Deel 3


Lieve Sa,

Ik heb een woning. Een appartementje in een gigantisch gebouw ergens in een buitenwijk van Magdeburg. Het is geweldig ruim en ik heb er niets aan hoeven doen: de vrouw die er voor mij in woonde, heeft al haar prachtige meubels laten staan en echt, Sa, je zou het moeten zien. De vloer is van prachtig eikenhout, de meubels zijn van strak en zwart leer en ik ben simpelweg verliefd op de eettafel, die van een donker soort natuursteen gemaakt is. Als ik uit het raam kijk, langs de zwarte gordijnen, kan ik heel de stad overzien en dan herinner ik me dat hoewel ik nu alleen ben, ik vrijheid heb. Ik ben vrij om te gaan en te staan waar ik wil, want ik heb niemand om rekening mee te houden. Aan de ene kant is dat geweldig, aan de andere kant vind ik het eng. Ik heb in Japan genoeg vrijheid gehad en nu wil ik weer samen met iemand zijn.
Het enige dat me nu nog stoort, is dat ik niet blij wil zijn met iets waar Nathalia voor gezorgd heeft. Ze heeft ontzettend haar best gedaan om dit voor me te regelen en dat bekent dus dat ik haar dankbaar moet zijn - wat ik helemaal niet wil. Ik wil dat zij mij haat, zodat ik een reden heb om haar te haten.
Ik heb bovendien ook werk. Mijn collega doet me verschrikkelijk veel aan Liam denken en dat herinnert me eraan dat ik jullie toch wel mis, diep in mijn hart. Toch wil ik nergens liever zijn dan hier, dicht bij mijn vrienden, dicht bij de mensen die veel voor me betekenen. De enige die nog mist in mijn leven, is mijn moeder, maar dat is mijn eigen schuld en er is niets meer te veranderen aan wat er gebeurd is, vroeger. Daar ben ik me van bewust.


Ik vond het verschrikkelijk vreemd om opeens weer in mijn eentje ergens te wonen (hoewel ik niets te klagen had) omdat ik zo het idee had dat ik de enige was in mijn wereldje, dat ik geen vrienden had of zoiets dergelijks. Om dat gevoel een beetje weg te dringen, sprak ik heel veel af met Fleur en Julia zodat we een beetje bij konden praten, maar het bleef bij een aantal oppervlakkige gesprekken waardoor ik het idee kreeg dat ik een buitenstaander was, dat ik hen nog moest leren kennen en dat vond ik griezelig. We hadden zoveel meegemaakt met zijn drietjes en opeens was alles anders. De tijd had zijn werk gedaan.
Mijn weerzien met Nathalia was alles behalve leuk geweest, hoewel dat grotendeels aan mij gelegen had. Zodra ik in Magdeburg uit de trein gestapt was, had ze me begroet alsof ik haar lang verloren dochter geweest was of zoiets en in de auto (ja, ze had een auto. En nog een dure ook) had ze de hele tijd ‘gezellig’ tegen me aan lopen praten over hoe fijn ze het voor mij vond dat ik weer terug was en dat ze wist hoezeer Bill me gemist had. Goed, bij dat laatste had ik van binnen wel een heel gelukkig gevoel gekregen, maar voor de rest vond ik het geen pretje.
Meteen die avond had ik de bakkerij opgebeld om te zeggen dat ik zo gauw mogelijk kon komen werken. Heinrich Kerner (dat keer had ik het wel goed kunnen verstaan) had enthousiast gereageerd en gezegd dat het misschien beter was als ik maandag zou komen omdat het dan minder druk zou zijn en Justin de tijd en ruimte zou hebben om me in te werken. Ik had me de ogen uit mijn hoofd geschaamd toen ik besefte dat ik geen idee had wat voor dag het was, maar hij stelde me op mijn gemak door te lachen toen ik het hem gegeneerd vroeg. Het was zaterdag.
Twee dagen later liep ik om zeven uur ’s morgens vers gedoucht en opgemaakt door de nog rustige straten van de stad die me deed denken aan vroeger, toen alles nog normaal geweest was. Ik dacht aan Fleur, die in tegenstelling tot vroeger geobsedeerd leek door alles wat met haar school te maken had en ik dacht aan Julia, die helemaal niets meer belangrijk leek te vinden. Ik begreep niet wat er met haar aan de hand was, zo doods als ze deed, en ik kon gewoon geen grip op haar krijgen. Telkens als ik dacht een gesprek met haar te kunnen beginnen, glipte die hoop weer uit mijn vingers doordat ze zweeg of een opmerking plaatste waarop ik niet kon reageren. Ik vroeg me af of iemand het wel gezien had, want niemand leek moeite te doen om haar op te vrolijken, maar dat was bijna onmogelijk. Iedereen kon van afstand zien dat Julia niet meer de Julia van vroeger was.
Het was een koude dag en ik dook wat verder in mijn kraag toen ik een paar kleine druppeltjes op mijn gezicht voelde spatten. Het leek alsof het weer mijn stemming deelde, alsof de hemel de aarde hulde in de grijze deken die ook mijn gevoelens omhulde. Alles was grauw. De sfeer drukte op me en hoewel ik alles het liefst wilde vergeten, liet de wereld dat niet toe. Met alles wat ik deed werd ik herinnerd aan vroeger en aan de toekomst, aan alles wat er was mis gegaan en wat er nog mis zou kunnen gaan. Het was een hel.
Toen ik meer druppels op mijn gezicht voelde vallen, begon ik min of meer te rennen, mijn kleine hakjes tikkend op de keien van het wegdek. Ik kwam net op tijd binnen in de bakkerij: toen ik de deur sloot, brak de hemel open en begonnen de even daarvoor nog schattige druppeltjes gevaarlijk hard tegen het glas te beuken. Ik was bang dat het glas zou breken, zo hard als het geluid klonk, maar voelde me toch prettig veilig in de warme bakkerij, waar het rook naar versgebakken brood en zoetigheid.
“Goedemorgen,” hoorde ik een vriendelijke stem achter me zeggen, nog voordat ik eenmaal de winkel in had gekeken - ik was immers nog te opgelucht om het feit dat het uur opmaken niet opeens ongedaan gemaakt was door die hoosbui. Ik keek verschrikt om en zag dat Justin bezig was met het vullen van de ruimte onder de toonbank, waar hij de heerlijkste broodjes in verspreidde. Net toen ik hem een goedemorgen terug wilde wensen, liep hij naar achteren en hoorde ik hem iets roepen dat op “Heinrich! Ze is er!” leek. Ik ritste mijn jas open en liet hem van mijn schouders glijden terwijl ik de winkel afspeurde naar nog wat andere eventuele collega’s, maar er was niemand behalve ik. Mijn blik gleed onwillekeurig naar het tafeltje waar Bill en ik een aantal weken eerder nog gezeten hadden en ik herbeleefde het moment waarop hij me mijn gitaar had gegeven. Gelukkig kwam Justin al gauw weer terug met de persoon wie Heinrich Kerner moest zijn, want ik voelde mezelf al emotioneel worden en het was niet de bedoeling dat ik zou gaan staan huilen op mijn eerste werkdag.
“Jij moet Maren zijn,” riep hij uit terwijl hij met uitgestoken hand op me afkwam. Ik schudde zijn hand beleefd, min of meer walgend omdat zijn vingers glibberig waren van het zweet en ik hoopte maar dat het niet opviel dat ik mijn hand afveegde aan mijn broek zodra hij zich omdraaide naar Justin.
“Wij hebben elkaar al ontmoet,” zei Justin net toen Heinrich een hap adem nam om ons aan elkaar voor te stellen. “Ze heeft het formulier van mij gekregen.”
Ik glimlachte, knikte en het viel me op dat toen ik hem in de ogen keek, ik net zo’n flikkering zag als ik de eerste keer bij Bill gezien had. We trokken onze blikken los van elkaar toen Heinrich het woord weer nam en verkondigde dat hij nog ‘een paar dingetjes moest doen,’ wat me deed vermoeden dat de beste man niet echt een harde werker was en dat hij vermoedelijk de hele dag zou gaan zitten roken - want ik kon ruiken dat hij dat deed. Hij gaf Liam een harde mep op zijn schouder terwijl hij hem succes wenste en verdween daarna door de deur die vermoedelijk naar de personeelsruimte leidde. Ik staarde hem na, geïmponeerd door zijn kale hoofd en dikke nek, totdat hij uit mijn zicht verdwenen was.
