Deel 19


Lieve Sa,

We gaan er vandoor, Bill en ik. Het heeft een poosje geduurd voordat we het aandurfden van onze fantasie de werkelijkheid te maken, maar we weten beide dat het beter is zo. We vluchten naar een plaats waar niemand ons kent en waar niemand ons ooit zal leren kennen, waar we alleen elkaar hebben en niemand meer kunnen verliezen. Ik wil geen mensen meer pijn doen en waar ik ook zal gaan, Bill zal me volgen. Ik wil je vragen ons niet te komen zoeken – wij redden het wel, samen. Je moet me maar op mijn woord geloven als ik zeg dat het zo beter is, want dat is echt waar. Heb vertrouwen.



Nadat we te horen gekregen hadden dat Bill het zou gaan overleven, was de spanning weer opgeschroefd. Vanaf dat moment was het echter geen zenuwslopende spanning meer, maar meer een verwachtingsvolle. Het was stil, maar niet ongemakkelijk stil, zoals dat eerder wel zo was geweest. Met zijn allen wachtten we tot iemand ons zou komen vertellen dat Bill bij bewustzijn gekomen was en dat er iemand bij hem naar binnen mocht. Ik wist zeker dat iedereen in stilte dacht aan wie er het eerst zou mogen, dat iedereen hoopte dat hij het zou zijn, maar dat niemand ernaar durfde te vragen uit angst egoïstisch over te komen.
Mijn vingers waren verstrengeld met die van Nathalia en ook al had ik haar tot niet lang daarvoor meer gehaat dan wie dan ook, het voelde vertrouwd en alsof ik helemaal opnieuw begon. Wij samen hadden Bill laten leven: zij door mij om vergeving te vragen en ik door haar die vergeving te schenken. Dat besef maakte dat ik haar plots met heel andere ogen bekeek. Ik begreep opeens dat ze Bill niet kapot had willen maken, dat ze ons niet uit elkaar had willen drijven, maar dat ze juist had willen helpen. Wat haar was overkomen, was in principe een nogal ongelukkige samenloop van omstandigheden, precies zoals dat bij mij was. Ik kon haar ineens aan mezelf spiegelen in plaats van haar lijnrecht tegenover me te zetten. Ze was mens, net als ik. Een mens dat zondigde, net als ik. Het enige verschil was dat bij mij de consequenties groter waren. Ik mocht van God niet zondigen en haat was een zonde. Bill was in dat ziekenhuisbed terecht gekomen omdat ik Nathalia gehaat had. Zo simpel lag het.
De dokter die ons verteld had dat Bill stabiel was, had ons gezegd dat het niet heel lang meer zou duren voor hij bij zou komen. Met die wetenschap duurde het wachten alleen nog maar langer. Ik had het gevoel dat ik hem zoveel te vertellen had. Ik wilde hem zeggen hoeveel ik van hem hield, hoezeer ik hem gemist had, hoe verschrikkelijk ik het gevonden had in de waan gelaten te worden dat ik hem zou verliezen en hoeveel het voor me betekende dat hij had gevochten om te overleven. In mijn hoofd oefende ik precies wat ik hem zou gaan zeggen, steeds opnieuw, telkens weer, tot ik er zeker van was dat ik het uit mijn hoofd kende. Op dat moment wist ik echter al dat ik me er geen woord meer van zou kunnen herinneren wanneer ik naast zijn bed zou zitten. Het was ook meer om de tijd te doden.
Net toen ik mentaal ademhaalde om voor de dertiende keer aan mijn interne monoloog te beginnen, kwam er een dokter. Op het moment dat het geluid van een openende deur de zinderende stilte doorbrak, tilden we allemaal tegelijk ons hoofd op en richtten acht blikken zich op de in het wit geklede arts. Zodra Tom opsprong, sprong iedereen op en even had ik het gevoel dat er harde middelen gebruikt zouden gaan worden om te beslissen wie er het eerst naar binnen mocht, ook al had de dokter nog niets gezegd. Het bleef echter rustig. Ik keek onrustig om me heen en ving hier en daar een blik van iemand, om een kalmerende glimlach toegeworpen te krijgen. Dat was de enige communicatie die nodig was. We hoefden niet te spreken om elkaar duidelijk te maken wat we voelden op eender welk moment. Elkaar aankijken was voldoende.
“Hij slaapt nog wel, maar er mag iemand bij hem,” zei de dokter stilletjes. Het viel me op dat hij een zacht accent had en vreemd genoeg kalmeerde dat me. Het was alsof hij door de zachtheid van de klank in zijn stem veel betrouwbaarder was, op de één of andere manier. Ik had het gevoel dat Bill bij hem in goede handen was. “Ik heb liever één persoon tegelijk, anders wordt het misschien een beetje teveel voor hem.”
Direct toen hij dat gezegd had, verplaatste ieders blik zich in de richting van Tom. Het was iets heel anders dan ik verwacht had dat er zou gaan gebeuren, maar na een seconde of drie van stilte begreep ik dat het logisch was. Iedereen wilde als eerste, natuurlijk, maar we wisten allemaal dat Tom degene moest zijn die Bill het eerst zou zien. Hij was zijn broer. Hij had er het meeste recht op van ons allemaal. We hielden allemaal van Bill, op onze eigen manier, maar niemand had een band met hem zoals Tom die had. Een bloedband. Tom was het belangrijkst in Bills leven.
Tegen alle verwachting in, bleef Toms blik op mij rusten. Hij knikte langzaam naar me, zijn hoofd een beetje schuin en ik voelde hoe ik verstarde toen het tot me doordrong wat hij me duidelijk probeerde te maken. Ik had willen protesteren, echt waar, want ik wist dat het niet zou kloppen als ik dat niet deed, maar ik was te verbaasd om ook maar één woord uit te brengen.
“Maren moet eerst,” zei hij zachtjes doch vastberaden. Onze blikken kruisten elkaar. Hij wierp me een aanmoedigende glimlach toe en hoe graag ik die ook wilde beantwoorden, mijn gezicht bleef bevroren in een verbaasde blik. “Zij heeft er meer recht op dan ik.”
