Deel 6
Lieve Sa,
Het leven is een complete puinhoop. Het gaat niet goed met Bill, het gaat niet goed met mij en alles is gewoon klote. Soms voel ik helemaal niets en soms voel ik teveel in één keer, waardoor het voelt alsof ik kopje onder ga. Ik heb opeens van alles op mijn geweten en dat alleen maar omdat ik van Bill houd en hij van mij. Het is niet eerlijk, niets is meer eerlijk en ik denk niet dat ik er nog tegen kan. Bill en ik leunen maar een beetje op elkaar en we maken elkaar kapot, vrees ik, maar ik heb geen idee wat ik anders moet. Ik ben de wanhoop nabij en hoop maar dat er gauw een oplossing komt, want anders weet ik het ook niet meer. Het enige dat ik nog voel, is angst. Angst voor wat ik kwijt kan raken en angst voor wat me nog te wachten staat. God is nog niet klaar met me.
Ik keek naar de fijne lijnen die door de jaren heen in zijn gezicht gekerfd waren, tegelijk met de zorgen die zijn leven overgenomen hadden. Nathalia had de zorgen kunnen verzachten, had Bill laten vergeten waar hij om treurde en ik voelde dat ik, naast de haat die ik nog steeds jegens haar koesterde omdat ze Bill aan de coke geholpen had, toch ook wat respect voor haar kon opbrengen. Ik dacht al dagenlang aan haar, aan hoe ze Bill gekalmeerd had nadat hij Georg bijna doodgeschopt had, en ze wilde maar niet uit mijn hoofd vertrekken. De woorden die ze me gezegd had vlak voordat Bill en ik van het slagveld vertrokken waren, bleven maar door mijn hoofd spoken: ‘Neem hem maar mee naar huis en laat hem slapen, dat zal hem goed doen.’ Het had geklonken alsof ze precies wist wat Bill nodig had, nog meer dan dat ik dat wist, en het zat me dwars.
“Waar kijk je naar?” vroeg hij zachtjes, terwijl ik nogmaals keek naar hoe zijn huid in contrast stond met mijn donkere beddengoed. Hij sliep al een aantal dagen aaneengesloten bij mij omdat de druk buiten hem iets te groot werd en iedere avond verloor ik me weer in zijn aanblik, maar ik kon maar geen genoeg van hem krijgen. Nog altijd zag ik zijn gezicht als een landkaart en nog altijd had ik de weg die daarop uitgestippeld stond niet gevonden. Ik wilde hem echter graag vinden en dus bleef ik ernaar zoeken.
“Naar jou,” antwoordde ik zachtjes. “Je bent zo mooi.”
Ik genoot van de glimlach die zijn gezicht sierde toen ik dat zei. Zijn tanden waren onvoorstelbaar wit en ik hield van de imperfectie van zijn gebit, wat zijn gezicht karakter gaf en hem bijzonder maakte. Het viel te ontkennen dat Bill een lekker ding was, het viel te ontkennen dat hij knap was, maar wat niet te ontkennen viel, was het feit dat hij mooi was. Prachtig zelfs. De curven van zijn gezicht lagen zo dicht tegen perfectie aan dat het bijna onmogelijk was.
Hij bezegelde mijn woorden met een kus die zo zacht was dat ik dacht dat ik ervan ging zweven. Alle perfectie van de wereld was in dat moment gegoten: ik was met Bill alleen in een buitenwijk waar we slechts individuen waren en niet de beruchte Maren Meyer en Bill Kaulitz. Het was nacht, de volle maan hing glinsterend boven Magdeburg en het was zo doodstil dat het leek alsof de tijd buiten stil stond. Er was slechts één ding dat het moment nog magischer, nog perfecter kon maken, en ik besefte me dat we daar nog niet eens zover van verwijderd waren. Niets kon ons ervan weerhouden één met elkaar te worden: geen fans, geen paparazzi, geen Nathalia en geen angst, want die had ik laten varen.
Ik denk dat hij het merkte aan de manier waarop ik zijn kus beantwoordde, want toen onze lippen elkaar verlieten en hij me aankeek, ging er een vraag van zijn ogen uit. Hij vroeg toestemming en ik gaf hem die zonder woorden; mijn vingers gleden via zijn buik langs zijn navel naar de rand van zijn boxershorts, waar ik ze liet liggen tot hij ook mij stilzwijgend toestemming gaf verder te gaan. Ik ontdeed hem van zijn laatste kledingstuk en hij deed het zelfde bij mij.
Het leek alsof het buiten mezelf gebeurde, wat een vreemd gevoel gaf: alsof ik in de hoek van de kamer stond en naar mezelf keek, zag hoe mijn handen trilden van verlangen en nervositeit. Want nerveus wás ik, net als de eerste keer, hoewel Bill zo bekend voor me was en er niets was waar ik zenuwachtig voor hoefde te zijn. Onder alle uiterlijkheden was ik echter ook onwaarschijnlijk kalm, want alles gebeurde in zo’n rust dat ik er opeens de schoonheid van inzag. We deden het rustig aan, want we hadden het gevoel alle tijd te hebben. We overhaastten niets, wat iedere aanraking nog eens iets extra’s meegaf. Ik drukte mijn lippen overal waar ik bij kon, proefde het zout op zijn huid en rook de zweem van zijn deodorant terwijl ik me besefte dat we in een soort van oneindigheid terecht gekomen waren: de tijd stond stil en gaf ons alle mogelijkheden die we nodig hadden.