Justin bood me aan mijn jas aan te nemen, welke ik daarbij over de balie moest tillen omdat ik nog aan de ene kant stond en hij aan de ander. Toen hij naar achteren liep, achter Heinrich aan, en uit mijn zicht verdween, liep ik om de balie heen zodat ik aan dezelfde kant als hij uitkwam. Al gauw kwam hij weer terug, zonder mijn jas, en begon hij me in alle rust en kalmte vertellen waar alles stond, hoe ik broodjes moest smeren, welke naam welke broodjes hadden en hoe de kassa werkte. Ik probeerde alles te onthouden, maar gelukkig zei hij - net zoals Liam een half jaar eerder - dat ik niet alles hoefde te onthouden omdat hij er die dag nog voor me zou zijn voor het geval ik het niet meer zou weten of zoiets.
Toen de eerste paar klanten binnendruppelden, haalde hij een shirt voor me dat van donkerblauw katoen was en waarop het zelfde logootje prijkte als op de pen, de servetten en het uithangbord boven de deur. Het was minstens zo groot als de shirts die Tom altijd droeg, maar blijkbaar was het de laatste en Justin beloofde dat hij een kleiner exemplaar voor me zou regelen zodra Heinrich weer terug zou komen. Ik kreeg eveneens van hem te horen dat ik mijn haar in een staart moest doen omdat dat hygiënischer was of zoiets (ik voelde me even beledigd - zag mijn haar er soms vies uit?) en dus deed ik dat maar, voordat hij me aan het werk zette en mijn eerste werkdag officieel begonnen was.
Ik merkte al gauw dat ik Justin aardig vond. Hij zag er niet alleen vrolijk en gezellig uit, want zijn karakter was precies het zelfde en hij had het vermogen mij mee te slepen in zijn enthousiasme. Hij had een vlotte babbel en hoewel ik me daar af en toe aan kon irriteren, bij sommige mensen, was dat bij Justin totaal niet het geval. Hij leek een beetje op Liam, ook in zijn karakter, maar was wat minder opdringerig en pushend in zijn vragen. We spraken over heel normale dingen terwijl we de eerste paar mensen hielpen. Hij vertelde me na een aantal uur dat zijn ouders gescheiden waren en toen hij vroeg of mijn ouders nog bij elkaar waren, haalde ik mijn schouders op en vertelde hem dat ik daar liever niet over praatte. Hij glimlachte kleintjes en zweeg daarna.
We waren daarna een poosje stil. Ik was bang dat ik hem boos gemaakt had door niet te antwoorden, maar toen ik hem later vroeg of hij nog op school zat, bleek dat totaal niet zo te zijn. Hij had waarschijnlijk enkel gedacht dat ik niet meer wilde praten. Hij vertelde dat hij op dezelfde school gezeten had als Georg en dat hij tegenwoordig zes dagen per week in de bakkerij werkte, net zoveel als ik zou werken omdat ik anders mijn huur niet kon betalen. Mijn eerste intentie was om hem te vragen of hij Georg misschien gekend had, maar ik trok de conclusie dat het beter zou zijn om te zwijgen, uit voorzorg. Ik wist dat Justin best te vertrouwen was - dat was in ieder geval de uitstraling die hij had - maar het was beter van niet. Ik kende hem ten slotte nog maar vijf uur.
Rond het middaguur kwamen er twee andere medewerkers binnen (ik herkende hen aan hun shirt) en zo hadden Justin en ik de tijd om even een pauze te nemen. Hij vroeg me of ik met hem mee ging naar buiten, wat ik goed vond omdat ik toch verder niemand kende en ik volgde hem de winkelstraat in nadat hij mijn jas voor me gehaald had. Hij haalde een pakje sigaretten uit zijn broekzak en bood er mij eerst één aan (ik sloeg het aanbod af) voordat hij er zelf één nam.
De straat was al veel drukker dan om zeven uur ’s morgens, wat waarschijnlijk kwam doordat het weer was gestopt met regenen. Het was vrij lekker weer en hoewel het maandag was, zagen we toch veel mensen winkelen. Ik probeerde me te bedenken of het misschien een feestdag was die dag, een dag waardoor alle scholen vrij hadden, maar er schoot me niets te binnen. Ik zette mijn kraag overeind en sloeg mijn armen over elkaar om mezelf warm te houden, wat maar deels lukte.
“Waar kan ik de naam Meyer van kennen?” vroeg Justin na zijn sigaret aangestoken te hebben en diep geïnhaleerd te hebben. Ik was gefixeerd op de rook die van het brandende puntje naar boven kringelde, zoals ik dat ook altijd deed als ik Bill zag roken. Ik antwoordde schouderophalend dat ik geen idee had en ik keek hem in zijn lichtbruine ogen. Hij had de ogen als die van een leeuw, zo lichtbruin dat het bijna geel was en het feit dat zijn haar springerig rond zijn gezicht geknipt was, maakte dat hij nog meer op een leeuw leek. Zijn ogen hadden het vermogen te hypnotiseren, maar niet zoals Bills ogen dat konden. Het was wonderbaarlijk.
“Waar zou je het van moeten kennen dan?” vroeg ik hem na een tijdje stilte, terwijl ik hem aankeek en in die beweging mijn pony uit mijn ogen wierp. Hij haalde zijn schouders op en nam een trekje van zijn sigaret, hield de rook even en blies toen uit, waarbij hij - anders dan Bill - zijn ogen open hield en niets van ontspanning op zijn gezicht kreeg. Voor hem leek roken niet echt iets ontspannends te zijn, maar iets dat hij uit verveling deed, gewoon om het te doen.
“Ik weet het niet,” antwoordde hij. “Ik ken het gewoon ergens van.”
We keken beide recht vooruit en ik besefte dat ik niets meer had om te zeggen. Mijn gedachten dwaalden een beetje af naar Bill en ik bedacht me dat de stiltes tussen Bill en mij heel anders waren dan die tussen Justin en mij. Bij Justin had ik het gevoel dat ik iets móést zeggen, want ik voelde me niet echt ontspannen bij hem als het stil was, maar dat was gewoon omdat ik hem toen nog maar net kende. Later werd dat minder en voelde ik me echt comfortabel bij hem, dan kon hij me op mijn gemak stellen en dat was af en toe gewoon wat ik nodig had, met alle chaos en hectiek die me nog in zijn greep zou krijgen. Het is achteraf grappig om te zien dat ik toen nog niet wist wat voor een rol Justin in mijn leven zou gaan spelen. Natuurlijk had ik wel het gevoel dat we vrienden zouden worden, maar vriendschap bestond in vele soorten en maten en ik had geen idee in welke vorm wij dat van ons zouden gieten. Justin was op dat moment nog gewoon Justin, maar hij zou nog een veel grotere rol in mijn leven gaan spelen.

Ik kon het heel goed met Justin vinden. We kenden elkaar dan nog wel niet zo heel lang, maar we konden goed met elkaar praten en dat was wat ik soms nodig had. Natuurlijk kon ik ook goed met Bill praten, daar kon geen twijfel over bestaan, maar soms was het ook fijn om met een objectief iemand over mezelf te praten en mezelf eens vanuit een ander opzicht te zien. Na sluitingstijd waren we al een aantal keer samen blijven zitten, in het donker, wat koffie drinkend (ik lust niet eens koffie) en dan hadden we het gewoon over dingen die ons bezighielden. Eerst voelde het nogal ongemakkelijk en wilde ik niet teveel over mezelf kwijt, maar al na drie avonden vervaagde dat en gaf ik steeds meer van mezelf. Ik had hem zelfs al verteld over mijn ouders en dat mijn moeder overleden was en ook al vertelde ik hem niet waardoor en hoe, het voelde toch als een grote stap voor mij. Over Bill vertelde ik ook, al hield ik het vaag en vertelde ik niet veel, mede doordat ik doorhad dat hij het niet leuk vond om over hem te praten. Eerlijk gezegd had ik het liever ook niet. Justin zei dat hij aan me kon zien dat ik bang was, al begreep ik niet waar ik bang voor zou moeten zijn. Soms was hij net een therapeut, of een psycholoog. Het was apart.
Op zaterdagavond zou Bill naar Magdeburg komen en zodoende kon ik die avond geen koffie blijven drinken met Justin. Toen hij me koffie aangeboden had en gezegd had dat ik er vandoor moest, had hij me een beetje triestig aangekeken, gezegd dat hij het jammer vond en me vervolgens een prettig weekend met ‘mijn vriend’ toegewenst. Er beviel me iets niet aan de toon waarop hij dat zei en dat maakte me een beetje achterdochtig. Ik vroeg me af of hij misschien wist wie Bill was, of hij misschien iets uit mijn verhalen op had weten te maken. Zonder die gedachte uit te spreken, ging ik op zoek naar mijn jas om er bij terugkomst achter te komen dat het regende buiten. Meteen voelde ik hoe de moed me in de schoenen zakte: als ik door die bui naar het busstation zou moeten lopen, zou ik aankomen als een verzopen kat en dat zou alles behalve elegant staan, tegenover Bill.