Ik had best willen zeggen dat dat niet zo was, want iedereen wist dat er niemand was met meer recht om Bill als eerste te zien dan Tom. Aan de andere kant was ik echter ook wel weer zo egoïstisch om blij te zijn dat hij me die kans gaf. Ik wilde niet eens protesteren. Het enige dat ik wilde, was dicht bij Bill zijn en hem alles vertellen wat ik voelde, net zoals hij ooit bij mij had gedaan door middel van die brief. Of eigenlijk vond ik het al genoeg als ik alleen zijn hand maar kon vasthouden, als ik onder ogen zou kunnen komen wat ik veroorzaakt had. Het speet me zo verschrikkelijk en ik wilde dat hij wist dat ik berouw had. Daar waren geen woorden voor nodig.
Tom liet zich weer in zijn stoel zakken, daarmee duidelijk makend dat naar zijns inziens het gesprek beëindigd was. Ik richtte mijn blik op de dokter, die nog afwachtend bij ons stond, wachtend op een antwoord dat niemand hem leek te willen geven. Ik had om me heen willen kijken om te kijken of de rest goedkeurde dat ik als eerst zou gaan, maar ik durfde het niet uit angst dat dat niet zo zou blijken te zijn. Mijn egoïsme nam even de overhand en ook al weet ik dat dat niet mijn mooiste karaktertrek is, ik gaf er gehoor aan.
De dokter legde zijn hand op de deurklink zonder die nog naar beneden te drukken. Hij trok zijn mondhoeken op en probeerde me nog iets duidelijk te maken waarvan ik enkel de woorden ‘niet schrikken’ verstond. Er drong niets meer tot me door omdat iedere vezel in mijn lichaam schreeuwde van verlangen om Bill te kunnen zien. Pas toen de dokter doorhad dat ik hem niet verstaan had en dat ik daar ook geen behoefte aan had, ging hij me voor naar de smetteloos witte kamer.
Het eerste dat me opviel, was het feit dat er een rust hing die zo verschrikkelijk aanwezig was dat ik bijna niet durfde te ademen uit angst de stilte te verbreken. De apparaten die om het bed heen stonden, maakten een zacht zoemend geluid dat zich perfect mengde met de roodoranje kleuren van de schemering die door het raam naar binnen vielen. Ieder piepje dat de stilte verbrak, kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ik had het gevoel dat ik een soort van droom binnenstapte, gewoon omdat het allemaal zo surreëel op me overkwam. Opeens leek het allemaal niet echt te zijn. Ik had het gevoel dat ik ieder moment uit de wereld gezogen kon worden en wakker zou worden op de bank in Julia’s appartement, starend naar het plafond boven me, me beseffend dat mijn leven nog precies het zelfde was. Ik had geen idee wat ik boven wat prefereerde. Aan de ene kant zou het beter zijn dit alles te dromen, omdat Bill dan nog ongedeerd was, maar aan de andere kant was ik door de situatie zoals hij was te weten gekomen wat ik allemaal verkeerd gedaan had. Ik had zo verschrikkelijk veel geleerd in die twee korte dagen en ik wist niet of het het wel waard was om dat op te geven.
Toen ik echter naar de kleine, breekbare figuur tussen de lakens keek, wist ik dat het het wel degelijk waard was. De wereld leek stil te staan terwijl ik naar zijn bleke gezicht keek, naar hoe zijn donkere haar uitgewaaierd was over zijn kussen, naar de donkere kringen rond zijn gesloten ogen. Hij zag er zo mager uit opeens, zo gepijnigd en zo leeg en het deed zo’n zeer om te weten dat het allemaal mijn schuld was. Ik wilde hem zo graag in mijn armen nemen, maar tegelijkertijd durfde ik dat niet uit angst dat ik hem zou breken. Het enige dat ik deed, was kijken naar hoe hij daar lag, vermoeid van het vechten tegen de dood. Ik vroeg me af waar hij nog voor gevochten had, wat de wereld in zijn ogen mooier maakte dan de hemel.
“Hij is lichamelijk afgekickt, maar hij heeft mentaal nog een lange weg te gaan,” hoorde ik opeens een zachte stem zeggen, achter me. Verschrokken keek ik op, totaal vergeten dat de dokter ook nog in de kamer was. Zodra zijn blik de mijne ving, glimlachte hij naar me en knikte hij naar het bed, als stille aanmoediging bij Bill te gaan zitten. Ik beantwoordde zijn glimlach door mijn mondhoeken kort op te trekken en begon voetje voor voetje naar het bed te schuifelen, stilletjes, bang om hem wakker te maken. Hij zag er zo vredig uit, alsof de dood hem al overmeesterd had. Ik voelde hoe tranen zich verzamelden in mijn ooghoeken, hoe ze mijn blik vertroebelden. Ik was zo vreselijk blij dat ik weer kon huilen dat ik geen moeite deed hen tegen te houden.
Badend in het rozige licht van de stilte liet ik mezelf op de stoel naast het bed zakken, nog altijd onzeker van wat ik moest doen. Het enige waar ik toe in staat was, was kijken naar de jongen van wie ik voor mijn gevoel al mijn hele leven hield, naar de jongen die ik zo bang was te verliezen. Ik besefte me opeens dat hij alles was wat ik had. Natuurlijk had ik Justin, Fleur, Julia, Nathalia en de rest van onze groep, maar niemand kon tippen aan wat Bill voor me betekende. Hij was de enige voor me en hij zou altijd de enige voor me blijven. Ook al kon ik niet in de toekomst kijken, ik vertrouwde op wat mijn gevoel me zei.
Terwijl dat besef tot me doordrong, pakte ik als in een automatisme Bills hand vast en streelde ik de huid ervan met mijn duim. Zijn nagels waren nog altijd zo zwart als de nacht die spoedig buiten zijn intrede zou doen, met een slordig randje bij zijn nagelriem. Ik verstrengelde zijn vingers met die van mij, drukte mijn lippen op de rug van zijn hand en snoof zijn vertrouwde geur op. Meerdere tranen begonnen te brandden, verzamelden zich in mijn ogen, klaar om over mijn gezicht te rollen wanneer ik met mijn ogen zou knipperen. Ik wilde echter niet knipperen, omdat ik geen enkele nanoseconde dat ik naar Bill kon kijken wilde verpesten. Ik wilde iedere vierkante millimeter van zijn elfachtige gelaat op mijn netvlies gebrand krijgen, zodat ik me voor altijd zou kunnen herinneren dat ik nooit van mijn leven meer mocht zondigen. Niet als het zulke dingen teweeg zou brengen.