Op een gegeven moment rolde hij zich bovenop me, zette zijn handpalmen naast mijn hoofd en bewaarde de afstand tussen onze gezichten. Dat van hem had iets erotisch: twee half geloken ogen in een sneeuwwit gezicht en een mond die net niet helemaal gesloten was. We bleven elkaar aankijken, een hele tijd lang, tot hij zijn lippen bevochtigde en door zijn armen zakte om mijn mond te beroeren met die van hem. We sloten de wereld buiten, creëerden ons eigen wereldje tussen de vier muren en ik was gelukkig om het feit dat ik mezelf was, ondanks alle ellende die ik meegemaakt had en nog mee zou maken. Dat was het allemaal waard.
Hij drong heel zachtjes in me, bewaarde alle kalmte die er in de momenten daarvoor ook geweest was. Zijn blik had hij in die van mij gehaakt en ik legde mijn handen naast mijn hoofd zodat hij de mogelijkheid had onze vingers te verstrengelen, wat hij ook deed. Het was net alsof we op dat moment stopten met leven en in een andere dimensie terecht gekomen waren – zo voelde het in ieder geval voor mij – omdat het zo wonderbaarlijk was dat ik hem opeens weer zo dichtbij me had. Ik begreep opeens niet meer waar ik zo bang voor was geweest, want als je samen iets deed dat zo intiem was, dan moest je wel voor altijd samen blijven.
Zijn heupen bewogen regelmatig in een ritme waaraan onze hartslag zich aanpaste, een ritme dat hemels doorklonk in de inktzwarte nacht. Ik had het vreemde gevoel dichter bij hem te zijn dan ooit, ook al waren onze gezichten zo’n twintig centimeter van elkaar verwijderd, en ik had eveneens het gevoel dichter bij perfectie te zijn dan ik in mijn hele leven geweest was. Onze blikken waren in elkaar verankerd en ik kon me niet voorstellen dat we elkaar ooit nog los zouden kunnen laten, dat we ooit nog zonder elkaar zouden kunnen zijn, want in wezen hadden we een deel van elkaar waar een mens niet zonder kan leven. Ik had zijn hart, hij het mijne.
We waren één.
Toen ik na een – opnieuw – hectische dag in de bakkerij thuis kwam, hing er iets onheilspellends in de lucht, alsof er iemand op sterven lag, en zodoende wist ik dat er iets niet goed zat. Ik hoorde dat de douche aanstond – een geluid dat me normaal gesproken rustig maakte, maar dat maal klonk het juist verontrustend, als een onweersbui. Snel trok ik mijn jas uit en beende ik door de woonkamer, richting de badkamerdeur. Er was overduidelijk iets mis en degene met wie er iets mis was, zat achter een deur in een ruimte waarin teveel lag waarmee hij zichzelf pijn kon doen.
“Bill?” zei ik controlerend, mijn hand op de deurkruk, mijn oor tegen de deur en een rotgevoel in mijn maag. Ik herhaalde zijn naam luider toen ik geen antwoord kreeg, me beseffend dat ik misschien niet boven het geluid van het kletterende water uitgekomen was, maar ik kreeg opnieuw geen respons. Er schoten allerlei rampscenario’s door mijn hoofd, want ik wist dat er te doen viel met een doosje slaappillen of een scheermesje, maar ik duwde die beelden gauw weg omdat ik wist dat ze nooit waar zouden kunnen zijn. Bill zou me niet alleen achterlaten, nooit.
Ik bad dat de deur niet op slot zat en voelde zo’n gigantische golf van opluchting toen de deur meegaf dat ik er wel van kon huilen. Waarschijnlijk zou ik me zo gevoeld hebben als ik een jaar eerder te horen gekregen zou hebben dat mijn moeder uit haar coma ontwaakt was, maar dat was nooit gebeurd en ik was blij dat ik dat gevoel alsnog een keer kon voelen. Ik wist wat ik gemist had en dat maakte me nog maar eens extra bewust van de schuld die ik met me meedroeg.
Bill zat onder de douche, met zijn boxershorts nog aan, ineengedoken tegen de muur, zijn knieën opgetrokken en zijn gezicht verborgen onder zijn armen. Hij leefde nog, maar het was overduidelijk dat hij dat liever anders gezien zou hebben. Hij rilde over zijn hele lichaam maar hij kon het met geen mogelijkheid koud hebben: de hele ruimte hing vol stoom en het was bloedheet. Zijn hele lichaam straalde hulpeloosheid uit, schreeuwde in stilte om bescherming waarvan ik niet zeker wist of ik het hem kon bieden.
Ik hoefde niet lang na te denken voordat ik mijn shirt en broek uittrok en ook onder het water stapte, waar ik al spijt van kreeg toen ik de eerste druppel op mijn huid voelde vallen: het was onaangenaam warm, kokend heet bijna, maar ik zette door voor Bill, die me nodig had. Toen hij merkte dat er iets was dat tussen hem en het water in stond, hief hij moeizaam zijn hoofd op, alsof het vijftig kilo woog, en ik schrok van de uitdrukking op zijn gezicht. De blik in zijn ogen was zwak, leeg, gebroken en angstig en iedere spier in zijn gezicht was gespannen omdat hij zijn kaken hard op elkaar klemde. Het was verschrikkelijk hem zo te zien, zo rillend en hulpeloos, wetend dat er niets was dat ik voor hem kon doen behalve bij hem blijven en wachten tot het weer over was.