“Zal ik je even naar huis brengen?” hoorde ik Justin vragen, achter me. Ik draaide me snel om, geschrokken door die plotselinge uitspraak, en glimlachte daarna.
“Ik moet naar het busstation,” zei ik verzuchtend, nogmaals een blik naar buiten werpend om te zien of er niet misschien al ergens blauwe lucht aan kwam waaien, wat jammer genoeg niet zo was. “Hij komt met de bus, vanuit Loitsche…”
“Loitsche?” vroeg hij zich hardop af. “Waar ligt dat in Gods-”
Het laatste deel van zijn zin ging verloren in een donderklap die het raam waar ik vlakbij stond deed trillen. Ik schrok achteruit en verloor bijna mijn evenwicht, maar kon mezelf in balans houden zodat het niet nodig zou zijn dat Justin me op zou vangen of zoiets, wat zeker weten gebeurd zou zijn als ik in een film gespeeld zou hebben.
“Ja, ik breng je even: het is niet veilig buiten,” zei hij vastbesloten. Hij zei dat ik mee moest komen en dat we via de achterdeur naar buiten zouden gaan, want daar stond zijn scooter. Zonder na te denken deed ik wat hij zei, want ik vertrouwde hem ten slotte, ook al kende ik hem nog maar zo kort. Er ging iets van hem uit dat me gerust stelde en me zei dat ik gewoon met hem mee kon gaan, dat hij niet gevaarlijk was of zoiets. Ik liep achter hem aan naar achteren, pakte mijn jas van de kapstok en zei Heinrich - die in de kantine zat - gedag. Hij stak zijn hand op zonder zijn blik van de krant af te wenden en rookte onverstoord zijn sigaret.
Justin trok de capuchon van zijn trui over zijn hoofd heen voordat hij zijn bruinleren jack aantrok en de deur naar buiten open deed. Onmiddellijk bereikte het geluid van vallende regendruppels mijn oren en toen ik in de deuropening bleef staan terwijl Justin zijn scooter van het slot haalde, had ik voor mezelf de conclusie al getrokken dat ik de overtocht nooit droog zou gaan maken. Het hoosde, regende pijpenstelen en waaide bovendien stevig. Zelfs een roestvrijstalen paraplu met windscherm zou niet helpen op zo’n moment. Ik ging pas naar buiten toen hij me wenkte en hij zijn helm over zijn hoofd liet zakken. De verfijning waarmee hij dat deed, deed me denken aan een film waarin zo’n knappe ridder sierlijk zijn helm had opgezet en daarna al net zo sierlijk op zijn paard gestapt was om zijn jonkvrouw (of zoiets) in veiligheid te brengen. In dit geval was de scooter het paard en ik - ja, ik denk dat ik dan de jonkvrouw was.
Vijf minuten later scheurden we samen door de regen. Ik had mijn hoofd tegen zijn rug gedrukt en mijn armen stevig om hem heen geslagen, ten eerste omdat mijn make-up dan niet uit zou lopen en ten tweede omdat ik al vaker gemerkt had dat ik doodsbang was in het verkeer sinds mijn moeder was doodgereden door een vent in een vrachtwagen. Het feit dat ik geen helm op had, droeg daar ook aan bij. Justin had slechts één helm bij gehad, maar had me toch over weten te halen op te stappen door te zeggen dat hij goed kon rijden en ik hem gewoon stevig vast moet houden. Door zijn betrouwbare uitstraling had ik hem geloofd en was ik opgestapt, maar toen ik eenmaal zo achterop zat, wenste ik dat ik gewoon was gaan lopen. Ik was doodsbang om aangereden te worden en het zou me niet verbazen als ik getrild had van angst op dat moment. Ik durfde niet op of om te kijken en hield me gewoon krampachtig vast, hield mijn ogen stijf gesloten en weigerde iets van de buitenwereld in me op te nemen. Ik negeerde het geluid van scooters, auto’s en de regen en probeerde mijn angst de baas te worden. God kon me niets maken op dat moment, want ik hield al net zo min van Justin als dat ik van mezelf hield.
Het was alweer voorbij voordat ik er erg in had. De scooter minderde vaart en kwam uiteindelijk tot stilstand, waarna ik mijn hoofd op durfde te lichten en keek waar we eigenlijk waren. Het eerste waar mijn blik op viel, was Bill, die neergezakt was op een bankje in een bushokje, zodat hij droog zat. Hij had zijn lange benen voor zich uitgestrekt, zijn tas voor zijn voeten gezet en hij staarde naar de grond, want hem breekbaar maakte. Zodra hij mij en Justin in het zicht kreeg, keek hij op en plakte hij een brede grijns op zijn gezicht. Ik grijnsde terug en wist niet hoe snel ik van de scooter af moest springen, zo blij als ik was om hem te zien. Snel stormde ik naar hem toe en viel hem om de hals, om zijn mond daarna te verwarmen met die van mij. Ik voelde me nogal opgelaten omdat Justin erbij was en wilde liefs dat hij gewoon weg zou rijden, maar hij bleef en stapte zelfs af.
Toen Bill en ik elkaar min of meer losgelaten hadden (onze hoofden waren meer dan tien centimeter van elkaar verwijderd - dat zag ik wel als ‘loslaten’) kwam Justin iets dichterbij en zette hij zijn helm af. Ik zag hoe Bill hem van top tot teen bekeek, zo onopvallend dat het Justin waarschijnlijk niet eens opviel, en dat hij daarna een bedenkelijke uitdrukking op zijn gezicht kreeg.
“Ik ben Justin,” zei hij, en hij stak zijn hand uit, die Bill met nog steeds die uitdrukking op zijn volmaakte gezicht schudde. “Ik dacht - ik zal haar maar even brengen, door de regen.”
Het schoot door me heen dat het misschien beleefd van Bill geweest zou zijn om hem te bedanken en te zeggen dat hij het waardeerde dat hij zijn vriendin door de stromende regen en het denderende onweer gebracht had, maar dat deed hij niet. Hij schudde de hand afwezig en maakte een diep oogcontact met hem waarin hij hetzelfde spelletje speelde als ik hem al zo vaak met Georg had zien doen: hij maakte duidelijk wie er de baas was en met wie hij te maken had. De uitdrukking op zijn gezicht versmolt daarna naar een iets vriendelijkere en hij glimlachte zelfs - wat de angst dat Justin Bill misschien een eikel zou vinden de kop in drukte.
“Aiden,” zei hij slechts, waarvan ik wist dat het zijn schuilnaam was. “Dankjewel.”
Ik glunderde toen hij dat laatste woord over zijn lippen liet komen, ook al wist ik niet zeker of hij het echt meende of niet. Hij zei het zo lief dat mijn hart er gewoon van smolt en ik keek Justin aan met een grijns op mijn gezicht. Ik wilde hem liefs iets zeggen als ‘zie je wel dat hij lief is’ of zoiets, maar de jongen in kwestie stond er zelf bij en ik wist dat hij het niet zou waarderen als ik het zou doen. Het zou klinken als een onderonsje van Justin en mij en dat stelde hij nu eenmaal niet zo op prijs.
“Ach, ik doe het graag,” zei hij zonder het oogcontact met mij te verbreken. Daarna wendde hij echter zijn ogen af en keek Bill weer aan met een blik in zijn ogen waarvan ik wist dat ze waarschijnlijk nooit vrienden zouden worden, maar dat er geen tweede Georg-conflict zou ontstaan. “Maar hé, ik moet er vandoor. Veel plezier samen.”
Ik glimlachte en bedankte hem, wenste hem een prettig weekend en zei dat ik hem misschien nog wel zou zien, tijdens het uitgaan of zoiets. Hij antwoordde dat die kans klein was omdat er allerlei vrienden van zijn ouders zouden komen ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van zijn moeder en dat hij min of meer verplicht was om thuis te blijven. Daarna zette hij zijn helm op, zei dat hij me maandag wel weer zou zien en scheurde daarna weg. Ik kon me bijna niet voorstellen dat ik even geleden nog achterop dat gevaarte gezeten had.