Ik bracht mijn andere hand omhoog naar zijn gezicht en liet mijn vingers zacht en langzaam over zijn koele huid strijken. Het reliëf van zijn gelaat kriebelde onder mijn vingertoppen, zorgde ervoor dat ik op mijn onderlip moest bijten om er zeker van te zijn dat ik mijn ogen niet zou sluiten uit schaamte voor wat ik had aangericht. Bills schouders lagen boven de lakens, wat slechts een deel van zijn littekens aan het zicht onttrok. De rode strepen, getrokken in een willekeurig patroon, leken opeens iets van Bills innerlijke verwarring uit te beelden, hoe vreemd dat ook mag klinken. Zelfs zijn littekens waren iets dat bij hem hoorde, op de één of andere vreemde manier. Het ontsierde hem niet eens. Misschien maakte het hem zelfs wel mooier.
Met alle tederheid die ik bezat, streek ik zijn haar uit zijn gezicht en drukte ik een zachte kus op zijn blauwe lippen. Ik vergat dat de dokter bij ons was, vergat dat er om ons heen nog een wereld draaide. Het enige dat in mijn hoofd bestond op dat moment, waren wij tweeën en de liefde die ons voor altijd aan elkaar zou binden. Al hield hij niet meer van mij, dan nog zou ik wel van hem houden en dat maakte dat er nog iets was dat ons bij elkaar hield – iets dat nooit meer zou verdwijnen. We hoorden bij elkaar en dat zou voor altijd zo zijn, hoe ver we ook van elkaar verwijderd zouden zijn.
Op het moment dat ik mijn gezicht weer terugtrok en ik de huid van zijn kaaklijn stil beroerde met mijn trillende vingers, vlogen zijn ogen open. Mijn hart sloeg een slag over toen het gebeurde, maar ik schrok niet op, bleef uiterlijk rustig. Zijn blik boorde zich in die van mij, alle pijn die hij bezat op mij overhevelend. Zonder dat ik het doorhad, maakte ik een kalmerend geluid, gedreven door paniek waarvan ik op dat moment nog niet eens doorhad dat hij al door mijn aderen stroomde. Het schakelde mijn verstand uit en liet me intuïtief handelen – wat de reden was dat ik er niet aan dacht dat ik zo gauw mogelijk een dokter moest roepen. Het geluid van de snel piepende apparaten rondom ons klonk ontzettend ver weg. Bill hapte naar zuurstof, stootte geluiden uit waaruit bleek dat hij bijna stikte en het enige waar ik aan kon denken, was het feit dat ik moest zorgen dat hij rustig zou worden. Natuurlijk wist ik ergens wel dat ik dat niet zou kunnen, maar op dat moment dacht ik daar niet aan. Ik zat nog teveel in dat wereldje waarin alleen wij twee bestonden. Het moment dat ik bij mijn schouders gegrepen werd en van hem weggetrokken werd, kwam zodoende geheel onverwacht. Ik schrok me kapot en wilde vechten tegen de armen die me richting de deur duwden, maar ik was te moe om me te verzetten. Met lede ogen zag ik toe hoe een aantal artsen zich rondom Bill verzamelde en terwijl de chaos in de kleine kamer toenam, verminderde mijn paniek. Op een gegeven moment maakte ik mezelf los uit de greep van de persoon die me vasthield en liep ik uit mezelf in de richting van de deur, vol van angst. Als in een vlucht drukte ik de deurklink naar beneden en liep ik de gang op, om van de chaos in de kamer gescheiden te worden door het dichtslaan van de deur. Plotseling was het weer stil om me heen. Ik voelde de spanning van zeven blikken die zich op mij richtten, maar ik schonk er geen aandacht aan. In plaats daarvan draaide ik me om naar de gesloten deur en legde ik mijn hand op het koele kunststof, hopend dat Bill daarmee zou voelen dat ik berouw had.

Het geluid van mijn voetstappen weerklonk bonkend door de gang, sneed door de gespannen stilte. Iedere spier in mijn lichaam was gespannen – ik kon het niet opbrengen stil te zitten. Al minutenlang marcheerde ik door de gang, bezeten door zenuwen en nervositeit. Plotseling wist ik zeker dat Bill dood zou gaan. Dat kon niet anders. Ik had hem vermoord. Dat besef bleef telkens door mijn hoofd malen, dat element van schuld, totdat ik het gevoel had dat ik werkelijk begon door te draaien. Mijn schuldgevoel maakte me gestoord, samen met mijn vermoeidheid en de spanning van het wachten. Ik bleef mezelf maar voorhouden dat het goed zou komen in een poging mezelf rustig te houden, maar het werkte alleen maar averechts. Hoe meer ik het probeerde, hoe meer ik van het tegendeel overtuigd raakte. Het kon niet goed komen. Dat kon gewoon niet. Ik had hem vermoord.
Het was een zootje in mijn hoofd en hoezeer ik ook mijn best deed om orde aan te brengen in de chaos, het blééf een zootje. Het was net zoals hoe ik vroeger altijd mijn kamer had opgeruimd: ik schoof alle rommel onder mijn bed en beschouwde het daarmee als opgeruimd. Het duurde echter nooit lang voordat mijn kamer weer precies zo’n bende was als even daarvoor. In principe gebeurde in mijn hoofd precies het zelfde. Ook al schoof ik de rommel aan de kant, het bleef alsnog een zootje en ik had geen idee waar ik moest beginnen met opruimen. De chaos was te groot.
Tom was al vreselijk lang binnen – té lang naar mijn zin. Een uur al. Minstens. Het wachten was zo zenuwslopend dat ik de neiging had de drukkende stilte te verbreken met een schreeuw die zo hard was dat mijn moeder hem in de hemel zou kunnen horen. Ik voelde de blikken van de overige zeven mensen in de gang branden in mijn rug, wat ervoor zorgde dat ik niet op of om durfde te kijken uit angst voor boze blikken. Ik wilde niet beschuldigd worden, al hadden ze daar het grootste recht toe. Ik voelde me al zo rot en ik wilde niet dat dat nog erger zou worden door gehaat te worden door de mensen waarvan ik het meest hield. Dat zou ik simpelweg niet aankunnen.
