Deel 4


Lieve Sa,

Justin wordt zo langzamerhand echt een vriend van me. Iedere dag na het werk blijf ik nog wel even met hem koffie drinken en dan praten we nog wat. Hij vertelt niet zo heel veel over zichzelf en dat maakt wel dat ik me soms schuldig voel over het feit dat ik zoveel over mezelf praat, maar hij zegt zelf dat dat niet erg is. Ik vertel hem steeds wat meer over mijn verleden, maar laat Bill zoveel mogelijk achterwege omdat ik zie dat Justin het niet fijn vindt om over hem te praten. Ik vermoed dat hij de ontmoeting tussen hem en Bill niet als bijzonder prettig heeft ervaren en eigenlijk komt het wel goed uit: ik moet zwijgen over zijn beroemdheid en hem telkens Aiden noemen. De kans ik groot dat ik mezelf een keer zou verspreken.
Bill en ik hebben veel gepraat afgelopen zaterdag, over Justin, Nathalia (ik zweer je dat ik haar nog een keer ombreng – zeker na wat Bill me zaterdag over haar verteld heeft) en over iets dat me afgelopen week is overkomen. Nu weet ik helemaal zeker dat ik mijn verleden niet aan de kant kan schuiven, want het is nog overal. Óveral.


Ik kon het heel goed met Justin vinden. Iedere avond praatten we nog wat na, ten minste, als er geen afspraak met Bill op het programma stond. Ik merkte dat ik het moeilijk vond om over mijn tijd in Japan te praten, gewoon omdat het heel veel emoties en herinneringen losmaakte, en als ik het over mijn moeder had, wilden er ook wel eens een paar tranen vloeien. Hij wist alles over het telefoongesprek met Mirre, over hoe enthousiast ze geweest was, hoe graag ze naar Duitsland wilde komen en hoezeer ik twijfelde of ik daar wel klaar voor was, en ik was blij geweest toen hij gezegd had dat ik op mijn gevoel moest vertrouwen. Eigenlijk kon ik alles met hem bespreken, behalve mijn gevoelens voor Bill en de deal die ik ooit met God gesloten had, want ik wist dat hij dat toch niet zou geloven.
Wekenlang ging het leven gewoon zijn gangetje. Ik werkte, dronk en praatte nog wat met Justin, ging naar huis, at nog iets, ging slapen en dan begon het weer opnieuw. Soms werd die vicieuze cirkel doorbroken omdat Bill een nacht bij me bleef slapen, maar voor de rest bleef alles het zelfde. Ik merkte dat ik Bill controleerde, al ging dat onbewust, want ik was als de dood dat hij zijn oude levenspatroon weer zou oppakken, compleet met drugsgebruik en al. Achteraf gezien was ik overal doodsbang voor in die periode; bang voor Nathalia, bang voor Georg, bang voor Bill en bovenal bang voor God. En eigenlijk was alles ook terecht.
Halverwege de vierde week dat ik in de bakkerij werkte, werd ik herkend door een meisje dat net zulke zwarte nagels en ogen had als ik. Blijkbaar was zij erbij geweest, op dat concert waar ik tegen mijn wil het podium opgesleurd was door vriendlief, en na me wel een miljoen keer afgevraagd te hebben of ik wel toe moest geven, deed ik dat toch. Ze gaf me een complimentje voor mijn zogenaamde optreden en vertrok toen weer, mij trillend op mijn benen achterlatend. Toen de deur was dichtgevallen had ik mezelf wel voor mijn kop kunnen slaan, want voor hetzelfde geld was ze compleet geflipt en had ze mij als directe link gezien tussen de jongens en zijzelf, waarna ze me gekidnapt had en me gedwongen had haar hun telefoonnummers te geven, op straffe van de dood. Ik probeerde mezelf te kalmeren met de gedachte aan het feit dat het allemaal goed gegaan was, maar toch werd ik daar niet kalm van. Justin merkte mijn paniek op, nam me even apart in de middagpauze en vroeg of er iets was, maar Bill’s beroemdheid was niet iets dat ik met hem kon bespreken en dus zei ik gewoon dat ik er niet over wilde praten. Daar nam hij genoegen mee – het was in ieder geval geen leugen.
Alles leek gewoon goed te gaan, ik merkte niets van de dingen die ik opnieuw in gang gezet had door Nathalia te haten. De wereld draaide door en ik probeerde niet veel meer aan noch het verleden noch aan de toekomst te denken, omdat het heden er het meest toe deed. Toch ging dat niet altijd: sommige kleine dingetjes herinnerden me gewoon aan vroeger. Ten eerste waren dat bijvoorbeeld het shirt dat ik samen met Bill gekocht had en mijn vanilleshampoo, maar ook de winkel waar hij mijn littekens ontdekt had, herinnerde me elke morgen als erlangs liep aan vroeger. Telkens als ik Julia zag, herinnerde ik me dat het ooit anders geweest was en mijn moeder verdween nooit uit mijn gedachten. Het was een wedstrijd waarvan ik wist dat ik hem zou verliezen. Het verleden zou me toch wel weer inhalen, ook al wilde ik dat niet geloven.
Maar op een dag midden in de eerste week van februari werd ik gedwongen het te geloven. Het verleden kwam in een razend tempo op me af, deed me wankelen, en ik had maar weinig dingen waaraan ik me vast kon houden. Justin was de enige aan wie ik me kon vastgrijpen op dat moment, want Bill was ver weg en veel meer mensen die iets van mijn situatie begrepen, had ik niet. Ik was bang, opnieuw, alweer, nog altijd, voor wat het verleden met me zou kunnen doen. Ik wist dat er geen ontsnappen mogelijk was, waar ik ook heen zou vluchten. God was mijn verleden en God was er altijd.
Hij kwam binnenlopen toen ik bezig was met het beleggen van een broodje gezond zonder ui en met extra veel mayonaise. Ik had pas door dat hij binnen stond toen Justin hem begroette, want blijkbaar kende hij hem en toen ik opkeek, voelde ik de adem stokken in mijn keel. Het was gewoon – alles dat me in leven hield, werd voor mijn gevoel opeens afgeknepen en ik voelde me helemaal licht worden in mijn hoofd. Alles tolde toen ik hem daar zo zag staan: Albert, de toenmalige vriend van mijn moeder. Ik zag de verbazing in zijn ogen toen hij me herkende en ik besefte me dat hij weinig veranderd was. Zijn haar was nu volledig grijs, maar zijn gebronsde gezicht straalde nog altijd van jeugdigheid door de rode blos op zijn wangen. Een kort moment voelde ik me alsof ik ingevroren was, want ik kon noch ademen noch bewegen en ik was bang dat ik ter plekke dood zou gaan. Het werd even zwart voor mijn ogen en ik greep de rand van het aanrechtblad vast om te voorkomen dat ik flauw zou vallen.