Toen hij zijn kaken van elkaar afhaalde om iets te zeggen, was het enige dat zijn lippen ontsnapte een getergd geluid dat mijn hart in stukken brak. Hij wierp zijn hoofd in zijn nek en sloot zijn ogen terwijl hij geluidloos mijn naam zei. Ik zakte voor hem op mijn knieën en pakte zijn handen, die ijskoud waren, en ik keek hem diep in de ogen die hij maar moeilijk open kon houden zonder dat ik de pijn erin zou kunnen zien. Hij leed, dat was overduidelijk, maar ik wist niet waaraan.
“Ik heb nodig, Maren,” zei hij klappertandend, en het deed me zeer dat het waar was wat Tom me ooit in de tourbus gezegd had: als Bill een bui had, was hij nogal terugvalgevoelig en vormde hij een bedreiging voor zichzelf. Ik moest hem niet alleen beschermen tegen de buitenwereld, maar ook tegen de verslaving die Nathalia hem ooit had aangepraat, de verslaving die nog altijd in zijn hoofd zat. Ik drukte mijn mond op zijn blauwe lippen en merkte hoe hij daardoor iets minder rilde maar zodra ik het contact verbrak, werd het enkel erger. Hij balde zijn vuisten en kreunde zachtjes, schokte zachtjes met zijn schouders. Ik probeerde hem te kalmeren met sussende woordjes, ving zijn zoute tranen op voordat ze zijn ogen eenmaal konden verlaten en over zijn wangen konden rollen, maar het hielp niet. Ik huilde om zijn hulpeloosheid, voelde me machteloos omdat er niets was dat ik voor hem kon doen. Ik wilde een eind maken aan zijn lijden, maar niet op de manier waarop hij dat wilde. Dat was geen uitweg.
“Ik ben hier,” fluisterde ik door onze tranen heen. Ik dwong hem in mijn handen te knijpen, maar hij had er de kracht niet voor. Hij trilde onophoudelijk, telkens opnieuw mijn naam herhalend als in een wegstervende echo, en ik streelde zachtjes de huid van zijn wangen. Iedere keer als zijn schouders schokten, de ene keer nog heftiger dan de andere, snikte hij zo hartstochtelijk dat het bijna op een kreet om hulp leek, zo eenzaam en alleen. Ik probeerde zijn blik te vangen, wat me telkens maar een aantal seconden lukte voordat hij zijn ogen weer op- of neersloeg om zijn pijn voor mij te verbergen. Hij leek constant in pijn te verkeren, alsof hij in een soort van geestenrijk was waar ze hem folterden. Ik wilde hem bevrijden, maar ik wist niet hoe dat moest.
Op een gegeven moment keek hij me helder aan, al zag ik dat dat hem alle kracht kostte die hij in zijn lichaam had zitten. Hij bleef mijn blik vasthouden, waarbij zijn oogleden al net zo trilden als zijn handen en ik voelde dezelfde hulpeloosheid als hij. Het was onwaarschijnlijk wat voor een invloed hij op me had, wat hij me kon laten voelen, en iedere keer weer verbaasde ik me daarover. Ik was een marionet in zijn handen.
“Ze plegen allemaal zelfmoord, Maren,” zei hij, pogend sterk te klinken, maar ik hoorde enkel zijn zwakte doorklinken. Blijkbaar had hij dat ook door, want hij sloeg getergd zijn ogen neer en snikte nogmaals. Ik hoefde hem niet te vragen over wie hij het had, want er was maar één ‘allemaal’ waarover Bill zichzelf rot kon voelen en dat waren zijn fans. Het was onze schuld dat ze één voor één doordraaiden, wist ik, en ik voelde mezelf misselijk worden bij het idee dat ik mezelf behalve mijn moeders dood ook nog schuldig had gemaakt aan andere moorden. Ik werd me bewust van het feit dat we iets onomkeerbaars hadden aangericht, iets dat onvergeeflijk was en dat hij nu het label ‘hartenbreker’ opgeplakt zou krijgen, want dat was precies wat hij was, ongewild. Hij had de harten van duizenden meisjes door heel Europa gebroken en moest daar de prijs voor betalen.
Ik hield hem stevig vast, zo stevig dat ik het gevoel was dat we met elkaar zouden versmelten tot één persoon. Hij huilde, net als ik, geluidloos en in stilte, alsof hij het niet aankon zijn verdriet met de rest van de wereld te delen, ook al was ik op dat moment de enige die ‘de rest van de wereld’ gestalte gaf. Ik suste hem zachtjes met woorden als ‘het komt wel goed’ en ‘we komen er wel uit’ en ik was me ervan bewust dat ik op Nathalia leek: ik fluisterde hem woorden toe die hij nog leek te geloven ook. Hij werd rustiger, heel geleidelijk, en hief uiteindelijk zijn hoofd op om me aan te kijken. De blik in zijn ogen straalde nog steeds pijn, zelfhaat en verlangen naar drugs uit, maar het leek al minder te zijn en het stak me dat ik hem voor de gek kon houden als ik dat wilde. Hij drukte zijn mond op die van mij, legde zijn handen om mijn middel en trok me langzaam nog dichterbij, iets waarvan ik gedacht had dat het onmogelijk was. Ik liet mijn handen rusten op zijn schouder, voelde de gezwollen huid van zijn littekens onder mijn vingers en ik hield zo ontzettend veel van hem op dat moment. Ik verplaatste mijn handen naar zijn nek en ik ging met mijn duimen over zijn blauwe lippen, hopend dat ze onder mijn aanraking weer warm zouden worden, maar ze bleven doods en donker. We zoenden zacht en loom, op zoek naar iets waarmee we onze ziel op konden vullen, maar we waren beide leeg van binnen. Ik had geen idee hoe dat zo gekomen was, hoe we veranderd waren in twee bodemloze putten die niet op te vullen waren, of misschien wílde ik daar wel geen idee van hebben. Feit was in ieder geval dat alles me zeer deed op dat moment, zowel mijn lichaam door het hete water als mijn ziel door de last die boven al het andere ook nog op mijn schouders was komen te rusten. Het was net alsof ik kopje onder ging door al dat gewicht, alsof ik onder water gedrukt werd en het licht van de zon boven het wateroppervlak wel kon zien, maar er niet naar toe kon zwemmen. Het enige waar ik naartoe kon, was de gapende zwarte diepte onder me, maar daar wilde ik niet naar toe. Ik wilde naar Bill toe, want dat was het enige waar ik wilde zijn.