Toen hij uit het zicht verdwenen was, wendde ik me weer tot Bill, die zijn telefoon uit de zak van zijn donkerblauwe jeans pakte. Hij zag mijn vragende blik en gaf me nog een kus, waarbij hij me zo ver achteruit drukte dat ik op een gegeven moment gesandwiched was tussen de wand van het bushokje en het lichaam van Bill, dat hij stevig tegen me aandrukte en zo een ongekende warmte door mijn lichaam joeg. Ik voelde dat ik naar hem verlangde, min of meer, maar dat ik nog steeds bang was hem te dichtbij te laten komen. Het schoot door me heen dat Justin dat misschien wel bedoeld had met dat hij aan mij kon zien dat ik bang was. Misschien scheen mijn angst zo door dat zelfs hij het gezien had.
“Hij nam te weinig verantwoordelijkheid,” zei hij zacht, zijn gezicht heel dicht bij het mijne. Ik kon de kleine waterdruppeltjes die aan zijn wimpers plakten zien en voelde zijn warme adem weerkaatsen op mijn koele huid.
“Wie?” vroeg ik hem, ook al wist ik donders goed op wie hij doelde.
“Justin,” antwoordde hij. “Het was onverantwoordelijk van hem om jou zonder helm mee achterop te nemen - je weet wel, door de stad, met die gladde wegen. Eigenlijk snap ik het ook niet van jou…”
Ik keek hem niet begrijpend aan, waarbij ik zo ongeveer mijn hoofd in mijn nek moest leggen om hem aan te kunnen kijken. Ik kon een soort bezorgdheid in zijn blik ontdekken, een soort van glinstering in zijn ogen die ik niet heel veel vaker gezien had. Het leek een beetje op angst, ging in ieder geval verder dan nervositeit of gespannenheid, maar ik had geen idee waardoor dat kwam. Hij was blijkbaar bang, net als ik, maar ook van hem had ik geen idee waarvoor.
“Hoe bedoel je?” vroeg ik hem, en liet mijn handen afglijden naar zijn heupen, waar een klein strookje huid naakt gebleven was. Met mijn vingertoppen ging ik er zachtjes langs, starend naar zijn gezicht om te zien of ik een reactie kon losmaken, maar hij reageerde niet echt.
“Nou,” begon hij. “Na wat er met je moeder gebeurd is, had ik gedacht dat je wel wat voorzichtiger zou zijn met - nou, ja, je weet wel! Na al dat gedoe vind ik het gewoon dom van je dat je het risico nog neemt. Stel je voor dat er wat gebeurd was - ik bedoel, dan was je wel bij haar maar - je weet wel, Maren!”
Bij die laatste paar woorden greep hij me bij mijn bovenarmen, alsof hij me zo duidelijk wilde maken wat hij precies of ongeveer bedoelde, maar ik had het al lang begrepen en besefte dat hij gelijk had. Ik voelde tranen opkomen, maar vocht ze dapper terug en liet mijn voorhoofd tegen zijn borst leunen. Hij sloeg direct zijn armen om me heen, als in een impuls, terwijl ik zachtjes de hele tijd sorry fluisterde, zo zacht dat ik zeker wist dat hij het niet kon horen.
Hij zei heel zachtjes dat hij me gewoon niet kwijt wilde, en pas besefte ik echt hoe dom ik geweest was. Ik had zeker geweten dat God me niets aan zou doen, maar er had zoveel meer fout kunnen gaan dan alleen dat, dingen waar Hij niets aan had kunnen doen omdat hij met andere dingen bezig geweest was. Ik besefte me dat ik op dat moment al niet meer in leven had kunnen zijn, en dat enkel omdat ik niet als een verzopen kat bij het busstation aan had willen komen. Het was misschien overdreven om doodsbang te zijn op een scooter, maar het was min of meer terecht geweest omdat ik nu eenmaal meer risico liep dan ieder ander. De andere mensen hadden God dan misschien niet aan hun zijde, maar ze hadden Hem ook niet tégen hen en dat was iets dat ik niet kon zeggen. Mijn leven was een slagveld en ik moest vechten tegen God - iets dat onmogelijk was.
“Ik bel even een taxi,” fluisterde Bill toen hij me weer los liet, en drukte een nummer in op de telefoon die hij nog steeds in zijn hand gehad had. Ik pakte zijn vrije hand vast en speelde met de ringen om zijn vingers, ging met mijn hand over zijn zijige huid en hoorde hoe hij belde, luisterde naar zijn stem die al net zo zacht was als de huid van zijn handen. Bill was één en al zachtheid.
Ik voelde een soort van vibratie daar in dat bushokje, maar ik had geen idee of het een positieve of negatieve trilling was. Het geluid van de roffelende regen verdoofde mijn oren en het water spatte op mijn schoenen, alsof het me iets wilde duidelijk maken. Ik vroeg me af of ik een stem moest horen door dat harde geluid, of het water dat op mijn schoenen spatte mijn voeten zou gaan leiden of zoiets. Ik vroeg me af of ik een teken van God zou krijgen, ik hoorde niets, geen stem, geen boodschap. Iets voelen deed ik al evenmin. Alles was gewoon grauw, leeg en donker, behalve Bill. Die was zacht, teder, en tevens een lichtpunt in mijn leven. Ik wenste dat hij nooit zou doven.

Diezelfde zaterdagavond gaf ik een soort van feestje in mijn appartementje, met als eerste gelegenheid dat ik blij was dat ik een woning had en met als tweede gelegenheid dat de jongens eens een weekend thuis waren. Ik had in eerste instantie alleen Bill, Tom, Gustav, Georg, Julia en Fleur uitgenodigd, maar ik had het goed gevonden dat Fleur een aantal vrienden van school meenam en ook Nathalia kwam die avond nog opduiken. Eigenlijk was mijn plan geweest Magdeburg in te gaan, maar dat ging niet omdat de jongens gewoon te bekend waren en daar nooit zonder kleerscheuren vandaan zouden kunnen komen. Zodoende bleven we de hele tijd in mijn ‘huis’ en probeerden we het daar gezellig te maken.
Ik had Justin niet uitgenodigd, gewoon omdat ik dacht dat hij er niet echt bij zou passen. Sowieso was het niet bepaald een type voor Georg en Tom, die dan nogal eens lullige opmerkingen konden maken, en ik wilde het niet laten lijken dat ik Bill en Justin dwong om goed met elkaar op te kunnen schieten. Bovendien kende ik hem nog niet lang genoeg en ik zag hem al zes hele dagen in de week. Ik beschouwde het niet echt als ‘nodig’.
De hele avond hield ik Julia een beetje in de gaten. Het viel me op dat hoeveel ze ook dronk, ze toch rustig bleef. Vroeger was het altijd zo geweest dat ze juist uitbundiger werd naarmate ze meer alcohol tot zich nam, maar ze bleef angstaanjagend kalm en doods. Telkens als ze op wilde staan om een zak tijgernootjes of wat dan ook uit mijn inmiddels volgepropte keukenkastjes te gaan halen, sprong Tom snel op om het voor haar te doen, wat ik uiterst vreemd vond. Ik had Tom nooit meegemaakt als een behulpzaam persoon en dus kwam het me voor als iets heel onnatuurlijks. Het hoorde niet bij hem en ik vroeg me af hoe het kwam, wat hem zo veranderd had. Het was onmetelijk vreemd.
Buiten Julia en Tom, had ik ook uiterst veel oog voor Bill en Nathalia, die zichzelf samen in een hoekje van de bank genesteld hadden en uiterst gezellig deden. Bill vertelde dingen waar Nathalia onophoudelijk om moest lachen en hoewel ik het kon accepteren dat hij een beste vriendin had, was ik er niet bepaald blij mee. Van alle mensen die hij had kunnen uitzoeken als beste vriendin, had hij uitgerekend Nathalia uitgekozen en dat was dan ook de reden dat ik me die avond onophoudelijk aan haar ergerde. Haar lach was zo schel dat hij overal bovenuit kwam, zelfs boven het gesprek dat Gustav en Fleur naast me voerden (dat was in al die tijd niet veranderd - eindelijk eens iets dat nog precies het zelfde was als vroeger) en dat zorgde ervoor dat ik binnen een mum van tijd een piepend geluid in mijn oor had dat er met geen mogelijkheid meer uit te krijgen was.
In de hoek van de kamer zaten de studentenvrienden van Fleur, die om de zoveel tijd iets naar haar riepen waarna zij iets terug riep. Na verloop van tijd kapte ze haar gesprek met Gustav af en ging ze bij hen zitten, op de grond. Het was mij al gauw duidelijk dat ze stomdronken waren en ik was als de dood dat ze iets zouden slopen of zoiets, of zouden kotsen - natuurlijk náást de WC zodat ik het de dag daarna allemaal kon gaan opruimen. Het viel me op dat ze erg naar de jongen met het bruine haar toe trok, die met die blauwe ogen en dat ronde hoofd. Ik had geen idee hoe hij heette en gaf hem de naam babyface.