“Kan ik je helpen?” vroeg Justin hem, totaal niet op de hoogte van het feit dat Albert en ik elkaar al lang kenden. Of ja, ‘elkaar kennen’ is misschien een uitdrukking die ik in dit geval niet mag gebruiken, want echt kennen deed ik hem niet, maar wat voor woorden moet ik anders gebruiken bij iemand die het zelfde verlies geleden had als ik? In feite hadden wij de emotie die het meest privé was – verdriet – gedwongen gedeeld en op dat moment, toen het even zwart voor mijn ogen werd, voelde ik hoe dicht dat ons bij elkaar gebracht had. Het kwam aan als een klap en opeens voelde ik me vreselijk misselijk worden. Mijn hart bonkte in mijn keel en ontnam me de kans op ademen.
“Maren? Wat doe jij nou hier?” hoorde ik Alberts stem vol verbazing vragen. Mijn zicht werd direct weer helder toen ik mijn ogen opsloeg, maar het misselijke gevoel verdween niet. Integendeel – het werd enkel erger. Justins verbaasde blik ontging me totaal toen hij een arm om me heen sloeg en vroeg of het wel goed met me ging. Ik schudde mijn hoofd zonder mijn blik van Albert af te wenden en voelde een vage hoofdpijn opkomen bij het besef dat hij – aan de buitenkant in ieder geval – nauwelijks veranderd was. Ik wist zeker dat hij ook inwendige littekens had, net als Bill en Julia, maar anders dan bij die twee was het niet aan hem te zien. Hij was nog gewoon de Albert van vroeger.
“Kennen jullie elkaar?” vroeg Justin onwetend, maar Albert en ik negeerden hem beide. Mijn voormalige half-stiefvader liep om de counter heen en sloot me in zijn armen, alsof ik een lang verloren dochter van hem was. Ik sloeg mijn armen om zijn middel en drukte mijn gezicht in het krakende leer van zijn schijnbaar nieuwe leren jas. Nog nooit had ik Albert omhelsd, nog nooit, en opeens voelde ik de warmte die hij me al die jaren gegeven had. Het was opeens alsof ik een vader had, een echte, één die van me hield en er altijd zou zijn. Het enige dat mijn echte vader en ik gemeen hadden, was dat we beschikten over hetzelfde DNA, maar wat Albert en ik gemeen hadden, stond daar voor mijn gevoel ver boven. Ik wist dat we elkaar na die ontmoeting waarschijnlijk nooit meer zouden zien en daarom hield ik die omhelzing zo lang mogelijk in stand. Het warme gevoel maakte me gelukkig. Natuurlijk had ik mensen die van me hielden – Julia, Georg, Fleur en vooral Bill – maar vader- en moederliefde was anders. Die was onvoorwaardelijk. Ik miste onvoorwaardelijke liefde in mijn leven.
Toen we elkaar los lieten, viel er een gigantische stilte waarin we geen van drieën aandacht schonken aan de mensen om ons heen. Ik had dat soort momenten al vreselijk vaak op televisie gezien, van die herenigingen, maar vreemd genoeg voelde het heel anders dan ik gedacht had. Na een miljoen keer meegeleefd te hebben met een dochter die na twintig jaar in de armen van haar biologische moeder valt, denk je te weten hoe het voelt, maar ik was niet eens dicht bij in de buurt gekomen. Ik had het wel eens vaker mis als het gaat om denken te weten wat er komen gaat.
“Tot hoe laat moet je werken vandaag?” vroeg hij me terwijl hij een schone, witte zakdoek die een totale weergave van Albert was (schoon, netjes, saai) uit zijn boekzak haalde en de hoeken van zijn volgelopen ogen depte. Ik gaf hem antwoord terwijl ik het zelfde deed, maar dan met de punt van mijn mouw. Hij zei me dat hij me precies zo laat zou komen halen en me mee uit eten zou nemen zodat we zouden kunnen bijpraten. Daarna verliet hij de winkel zonder iets te kopen, verstrooid als hij was.
Ik ging door met werken alsof er helemaal niets emotioneels was voorgevallen in de afgelopen paar minuten en ontweek daarbij Justins blikken, die zich overduidelijk afvroeg waar Albert en ik elkaar van kenden. Mijn lichaamstaal maakte hem waarschijnlijk duidelijk vooral niets te vragen, want hij hield zijn mond en dat was ook de bedoeling. Het feit dat hij mijn lichaamstaal feilloos vertaalde was volgens mij één van de weinige dingen die hem onderscheidde van Liam Terrence, die juist altijd naar mijn verleden was gaan gissen op de momenten waarop ik het minst lekker in mijn vel zat. Het feit dat hij me binnen een maand al zo goed aanvoelde, maakte dat ik hem bijzonder vond. Ik had geen idee of Bill en ik ook binnen zo’n korte tijd zo dicht naar elkaar toe gegroeid waren.
De hele verdere dag ging in een mistige waas aan me voorbij. Ik werkte op de automatische piloot en wonder boven wonder ging dat best goed. Als het fout zou gaan, was dat ook niet zo’n ramp omdat ik wist dat Justin me wel zou dekken – zulke goede vrienden waren we wel. Door die sociale zekerheid, doordat ik wist dat Justin als vangnet zou fungeren als ik zou vallen, zorgde ervoor dat ik het risico durfde te nemen.
Ik denk dat het opviel dat ik vaak naar het toilet ging (zo’n twee keer per kwartier) want op een gegeven moment vroeg Justin voor de tweede keer die dag of het wel goed met me ging. Steeds weer zei ik hem dat hij gewoon even moest wachten tot de middagpauze , om dan tien minuten later weer te vertrekken om mijn gedachten, gevoelens en tranen onder controle te krijgen. Het was een behoorlijke schok voor me geweest dat Albert zo onverwacht voor mijn neus gestaan had en ik zou Justin er heus wel over vertellen, maar op dat moment kon dat niet. Ten eerste was het druk, ten tweede wilde ik niet dat mensen die het niets aanging het hoorden en ten derde wist ik zeker dat ik in huilen uit zou barsten als ik over mijn moeder zou beginnen – en ik móést wel over haar beginnen, want mama en Albert waren onlosmakelijk met elkaar verbonden.
In de middagpauze verplichtte hij me mee naar buiten te gaan zodat hij kon roken en luisteren tegelijk. In plaats van dat we voor de winkel bleven staan – wat we normaal gesproken altijd deden – begon hij te lopen naar weet ik veel waar en ik volgde hem alsof ik geen eigen keuze had. Zwijgzaam liepen we door het centrum, ik een beetje nerveus en afwachtend, hij ogenschijnlijk totaal relaxed. Toen hij een pakje sigaretten uit de binnenzak van zijn jack pakte, bood hij eerst mij (zoals gewoonlijk) een sigaret aan, die ik (zoals gewoonlijk) afsloeg en hij er ten slotte (zoals gewoonlijk) slechts één voor zichzelf opstak.
Ik volgde hem langs (ik herkende het pas toen we er al voorbij waren) het café waar mijn relatie met Bill ooit in één avond én in een stroomversnelling terecht kwam, én in de koelkast gezet werd en uiteindelijk kwamen we uit bij een buitenwijk. Ik had een soort van panische angst voor Magdeburgse buitenwijken en dat wist Justin maar al te goed. Ondanks dat ik het liefst weg zou rennen, ging ik naast hem zitten toen hij me uitnodigde op de lege plaats naast hem, omdat ik wel voelde dat ik veilig was bij hem en dat God me vast niet twee keer hetzelfde kunstje zou flikken. Mijn angst was gebaseerd op dingen waarvan de kans onmetelijk klein was dat het me daadwerkelijk zou overkomen – net zoals alle andere bestaande angsten, eigenlijk. Angst was een vreemd gegeven.