“Ik hou van je,” fluisterde hij zacht terwijl er nog twee tranen uit zijn ogen rolden en zich vermengden met het water dat over zijn gezicht stroomde. Zijn ogen stonden nog steeds hulpeloos en ik gedachten reikte ik hem de hand, maar hij pakte hem niet aan. Waarschijnlijk was hij bang mij mee te nemen in zijn val in de put waarvan hij de bodem nooit zou bereiken, maar daar was ik niet bang voor. Ik wilde met hem blijven vallen tot in de oneindigheid, zodat we voor altijd bij elkaar zouden kunnen blijven terwijl de wereld buiten ons afbrak.
Als ik zijn woorden zou beantwoorden, dan zou dat een understatement zijn. Wat ik voelde, ging nog veel verder dan de woorden ‘ik hou van je,’ want dat was opeens zo’n inhoudsloos begrip voor me. Het waren slechts woorden, een soort van loze belofte waarvan je nooit zeker wist of je hem zou houden, maar ik wist dat dat voor hem anders was. Met die gedachte kuste ik zijn mond opnieuw warm, beschermde hem met mijn lichaam tegen het hete water en hoopte hem te laten voelen dat het ooit beter zou worden, dat we ooit uit het dal zouden kruipen waarin we beland waren, want voor mijn gevoel konden we niet meer dieper vallen. Als we nog dieper zouden gaan dan waar we op dat moment waren, dan zouden we kapot gaan, wij allebei.
Maar we zouden kapot gaan. Samen.
De volgende morgen in de bakkerij waren mijn gedachten iedere minuut lang bij Bill, wiens situatie nog altijd dezelfde was. Hij had die nacht niet geslapen en was totaal verzwakt, wat het schuldgevoel om het feit dat ik moest werken nog versterkt had. Ik had hem pas alleen durven laten nadat hij gezworen had dat hij van de drugs af zou blijven en de wat hij toen gezegd had, bleef maar in mijn hoofd spoken. ‘Maar ik mocht toch niet zweren van jou?’ Ik werd er gestoord van en ik geloof dat Justin dat ook merkte, want hij bleef de hele tijd beschermend om me heen hangen, ook al was het ontzettend druk. Telkens als ik thee in een koffiekopje dreigde te schenken of ham tussen een vegetarisch broodje gezond wilde doen, fluisterde hij dat ik het verkeerd deed, waardoor ik weer in de normale wereld belandde en mezelf corrigeerden en het voorval deed lijken alsof het maar een kleine vergissing was, hoewel iedereen zou kunnen zien dat ik er met mijn hoofd niet bij was. Ik had mezelf op de automatische piloot gezet, net als die keer dat Albert onverwacht langs was gekomen en ik totaal verward geweest was, maar misschien iets minder erg.
Het ging al twee uur zo toen ik, terwijl ik een nul teveel aansloeg op de kassa, twee meisjes de winkel in zag komen lopen. De één had zwarte wangen van de uitgelopen make-up en rode ogen, de ander zag er al net zo verlopen uit en ik wist in één oogopslag dat ze niet kwamen voor een halfje bruin, te oordelen naar het feit dat ze beide een helse blik in hun ogen hadden. Ik stond even bevroren, wat de mevrouw aan de andere kant van de counter ontzettend irriteerde omdat ze overduidelijk haast had, maar ik was even niet meer in staat te bewegen. De meiden drongen zich door de mensenmassa heen en het was overduidelijk dat ze naar mij toe kwamen. Ik besloot net te doen alsof ik ze niet zag en herstelde het bedrag op de kassa toen Justin me erop wees, maar bleef hen wel vanuit mijn ooghoeken in de gaten houden.