Boven dat alles was er ook nog Georg, die de hele tijd naar me staarde. Ik was al lang blij dat Bill het niet doorhad (die had het te druk met het entertainen van Nathalia) omdat het dan onherroepelijk tot een gevecht gekomen zou zijn met al die alcohol in het spel. Ik voelde me uiterst ongemakkelijk onder zijn blik, alsof hij me de hele tijd in de gaten hield en iedere beweging die ik maakte controleerde. Het maakte dat het gesprek dat Gustav met mij aangeknoopt had nogal stroef verliep, want ik kwam telkens niet uit mijn woorden omdat ik me telkens met Georg bezig hield.
De optelsom van dat alles was dat ik niet zo’n heel leuke avond had, anders dan de rest. Het begon tot me door te dringen dat ik er niet echt meer bij hoorde en dat het heel wat energie van me zou vergen om mezelf weer een weg in de groep te vechten. Nathalia had mijn plaats een beetje overgenomen, de plaats van het derde meisje en de enige plaats die voor mij nog over was, was die van Fleur. Zij spendeerde veel tijd met haar vrienden en liet zo Gustav alleen, die dan maar met mij ging praten. Ik voelde me een soort pion in een spelletje die gewoon heen en weer geschoven werd als hij op een bepaalde plaats niet meer nodig was.
Op een gegeven moment haalde Tom een fles Smirnoff uit mijn koelkast (eigenlijk had Julia hem willen pakken, maar Tom had haar geboden te blijven zitten en was zelf naar de keuken gewaggeld) en stelde hij voor het oude vertrouwde spelletje weer eens te spelen. Hij schonk een limonadeglas vol met drank, haalde de studentenvrienden erbij en legde hen de bedoeling van het spel uit: om beurten kreeg je een moeilijke vraag voor je kiezen, gesteld door degene die voor jou een vraag beantwoord had. Je móést een eerlijk antwoord op de vraag geven - als je niet wilde antwoorden, moest je het glas in één keer opdrinken. Het spel maakte akelige herinneringen bij me los, maar ik besloot toch mee te doen, gewoon omdat ik het wilde.
Veel erg pijnlijke vragen werden er, anders dan de laatste keer dat ik het spel gespeeld had, niet gesteld. Voor mijn gevoel werd het daar enkel maar fijner door. Eigenlijk wilde ik Julia vragen waarom ze zo veranderd was - dat was in ieder geval wat me het meest op het hart lag - maar ik durfde het niet omdat het gewoon zo ongepast was. Georg stelde Nathalia de vraag of ze ooit verliefd was geweest op Bill (tot mijn grote opluchting had ze met ‘nee’ geantwoord) en Fleur vroeg Georg of hij nog iets voor mij voelde (hij had gezegd van niet, maar had me daarna strak aangekeken en dus wist ik zeker dat hij loog). Voor de rest waren alle vragen iets in de trant van ‘hoe vaak masturbeer je per week’ en ‘met hoeveel mensen ben je al naar bed geweest’. Grappig was het feit dat Bill op die vragen achtereenvolgend ‘zes keer’ en ‘één iemand’ antwoordde, terwijl Tom uitkwam op ‘bijna nooit’ en ‘iets meer dan vijftig’. Ik vond het een grappige tegenstelling en het gevolg van die avond was dat Bill van Gustav de bijnaam ‘oude rukker’ toegeschreven kreeg. Ik lachte mee, maar vond het niet écht grappig.
Ik vroeg me af of Bill er erg mee zat dat ik bang was om hem weer zo dicht bij te laten. Het was niet zo dat ik het niet wilde - want ik wilde niets liever dan dicht bij Bill zijn, liefs zo dicht mogelijk - maar het ging gewoon niet en ook al had hij gezegd dat we het rustig aan zouden doen, ik voelde me nog steeds best rot over het feit dát. Ik wist best dat seks niet het belangrijkste was in onze relatie, maar toch vond ik het vervelend. Op de achtergrond hoorde ik een lange monoloog van Georg waarvan de woorden maar half tot me doordrongen omdat ik zo diep in gedachten verzonken waren. Ik hoorde zijn stem, maar kon niet volgen waar het over ging. Enkel de woorden 'Tom,' 'Groupies' en 'Kamer 483' bereikten mijn gehoororgaan.
Ik werd uit mijn peinzen gehaald toen Fleur op haar horloge keek, opsprong en mededeelde dat ze naar het busstation moest gaan rennen omdat ze anders haar bus naar huis zou missen en dan gedoemd zou zijn omdat het de laatste van die nacht was. Toen ze in gevecht stond met haar jas (ze wist niet meer wat de voor- achter- boven- en onderkant was en de mouwen wilden niet echt meewerken) bood Tom aan haar naar huis te brengen, wat ze maar al te graag aannam.
“Ik moet er ook maar eens vandoor,” verzuchtte Julia direct toen Tom ook zijn jas ging pakken. Het was de eerste keer die avond dat ik haar hoorde spreken. Ze kwam vermoeid en dronken op me afgestrompeld, gaf me drie koude kussen op mijn wangen en verdween na de rest ook min of meer gedag gezegd te hebben achter Tom en Fleur aan de deur door. De huid van mijn wangen voelden opeens bevroren aan en ik vroeg me voor de triljoenste keer af hoe het kwam dat Julia zo verbitterd geworden was. Ze was vroeger altijd zo warm en hartelijk geweest, maar was veranderd in een koud en kil persoon. Het was bijna eng.
De mensen die overbleven (Bill, Nathalia, Georg, Gustav, de studenten en ik) gingen gewoon door met het spel, maar op een gegeven moment werd het saai en hingen we allemaal voor pampus op de bank. Op een gegeven moment stond Bill op en kwam hij naast mij zitten, Nathalia zo alleen achterlatend. Ik nestelde me dankbaar in zijn armen en besefte me hoezeer ik naar hem gehunkerd had in die paar uur. Zachtjes snoof ik zijn geur op en genoot van het gevoel van zijn vingers die door mijn haar kriebelden. Hij wist me in extase te brengen met slechts één vingeraanraking: hij kende me inmiddels door en door en wist precies waarmee hij me gek kon krijgen. Andersom was dat precies het zelfde geval.
De alcohol maakte dat ik in een soort van roes verkeerde, dat het net leek alsof ik alles droomde. Toen Gustav naast me opstond om een biertje uit de koelkast te halen, stond Georg gauw op en kwam naast me zitten, zodat ik tussen de twee jongens in zat. Ik voelde dat Bill zich schrap zette, dat al zijn alarmbellen gingen rinkelen en daar werd ik zenuwachtig van. Ik was erop voorbereid ieder moment Georgs arm om mijn schouders te voelen, of zijn vingers in mijn nek te voelen kriebelen en dat maakte dat ik me zo mogelijk nog schrapper zette dan Bill al deed. Met een soort van telepathie waarvan ik wist dat die niet bestond tussen Georg en mij probeerde ik hem duidelijk te maken vooral zijn handen thuis te houden omdat ik vreesde voor een soort van vechtpartij. Omdat het geestelijke contact tussen mij en Georg echter ontbrak, kwam mijn boodschap niet over. Ik schrok me kapot toen ik zijn warme hand op mijn bovenbeen voelde vallen, juist omdat ik er zo op bedacht geweest was, en ik voelde direct hoe Bill rechter overeind ging zitten.
“Maren,” lalde Georg met dubbele tong. “Je bent nog steeds zo knap als vroeger.”
Ik had werkelijk geen idee wat ik moest doen op dat moment. Ik kreeg een compliment van iemand die zijn hand op mijn bovenbeen had liggen terwijl diegene daar geen recht toe had en dat bracht me in verwarring. Het was lullig tegenover Bill om Georg te bedanken voor het compliment, maar ik kon het tegenover Georg eigenlijk niet maken om hem botweg in zijn gezicht te zeggen dat hij van me af moest blijven, in welke staat hij ook verkeerde.
Ik besloot een compromis te sluiten: ik bedankte Georg en plukte daarna zijn hand van mijn dij af, om hem op die van zichzelf weer neer te leggen. Jammer genoeg had dat niet het gewenste effect: Bill schoot razendsnel overeind en liep met ferme passen de kamer door, richting mijn slaapkamer, van welke hij de deur zo hard dichtgooide dat het me verbaasde dat de lamp niet van het plafond viel. Onmiddellijk viel er een stilte in de kamer, zelfs onder de studenten die nog altijd in de hoek zaten te drinken, en was de sfeer om te snijden. En ik – met de zelfkennis die ik had – wist dat het allemaal mijn schuld was, want ík had weer verkeerd gehandeld en dat was de reden dat Bill kwaad was.