Justin was stil en hij rookte, keek me verwachtingsvol aan en leek ‘nou?’ te zeggen zonder daarbij zijn stembanden te gebruiken. Al bij het eerste woord dat mijn lippen verliet, voelde ik dat ik het niet droog zou houden en dat was eigenlijk ook wel wat ik verwacht had. Met alles wat ik Justin vertelde, kwam de herinnering weer keihard terug. Ik zag mijn moeder, hoorde haar lach en wist op slag weer hoeveel ze van Albert gehouden had. Opeens werd ik eraan herinnerd hoe gelukkig ik was geweest, toen, vroeger, en hoe vreemd en leeg mijn leven op dat moment was vergeleken met voordat mijn moeder overleden was. Ik begroef mijn gezicht in mijn handen en huilde zo hard dat er met mijn tranen wel een zwembad te vullen viel.
Justin troostte me zonder iets te zeggen terwijl ik gewoon doorvertelde en op de één of andere vreemde manier voelde het alsof het nooit anders gewest was, hoewel ik wist dat het anders had móéten zijn. Ík hoorde in een kist onder de grond te liggen en máma behoorde nog samen met Albert op aarde te zijn, gelukkig, met een nieuwe baby die van hen samen was en geen problemen als alimentatie met zich meebracht. Tom zou gelukkig zijn met Julia, Gustav met Fleur, Bill met Nathalia en Georg zou waarschijnlijk ook wel goed terecht gekomen zijn. Ik had het gevoel dat ik ten onrechte nog in leven was, zo voelde het en ik wist dat het zo was, en ik vond het niet eerlijk. Ik vervloekte God om het feit dat ik nog leefde, want ik weet dat hij dat enkel deed om me te folteren en ik haatte hem daarvoor. Hij nam alles van me af en liet mij op aarde – wat had ik daaraan? Ik had mijn vrienden nog, maar ik wist dat één misstap van mij hén fataal kon zijn. God zat me op de hielen en liet me niet met rust.

Een dag later zat ik naast Bill in de auto van Tom, die precies was zoals je van hem zou verwachten: grote wielen, een stereo-installatie waar je U tegen zegt in de kofferbak, leren bekleding en een achterbank die 'ik ben gemaakt om op te neuken' leek te zeggen. De auto vertoonde zoveel overeenstemming met Toms karakter dat ik het behalve intimiderend ook ontzettend grappig vond.
Ik voelde me nog een beetje vreemd van de avond daarvoor, was nog steeds bezig met het verwerken van de hoeveelheid informatie die ik over me uitgestort had gekregen. Al sinds ik het te dure restaurant achter me had gelaten en jankend naar huis was gelopen, had ik een vreemd en leeg gevoel in mijn binnenste waarvan ik wist dat alleen Bill het op zou kunnen vullen met de juiste woorden en aanrakingen. Daarom was ik ook zo blij geweest toen hij me die avond opgebeld had om te vragen of ik zin had in een verrassing. Ik had niet lang hoeven nadenken voordat ik toegestemd had.
Ik zat onderuitgezakt in mijn stoel en bestudeerde schaamteloos de jongen die naast me zat. Bill reed krachtig en beheersd, geconcentreerd op de weg onder ons, maar niet zo geconcentreerd dat hij niet in staat was een gesprek te voeren. Al vanaf het moment dat ik ingestapt was, was hij me aan het uithoren over mijn etentje met Albert en ik vertelde tegen heug en meug alles wat ik me nog kon herinneren. Ik vond het niet prettig om erover te praten, omdat Albert me had herinnerd aan vroeger en ik daar eigenlijk niet meer aan herinnerd wílde worden. Hij was aan de buitenkant niet veranderd, maar ook zijn leven had een aantal vreemde wendingen genomen en al was het zíjn leven en was híj gelukkig, mij deed het zeer.
Met gêne vertelde ik hem daarom maar over het feit dat ik geen enkel gerecht op de kaart gekend had en dat ik met mijn cupidoshirt (waar ik me voorheen nog nooit voor geschaamd had) volledig uit de toon was gevallen, tussen alle kristallen kroonluchters, stoffen servetten en driedelige kostuums. Ik wilde geen geheimen voor hem hebben, maar op dat moment kon ik echt niet vertellen over Alberts nieuwe leven. Dat deed nog iets teveel zeer en ik hoopte dat hij er nog even niet naar zou vragen.
“Ach, jij ziet er altijd mooi uit,” merkte hij op zonder zijn blik van de weg af te halen. Ik smolt van binnen en wilde hem op dat moment het liefst een kus geven, gewoon om te laten weten dat ik er was en niet meer weg zou gaan, maar dat zou onverantwoord zijn, zo midden op de snelweg. Sinds Justin me zonder helm op de scooter bij Bill had afgeleverd, was ik me ervan bewust dat Bill zwaar tilde aan mijn veiligheid en dus zou ik zijn verantwoordelijkheidsgevoel niet op de proef stellen.
“Dankjewel,” zei ik daarom plaatsvervangend, met een glimlachje op mijn gezicht voordat ik mijn blik naar buiten liet glijden en de omgeving in me opnam. “Waar gaan we eigenlijk heen?”
Hij kreeg een grijns op zijn volmaakte gezicht en keek me vluchtig aan, waarschijnlijk om te polsen hoe nieuwsgierig ik was. Ik wist dat het geen zin had om mijn nieuwsgierigheid te verbergen, want Bill had toch altijd alles door. Dat zal dus ook wel de reden geweest zijn dat hij zo mogelijk nóg breder grijnsde toen hij de blik in mijn ogen gezien had en hij zijn blik weer op het wegdek richtte, zo voorkomend dat wij net zo'n lot als mijn moeder tegemoet zouden gaan.
“Dat is nog een verrassing,” zei hij. “Vertel meer over Albert!”
Ik liet een korte stilte vallen, ten eerste omdat ik eigenlijk door wilde zeuren over waar we naar toe gingen en ten tweede omdat ik niet zeker wist of ik de woorden die op mijn lippen lagen wel uit zou durven spreken. Ik wilde geen geheimen voor hem hebben en hem liefs alles vertellen zodat ik wist dat ik steun zou krijgen van hem, maar ik wilde niet huilen omdat ik vond dat ik dat al wel weer genoeg gedaan had, de afgelopen weken. Pas toen ik naar de ketting om Bills hals keek, de ketting die ik hem ooit gegeven had als bewijs van mijn liefde voor hem, durfde ik de woorden een duwtje te geven.
“Hij is getrouwd,” zei ik, de stilte verbrekend.