“Wie zijn dat?” fluisterde Justin op een gegeven moment in mijn oor terwijl hij bijna onzichtbaar in de richting van de twee meisjes knikte. Ik haalde zenuwachtig mijn schouders op, schudde mijn hoofd ter versterking van dat gebaar en maakte hem duidelijk dat hij er geen woorden meer aan vuil moest maken door een nieuwe klant uit de groep mensen te vissen. Ondertussen bleef ik nog altijd op de meiden letten, die furieus een vrouw met een peuter op haar arm aan de kant duwden en al dingen schreeuwden die ik niet eens wílde verstaan. Ik kreeg niets mee van de bestelling die de klant tegenover me opgaf omdat ik me niet meer kon concentreren en ik wilde haar net vragen haar vraag nog eens te herhalen toen er opeens iets rakelings langs mijn hoofd zoefde en er achter me iets met een hels kabaal brak. Ik draaide me vliegensvlug om en registreerde dat er allemaal gebroken glas op de grond lag, met daartussen een steen die hoogstwaarschijnlijk recht door de vitrinedeur heen gegaan was. Direct voelde ik een soort van paniek door mijn lichaam schieten, een instinct dat ik zowel wilde uitvoeren als negeren. Mijn gevoel zei me heel hard weg te rennen, maar ik bleef als bevroren staan terwijl alle mensen in de winkel geschrokken uitroepen deden en de situatie er nog chaotischer op maakten door allemaal zo snel mogelijk naar de uitgang te willen rennen. Ik bleef nog altijd staan, maakte oogcontact met Justin die me duidelijk probeerde te maken dat ik er als de wiedeweerga vandoor moest gaan voordat één van de twee meiden, die al een tweede steen tevoorschijn had gehaald, raak zou gooien.
Ik kon niet eens meer nadenken. Het enige dat ik zag, waren de behuilde gezichten van de twee meiden en ik kon maar aan één ding denken: hun beste vriendin had waarschijnlijk zelfmoord gepleegd en dat kwam allemaal door mij. Ze schreeuwen naar me, schreeuwden dat ik een moordenaar was, dat ik hen verrot maakte en het enige dat ik kon denken, was dat ze gelijk hadden. Ik had mijn moeder vermoord en daar bleef het niet bij, nee, ik moordde half vrouwelijk Duitsland uit doordat ik van een jongen hield. Het was te krankzinnig voor woorden om te bedenken dat jij indirect de moordenaar van duizenden meisjes was, maar het was wáár en dat kon ik maar niet verkroppen. Ik verdiende het niet om nog te leven. Hoe ver was ik er vandaan gewoon een scherf glas uit die hoop te pakken, naar de toiletten te lopen en er een einde aan te maken? Waarschijnlijk was er niemand die erom zou rouwen, misschien alleen Bill, misschien Justin.
Ik wendde gauw mijn hoofd af toen ik een tweede steen op me af zag vliegen en liep daarna de deur achter de balie door, die naar de personeelsruimte en toiletten leidde. Achter me hoorde ik nog steeds het geschreeuw, de scheldwoorden en de beschuldigingen, maar ze konden me niet meer raken omdat ik al te ver weg was. Alles om me heen werd opeens vaag en wazig, alsof ik flauw zou gaan vallen maar in mijn hoofd voelde ik me onnatuurlijk helder, alsof ik opeens wist wat het doel van mijn leven was. Ik passeerde Heinrich, die op het kabaal afkwam, zonder aandacht aan hem te schenken en sloeg de gang richting de toiletten in. Justin riep mijn naam nog, maar hij klonk zo ver weg dat ik het niet nodig vond om naar hem te luisteren. Ik had Bill nodig, wilde hem bellen, maar ik wist zeker dat hij niet op zou nemen.
Eenmaal in de toiletten liet ik me op een WC zakken en verborg mijn gezicht even in mijn handen om tot mezelf te komen. Ik ademde diep in en uit, waardoor het paniekerige gevoel een beetje zakte en ik weer fatsoenlijk na kon denken. Het geluid uit de winkel leek mijlenver van me verwijderd en dat was goed, want ik wilde er niets meer mee te maken hebben. Ik was het zat dat iedereen zich ermee bemoeide, dat er mensen waren die zo verschrikkelijk gestoord waren dat ze van een gebouw af sprongen omwille van Bill en mij, omwille van het feit dat wij samen gelukkig waren. Al mijn vrijheid was van me afgenomen, want als ik niet eens meer mocht samenzijn met diegene die ik het meest lief had op de hele wereld, wat moest ik dan? Ik begreep niet hoe mensen zo ver konden gaan in hun obsessie, dat ze bereid waren een einde aan hun leven als iets dát al onbereikbaar was nog onbereikbaar werd. Heel anders was het verliezen van je vrijheid en het gevoel hebben de schuld te dragen voor de dood van al die mensen die gewoonweg ziek in hun hoofd waren. Die schuld kon ik niet dragen bovenop al het andere, maar ik wist dat ik er met behulp van Bill wel uit zou kunnen komen. Als hij maar bij me zou blijven, dan zou alles goed komen.
“Maren?” hoorde ik opeens een zachte stem waarvan ik wist dat hij van Justin kwam. Ik keek niet op, zowel omdat ik niet kón bewegen als omdat ik te koppig was om mijn zwakte te laten zien. Ik haatte het om zwak te zijn, haatte het feit dat ik alles mezelf zo aantrok terwijl het niet mijn probleem was en haatte het feit dat ik maar niet leek te kunnen stoppen met huilen. Ik haatte het dat ik niet in staat leek te zijn te kunnen vergeten, dat ik het verleden niet los kon laten en dat ik niet overnieuw kón beginnen hoewel ik dat zo graag wilde. Ik haatte het dat mensen zoals Bill en Justin dwars door me heen prikten terwijl ik probeerde een muur om mezelf te bouwen en een masker op te zetten waardoor niemand kon zien wie ik eigenlijk was en waaróm ik was wie ik was, een masker waardoor niemand bij mijn gevoelens zou kunnen en niemand ooit zou weten wie de echte Maren nu eigenlijk was. Eigenlijk wist ik dat zelf niet eens.