Omdat ik dat diep van binnen wist, drukte ik de neiging om Georg een lul te noemen de kop in en schonk hem slechts een blik waaruit hij zou moeten opmaken dat ik niet bepaald blij met hem was. Ik wist echter dat Georg nog minder besef had dan normaal als hij dronken was en dus was het nutteloos. Daarna stond ik op en worstelde me door de drukkende stilte heen naar de slaapkamerdeur, voelend hoe de ogen van alle mensen me volgden, en drukte met moeite de deur open. Ik had het gevoel dat de spanning daar nog dikker was dan in de woonkamer.
Op mijn bed lag Bill, languit, zijn handen onder zijn hoofd gevouwen en met een verbeten trek op zijn gezicht. Toen ik de deur sloot, bleef ik even stil staan en wendde hij zijn hoofd af, alsof ik iets weerzinwekkends was dat hij niet wilde zien en dat maakte dat ik bevroor. Ik was als de dood dat het zou eindigen op dat moment, dat al het wachten voor niets zou geweest en dat hij onze relatie gewoon zou beëindigen, daar, op dat moment.
“Het spijt me,” fluisterde ik zachtjes, enkel omdat ik een normaal stemgeluid niet uit mijn keel gepropt kon krijgen. Het was net of het zinnetje door de druk nog meer van de kracht verloor die het al niet bevat had. Ik was bang dat het zijn gehoororgaan niet eens zou bereiken en ik het dus nog een keer zou moeten zeggen – iets waarvan ik niet wist of ik het wel zou kunnen. Het bleek echter dat hij het wel hoorde, want hij draaide zich direct weer terug en kwam half overeind, waarbij hij steunde op zijn ene elleboog. De andere arm stak hij naar me uit, zijn vingers gespreid, in een gebaar waarvan ik wist dat het betekende dat ik naast hem moest komen zitten. Ik pakte zijn hand niet, maar zette me op de rand van het bed en propte mijn handen tussen mijn knieën, die ik tegen elkaar gedrukt had. Zijn ogen stonden droevig, zag ik, maar de harde trek op zijn gezicht was er nog wel. Hij sloeg zijn arm om mijn middel en trok me naast hem op bed, zodat ik binnen een mum van tijd gedwongen op mijn buik naast hem lag, zodat ik hem in de ogen kon kijken.
“Het is jouw schuld niet,” zei hij zacht en schor, door de drank en de tientallen sigaretten die hij die avond al gerookt had. “Het is Georg. Die lul.”
Ik draaide me op mijn rug en ging precies zo liggen als hij, mijn handen onder mijn hoofd gevouwen. Onze ellebogen raakten elkaar daarbij, omdat mijn bed redelijk smal was, en dat gaf het vage gevoel van connectie tussen ons, hoewel ik toch het gevoel had dat we meters ver van elkaar verwijderd waren. Hij draaide zich op zijn zij, zodat hij nu de controle had over of we elkaar aankeken of niet, en ging met zijn vingertoppen zachtjes over mijn buik, over de plaats waar de drie zwarte sterren in mijn huid geprikt stonden. Ik voelde hoe de haartjes op mijn buik overeind gingen staan en rilde even zachtjes.
“Trek je gewoon niets van hem aan,” fluisterde ik al net zo zacht, en friemelde met mijn vingers aan het haar dat rond zijn gezicht hing, liet het telkens door mijn vingers glijden en het moment waarop het viel, kwam voor mijn gevoel telkens te vroeg. Zijn lokken waren voorheen langer geweest en ik moest nog steeds wennen aan het feit dat het korter was. Ik lachte schamper toen ik me besefte dat dat feit best als symbolisch gezien kon worden: Bills haar glipte steeds door mijn vingers, op dezelfde manier als waarop mijn leven me door de vingers glipte. Ik kon nergens vat op krijgen.
“Hij doet het er gewoon om – om mij op de kast te krijgen,” zuchtte Bill terwijl hij zich weer naast me op het matras liet zakken, zijn handen opnieuw achter zijn hoofd. “En het meest stomme is nog dat ik er iedere keer weer op in ga en hem dus zijn zin geef…”
Ik glimlachte en vroeg hem waarom hij dat dan telkens deed, als hij wist waar het Georg om te doen was. Hij antwoordde dat hij niet wist waarom, dat hij het wel wilde negeren, maar dat het hem telkens weer zo woedend maakte dat hij zich gewoon niet meer in kon houden, dat hij hem dan het liefst een pak slaag zou willen geven. De enige reden dat hij dat niet deed, was dat hij de vrede binnen de band wilde bewaren, want dat was nog steeds (‘naast jou,’ had hij er tussen gevoegd) waar hij voor leefde. Daarna viel er een korte stilte waarin ik gestommel in de woonkamer hoorde.
Ik fluisterde zachtjes dat ik van hem hield, gewoon, vanuit het diepste van mijn hart. Het gevoel van vroeger zat er nog steeds, was alleen nog maar sterker geworden. Ondanks dat alles om ons heen veranderd was, ondanks dat wij zelf veranderd waren, was de liefde in ons hart nog steeds het zelfde – of in ieder geval die liefde in míjn hart. We werden ontzettend op de proef gesteld door de nieuwe situatie, maar op dat moment wist ik nog zeker dat we het zouden redden, dat we zouden overleven en uiteindelijk sterker uit de strijd zouden komen.
“Ik ook van jou,” fluisterde hij zachtjes terug, met een zachtheid in zijn stem die het gevoel dat het bij mij teweegbracht nog veel erger maakte. Ik was er niet op bedacht geweest dat hij het terug zou zeggen, dat had hij namelijk nooit eerder gedaan, behalve die keer dat ik naar Japan vertrok. Bill had altijd gezegd dat hij niet wilde dat het zinnetje zijn waarde verloor, dat er maar één meisje zou zijn tegen wie hij daadwerkelijk zou zeggen dat hij van haar hield, en ik kan niet anders zeggen dan dat ik nog steeds ontzettend blij ben dat ik dat meisje ben. Onderbewust was ik natuurlijk altijd blijven onthouden dat hij van me hield, maar ik was er zo aan gewend geraakt geen antwoord te krijgen dat zijn antwoord als een donderslag bij heldere hemel kwam. Van binnen huilde ik van geluk, maar van buiten was slechts de verwarde uitdrukking op mijn gezicht te zien. Hij trok me tegen zich aan en ik begroef mijn gezicht in het katoen van zijn shirt, dat geurde naar een mengeling van zijn deodorant en sigarettenrook.
Zo bleven we heel lang liggen, dicht tegen elkaar aan, totdat ik geen idee meer had waar ik ophield en waar hij begon. Ik voelde mezelf steeds wat verder wegdommelen, liggend in zijn slanke armen, terwijl hij met zijn vingers door mijn haar ging en me rustig maakte. Opeens had ik het gevoel dat ik nooit weggeweest was. Toen ik naar Japan had moeten verhuizen, had Bill me gevraagd met hem weg te rennen, te vluchten voor het lot, maar ik had geweigerd omdat ik gevonden had dat hij muziek moest blijven maken. Op dat moment had ik echter het gevoel dat ik vroeger toegestemd had en dat we al eeuwen in die slaapkamer lagen, dat we nooit uit elkaar gehaald waren en dat alles achter de deur aan ons voorbij gegaan was. Het was een vreemd gevoel.
Na verloop van tijd hoorde ik dat Nathalia haar hoofd om de deur heen stak en vroeg of ze nog moest helpen met opruimen. Ik wilde zelf antwoorden dat het niet hoefde, want ik wilde haar liefst zou gauw mogelijk mijn huis uit, maar Bill was me voor. Hij fluisterde zachtjes dat we het de volgende dag wel op zouden ruimen en daarna sloot ze de deur, liet ze ons alleen.
Toen ik daar zo lag, voelde ik me heel gelukkig. Het was net alsof de tijd buiten stil stond en ik voor altijd bij Bill zou kunnen blijven, alsof het voor eeuwig zou duren, hoewel ik wist dat ‘voor eeuwig’ niet bestond. Ik was me er toen nog niet van bewust hoe gauw mijn leven weer zou gaan veranderen, en in welke zin, dat ik opnieuw kwijt zou raken wat me lief was en hoe kort dat nog maar zou duren. Ik voelde me onaantastbaar, omdat ik het als een wonder beschouwde dat ik teruggekregen had wat ik ooit verloren had, maar dat was ik niet. Ik wist dat toen alleen nog niet.