Toen Bill verbaasd naar me omkeek, besefte ik me dat mijn stem halverwege dat korte zinnetje week geworden was, dat ik heel even geëmotioneerd geweest was, hoewel ik mijn uiterste best gedaan had zo neutraal mogelijk te klinken. Ik wist dat Bill omgekeken had om te kijken of ik tranen in mijn ogen had, maar dat was nog niet het geval. Er zat een prop in mijn keel die ik weg probeerde te slikken en ik weet zeker dat Bill aanvoelde dat ik geëmotioneerd raakte, maar op de één of andere manier voelde hij dat hij stil moest zijn omdat er nog meer moest komen en ik zou blokkeren als hij zou praten.
“En hij heeft een baby,” vervolgde ik zachtjes terwijl ik opnieuw de prop in mijn keel weg probeerde te slikken. Ik voelde tranen achter mijn ogen prikken maar wist ze binnen te houden. Bill keek opnieuw opzij en ging zachtjes met zijn vingertoppen over mijn gezicht en een kleine traan bereikte zijn duim al voordat hij goed en wel uit mijn oog ontsnapt was. Ik wendde mijn gezicht af, zodat zijn vingers mijn gezicht niet meer konden verwarmen en hij niet kon zien dat ik huilde, hoewel ik wist dat hij het al gemerkt had. Ik wilde niet meer huilen, nooit meer, wilde niet meer zwak zijn, maar ik kon er niets aan doen.
“Ze heet –”
Ik liet een stilte vallen omdat ik de naam niet over mijn lippen kon krijgen en slikte de tranen weg. Ik liet Bill mijn blik vangen toen ik merkte dat hij naar me keek en ik merkte dat in dat korte ogenblik onze gedachten contact maakten en dat hij wist welke naam ik bedoelde. Ik hoopte dat hij het niet zou uitspreken, want ik wist dat ik dan zou breken, maar blijkbaar vond hij het nodig dát ik dat zou doen, al zag ik het nut er niet van in.
“Isabel?” fluisterde hij zachtjes.
Hij wist hoe hij me aan het huilen kon krijgen. Toen ik de naam van mijn moeder hoorde, gecombineerd met de zachtheid waarmee hij haar naam uitsprak, wist ik dat het te laat was om nog sterk te zijn. Ik knikte en voelde even later hoe traan na traan mijn ogen verliet, over mijn wang rolde en uiteindelijk op mijn spijkerbroek uit elkaar spatte. Ik probeerde de tranen nog tegen te houden maar hoe groot mijn wilskracht ook was, ik kon niets tegen die oerkracht doen. Mijn verdriet moest eruit.
Terwijl ik mijn gezicht in mijn handen liet rusten, merkte ik hoe Bill de auto aan de kant van de weg zette en vanaf toen wist ik dat mijn make-up niet meer te redden was. Zoals ik al verwacht had, sloeg hij meteen zijn armen om me heen en wilde hij me tegen zich aantrekken, maar ik wilde niet meewerken omdat ik sterk over wilde komen. Ik haatte het zwakke hoopje niets dat ik was, wilde sterk zijn, en ik haatte mezelf erom dat ik dat niet kon.
“Het is al over,” weerde ik hem zwak af, maar hij liet zich niet zomaar afschepen. Hij nam wat afstand, liet me mijn wangen droogvegen en overeind komen maar toen ik naar hem keek, zag ik dat hij me aankeek met een blik in zijn ogen die me mezelf nog meer liet haten.
“Hé, rustig maar,” fluisterde hij zachtjes, en hij ging met zijn vingers opnieuw in een warm gebaar langs mijn gezicht. “Het is niet erg.”
Weer wilde hij zijn armen om me heen slaan, maar ik duwde hem van me af en jammerde dat ik niet wílde huilen. Ik wilde dat hij het zou begrijpen, kon het niet uitstaan dat hij altijd alles doorhad maar dat hij op dat moment niet snapte dat ik geen aandacht wilde. Ik had er nooit problemen mee gehad te huilen in zijn bijzijn, maar ik wilde niet meer als zielig meisje gezien worden. Ja, ik had alles wat een kind kan verliezen al een keer verloren, maar ik zag mezelf als sterk genoeg om daar overheen te komen. Nu weet ik dat het anders is, dat ik ook zwak ben, maar misschien was het een soort automatisme van mezelf, dat ik onbewust al voelde aankomen dat ik in de toekomst weer sterk zou moeten zijn omdat ik anders finaal ten onder zou gaan.
“Ik wil niet-”
“Het is niet erg om haar te missen, Maren,” zei hij op een fluistertoon die qua volume net boven de klanken van het doorrazende verkeer uit kwam. Hij had zijn voorhoofd tegen het mijne gelegd en probeerde me op die manier te dwingen oogcontact te maken, maar ik hield mijn ogen koppig stijf gesloten. Ik wist dat als ik hem in die bruine ogen van hem zou kijken, dat er dan niets van me over zou blijven. “Je kunt er niets aan doen dat ze er niet meer is…”
Het was vreemd dat die paar woorden zo mogelijk een nog grotere impact op me hadden dan een aanraking van hem of een blik in zijn ogen. Ik had Bill nooit verteld over mijn deal met God, omdat ik wist dat hij het toch niet zou geloven, maar op dat moment had ik het hem graag verteld omdat het schuldgevoel me even overnam. Het werd me echter onmogelijk gemaakt omdat ik niet in staat was om te spreken, zo hard als ik huilde. Opeens was al mijn weerstand hem gesmeerd en ik liet Bill me welwillend tegen hem aan trekken. Ik vond het eng hoe hij met mijn emoties leek te kunnen spelen, hoezeer hij ze in de hand had, en ik was me ervan bewust dat ik langzaam de controle over mezelf verloor. Ik scheen twee extremen te hebben: een leven zonder Bill waarin ik mijn leven teveel onder controle had en een leven mét hem waarin ik hem de controle over liet nemen.
Ik wilde hem alles vertellen wat me op het hart lag, alles wat ik me de middag daarvoor bedacht had toen Justin me getroost had, maar ik was bang dat hij zou denken dat ik gek was. En ik was ook gek, ik werd langzaamaan gestoord van alles wat me overkwam, maar ik wilde bij hem blijven, voor altijd. Hoe graag ik echter ook bij Bill wilde blijven, ik was er ook van overtuigd dat ik het leven dat ik op dat moment leefde niet verdiende. Ik had indirect mijn moeder vermoord en toch kreeg ik de kans om opnieuw een leven met Bill te beginnen. Ik vroeg me af hoe dat in godsnaam mogelijk was.

Ik liep hand in hand met Bill onder het bladerdak. Door het weke licht dat erop scheen, kleurde de atmosfeer om ons heen warm groen hoewel het best fris was – het was immers begin maart. Ik kon nog steeds niet echt bevatten dat ik daar was, omdat de ene na de andere herinnering met de bijbehorende emoties me overspoelde. ‘Ons bos’, zoals ik het in gedachten noemde, beschouwde ik als de plaats waar het diepgaande deel van onze relatie begonnen was, omdat het de plaats was waar ik te horen gekregen had waarom hij op dat moment nog niet had kunnen zeggen dat hij van me hield. Toen hij uiteindelijk vlak voordat ik naar Japan vertrok die vier woorden over zijn lippen had kunnen krijgen, had ik me beseft hoeveel ik voor hem betekende en dat gevoel had ik op het moment dat ik daar naast hem liep opnieuw. Ik was het enige meisje van wie hij ooit officieel zou houden.