Justin kwam op zijn knieën voor me zitten, net zoals ik dat de dag daarvoor bij Bill gedaan had. Hij haalde mijn handen van voor mijn gezicht en keek me diep en doordringend aan, waardoor ik eraan herinnerd werd dat ik misschien niet altijd sterk hoefde te zijn. Ik haatte het om zwak te zijn, ja, maar ik kon het niet aan om alles op te kroppen, zo goed kende ik mezelf dan ook weer wel. Justin zou er altijd voor me zijn, hij zou me altijd willen troosten en ik hoefde me voor hem niet groot te houden, net zoals dat ik dat niet hoefde voor Bill. Er waren maar twee mensen voor wie ik mijn masker kon laten vallen en dat waren die twee jongens, want zij wisten wie ik eigenlijk was, zij kenden me misschien nog wel beter dan dat ik mezelf kende en dat voelde fijn.
“Ze zijn weg,” zei hij zachtjes terwijl hij met zijn duimen een paar tranen uit mijn ogen veegde. Ik had me niet eens beseft dat ik gehuild had en ik haatte mezelf opnieuw omdat ik – hoezeer ik dat ook wilde – niet eens in staat was om mijn zwakte binnen te houden. Ik haatte alles om me heen, behalve Bill en Justin, en daardoor haatte ik mezelf ook nog omdat je gewoon geen goed mens kon zijn als je alles haat.
Hij stond op en trok mij ook omhoog, waarna hij me stevig vasthield. Ik wilde tegenstribbelen, gewoon ruw mijn tranen wegvegen en zeggen dat het alweer ging maar toen ik zijn warmte om me heen voelde, wist ik al dat ik daar niet toe in staat was. Ik verborg mijn gezicht in zijn shirt, dat rook naar versgebakken broodjes en een mannengeurtje dat me vaag bekend voorkwam, en liet de tranen die zich achter mijn ogen opdrongen gewoon gaan. Hij ging kalmerend met zijn handen over mijn rug en zorgde ervoor dat mijn schouders niet zo erg schokten als ze normaal gedaan zouden hebben, waar ik blij om was. Ik vond het fijn dat hij er was, ook al wilde ik in eerste instantie het liefst alleen zijn, want ik had dan ten minste iemand waarbij ik mijn ei kwijt kon, iemand die me zou troosten en naar me zou luisteren zonder vooroordelen te hebben en zonder me te zien als een aansteller, omdat hij van mij gehoord had hoe alles zat en waarom ik was wie ik was. Justin kende me, en het was fijn om iemand te hebben die het fijne van me wist.
“Maren?” hoorde ik op een gegeven moment een andere stem zeggen. Toen ik me losmaakte van Justin, mijn ogen vluchtig droog veegde en opkeek, zag ik dat Heinrich in de deuropening stond, zijn vingers als in een zenuwtrekje tikkend tegen het kunststof van het kozijn en met een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. “Kan ik je misschien even spreken in de kantine?”
Ik knikte kort en ging nogmaals met mijn vingers langs mijn ogen om er zeker van te zijn dat er geen zwart meer zat. Daarna maakte ik nog een keer oogcontact met Justin, die van Heinrich te horen kreeg dat hij weer aan het werk moest, om hem duidelijk te maken dat het oké was en dat het wel weer met me ging, wat eigenlijk niet echt een leugen was. Ik wist ongeveer wat er zou gaan komen, maar ik had er vrede mee en accepteerde het zoals ik mijn lot accepteerde. Het rotgevoel dat ik in mijn maag had, hoorde daar gewoon bij.
Ik volgde Heinrich en nam afscheid van Justin bij de deur naar de personeelsruimte. Hij liep rechtdoor en toen ik af moest slaan, raakte zijn hand even kort de mijne aan alsof hij me daarmee wat steun wilde geven en vreemd genoeg hielp dat. Ik schonk hem een glimlachje en liep voor Heinrich langs naar binnen, waarna hij een ‘niet storen’-bordje op de deur hing en hem dichttrok, waardoor we van de rest van de winkel gescheiden werden. Ik ging op een stoel zitten en legde mijn gevouwen handen op tafel zodat ik nauwkeurig mijn nagels kon bestuderen tijdens het aanhoren van het nieuws. Heinrich nam de stoel tegenover mij en probeerde mijn blik te vangen, waar ik hem uiteindelijk in liet slagen.
“Je weet toch dat dit niet zo door kan gaan, hè?” vroeg hij op een kalme toon die in mijn oren heel bedreigend klonk. Het was een tamelijk onschuldige boodschap, maar ik voelde mijn ontslag al aankomen en dat was het dat de tranen in mijn ogen joeg. Ik wist dat ik mijn appartement niet zou kunnen betalen als ik geen werk meer had en het was onmogelijk dat ik na het incident van even daarvoor nog aan werk zou kunnen komen. Er flitsten allemaal mogelijke toekomstvisioenen voorbij; hoe ik mijn hele verdere leven in de tourbus van de jongens door zou brengen, of hoe ik in een kartonnen doos zou belanden, hoe ik net zoals Bill aan de drugs zou gaan omdat Bill het uit zou maken door de spanningen rondom ons. Ik besefte niet hoe dicht ik bij de waarheid zat toen ik me dat laatste bedacht.
“Nee,” zei ik met een raspende stem waar ik zelf van schrok. Ik klonk ontzettend gebroken en zwak en daar had ik een hekel aan. “Het spijt me.”