“Kom nou eens zitten,” hoorde ik Nathalia opeens zeggen. Het leek alsof haar stem van heel ver weg kwam, maar ook alsof ze in mijn hoofd zat. Haar stem was zacht en liefdevol en leek in geen velden of wegen op de heksenstem die ze altijd gehad had. Ik begreep niet waar die zachtheid opeens vandaan kwam, maar het was prettig en het maakte iets van opluchting in me los, omdat ik enkel uit de klank al kon opmaken dat zij me in ieder geval niet haatte. Dat gevoel werd bevestigd toen ik mijn hoofd in haar richting draaide en mijn blik gevangen werd door de hare. Ze keek naar met meer zachtheid dan een mens kon bezitten en ik was zo gelukkig dat in haar ogen te zien. Wanneer ik Bill zou verliezen, zou zij er tenminste nog zijn om me op te vangen.
Ik hoefde er niet lang over na te denken voordat ik mezelf in een plastic kuipstoeltje naast haar liet zakken. Door haar stem leek alle rotzooi uit mijn hoofd verdwenen te zijn. Opeens was ik weer kalm en helder en was ik weer in staat fatsoenlijk te kunnen denken. Met een leeg gevoel keek ik voor me uit, naar de deur die mijn zicht op de horizon in de weg stond en ik moest opeens aan Simone denken. Ze was samen met Gordon een weekje op vakantie en Tom had haar niet willen bellen omdat hij haar zogenaamd niet onnodig ongerust wilde maken. Werkelijk iedereen had hem al verteld dat hij het niet kon maken het voor haar te verzwijgen, maar hij was niet voor reden vatbaar en bleef maar verkondigen dat hij haar vakantie niet wilde verpesten met zoiets onbelangrijks. Ik persoonlijk kon niets bedenken dat voor haar van meer belang zou kunnen zijn dan de gezondheid van haar zoon, maar dat leek niet tot hem door te dringen.
Nathalia sloeg een magere arm om mijn nek en streelde zachtjes door mijn haar. Als in een reflex liet ik mijn hoofd op haar schouder zakken. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar Fabian en Fleur, die in precies dezelfde houding zaten. Het ongeluk was overduidelijk van hun gelaat af te lezen. Ik haalde rillerig adem toen ik me bedacht dat het eveneens mijn schuld was dat zij beide ongelukkig waren: Fabian had het op zijn werk altijd naar zijn zin gehad en als je wist wat Fleur allemaal gedaan had om op de kustacademie te komen én te blijven, was het eigenlijk vrij logisch dat ik haar alleen nog maar had zien huilen sinds de laatste keer dat ik haar gezien had. Het was zo triest, de gehele situatie. We hadden al zoveel meegemaakt.
Een eeuwigheid bleven we zo zitten. Op een gegeven moment nam Georg het van Nathalia over omdat zij even naar buiten moest. Ik wist precies waarom. In de broekzak van haar trainingsbroek had ik de contouren van een pakje sigaretten kunnen ontwaren en nog voordat ik had geweten waar het voor diende, had ik al een vermoeden gehad. Waarschijnlijk zaten er geen sigaretten in, maar was dat enkel om de schijn op te houden. Het gevoel dat ik erbij kreeg, was op dat moment heel anders dan toen ik nog een hekel aan gehad had. Toentertijd had ik het niet erg gevonden dat ze zichzelf kapot maakte – integendeel zelfs – maar sinds onze ruzie bijgelegd was, lag het heel anders. Plotseling zag ik haar als een mens in plaats van één of ander emotieloos wezen werd het in plaats van iets rechtvaardigs iets dat ik heel serieus nam. Ik wist echter ook dat ik er niets tegen kon doen en zodoende liet ik haar gaan.
Vreemd genoeg vond ik het opeens niet vreemd meer om zo close met Georg te zijn. Opeens was het heel normaal. Sinds Bill en ik uit elkaar waren, was er een hoop tussen ons veranderd. Het leek alsof hij er zo door aangegrepen was dat hij op slag vergeten was dat hij ooit van me gehouden had en dat hij nog altijd wanhopig probeerde mij van Bill los te peuteren. Ik had geen idee of er een kern van waarheid in mijn hersenspinsels zat, maar ik had geen behoefte ernaar te vragen uit angst een pijnlijk antwoord terug te krijgen. Zolang ik maar het idee had dat hij over zijn obsessieve liefde voor mij heen was en er niets onwenselijks gebeurde tussen ons, zag ik geen reden om hem te ontwijken als vriend. Als hij mij warmte wilde geven omdat ik me rot voelde, dan mocht hij dat van mij.
“Hij gaat dood,” zei ik op een gegeven moment. Ik had geen idee waar het vandaan kwam, maar wist wel dat ik het meende. Het kwam recht uit mijn hart. Dat ene kleine zinnetje was het enige dat al een uur lang door mijn hoofd heen bonkte, met iedere keer dat mijn hart overhaast sloeg. Hij gaat dood. Telkens weer, steeds harder dan de deer daarvoor, totdat alle andere gedachten overstemd waren en dat nog het enige was dat ik kon horen. Ik merkte pas dat ik het uitgesproken had op het moment dat hij me respons gaf.
“Hij gaat niet dood,” zei hij warm. “Straks komt Tom terug om te zeggen dat alles goed gekomen is en dan mag je weer bij hem. Geloof me maar.”
Wonderlijk genoeg had hij nog gelijk ook. Nog geen vijf minuten nadat hij het gezegd had, ging de deur weer open en stapte Tom naar buiten. Aan zijn gezicht was duidelijk te zien dat hij gehuild had. Direct sprong ik overeind. De adrenaline schoot direct weer naar mijn hoofd en dat maakte dat de paniek in mijn borst opzwol tot het formaat van een heteluchtballon. In mijn hoofd regende het rampscenario’s; ik kon al precies voor me zien hoe Bills begrafenis zou zijn, hoe Tom compleet door zou draaien na het verliezen van zijn broer, hoe ik zelf eveneens zou sterven uit verlangen naar hem. Ik vroeg me af of God Bill zou vertellen over de deal, precies zoals ik dat een halfjaar eerder al had gedaan. Ik vroeg me af of Bill het zou geloven.