Ik durfde hem niet aan te kijken omdat ik wist dat hij dan mijn verwarring zou zien. Bovendien wilde ik me op iets anders concentreren dan op hem, en dus liet ik herinnering na herinnering aan me voorbij schieten, wetend dat hij me niet zou storen. Waarschijnlijk voelde hij precies het zelfde als ik.
In gedachten zag ik Julia, Fleur en mezelf op een bankje zitten, naast elkaar, en ik zag hoe Tokio Hotel naast ons nogmaals het nummer oefende dat ze ten gehore zouden brengen. Vreemd genoeg kon ik me nog precies herinneren hoe week en onervaren het geklonken had, hoezeer ik genoten had van de klanken van zijn stem en het gevoel dat ik gekregen had toen ik hem mijn blik had laten vangen. Ik herinnerde me de zachte kus die hij op mijn wang gedrukt had toen we afscheid hadden moeten nemen terwijl Julia en Tom naast ons aan elkaar vast zaten alsof ze voor altijd bij elkaar wilden blijven. Mijn gedachten namen me mee terug naar de dag waarop Bill en ik gevangen waren in de regen, hoe hij mijn mond verwarmd had met die van hem en hoe we terug waren gerend naar het café, door de plensbui heen. Ik dacht aan de allesveranderende avond, de avond dat ik binnen twee uur met Bill gezoend had, een deal gesloten had met God en Georg mijn hart had veroverd. Ik werd teruggezogen in het moment dat Bill en Mirre samen hadden gelachen, voelde opnieuw de jaloezie die ik toen ook gevoeld had en herinnerde me dat ik Bills ogen niet had zien lachen. Ik zag de blik in Bills ogen toen Georg me pal voor zijn neus gezoend had, vlak voordat ze op tour gemoeten hadden en ik dacht aan het schuldgevoel dat ik had gehad jegens hem. De herinnering aan Georgs overspel overspoelde me en bracht me meer herinneringen over Bill: het moment dat we elkaar na maanden weerzien hadden en hoe het balletje was begonnen met rollen. Ik dacht aan de onzekerheid over het feit of hij van me hield of niet, dacht aan dat gesprek dat we daarover gevoerd hadden, in dat zelfde bos als waar we op dat moment liepen. Ik ging terug naar de dag dat de tweeling een totaal mislukt feest gegeven had, dacht aan de eerste keer dat Bill en ik met elkaar naar bed geweest waren en herinnerde me dat we niet lang daarna onze tatoeage hadden laten zetten. Daarna was alles misgegaan…
“Je rilt,” merkte Bill waakzaam op. Ik haalde mijn schouders op, nog voordat ik me realiseerde dat hij gelijk had en herstelde me vlug daarna. Ik liet hem mijn blik vangen en kreeg vreemde kriebels in mijn buik bij het zien van zijn flauwe glimlachje. “Het zijn de herinneringen hè?”
Ik knikte en liet een korte stilte vallen, waarna ik helder en oprecht zei dat ik van hem hield. Toen hij zei dat dat ook voor hem gold, hielden we halt en keken elkaar lang aan. Ik hield ervan om naar hem te kijken, om de verfijning van zijn gezicht in me op te nemen. Mijn hand reikte naar de ketting om zijn slanke hals en ik deed een klein stapje dichterbij, waarbij ik mijn hoofd in mijn hals moest leggen omdat ik hem anders niet aan kon blijven kijken. Hij schoof zijn handen onder mijn haar, boog voorover en liet zijn lippen op die van mij belanden.
Ik beschouwde dat moment als uitermate bijzonder. Na het ophalen van alle herinneringen en het verknipte gevoel van mezelf, verdeeld over het verleden en het heden, leek die ene kus me samen te smelten tot de persoon die ik behoorde te zijn. Alle puzzelstukjes van mijn persoonlijkheid kwamen even samen, maar vielen weer uiteen toen we elkaar weer los lieten. Ik glimlachte vaagjes, voelde me niet verdrietig over het feit dat ik niet altijd een volledige puzzel zou kunnen zijn. Ik was al lang blij dat ik heel even gevoeld had wie ik had kúnnen zijn als ik niet zo stom geweest was. Het maakte me bewust van de schuld die ik met me mee torste.
We liepen langzaam verder naar de plaats waarvan ik wist dat er een meer lag – áls het er ten minste nog lag. Het zou me niet verbaasd hebben als het verdampt zou zijn of zoiets, spoorloos verdwenen, want níéts kon me nog verbazen. Het leven in Duitsland was in dat jaar dat ik aan de andere kant van de wereld doorgebracht had zo veranderd dat het verschil ongeveer net zo groot was tussen dag en nacht. Tom was veranderd, Fleur, Julia, Georg, Albert, Bill en ook ikzelf, zoveel zelfs dat ik mezelf soms niet meer herkende.
Toen we uiteindelijk op de open plek stonden, kon ik wel janken om het feit dat er ten minste één ding gebleven was wat het altijd was geweest. Het meer lag er donker en eenzaam bij, als een donkere spiegel, en ik kon me niet voorstellen dat er iemand het wateroppervlak had aangeraakt sinds de laatste keer dat Bill en ik daar geweest waren, zelfs de vogels en de wind niet.
Opeens voelde ik een steek van medelijden die ik eigenlijk meteen wilde wegvagen omdat ik het zo stom vond me zo te voelen, maar het wilde niet weggaan. Ik had medelijden met het water dat daar zo onaangeroerd voor me lag, zo eenzaam, gewoon omdat ik tot voor kort zelf gevoeld had hoe het was om altijd maar alleen te zijn. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan, zowel om het feit dat ik nooit opgemerkt had dat ze zo eenzaam was als om het feit dat ik medelijden had met iets dat noch levend noch dood was. Ik had gewild dat ik voor een paar eenden zou kunnen zorgen zodat die de eeuwige stilte wat konden verbreken en haar wat gezelschap konden houden, maar ik was God niet.
Ik hoorde hem mijn naam zeggen en keek naar hem op. Even verloor ik mezelf in de lijnen van zijn gezicht, in de curve die zijn wenkbrauwen maakten, het piekerige haar dat in zijn gezicht sprong en zijn volle mond, die me nog steeds onbekend voorkwam terwijl ik hem al miljoenen malen beroerd had. Ik zag zijn gezicht als een landkaart waarop ik kon lezen waar ik al geweest was en waar ik nog moest gaan, maar de lijntjes waren zo fijn dat het niet te lezen was.
“Ik ga je iets vertellen wat je niet zo leuk gaat vinden,” zei hij met alle mogelijke zachtheid in zijn stem, een zachtheid die me vertederde tot diep in mijn binnenste. Hij wist dat ik niet boos op hem kon worden als hij zo tegen me praatte, dat kon niet anders. “Je moet me beloven dat je niet boos wordt.”