“Nee, het spijt mij,” onderbrak Heinrich me terwijl hij iets verder voorover leunde om mijn blik opnieuw te vangen, want ik had mijn ogen alweer op het tafelblad gericht. “Ik hoop alleen dat je begrijpt dat het niet goed is voor de winkel als het iedere dag weer zo’n gekkenhuis is – en ik moet ook mijn winst draaien. Het spijt me, maar ik kan niet -”
“Het geeft niet,” zei ik zacht terwijl ik mijn stoel naar achteren schoof en opstond. “Ik begrijp het wel, en het kan zo ook gewoon niet doorgaan.”
Hij leek even van zijn stuk gebracht, alsof hij verwacht had dat ik zou gaan huilen en zou protesteren en dat de reactie die hij uiteindelijk kreeg, totaal niet was wat hij verwacht had. Ik vond het rot dat ik uit mijn prachtige appartement zou moeten vertrekken, maar ik begreep heel goed wat Heinrich bedoelde en ik kon niet anders zeggen dan dat ik precies het zelfde gedaan zou hebben als ik in zijn plaats gestaan zou hebben, alleen had ik mezelf er dan misschien al wat eerder uit geschopt.
Na hem de hand geschud te hebben en afscheid genomen te hebben, pakte ik mijn jas van de kapstok en ging terug naar de winkel, waar Janita het gebroken glas opveegde. Zodra ik binnen kwam lopen, keek Justin op en ving hij mijn blik, waarna hij vragend naar mijn jas keek. Ik trok weemoedig mijn mondhoeken op en sloeg mijn ogen min of meer beschaamd neer toen hij naar me toe kwam.
“Ik ben ontslagen,” zei ik zachtjes voordat hij ook maar iets had kunnen vragen. Zijn gezichtsuitdrukking betrok meteen weer in medelijdend, waardoor ik er meteen een woordenstroom vol ‘het geeft niet’ aan vast plakte, iets wat ik helemaal niet meende maar alleen maar zei om hem (en misschien mezelf ook wel) een beter gevoel te geven. Ik wilde doen alsof het helemaal niet zo erg was, terwijl ik er eigenlijk ontzettend mee zat.
“Zal ik je even thuisbrengen?” bood hij aan, mijn relaas onderbrekend. “Ik neem dan nu wel alvast pauze – en het is toch niet druk nu. Mijn scooter staat achter.”
Ik schudde mijn hoofd en zei dat het niet nodig was omdat het toch niet zo ver was. De eigenlijke reden waarom ik het zei, was omdat áls hij me thuis zou brengen, ik me verplicht voelde hem nog even binnen te vragen, maar dat ging nu eenmaal niet omdat Bill een bui had. Justin had zoveel voor me gedaan in de paar weken dat ik hem kende dat ik me vervelend voelde bij het feit dat ik hem nooit meer terug zou zien: het zou niet slim zijn om contact met hem te blijven houden gezien Bills achterdocht en ik wilde niets stiekem doen. Bill was alles voor me en daar wilde ik alles voor opzij schuiven, zelfs Justin.
“Vaarwel,” zei ik geluidloos, want ik kon het niet over mijn lippen krijgen. Hij begreep het echter, want hij keek droevig en schonk me nog een laatste glimlach voordat ik hem precies zo’n lach terugschonk en de winkel achter me liet. Voor eeuwig.
Toen ik thuis kwam, was het eerste dat me opviel het feit dat Bill niet in bed lag. Hij had zichzelf op wonderbaarlijke wijze naar de bank verplaatst, waar hij opnieuw in slaap was gevallen en het verwonderde me dat hij daar de kracht voor op had kunnen brengen. Toen ik hem die morgen achtergelaten had, was hij volledig krachteloos geweest, niet in staat om zichzelf ook maar om te draaien in bed en ik was trots op hem, op de één of andere vreemde manier. Als het hem lukte om uit bed te komen als hij een bui had, dan moest het hem ook lukken om uit de donkere put waarin hij figuurlijk zat te klimmen. Ik wist dat hij sterk was.
Ik bleef even naar hem kijken en verbaasde me er opnieuw over hoe mooi hij eigenlijk was, zijn sneeuwwitte huid scherp afstekend tegen de donkere bank, zijn haar dat als een krans om zijn hoofd gerangschikt leek en zijn slanke handen met de zwarte nagels, die hij om de zitting van de bank geklemd had. Zijn borst ging langzaam op en neer, in een vast ritme dat me alleen al kalmeerde als ik ernaar keek en ik voelde het verlangen om naar zijn kloppende hart te luisteren, omdat dat me er altijd weer aan herinnerde voor wie ik leefde en waarom ik nog steeds volhield. Bill was eigenlijk de enige waarvoor ik leefde, want hij was de enige waarvan ik zeker wist dat hij er altijd voor me zou zijn als ik hem nodig had, ook al wist ik diep van binnen ook wel dat ‘voor eeuwig’ niet bestond. Maar toch, als ik naar hem keek, hoe vredig en kalm hij erbij lag, dan kreeg ik wel eens het gevoel dat er tussen ons nooit meer iets zou veranderen. We waren eindelijk weer bij elkaar en ik dacht dat we nooit meer iets tussen ons in zouden laten komen.