Tom zei niets. Hij sloeg slechts zijn armen om mijn lichaam heen en trok me tegen zich aan, zwijgend. Ik wist niet wat me overkwam. Ik had alles verwacht, van een hatelijke tirade waarin hij me voor eeuwig zou verbannen uit de wereld tot een huilbui waarin hij zichzelf alles verweet in plaats van mij, maar niet dát. Niet dat hij me vast zou houden. Zodoende had ik geen idee wat ik moest doen. Een paar seconden stond ik als bevroren tegen hem aangedrukt, in stilte, en pas daarna beantwoordde ik de omhelzing. Ik drukte mijn gezicht in zijn donkerblauwe shirt en snoof zijn geur op. Hij rook mannelijk, naar een deodorant die ik niet herkende, en naar tabak. De mengeling daarvan bedwelmde me enigszins, alsof het een drug was. Het was heerlijk om mezelf weg te voelen zakken in iets dat ik al zo lang niet meer gekend had en plotseling besefte ik me hoe moe ik was. Mijn lichaam en geest waren uitgeput van de tien uur slaap die ze in anderhalve week gehad hadden, maar mijn wil hield me tegen te slapen. Ik moest volhouden voor Bill.
“Is hij dood?” vroeg ik stilletjes, zo zacht dat ik zeker wist dat het alleen zijn oor zou bereiken. Terwijl ik het zei, hoorde ik hoe mijn stem begon te trillen en ik voelde hoe mijn keel leek op te zwellen, alsof er een aardappel in mijn slokdarm vastzat. Tranen drongen zich van achter mijn ogen een weg naar voren, waar ze zich over mijn wimperrand heen wierpen en vervolgens over mijn wang naar beneden gleden, langs mijn kaaklijn, om vervolgens opgezogen te worden door het katoen van Toms T-shirt. Ik was zo bang voor het antwoord dat het amper te beschrijven valt wat ik voelde op dat moment. Al mijn gevoel was uitgeschakeld. Ik herinner het me niet meer.
Toen ik Tom met zijn hoofd voelde schudden, slaakte ik een huiverende zucht van opluchting. Ik sloeg mijn armen nog steviger om zijn middel, verstrengelde mijn vingers met de donkerblauwe stof en begon onbedaarlijk te huilen. Ik had geen idee waar het vandaan kwam, maar dat interesseerde me ook niet. Het enige waar het op dat moment om ging, was het feit dat ik me zo verschrikkelijk licht voelde opeens, omdat er zo’n last van mijn schouders gevallen was. Ik had het gevoel dat ik kon vliegen als ik heel diep in zou ademen en met mijn armen zou wapperen, zodat ik het luchtruim kon verkiezen boven de aarde en ik mijn moeder zou kunnen bezoeken in de hemel, om daarna weer terug te komen. Dat was het enige dat ik wilde op dat moment.
Ik voelde hoe Tom met zijn vingers door mijn haren streek en kalmeerde daardoor. Pas toen ik bijna niet meer snikte, hoorde ik de sussende geluidjes die aan zijn lippen ontglipten en plotseling wilde ik hem niet meer loslaten. Ik voelde me zo veilig in die omhelzing, zo afgeschermd van de wereld, alsof niets me meer kon raken. Na er zo vreselijk lang alleen voor te hebben moeten staan, voor mijn gevoel, was het zo fijn om te weten dat er mensen voor me waren die van me hielden en die me zouden bijstaan als er iets ergs zou gebeuren. Ik had niet alleen Nathalia en Justin, maar ook Georg en Tom en opeens wist ik zeker dat Julia en Fleur er ook voor me zouden zijn, onvoorwaardelijk, zoals altijd. Wij waren net zo onafscheidelijk als de zon en de maan, het land en het water, het licht en het donker. Het één kon niet zonder het andere bestaan. Ik zou niet bestaan wanneer Fleur of Julia aan mijn leven zou ontbreken.
“Je mag weer bij hem,” zei Tom op een gegeven moment zachtjes, toen ik weer rustig en stil was. Ik was niet verbaasd toen hij het zei, vreemd genoeg, want ik had alle reden om verbaasd te zijn dat hij me nog een kans gaf. Feit was gewoon dat ik niets meer voelde. Ik was niet bang, niet verdrietig, niet boos, niet wanhopig, niet verbaasd. Ik was alleen ontzettend licht en opgelucht. Dat was het enige dat ik nog kon voelen.
Ik maakte me van hem los en bleef even staren naar de donkerblauwe plek die ik op zijn shirt had achtergelaten. Opeens moest ik denken aan lang geleden, toen ik afscheid van hem had moeten nemen omdat ik naar Japan moest verhuizen. Toen had ik precies zo’n plek bij hem achtergelaten, op precies dezelfde plaats. Na die herinnering weer weggedrukt te hebben, keek ik naar hem op en zag ik dat zijn ogen opnieuw volstonden met verse tranen. Ik trok mijn mondhoeken bemoedigend naar hem op en pakte zijn hand vast.
“Bel je moeder, oké?” vroeg ik hem zacht doch dringend. Ik wist ook wel dat hij het moeilijk zou vinden om zijn moeder te moeten vertellen dat hij zijn broer bijna verloren was, maar het moest nu eenmaal gebeuren en hij was de persoon van wie ze het te horen zou willen krijgen. Pas toen hij na een korte aarzeling geknikt had en ik oogcontact gemaakt had met Julia om er zeker van te zijn dat hij ook echt zou bellen, draaide ik me terug naar de deur en ging ik naar binnen, met een licht gevoel in mijn hoofd en een zwaar gevoel in mijn hart.

Bill zat rechtop in bed toen ik binnenkwam, met zijn kussen in zijn rug en de dekens halverwege zijn bovenbenen. Hij had zijn haar in een slordig paardenstaartje gebonden en droeg zijn cupidoshirt boven zijn zwarte boxershorts. Ondanks de nog altijd bleke teint van zijn gezicht, zag hij er opeens veel gezonder uit, wat waarschijnlijk kwam door de serene glimlach die zijn lippen zegende. Het zwakke licht dat nog van buiten kwam, zinderend roze, voegde een zweem van magie toe aan dat toch al zo prachtige tafereel. Ik had het gevoel dat ik recht in een illustratie van een sprookjesboek gestapt was, ook al was de situatie alles behalve sprookjesachtig.