Ik maakte een goedkeurend geluidje, hoewel ik niet kon beloven dat ik mezelf in zou kunnen houden. Hij wendde zijn gezicht af naar het meer, zijn blik stond op oneindig, en hij reageerde niet op mijn pogingen zijn blik te vangen. Zijn handen had hij in zijn kontzakken gestoken en hij schuifelde wat met zijn voeten toen hij naar de vochtige grond onder onze voeten keek. Toen hij zijn blik naar beneden gericht had, had het net geleken alsof hij zich ook in een flits beseft had hoe eenzaam het meer was.
“Jij praat met Justin om je hart te luchten, toch?”
Ik knikte. Ik kon niet anders dan knikken. Ik had er nooit een geheim van gemaakt dat ik met Justin praatte over Japan en over mijn moeder, ondanks dat ik wist dat Bill er niet gelukkig van zou worden. Met Justin praten luchtte me op zoals niets anders dat kon, omdat hij buiten alles stond. Met Bill kon ik ook goed praten, ik wist dat ik dat kon, maar het leek me nutteloos omdat ook hij alles had meegemaakt en al wist hoe ik me gevoeld had voordat ik daar eenmaal over verteld had. Justin stond erbuiten en was in die zin een sterk persoon, iemand waaraan ik me op kon trekken als ik zou vallen. Als ik me aan Bill vast zou houden, zouden we samen in het zwarte gat kieperen.
“Tussen Nathalia en mij lag dat wat anders…”
Het eerste dat in me opkwam, heel onwillekeurig, was dat Bill vreemd was gegaan met haar toen ik in Japan op hem zat te wachten. Ik schoof het echter meteen weg, want ik wist dat hij dat nooit zou doen, hoe verrot hij ook geweest was. Zo was hij niet.
“Je weet dat ik totaal aan de grond zat toen jij weg was, hè? En dat ik mezelf iedere avond kapot zoop en ongelukkiger was dan ieder ander op deze hele wereld?”
Ik knikte, maar iets bedachtzamer dan de vorige keer. Opeens was ik er niet meer zo heel zeker van of hij niet vreemd was gegaan, want de onheilspellende toon in zijn stem sprak voor mij boekdelen. Ik kon al voor me zien hoe zij hem op een dronken avond verleid had, hoe ze hem nog meer alcohol toegestopt had en hoe ze daarna de nacht samen doorgebracht hadden. Er vormde zich een prop in mijn buik, iets dat aanvoelde als een lege plek, alsof hij mijn hart eruit gerukt had. Ik was bang, onvoorstelbaar bang, en ik kon er niets aan doen.
“Nou – ze kwam naar me toe toen ik totaal lam was. Ik was alleen, had net gekotst, wilde net een martini bestellen en toen was zij daar opeens. Ze praatte tegen me – ik heb geen idee meer wat ze allemaal gezegd heeft voor de rest, maar ze vertelde me in ieder geval dat ze iets had dat me kon helpen, of dat ze in ieder geval mensen kende die spullen hadden om me te helpen, om me te laten vergeten. En op dat moment wilde ik niets anders dan vergeten, Maren…”
Er begon een lichtje te branden, maar ik wilde het nog niet zien. In plaats van het lege gevoel, stroomde ik opeens vol van een emotie die precies het tegenovergestelde was. Ik zag Bill, stomdronken hangend aan de bar, en Nathalia met haar ronde gezicht en haar zwiepende blonde haar. Ik zag precies hoe ze te werk moest zijn gegaan, hoe ze hem een paar keer met knipperende ogen aangekeken had en hoe ze zogenaamd meelevend naar zijn verhaal geluisterd had, dat waarschijnlijk een onsamenhangend geheel was geweest. Mijn haat jegens haar was intenser dan ooit tevoren.
“Ze nam me mee naar buiten en opeens waren daar allemaal jongens. Ze zei iets tegen hen en ze vroegen of ik geld had. Ik zei van wel. Ze gaven me pillen nadat ze Nathalia gevraagd hadden of het wel zo verstandig zou zijn, maar ze zei dat ik het nodig had. En het hielp, Maren. Ik vergat alles, totdat ik de volgende morgen weer wakker werd.”
Ik was nog nooit zo kwaad geweest als op dat moment. Het liefst was ik meteen de auto ingesprongen en naar Wolmirstedt gereden (ook al had ik geen rijbewijs) om haar te vermoorden, maar ik stond aan de grond genageld. Nog steeds probeerde ik zijn blik te vangen, maar hij keek recht vooruit, naar de bomen aan de andere kant van het meer, met een blik in zijn ogen die zei dat hij dacht dat het misschien beter zou zijn aan de andere kant.
Ik vroeg hem of hij zich kon herinneren of hij misschien met haar naar bed geweest was. Hij antwoordde dat hij daar niet zeker van was, maar dat hij het Nathalia vaak genoeg gevraagd had en dat zij hem verzekerd had van niet. Hij zei dat hij haar vertrouwde, ik zei dat ik dat niet deed en dat het dus kon zijn dat hij ontrouw geweest was zonder dat hij dat zelf wist. Hij antwoordde dat hij honderd procent zeker was van het feit dat dat niet zo was.
“Dus het is allemaal haar schuld?” vroeg ik na een lange stilte waarin we beide verzonken waren in gedachten, mijn stem een beetje trillend van de woede die ik in probeerde te houden. Ik zag voor me hoe ik mijn handen om Nathalia’s nek sloot en haar langzaam maar zeker de adem ontnam. Ik zag hoe ik haar hoofd onder water drukte, net zo lang totdat er geen luchtbelletjes meer naar de oppervlakte dreven en ze slap werd onder mijn handen. Ik zag hoe ik een mes in haar rug stak, hoe haar bloed op mijn handen spetterde. Vreemd genoeg gaven die gruwelijke beelden me voldoening, hoewel ik het verschrikkelijk vond om zoiets te denken.
“Zo moet je dat niet zien,” verdedigde hij haar. “Ze bood me gewoon de gelegenheid om te vergeten, niets meer en niets minder. Het was mijn eigen schuld verder, het was gewoon niet zo slim van me om-”
“Niet zo slim?” onderbrak ik hem. “Ze kwam naar je toe en ze bood jou die pillen aan. Jij raakte verslaafd, verloor ieders vertrouwen en dat noem jij ‘niet zo slim’? Dat is zelfvernietiging, Bill!”
Ik stond perplex van mijn licht-ontvlambaarheid, was bang mezelf te verliezen, maar ik had al door dat ik niet meer te houden was. Toen hij naar me omkeek en ik de gebroken blik in zijn ogen zag, werd ik zo mogelijk nog kwader. Het feit dat hij blijkbaar niet doorhad dat zij hem gebruikt had, dat brak me op van binnen. Ik had het gevoel dat hij haar boven mij verkoos door haar wel te vertrouwen en mij niet, terwijl ik diep van binnen wel wist dat niet zo was. Het egoïstische kind binnenin mij schreeuwde het uit en ik wist dat het niet lang zou duren of ik zou zelf precies het zelfde doen.