Toen ik de volgende morgen mijn telefoon op het aanrecht zag liggen, bekroop een gevoel dat ik maar al te goed kende me: ik wilde hem graag oppakken om mijn nichtje te bellen, maar ik durfde het niet. Ik wilde haar laten weten dat ik weer terug was in Duitsland, maar ik was bang dat ook zij veranderd zou zijn, net zoals alle mensen om me heen veranderd waren en dat zo ook mijn laatste stukje houvast verdwenen zou zijn: Mirre was namelijk iemand die er altijd al geweest was en er ook altijd nog zou zijn: hoe lang we elkaar ook niet spraken, ze kwam altijd weer terug.
Stug ging ik door met afwassen, proberend zo afleiding te vinden en niet meer aan Mirre te denken. Een misselijk gevoel trok door mijn maag, maar ik negeerde het en ging dapper door. Ik had al een misselijk gevoel gehad toen ik wakker was geworden, maar het was al minder geworden nadat ik het raam open had gezet om de boel te luchten – zo had ik ook mijn hoofd gelucht. Mijn gedachten dwaalden af naar Bill, die zijn roes nog uit lag te slapen. Ik wist zeker dat ook hij een kater zou hebben, en niet zo’n kleintje ook, al was het niet aan hem te zien geweest. Toen ik wakker geworden was, had ik nog minutenlang naar hem liggen kijken, naar hoe zijn borstkas in alle rust op en neer bewoog en naar zijn gezicht, dat versmolten was tot een volmaakt en uitdrukkingsloos geheel.
Toen alle schaaltjes en glazen weer op hun vaste plaats in de kast stonden, viel opnieuw mijn oog op mijn telefoon, die nog altijd op het aanrecht lag. Ik pakte het ding op en liep ermee naar de woonkamer, waar ik me op de leren bank liet zakken en ik mijn telefoon open klapte. Ik merkte hoe mijn blik even naar de deur van mijn slaapkamer schoot, de deur waarachter Bill lag te slapen, maar ik wist niet waarom ik dat deed. Ik had het gevoel dat ik iets heel stiekems deed, hoewel Mirre bellen nou niet echt iets was waar Bill niets vanaf mocht weten en bovendien hadden we geen geheimen voor elkaar. Het was niet alsof ik een privé-gesprek wilde voeren, want wat ik Mirre zou vertellen, wist Bill allemaal al, maar toch. Ik weet niet precies wat het was.
Nee, wacht, dat lieg ik. Ik weet wel wat het was, maar het was gewoon om een reden die te stom voor woorden was. Ooit, vroeger, in een ver verleden, hadden Mirre en Bill elkaar ontmoet en Mirre had er geen geheim van gemaakt dat Bill haar wel bevallen was. Dat was in de tijd geweest dat ik met Georg was, dus ze had het recht gehad om dat te zeggen, maar ik had het allerminst grappig gevonden. Op die avond had ik beseft dat ik Bill meer dan aardig vond, ondanks dat ik op dat moment een ander had. Feit was dat ik Mirre op dat moment dus niet wilde bellen omdat ik dan min of meer contact tussen die twee zou maken en onderbewust was ik als de dood dat Mirre hem van me af zou pakken, hoewel ik zeer zeker wist dat ze dat nooit zou doen. Ik weet dat het nergens op sloeg, maar het was zo.
Ik kwam uiteindelijk tot een compromis: een sms’je sturen. Ik kon het simpelweg niet maken om haar niets te laten weten, maar mijn hoofd stond er totaal niet naar om haar te bellen omdat ik dan weer allemaal vragen over me heen gespoeld zou krijgen. Met een kater was dat niet één van de dingen die bovenaan mijn verlanglijstje stonden. Ik hield het berichtje simpel, zette er gewoon in dat ik weer terug was en sloot het af met een simpel ‘x, Maren.’ Het was een nogal onpersoonlijk bericht, dat weet ik wel, maar het was altijd nog beter dan niets.
Toen ik het bericht verzonden had, klapte ik mijn telefoon dicht en legde hem naast me neer. Daarna stond ik op en liep richting mijn slaapkamer, opende de deur heel zachtjes om Bill niet wakker te maken en bleef even tegen de deurpost leunen om naar hem te kijken. Hij sliep nog steeds rustig en sereen en had zichzelf in plaats van aan mij aan de deken vastgeklampt. Zijn ademhaling was nog steeds het zelfde en zelfs de littekens op zijn sleutelbeen leken op dat moment mooi - ze hoorden immers bij hem en ik vond alles aan hem mooi.
Ik zuchtte en liep naar mijn kledingkast, die tegenover het bed stond. Uit ervaring wist ik dat het nog wel een hele poos zou gaan duren voordat Bill wakker zou worden omdat we het de avond daarvoor nogal laat gemaakt hadden en dus had ik even de tijd om te gaan douchen. Ik pakte een simpele spijkerbroek en het shirt dat ik ooit met hem gekocht had: mijn cupidoshirt. Bill had precies de zelfde, maar dan in het mannenmodel, en ik hechtte er veel waarde aan. Het was iets dat ons verbond, misschien nog wel meer dan onze tatoeage dat deed, omdat het er aan het begin van ons samenzijn al geweest was.
Op het moment dat ik de badkamer in wilde lopen, hoorde ik het melodietje van mijn telefoon afgaan. Ik was er zeker van dat het Mirre was, meer dan zeker, en dat maakte dat ik even mijn pas inhield. Het moment daarna liep ik weer verder naar de badkamerdeur, onwillend mijn telefoon op te nemen. Waarschijnlijk zou Mirre razend enthousiast zijn en me alsnog overspoelen met vragen - en dat was nu juist de reden dat ik haar niet gebeld maar ge-sms't had.
Ik sloot de deur van de badkamer achter me en sloot mezelf zo af van het geluid, waardoor ik geen idee had of Mirre nog meer contact-pogingen deed. Met een zucht zette kleedde ik me uit op de manier waarop ik dat altijd deed als ik een kater had of gewoon doodmoe was: zonder enige interesse voor waar mijn kledingstukken belandden. Zoals altijd als ik onder de douche ging, ging ik even met mijn vingers over de ster op mijn onderbuik. Hij zat er nog altijd en even dacht ik aan mijn tijd in Japan en de weemoed die ik iedere keer dat ik ging douchen gevoeld had als ik naar de tatoeage gekeken had. Het leek zo ver weg opeens, maar ik besefte me dat het nog helemaal niet zo lang geleden was. Er was ik een korte tijd al zoveel gebeurd.
Ik draaide de kraan open en wachtte tot de straal warm genoeg was om eronder te stappen. Meteen spoelde ik mijn naar-rook-geurende haar met het warme en zuivere water, wat me al een stuk minder vies deed voelen en ik pakte de vanilleshampoo die op de grond stond. Die shampoo was één van de dingen die me aan vroeger deed herinneren, net zoals mijn cupidoshirt, maar ik desondanks nog altijd gebruikte. Het was iets dat bij mij hoorde, die vanilleshampoo, en hoe graag ik mijn verleden ook wilde vergeten, die shampoo hoorde gewoon bij mij, zowel in het verleden als in de toekomst.
Ik vond van mezelf dat ik teveel aan vroeger dacht. Liefst zou ik alles wissen, zou ik gewoon vergeten wie ik was en zou ik weer opnieuw beginnen, met een schone lei, maar ik wist dat dat niet ging. Alles wat ik meegemaakt had, mijn hele verleden, zou altijd aan me blijven kleven, als kauwgom aan een schoenzool. Aan de andere kant wilde ik ook blijven herinneren wie ik was, bijvoorbeeld door middel van die shampoo en mijn shirt, omdat ik anders bang was mezelf te verliezen en iemand te worden die ik niet was. Eigenlijk was het vreemd om te bedenken hoeveel mensen ik al geweest was, hoe vaak ik mezelf had moeten aanpassen aan de omstandigheden waarin ik belandde. Eigenlijk wist ik niet meer precies welke Maren ik nou echt was en welke Maren slechts een rol van me was.