Ik bleef voor een lang moment stilstaan in het midden van de kamer, verstild door de schoonheid van wat er in één oogopslag op me afkwam. Het enige contact tussen ons bestond uit oogcontact. In zijn ogen zag ik liefde en al had dat me moeten verbazen – opeens voelde het heel familiair, alsof het altijd al zo geweest was. Plotseling wist ik gewoon dat het nooit de bedoeling geweest was dat het uit zou gaan tussen ons. We hoorden bij elkaar en hij wist dat, net zoals ik dat wist. Het had nooit anders moeten zijn. De tijd dat we uit elkaar waren geweest, had ons beide kapot gemaakt. Ik was als een zombie door het leven gegaan, hij had zich vergrepen aan de drugs en had zijn innerlijke pijn kenbaar gemaakt aan de buitenkant. Ik begreep niet hoe ik zoiets ooit had kunnen gebeuren, waarom we het nooit goed hadden proberen te maken.
Na een lang moment van stilte waarin me zo verschrikkelijk veel duidelijk werd, hief hij zijn arm op en strekte hij zijn vingers naar me uit. Zijn zachte gezichtsuitdrukking bleef daarbij hetzelfde. Hij leek me zonder woorden te willen zeggen dat ik niet bang hoefde te zijn, dat ik me geen zorgen hoefde te maken, dat alles oké was en daar slaagde hij in. Met kleine stapjes liep ik in de richting van het bed, zonder mijn arm naar hem uit te strekken, enkel omdat mijn ledematen opeens zo zwaar aanvoelden. Ook al zag Bill er al veel levendiger uit dan het uur daarvoor, het bleef moeilijk zijn zwakte onder ogen te zien. Altijd had ik me in mijn wanhoop aan hem vastgeklampt, omdat hij in mijn ogen de enige was die me kon redden en ergens in dat proces was ik het mens in hem uit het oog verloren. Plotseling, toen ik hem zo klein en breekbaar tussen die donzige lakens zag liggen, zag ik dat ook hij niet meer dan een mens was, met zwakten en zonden. Het was zo verschrikkelijk egoïstisch van me geweest alles van hem af te laten hangen. Hij kon mij niet redden. Dat moest ik zelf doen.
Zodra ik dicht genoeg bij hem was, streelde hij de huid van mijn wang met zijn uitgestoken hand. Zijn aanraking was zo verschrikkelijk zacht dat ik er van binnen week van werd. De manier waarop hij naar me keek, correspondeerde met die aanraking. Ik liet mijn blik over zijn arm glijden, voelde het verlangen de talloze littekens te tellen, maar ik kon mezelf er niet toe brengen te beginnen omdat ik bij voorbaat al wist dat ik het nooit tot een einde zou kunnen brengen. Het was te confronterend.
Ondanks de onverbiddelijke zwaartekracht tilde ik mijn hand op en legde die over de zijne, die nog steeds op mijn wang rustte. Ik liet hem mijn blik vangen. Het schaduwspel dat zich door de zojuist gevallen schemering op zijn gezicht afspeelde, was betoverend. De contouren van zijn neus, lippen en kaaklijn kwamen door het zwakke licht zo goed tot hun recht dat ik er stil van werd. Het is krankzinnig om te zeggen dat hij er zelfs mooi uitzag als hij doodziek was, maar het was zo. Alsof hij zo behóórde te zijn. Ik weet niet waaróm het zo was, maar het was in ieder geval wonderbaarlijk mooi. De stilte voegde er nog een extra dimensie aan toe. Het was alsof er behalve ons niemand bestond, alsof de kamer waarin wij samen waren de hele wereld besloeg en er buiten ons een leegte was waar we beide niet aan wilden denken. We zweefden in een oneindigheid van liefde, in een mist van verlangen en een zweem van verborgen eenzaamheid.
Ik ging in de stoel naast zijn bed zitten, waardoor zijn hand van mijn gezicht gleed. Ik klemde mijn handen tussen mijn knieën en richtte mijn blik naar de grond. Het raakte me allemaal zo diep. Overdonderde me. Ik voelde me zo klein, na het fantaseren van die oneindigheid. Mijn schuldgevoel overviel me opnieuw, onverbiddelijk, als een denkbeeldig monster dat me altijd op de hielen zat, waar ik ook zou gaan. Net als God. Het was zo vreemd te bedenken dat alles wat er in mijn leven gebeurd was, te wijten was aan één kleine beslissing in mijn leven. Als ik na de eerste keer met Bill gezoend te hebben niet zo overhaast naar buiten was gegaan, zou ik op dat moment niet in het ziekenhuis gezeten hebben. Het was zo raar te weten dat alles in mijn leven aan elkaar hing door die deal dat ik soms het spoor bijster raakte. Mijn leven was een puzzel waarvan de stukjes vreemde vormen hadden en ik niet aan elkaar kon passen. Ik werd compleet gestoord.
Minutenlang waren we stil. Ik bleef naar mijn knieën staren, de hele tijd, me afvragend waarom ik in Godsnaam nog bij hem was. Als ik naar hem keek, werd ik zo direct met mijn keuzes geconfronteerd dat ik me serieus ging afvragen waarom ik er niet vandoor ging. Door mijn deal met God kon ik dingen laten gebeuren zoals wat Bill overkomen was. Aan de ene kant gaf me dat een soort van macht, maar aan de andere kant juist een soort van onmacht omdat ik alleen de mensen van wie ik hield beïnvloedde. Wanneer ik zo naar Bills littekens keek, naar zijn ingevallen gezicht en naar het ronde wondje in zijn elleboogholte, vervloekte ik mezelf. Ik had nooit terug moeten komen, had moeten denken aan de pijn die ik de mensen om me heen aan zou kunnen doen. God had me nooit vergeven en ik had daar aan moeten denken. Ik had hem mijn ziel verkocht en ik zou die nooit meer terugkrijgen. Het was zo vreselijk naïef geweest te denken dat hij medelijden met me had. Een degelijke God zou nooit medelijden hebben met iemand die zichzelf in wezen het diepe in gestort had. Het was mijn eigen keuze geweest. De deal was onomkeerbaar en dat zou hij voor altijd blijven.
