichterbij de jongens wilde komen om hen kapot te maken. Het was moeilijk om dat beeld kapot te slaan en uit de scherven een nieuw beeld van haar op te bouwen. Ik moest al mijn vooroordelen rondom haar uitwissen en nieuwe informatie omzetten tot de persoon die zij eigenlijk was. Vreemd genoeg vond ik het niet eens moeilijk om toe te geven dat ik al die tijd fout had gezeten. Het was gewoon zo. Ik vond het alleen jammer dat ik het Bill nooit meer zou kunnen vertellen.
“Excuses aanvaard,” zei ik zacht, er niet zeker van of de woorden die ik gebruikte wel de juiste waren om uit te drukken hoe ik erover dacht. Ik keek haar aan en schonk haar een glimlachje om mijn goede bedoeling aan te geven. Het was niet zo dat ik haar vergaf en vervolgens nooit meer met haar zou praten omdat ik nog steeds niets van haar moest hebben. Ik wilde haar echt leren kennen, maar had geen idee dat ik daar de tijd niet meer voor zou krijgen.
Het was een poosje stil tussen ons. Ik was verzonken in gedachten, probeerde nog steeds mijn gedachten op orde te krijgen. Alle herinneringen aan Nathalia probeerde ik op een andere manier te interpreteren en te plaatsen bij het nieuwe beeld dat ik van haar had. Vreemd genoeg ging dat me nogal gemakkelijk af. Op een gegeven moment ging ik me zelfs afvragen hoe ik haar ooit had kunnen haten. In de brief die Bill me voor de vorige zomer geschreven had, had hij gezegd dat Nathalia hem alleen had willen helpen en dat hij er zonder haar niet meer geweest zou zijn, maar toch had ik het goede in haar niet willen zien. Ik begreep mezelf opeens niet meer en dat was ontzettend confronterend.
Terwijl ik nog in gedachten verzonken was, kwam ze bij me zitten en legde ze haar hoofd op mijn schouder. Ik maakte het maar half mee. Als in een automatisme legde ik mijn hoofd op dat van haar en voordat ik het wist, zat ik te huilen omdat ik mezelf nog nooit eerder zo genadeloos was tegengekomen als op dat moment. Zodra ze het doorhad, kwam ze overeind en sloeg ze haar armen om me heen, trok ze me tegen zich aan. Het voelde niet eens ongemakkelijk. Er was zo verschrikkelijk veel dat ik haar wilde zeggen, dat het me speet en dat ik haar nooit zo had mogen behandelen als ik de afgelopen jaren gedaan had, maar daar was het het moment niet voor. Ik nam me voor het haar later te zeggen, maar had geen idee dat er nooit een volgend moment tussen ons zou komen waarop ik het kon doen.
Plotseling, toen ik het besef van de tijd al lang weer was kwijtgeraakt, hoorde ik hoe de deur voor ons open ging. Ik schoot direct overeind en zag met vochtige ogen dat er een dokter voor ons stond, gekleed in een wit uniform waarop ik een aantal rode vegen zag. Vreemd genoeg deed hij me denken aan Mirre, in de laatste dromen die ik over haar gehad had. Zij had er precies zo engelachtig wit uit gezien, maar wel op zo’n manier dat het eng was. Net zoals de dokter. Ondanks zijn vriendelijke gezicht, was hij angstaanjagend.
“Horen jullie bij meneer Kaulitz?”
Hij vroeg het ons op een normale toon, zonder enig spoortje van emotie, terwijl ik mijn ogen droogde. Nathalia en ik knikten beide, synchroon. Een angstig gevoel vulde mijn binnenste. Het was koud, kouder nog dan ijs. Ik dacht dat ik dood zou gaan. Ook al had de dokter nog niets gezegd, ik wist al precies wat hij zou gaan zeggen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat Nathalia mijn blik probeerde te vangen, maar ik durfde haar niet aan te kijken. In mijn hoofd dreunde ik de woorden waarvan ik voorspelde dat hij ze binnen minder dan drie seconden uit zou gaan spreken, er heilig van overtuigd dat het dan minder hard aan zou komen, ook al wist ik heel diep van binnen wel dat het me sowieso verrot zou maken. Ik zou er nooit van mijn hele leven vrede mee kunnen hebben.
Wat hij echter zei, was iets heel anders, iets dat me aan het denken zette. Zijn woorden leken rechtstreeks uit de hemel gezonden, alsof God via de dokter tegen me sprak en me zo duidelijk wilde maken dat ik er goed aan had gedaan Nathalia te vergeven.
“De Heer is jullie goed gezind, geloof ik,” zei hij met een kleine glimlach. “Bill is stabiel.”