Ik zuchtte opnieuw, spoelde mijn haar uit en had het gevoel dat mijn kater met het schuim in het putje verdween. Mijn hoofd voelde opeens veel lichter aan, alsof door het denken al die dofheid en zwaarte verdween, hoewel ik helemaal niet na wílde denken. Bill was er heilig van overtuigd dat praten over het verleden hielp om het te verwerken, dat had hij me de avond daarvoor in bed gezegd, maar ik moest eerlijk zeggen dat denken erover me meer opluchtte dan dat praten deed. Ik vond het fijner om de dingen zelf te overwinnen, om er zelf overheen te komen en bovendien deelde ik dat soort dingen niet echt graag. Ik deed die dingen nu eenmaal liever alleen.
Toen de hele badkamer naar vanille rook en de geur van sigaretten en alcohol nergens meer te bekennen was, zette ik de kraan weer uit, kneep mijn haar uit en stapte uit de douchekabine. Direct verspreidde kippenvel zich over mijn hele lichaam, want het was koud doordat ik de verwarming was vergeten aan te zetten. Dat was één van de dingen die ik nog moest leren - net zoals het op slot doen van alle deuren en het feit dat ik zelf moest stofzuigen nu ik niemand meer had die het voor me deed. Ik vond het een vreemd idee dat een eigen huisje iets was wat ik altijd al gewild had - niet dat ik het niet naar mijn zin had, want ik besefte wel dat ik het met mijn appartementje prima trof, maar ik verlangde nu ik mijn moeder verloren had gewoon naar een warm nest, een thuis waar ik altijd warm verwelkomt zou worden. Ik had zoveel verloren.
Ik kleedde me langzaam aan, wikkelde mijn natte haren in mijn handdoek en verliet de badkamer. Het snerpende geluid van mijn ringtone bereikte mijn oren direct toen ik de deur open deed en ik zag Bill op de bank zitten, met zijn zwakke schouders voorover gebogen. Even verstijfde ik - niet omdat hij in enkel een boxershorts op de bank zat, maar omdat hij mijn rinkelende telefoon in zijn handen had. Ik voelde me direct bang, op de één of andere manier, bang dat hij op zou nemen en dat Mirre bij het horen van zijn stem in één klap verliefd op hem zou worden. Ik had het gevoel dat ik gek werd, voelde me paranoia, want ik wist dat Bill me nooit zou verlaten voor Mirre - of nee, dat wist ik toen nog niet. Dat kwam later pas, een klein tijdje voordat ik naar haar toe zou gaan.
“Mir belt je steeds,” merkte hij snugger op. “Ze maakte me wakker.”
Ik liep gauw op hem af - niet zo snel dat het zou opvallen dat ik niet wilde dat hij aan mijn telefoon kwam als Mirre's naam op het schermpje knipperde - maar het was al niet meer nodig. Hij legde mijn telefoon naast hem neer, op een manier waarvan ik doorhad dat hij wilde dat ik op zou nemen, maar dat deed ik niet. Ik bleef naar hem staren toen hij zichzelf uitrekte om wakker te worden, waarbij ik de ribben door zijn lichte huid heen kon tellen, en liet het rinkelende ding voor wat het was. Het was te verleidelijk om die naakte huid aan te raken, om er zo zachtjes met mijn vingertoppen overheen te strijken dat hij kippenvel zou krijgen (want ik wist dat dat dan zou gebeuren) waarna hij mijn handen vast zou pakken, me achterover op de bank zou drukken, half op me zou komen liggen en me daarna hartstochtelijk zou kussen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde.
“Waarom neem je niet op?” vroeg hij met zijn gezicht heel dicht bij dat van mij. Ik haalde slechts mijn schouders op en streek wat haar uit zijn gezicht en trok zijn hoofd daarna weer naar dat van mij toe, zodat onze lippen elkaar opnieuw konden raken. Zijn handen trilden, voelde ik, en toen hij heel licht de huid van mijn onderbuik raakte, schokte ik omdat ik schrok van zijn koude handen. Direct verbrak hij al het lichaamscontact, behield alleen het contact tussen onze ogen. Hij keek een beetje verontschuldigend, misschien zelfs een beetje schuldbewust.
“Sorry,” zei hij zijdezacht. “Ik had niet -”
“Ik schrok van de kou,” bracht ik er tegenin. “Het was niet - je weet wel.”
Hij glimlachte kleintjes en keek me aan alsof ik een klein kind was dat niet wist wat het beste voor haar was. Hij geloofde me niet, dat was overduidelijk, en dat was dan ook waarschijnlijk reden dat hij van me af kroop en weer naast me ging zitten. Ik kwam ook overeind en trok mijn knieen omhoog, zodat ik mijn armen er omheen kon slaan, mijn kin erop kon leggen en zo naar hem kon blijven kijken. De trieste uitdrukking op zijn gezicht fascineerde me, aan de ene kant omdat ik het zo lief vond dat hij rekening met me hield, aan de andere kant omdat ik bang was dat er achter die uitdrukking andere emoties schuilgingen dan ik vermoedde. Ik was bang dat hij me een zeikerd vond of zoiets, preuts, en dat dat onze relatie uiteindelijk de kop zou kosten, als ik niet gauw over die vreemde angst heen kwam.
“Het geeft niet,” zei hij alsof hij mijn gedachten had kunnen lezen. “We kunnen zo ook heel dicht bij elkaar zijn. Kijk maar -”
Hij sloeg zijn armen om me heen en trok me heel dicht tegen zich aan. Ik kon het niet weerstaan mijn hoofd op zijn borst te leggen zodat ik zijn hart kon horen kloppen, net zoals ik dat vroeger altijd gedaan had. Het bonken van zijn hart klonk me zo familiair in de oren dat ik er bijna emotioneel van werdt, zo zeer als het me herinnerde aan vroeger. Ik herinnerde me de dag dat Bill en ik weer voor het eerst gezoend hadden nadat Georg en ik uit elkaar gegaan waren, toen we ook samen zo op bed gelegen hadden en ik ook zo naar zijn hart geluisterd had. Opnieuw wenste ik dat ik het moment stil zou kunnen zetten, zodat we er voor altijd in gevangen zouden zitten en zijn hart voor altijd zou blijven kloppen zoals het op dat moment deed. Dan leefden we voor eeuwig en bleven we voor eeuwig samen.
Bill streek zachtjes door mijn haren, kriebelde in mijn nek en ik glimlachte kleintjes toen ik me besefte dat hij een vlechtje maakte. Ik bleef doodstil zitten om het niet te laten mislukken en bedacht me hoe bang ik eigenlijk was om hem weer te verliezen. Het had zo lang geduurd voordat ik weer terug was, maar ik besefte me dat één enkele misstap me fataal kon zijn, op de één of andere manier. Ik had God nog steeds op mijn hielen zitten, ondanks dat hij me de kans gegeven had terug in Duitsland te komen, en ik wist dat ik niet met hem moest sollen. Dat zou dom zijn. Toen wist ik alleen nog niet dat ik mijn misstap al lang weer gemaakt had.
“Ik vind dat je op moet nemen,” zei Bill resoluut toen het polyfone riedeltje het hemelse moment en mijn gedachtenstroom verbrak. Ik hief mijn hoofd op, keek in zijn ogen en zag dat hij het meende. Na een kort moment van stilte tussen ons, mijn ringtone op de achtergrond spelend, vroeg ik hem waarom hij dat vond en hij zei me dat Mirre een vriendin van me was, familie bovendien, en dat zij het recht had te weten wat er van me terecht gekomen was, wat me allemaal gebeurd was en dat het me goed zou doen erover te praten. Ik antwoordde dat ik toch met hem praatte en dat dat genoeg was, maar besefte dat hij misschien wel gelijk had.
Ik ademde diep in en ademde zuchtend weer uit, waarbij ik ik merkte dat die lucht net zo trilde als mijn handen deden. Hij trok bemoedigend zijn mondhoeken op en kwam daarna overeind, zeggend dat hij eerst een aspirientje zou nemen en daarna terug zijn (“mijn,” verbeterde ik hem) bed in zou duiken, zodat ik de mogelijkheid kreeg om in alle rust te bellen. Ik vroeg me af hoe hij al wist dat ik zou bellen voordat ik dat zelf eenmaal besloten had, maar toen hij de deur van mijn slaapkamer achter zich sloot, besefte ik me dat ik net zo transparant was als ik me voelde. Bill keek dwars door mijn huid heen en zag al mijn gevoelens en gedachten rondwervelen in mijn hoofd en wist zodoende precies wat ik al besloten had voordat ik het me zelf besefte. Sommige mensen zouden het misschien helderziend noemen, mensen die er geen verstand van hadden, maar ik noemde het gewoon 'elkaar goed aanvoelen'. Misschien was dat een soort van understatement, maar ik kon het niet anders onder woorden brengen. Er was niets dat het beter kon verwoorden dan die drie woorden.