“Ik hou van je,” zei hij zachtjes. Verbaasd keek ik op, compleet overdonderd door die vier woorden. Het had iets mystieks over zich, iets onaards, omdat ik het al zo ontzettend lang niet meer gehoord had. Ik had zo gehoopt dat hij nog van me zou houden, al die weken die ik alleen geweest was, dat het moment zelf als een zegen kwam. In zijn ogen zag ik de schittering van wat Bill vroeger geweest was: een artiest die enkel wat liefde nodig had om zijn ding te doen. Het was alsof hij door zijn bijnadoodervaring herboren was, alsof hij zich daardoor weer herinnerde wat het leven hem te bieden had. Ik had geen idee wat hij als de zin van het leven beschouwde, maar ik wist wel dat hij de mijne was. Hij hield me in leven. Het feit dat ik hem langzaam vermoordde, was daarbij zo tegenstrijdig. Als ik van hem zou blijven houden, zou hij niet aan Gods toorn kunnen ontsnappen. We konden niet zonder, maar ook niet met elkaar. Zonder elkaar zouden we sterven, maar met elkaar ook. Het was de vraag wat we boven wat verkozen.
“Dat moet je niet doen,” antwoordde ik hem in stilte. Ik pakte zijn koude hand vast en verwarmde die met die van mij, zonder hem aan te kijken. Ik wilde niet weten hoe hij reageerde op mijn woorden. Het enige dat ik wist, was dat het waar was. Hij moest niet van me houden. Ik wilde echter ook niet dat hij van een ander hield, want hij behoorde mij toe. Alles wat ik wilde was zo verschrikkelijk tegenstrijdig dat ik er niet meer uitkwam. De dingen die moesten, stonden vaak zowel parallel aan als lijnrecht tegenover wat ik wilde. Mijn leven was één grote vicieuze cirkel waar ik niet uit kon komen – of misschien wílde ik er ook wel niet uitkomen. Ik had geen idee meer wat ik wilde. Bill was alles wat ik wilde, maar dan zonder alle complicaties eromheen. Dat was echter onmogelijk en ik wist dat ik niets kon doen om de situatie te veranderen. Ik moest het nemen zoals het was, het accepteren, maar dat kon ik niet. Ik wilde dat Bill gelukkig zou zijn, maar dat zou hij niet kunnen worden zolang hij bij mij bleef. Zonder mij zou hij het echter ook niet redden. Ik wist niet wat ik moest doen. Mijn wanhoop was zo gigantisch groot dat ik erdoor verpletterd leek te worden.
“Waarom niet?” vroeg hij zacht terwijl hij met zijn vrije hand de zijkant van mijn naar beneden gerichte gezicht streelde. Ik beet op mijn lip om te proberen te voorkomen dat ik zou gaan huilen, maar het werkte niet. Al gauw stroomden er twee bittere tranen over mijn wangen, waar ze opgevangen werden door Bills strelende vingers.
“Omdat vroeger,” antwoordde ik met een stem die trilde als een blad in een kille ochtendwind doordat ik nog steeds wanhopig mijn tranen binnen probeerde te houden. Hoe harder ik het echter probeerde, hoe sneller ze elkaar opvolgden. In mijn hoofd barstte er opnieuw een strijd los tussen twee opponenten: aan de ene kant wilde ik enorm graag vastgehouden worden, maar aan de andere kant wilde ik me van hem distantiëren. In principe waren alle conflicten in mijn hoofd gebaseerd op dat tussen het eigenbelang en het belang van iemand die me veel waard was. Ik wist dat het me een goed mens zou maken als ik het belang van een ander zou verkiezen boven dat van mezelf, maar ook ik had behoefte aan warmte en liefde. In wezen had God me het recht op eigenbelang afgenomen, of in ieder geval had hij er een boel consequenties aan opgehangen. Wanneer ik ook maar één seconde aan mezelf dacht, kon God iemand waarvan ik hield dood laten vallen. Mijn egoïsme was me tot mijn grootste vijand gemaakt.
Hij bleef stil, een hele tijd. Zodra ik op durfde te kijken, zag ik de bezorgdheid in zijn ogen, die tedere blik waarmee hij me al een miljoen keer bekeken had. Ik realiseerde me plotseling hoezeer hij me deed denken aan vroeger, aan de Bill waarop ik ooit verliefd geworden was en ik was zo blij dat opnieuw in hem te kunnen ontdekken. De harde trekken hadden opnieuw plaatsgemaakt voor zachte lijnen, de spieren in zijn gezicht waren ontspannen. Ondanks alles leek hij gelukkig te zijn. Hij maakte een kleine doch gracieuze beweging met zijn hoofd die ik interpreteerde als een stille uitnodiging bij hem te komen zitten. Ik hoefde er niet lang over na te denken voordat ik bij hem op het bed klom en me door hem in de armen liet sluiten. Wanneer ik hem nodig had – of in ieder geval wanneer ik had gevóél had dat ik hem nodig had, verdween al het rationele in mij en kon ik alleen nog maar denken aan mezelf. Ik wilde zijn liefde voelen en dat was waar het om ging.
Hij dwong mijn hoofd teder op zijn schouder en ik snoof zijn vertrouwde geur op. Vanille. Het overweldigde me zo zeer dat ik er nog harder van begon te huilen. Het feit dat ik plotseling weer zo dichtbij hem was, kwam op de één of andere manier keihard aan; hij hield van me en dat kon ik niet bevatten. Er was zoveel fout gegaan, zoveel verkeerd begrepen. Als we elkaar ook maar één keer hadden opgebeld om het uit te praten, dan was hij nooit in het ziekenhuis terecht gekomen. Ik had hem voor zoveel dingen kunnen behoeden.
“Het mooie aan het verleden is dat het voorbij is,” fluisterde hij sussend. “Niet meer aan denken. Nooit meer.”
Ik schudde mijn hoofd tegen het zachte katoen van zijn shirt, klemde mijn hand om zijn dunne onderarm. Zijn vingers gleden stilletjes door mijn haar, met kalmerende slagen die het besef van tijd uit mijn hoofd leken te verjagen. Ik had het gevoel dat we verstild waren in de tijd die normaal gesproken zo razendsnel voorbij ging, dat de film van ons leven een moment op pauze was gezet zodat wij de kans kregen onze zaken op orde konden krijgen.