“Ze heeft me juist gehólpen,” antwoordde hij opnieuw met die zijdezachte stem, maar hij kreeg me er dat maal niet rustig mee. Ik was kwaad, hels, niet op hem maar op Nathalia, maar er was niemand anders in de buurt op wie ik die woede af kon reageren behalve op hem of op mezelf.
“Nee, ze heeft je de vernieling in geholpen!” riep ik uit. “Zie je dat zelf niet?”
Ondanks alles bleef hij rustig. Ik voelde hoe ik de controle over mezelf verloor, hoewel ik helemaal niet kwaad op hem wilde zijn, maar alle emoties in mijn lichaam zaten elkaar in de weg en moesten er één voor één uit: eerst het verdriet, dan de woede. Ik was benieuwd wat er nog meer in me zat.
“Je weet hoe het voelt, toch, die leegte?” vroeg Bill, nog steeds zacht en rustig. Ik knikte en wilde meteen doorrazen over hoe dom het was om naar verslavende middelen te grijpen, zéker als het Nathalia was die ze aanbood, maar hij liet me niet eens beginnen met praten. “Dat spul vult, Maren, echt waar. Zonder jou ben ik leeg en ik zag echt geen andere uitweg.”
“Maar die was er wel!” riep ik. “Was naar Japan toe gekomen, had me opgehaald en dan was het allemaal niet nodig geweest! Dan waren we gelukkig geweest!”
Hij keek getergd, alsof ik niet wist waar ik het over had, maar ik wist donders goed waarover ik het had. Ik had precies het zelfde gevoeld als hij, die leegte en het verdriet in mijn hart, maar ik had er nooit over nagedacht om naar verdovende middelen te grijpen. Goed, de alcohol vloeide zo eens in de zoveel tijd rijkelijk, maar ik had niet eens een mes in mijn arm gezet. Ik had geen idee wat dat betekende, of hij dat beschouwde als een feit dat ik niet zoveel van hem hield als hij van mij, dat ik minder geleden had dan hij, maar ik wist zeker dat dat niet zo was. Ik had me nog nooit zo verschrikkelijk gevoeld, zelfs niet toen Georg vreemdgegaan was, niet toen mama net overleden was en niet toen ik Bills hand los had moeten laten. Ik was totaal verdoofd geweest, kapot, gesloopt tot op de grond, zo erg zelfs dat ik niet eens de kracht gehad had om zoiets kleins als een mes op te kunnen tillen. Daar zat het verschil tussen ons.
Ik haatte Nathalia om het feit dat ze Bill, die prachtige jongen die voor me stond, met tranen in zijn ogen, aan de drugs geholpen had en ik haatte Bill om het feit dat hij niet zag dat Nathalia door en door slecht was. Bill was een slimme jongen, iemand die je niet hoefde te vertellen dat drugs slecht was voor een lichaam, en ik begreep niet waarom hij het dan toch gedaan had. Goed, hij wilde vergeten en de leegte in zijn hart niet meer voelen, maar ik wilde niet begrijpen wáárom hij het gedaan had. Ik haatte Simone, omdat ze Bill niet tegen had gehouden, en om dezelfde reden haatte ik mijn vriendinnen. Het meest haatte ik echter mezelf, omdat ik Bill haatte terwijl ik best wist dat hij dat niet verdiende.

Het werd al langzaam donker. De silhouetten van de donkere bomen, waarvan slechts de toppen nog verlicht werden, tekenden zich af tegen de roze en oranje hemel. De kleuren deden me denken aan de zomer van 2006, waarin Bill en ik nog zo jong geweest waren en waarin alle problemen nog zo ver weg hadden geleken. Het natte gras onder me herinnerde me aan die keer dat Bill en ik in het water gezwommen hadden en we ons op hadden laten drogen in de warme zon. Ik voelde ontzettend veel emoties als ik terugdacht aan die zomer, omdat het behalve mooi toch ook het begin van het einde geweest was. Bovendien leek het oneindig ver weg.
Aan de andere kant van het strakke zwarte water, zag ik een ineengedoken zwarte figuur zitten. Zelfs vanaf zo’n grote afstand kon ik zijn emoties waarnemen, en ik merkte dat hij zich precies het zelfde voelde als ik. We waren beide verdrietig om de manier waarop het ging, om het feit dat we voor het eerst sinds ons samenzijn ruzie gemaakt hadden, maar waren beide ook te koppig om ons te verontschuldigen en vervolgens door te gaan alsof er niets gebeurd was. Ik voelde ook dat dat nooit zou gebeuren: de ruzie zou altijd tussen ons in blijven staan, op de één of andere manier.
Ik liet mezelf achterover vallen en bestudeerde de hemel boven me. Door de felle kleuren van de zonsondergang heen, zag ik al een paar sterren schitteren en iets boven de boomtoppen zag ik de contouren van de maan. Ik voelde me eenzaam, net zoals Bill en het meer dat tussen ons lag, en bedacht me met een glimlach dat we in ieder geval samen alleen waren. In ieder geval zonder Nathalia, die wat mij betreft van de aardbodem mocht verdwijnen. Ze deed ons alleen maar pijn.
Ik schrok op toen ik mijn telefoon voelde trillen, maar bleef plat op mijn rug liggen terwijl ik het kleine apparaatje uit mijn broekzak wurmde. Verbazing maakte zich van me meester toen ik zag dat het Tom was, want hij belde me nooit en de enige keer dat ik hém ooit gebeld had, was toen mijn moeder in het ziekenhuis lag en ik Bill niet te pakken had kunnen krijgen. Al direct kreeg ik een vaag vermoeden, maar ik nam wel gewoon op, met een stem alsof er niets aan de hand was.
“Bill belde net en hij jankt nóóit!” riep hij op een fluistertoon uit nadat hij bevestigd had dat ik met hem sprak. “Wat heb je in godsnaam met hem gedaan?”
Meteen had ik het gevoel dat ik mezelf moest gaan verdedigen, want ik kende Tom maar al te goed en wist dat hij het niet op prijs stelde als ik zijn broertje aan het huilen maakte. Ik was echter niet bang voor wat hij zou zeggen, want ik wist voor mezelf dat ik gelijk had en wist ook dat ik twee vriendinnen had die het voor mij op zouden nemen mocht het tot een collectieve ruzie komen.
“Dat weet ik,” zei ik zacht en kalm, zodat ik zeker wist dat Bill niets van ons gesprek mee zou krijgen. “Maar weet jij dat hij aan zijn drugs kwam via Nathalia?”
Er viel een stilte waardoor ik meteen wist dat de informatie die ik hem zojuist gegeven had, nog nooit eerder bij hem was aangekomen. De toon van verbazing in zijn fluisterende stem maakte dat mijn hart min of meer brak, omdat ik het gewoon zo rot vond dat het zo gelopen was. Het drong tot me door dat ook dat veranderd was: Bill en Tom, die nooit geheimen voor elkaar gehad hadden, waren opeens ook een mysterie voor elkaar. Bill voelde hetzelfde jegens Tom, want die had al eens het zelfde meegemaakt als ik die nacht in de tourbus, toen ik hem huilend met een flesje bier betrapt had, maar Tom had hem nooit zijn geheim verteld. Ik vond het verschrikkelijk dat ik hun band vernield had.