“Het is nooit voorbij,” antwoordde ik gesmoord. Het zou ook nooit voorbij zijn. God zou mij voor eeuwig blijven achtervolgen – dat was een ding dat zeker was – maar ik had de mogelijkheid de rest te sparen. Als ik zou vertrekken. Nooit eerder was ik zo overtuigd geweest van het feit dat ik weg moest, van het feit dat ik de wereld om me heen kon verbeteren door haar van mezelf te ontdoen. Ik durfde het alleen niet. Ik wist dat ik moest vertrekken, maar had geen idee waarheen ik zou moeten gaan, of hoe ik dat zou moeten doen. Bovendien durfde ik niet in mijn eentje. Ik was zo vreselijk bang alleen te moeten zijn.
Eeuwenlang hield hij me vast, me alle warmte gevend die hij bezat en al was dat niet veel, zo voelde het wel. Op een gegeven moment stopte ik met huilen, had ik me ontdaan van de emoties die ik bezat. Ze waren slechts nog onderhuids aanwezig. Ergens wist ik dat ik bang was, dat ik verdriet had, berouw, dat ik schuldig was, maar ik voelde het niet zo sterk als even daarvoor. Er was enkel kalmte en rust. Door al het wit in de kleine ruimte had ik het gevoel dat ik in de hemel was en ondanks dat ik letterlijk doodsbang was voor de dood, voelde het prettig. Als ik maar met hem was, dan maakte het niet uit waar ik zou zijn. Zelfs de piepjes die weergaven hoe rustig Bills hartslag was, klonken vredig in het mystieke donker van de witte ruimte. De schemering was verdwenen – in plaats daarvan bedekte een deken van duisternis alles om ons heen. Alles was zo volmaakt, plotseling, alsof er niets was dat ons nog zou kunnen deren in ons hele leven – alsof God niet bestond. Het leek alsof we samen weggevlogen waren naar een wereld die zoveel mooier was dan de onze.
“Laten we samen wegrennen,” fluisterde hij zacht en schor. “Tot ergens achter het einde van de wereld. Dan blijven we daar zitten terwijl alles achter ons afbreekt en we gaan nooit meer weg.”
Ik keek verbaasd naar hem op. Er ging vreselijk veel door mijn hoofd op dat moment – ik had ook geen idee wat ik moest antwoorden. Aan de ene kant wilde ik dat hij met me mee zou gaan, want ik durfde niet alleen weg, maar aan de andere kant was Bill juist de reden dat ik weg wilde gaan. Ik wilde hem geen pijn doen. Wanneer hij bij me zou blijven, zou ik voor eeuwig van hem blijven houden en was hij Gods meest duidelijke doelwit. Ik wilde niet dat hem ooit nog iets zou overkomen. Hij had genoeg gehad voor de rest van zijn leven. Het enige dat ik hem nog gunde, was rust, vrede en geluk. Op dat moment, toen ik hem diep in zijn donkerbruine ogen keek, zag ik echter dat hij nooit gelukkig zou kunnen worden zonder mij. Plotseling besefte ik me dat hij me zou volgen, waar ik ook zou gaan. Als ik in mijn eentje zou vertrekken, zou hij me net zo lang zoeken tot hij me gevonden had, al zou ik hem zeggen dat hij dat niet moest doen. Als ik in mijn eentje zou vertrekken, zou hij nooit rust, vrede en geluk kunnen vinden. Het drong tot me door dat het beter was wanneer we bij elkaar zouden blijven, voor altijd en eeuwig, tot God ons uiteindelijk zou scheiden.
Seconden lang bleven we elkaar aankijken, net zolang totdat ik er zeker van was dat hij wist wat ik van zijn voorstel vond. Hij glimlachte sereen, zichtbaar blij met die beslissing, maar ook min of meer onzeker, alsof hij niet zeker wist of hij wel het goede deed. Hij zou zo verschrikkelijk veel achter moeten laten – Tom, zijn moeder, de band – maar hoe lang ik ook wachtte, hij kwam niet op zijn besluit terug. In plaats daarvan drukte hij zijn mond op die van mij en bezegelde hij de belofte dat we samen zouden vertrekken, zodra de tijd daar rijp voor was. Ik wilde hem zo verschrikkelijk graag zeggen hoezeer ik het waardeerde dat hij met me meeging, hoeveel ik van hem hield, maar daar had ik geen woorden voor nodig.
Nadat we ons lot hadden vastgelegd, bleven we ontzettend lang stil. De stilte was echter niet vervelend – eerder prettig, alsof het een warme deken was die ons beide omvatte. Ik lag tegen hem aan, met mijn armen om zijn fragiele lichaam heen geslagen, zijn geur opsnuivend totdat ik er zo aan gewend raakte dat ik de vanille niet meer rook. Ik voelde me op dat moment intiemer met hem dan ik me ooit met hem gevoeld had. We waren één persoon, één ziel – we zouden nooit meer uit elkaar gaan. Ik had het gevoel dat zelfs God ons niet meer zou scheiden, dat we hem te snel af zouden zijn, omdat liefde sterker was dan iedere andere macht in het universum. En al zou God ons scheiden, dan nog zouden we elkaar ooit weer tegenkomen, in de hemel of waar dan ook, zodat we tot in de eeuwigheid van dagen en nog veel langer bij elkaar zouden kunnen zijn.
“Trouw met me.”
Het klonk zo zacht dat ik me afvroeg of het wel gezegd was. Toen ik opkeek, zag ik echter dat dat wel zo was. De blik in zijn ogen was zachter dan ik ooit meegemaakt had, de strelende aanraking van zijn vingertoppen op mijn lippen veelzeggender dan alle woorden in de hele wereld. Ik had opnieuw geen idee wat ik hem moest zeggen. Zelfs een miljoen ja’s zouden niet kunnen uitdrukken hoe graag ik me voor altijd aan hem zou willen binden. We waren nog jong, maar ik wist zeker dat we tot aan het eind van alle tijd bij elkaar zouden blijven. Sinds we elkaar gevonden hadden, kon ik me niet voorstellen dat we elkaar ooit nog los zouden kunnen laten. We hoorden bij elkaar en zulke dingen veranderden nooit, hoeveel tijd er ook verstreek.
Geleid door de stilte streelde ik de huid van zijn gezicht, streek ik een aantal plukken haar uit zijn gezicht en liet ik mijn vingertoppen over zijn volle lippen gaan. Natuurlijk zou ik met hem trouwen – daar had ik nooit over na hoeven denken. Hij was alles wat ik was, alles wat ik wilde en alles waar ik niet zonder kon leven. Het was zo vanzelfsprekend dat het bijna magisch was.
Ik pakte zijn hand.