“Weet je dat zeker?” vroeg hij ademloos, met een zachtheid die ik niet van Tom gewend was. Ik had gewild dat ik in lachen uit zou kunnen barsten en zou kunnen zeggen dat ik maar een grapje maakte, maar dat was niet waar.
“Hij heeft het me zelf verteld, daarnet,” antwoordde ik, met het gevoel alsof er een zwaar rotsblok op mijn borst rustte. Ik kon maar zwaar ademen, op de één of andere manier, en ik wist zeker dat dat door mijn schuldgevoel kwam. Het was mijn schuld dat alles zo gelopen was, dat alles zo veranderd was en hoewel ik me daar op sommige momenten meer van bewust was dan op anderen, sluimerde het altijd wel in me. Ik haatte God.
“Écht waar?” vroeg hij opnieuw. “Geen grapje?”
Ik zuchtte melancholisch, herinnerde me opnieuw dat de tijd niet had stilgestaan. God was precies zoals mijn moeder me vroeger altijd had willen leren: als hij iets deed, dan deed hij het goed. Als je er een rotzooi van maakte, dan ruimde God alles grondig voor je op, maar met alle gevolgen van dien. Ik had beter naar haar moeten luisteren, besefte ik me, maar daar was het al te laat voor.
“Sorry…” zei ik, met zo’n zware lading dat hij wel zou begrijpen dat het antwoord ‘ja’ was.
Er viel een stilte tussen ons waarvan ik het niet nodig vond hem te verbreken. Het was net zoals de stiltes die er soms tussen mij en Bill vielen, vreemd genoeg, ook al had ik met Tom niet zoveel meegemaakt als met hem. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar de kalme ademhaling aan de andere kant van de lijn, telde hoe vaak hij in- en uitademde en sloot mijn ogen. Voor heel even vergat ik Bill, het meer tussen ons in en mijn eenzaamheid.
De stilte duurde zo lang dat ik op een gegeven moment de sterren duidelijk kon onderscheiden van de steeds donkerder wordende hemel achter hen, maar ik was er zeker van dat hij niet opgehangen had. Nog steeds hoorde ik de kalme ademhaling en soms iets dat op een snik kon lijken, maar ik kon het niet heel goed horen omdat de stilte me – vreemd genoeg – minder bewust maakte van alle geluid dat ik kon horen. Op een gegeven moment opende ik mijn ogen en kwam overeind, waardoor ik een koele luchtstroom over mijn gezicht joeg en me realiseerde dat mijn wangen nat waren. Ik kon me niet eens meer herinneren wanneer ik begonnen en gestopt was met huilen.
“Je moet naar hem toe gaan,” zei Tom op een gegeven moment. Zijn stem klonk niet langer zacht, eerder rauw of rasperig, maar nog steeds was de ondertoon lief. “Ik praat wel met hem als we een keer alleen zijn en dan – ja, we zien wel. Ga gewoon naar hem toe en zeg alsjeblieft dat het je spijt of zoiets, je hoeft het niet eens te menen, maar ik kan er niet tegen als hij huilt, goed?”
Ik trok mijn mondhoeken op in een poging te glimlachen, blij dat hij het zo voor zijn broertje opnam terwijl dat eigenlijk in mijn nadeel werkte.
“Goed,” antwoordde ik, en stond al op. Ik zag hoe de figuur aan de andere kant van het zwarte water zijn hoofd opgeheven had, zag zelfs op honderd meter afstand de schittering in zijn ogen, en ik besefte dat ik niet boos op hem kon zijn. Hij was misschien wel fout geweest door Nathalia te geloven, maar ik wist zelf hoe goed ze was in het manipuleren van mensen en dus was het allemaal haar schuld. Een oprecht glimlachje gleed over mijn gezicht en ik nam afscheid van Tom, om daarna op te hangen, mijn telefoon in mijn broekzak te proppen en aan de weg terug te beginnen.
Ik moest oppassen waar ik mijn voeten zette, want door de uitgerekte schaduwen die veroorzaakt werden door het kleine streepje licht dat nog boven de horizon uit kwam, werden putten onzichtbaar en werd alles een keiharde driedimensionale werkelijkheid. De weg terug zat vol obstakels die ik niet kon zien en dingen die ik dácht te zien maar er niet waren. Ik bedacht me met een glimlachje, terwijl ik mijn blik van de grond af wendde en hem liet rusten op de opnieuw ineengedoken gestalte aan de waterkant, dat ik dat heel figuurlijk op kon vatten. De weg terug lag vol obstakels, of eigenlijk was er geen weg terug naar vroeger. Ik was blij dat de weg terug naar Bill nog wel bestond.
Hij keek niet op toen ik aan kwam schuifelen, maar ik wist zeker dat hij me opgemerkt had. Ik zag een soort van rilling over zijn slanke, gekromde rug gaan, alsof hij het koud had gehad zonder mij, en ik zakte naast hem neer op het kille gras. Hij had zijn knieën opgetrokken, zijn armen om zijn lange benen geslagen en zijn kin rustte daarop, zijn blik nog altijd gericht op waar ik even daarvoor nog had gezeten, zijn ogen glazig alsof er spinnenrag in zat. In het opkomende maanlicht was zijn verschijning opvallend fragiel, nog meer dan gewoonlijk, en zijn huid leek wel van porselein te zijn. Het licht maakte de contrasten tussen licht en donker groter, waardoor zijn gezicht bleker leek en zijn ogen nog donkerder leken te zijn dan normaal. Je zou het griezelig kunnen noemen, want het zag er doods uit, maar ik vond het tegelijkertijd ontzettend mooi.
Ik liet mijn hoofd op zijn schouder rusten en hoopte dat hij daaruit zou opmaken dat ik berouw had. Tom had dan wel gezegd dat ik mijn excuses niet hoefde te menen, maar ik meende het wél. Bill kon er niets aan doen dat hij Nathalia’s prooi geworden was – híj was het slachtoffer, zij de dader. Nathalia was gewoon de schuld van alles, de schuld van álles dat verkeerd gegaan was. En de schuld van God. Nathalia moest wel een handlanger van hem zijn.
Hij sloeg zijn arm om me heen en gaf me warmte. Ik kroop nog iets dichter tegen hem aan, sloeg mijn armen om zijn dunne lichaam en even later voelde ik hoe hij zijn lippen op mijn haar drukte voordat hij ermee begon te spelen. Ik voelde zijn verlangen om te vlechten, zelfs dát kon ik aan hem voelen, en ik besefte me dat wij heel bijzonder waren.
“Blijf je eten vanavond?” vroeg hij zachtjes, schor en gebroken, doende alsof er niets gebeurd was hoewel we beide wisten dat het voor altijd bij ons zou blijven, in onze gedachten en onze herinneringen. Het was onze eerste ruzie geweest en hoewel ik me er verward over voelde en het aan de ene kant wilde uitpraten, was ik ook gelukkig dat hij er overheen praatte. Misschien was doen alsof er niets gebeurd was wel de beste oplossing.