Het tweede dat ik zag, was iets dat alle kalmte direct weer uit mijn lichaam joeg en het holle gevoel in mijn maag – dat er al had gezeten door mijn niet zo onverwachte ontslag – nog maar eens versterkte. Het was net alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg, zo onverwacht kwam het na dat rustige moment van even daarvoor, en het stak recht door mijn hart. Het was zo’n tegenstelling met het beeld van Bill, rustig slapend op de bank, dat ik het gevoel had dat het niet waar kón zijn, dat het maar een visioen geweest was. Opeens voelde ik mezelf misselijk worden van binnen en werd het zwart voor mijn ogen, zodat ik me even aan de rand van de keukentafel vast moest grijpen omdat ik bang was dat ik anders in elkaar zou zakken. Ik probeerde mezelf wijs te maken dat ik het verkeerd gezien had, maar toen het zwart weer optrok, was het er nog steeds. Wit poeder dat contrasteerde met de donkere tafel zoals Bills huid dat deed met de bank.
Ik wist even niet wat ik moest doen. Ik wist wat het was, waar het vandaan gekomen moest zijn, maar ik kon me niet voorstellen dat de jongen die op dat moment zo vredig lag te slapen me voorgelogen had en zijn belofte had gebroken. Het duizelde me toen ik naar zijn prachtige gelaat keek en me bedacht wat hij gedaan had en ik liet mezelf gauw op een stoel zakken toen het opnieuw zwart voor mijn ogen werd. Hij kon het niet gedaan hebben, mócht het niet gedaan hebben. Ik had hem gevraagd het niet te doen en ik had hem vertrouwd toen hij me gezworen had van de drugs af te blijven. Ik wist niet wat het voor gevolgen zou hebben dat hij zijn belofte gebroken had, want ik wist niet waarop hij gezworen had, maar ik was doodsbang dat het iets ernstigs zou zijn, dat hij op onze liefde gezworen had.
Ik plantte mijn ellebogen op het tafelblad en liet mijn hoofd in mijn handen zakken, proberend om tot rust te komen. Er schoot van alles door mijn gedachten en ik werd misselijk bij iedere volgende voorstelling die ik maakte. Ik zag voor me hoe Bill zodra ik de deur achter me in het slot had laten vallen zijn kans gegrepen had, probeerde me voor te stellen hoe hij van het papiertje dat nog op tafel lag een pijpje gerold had en daarmee de drugs opgesnoven had en ik kon het niet aan om dat zo voor me te zien. Ik wilde niet dat Bill afhankelijk was van een stof die gevaarlijk was, wilde niet dat hij zichzelf kapot zou maken alleen maar omdat hij wilde vergeten wat er gebeurd was. Bill was sterk, Bill móést wel sterk zijn, want ik had hem nodig.
Ik merkte dat er twee tranen over mijn wangen liepen voordat ze op het tafelblad spetterden en zich vermengden met het witte poeder zodat het een melkachtige substantie werd. Ik kon niet stoppen met ernaar staren, hopend dat het zou verdwijnen of dat ik me zou beseffen dat het er helemaal niet was, dat het allemaal maar verbeelding was, maar het bleef er liggen. Het beeld van Bill die zichzelf uit bed sleepte om coke te snuiven bleef aan me knagen en ik voelde me er verschrikkelijk door. Het liefst zou ik hem wakker gemaakt hebben om hem te vragen waar hij in godsnaam mee bezig was, maar ik durfde het niet omdat ik ten eerste bang was om de waarheid onder ogen te zien en ik ten tweede de woorden toch niet over mijn lippen zou kunnen krijgen zodra ik hem in zijn ogen zou kijken. Ik voelde een enorme angst, niet alleen jegens Bill maar ook jegens het spul dat voor me op tafel lag. Ik wilde het aanraken, maar ik durfde het niet omdat ik bang was dat het door mijn huid zou dringen en me net zo afhankelijk zou maken als Bill was. Het was een belachelijke gedachte en ik wist ook heus wel dat je niet verslaafd raakte aan cocaïne van enkel het aanraken ervan, maar mijn hersenen werkten gewoon niet fatsoenlijk op dat moment. Het was net zoals toen Albert me gebeld had dat mijn moeder in het ziekenhuis lag, toen had ik me ook zo verdoofd gevoeld. Ik had geen besef meer van tijd, besefte me zelfs niet meer dat ik leefde en dat was toen precies het zelfde geweest. Het mocht niet waar zijn. Het mocht gewoon niet waar zijn.
Ik had geen idee hoe lang ik daar al zat, mijn hoofd nog altijd verborgen in mijn handen, toen ik opschrok door het riedeltje van Bills ringtone. Het geluid klonk verschrikkelijk vals in mijn oren en ik voelde mijn maag omdraaien bij het besef dat het waarschijnlijk Nathalia was, die heks, om Bill te vragen of hij misschien nog meer drugs nodig had. Ik haatte haar vanuit de grond van mijn hart op dat moment, hoewel ik me wel besefte dat het allemaal mijn eigen schuld was: als ik nooit die deal gesloten had, had ik nooit naar Japan hoeven verhuizen en dan had Bill geen reden gehad om aan de drugs te gaan. Waarschijnlijk zou Nathalia dan voor eeuwig uit mijn leven gebleven zijn en leidden Bill en ik een rustig leventje waarin alles nog precies het zelfde was als het ooit geweest was. Het was zo triest dat alles zo veranderd was, dat we zoveel verloren waren onderweg en dat het zo moeilijk was om alles weer terug in de oude staat te krijgen.
Plotseling stierf het geluid weg en hoorde ik beweging. Bill stond op, hoorde ik, heel langzaam en opeens was de ruimte gevuld met een lading die zwaar op mijn schouders drukte. Ik wilde niet dat hij naar me toe zou komen, want ik wist dat ik volledig zou breken als hij me in mijn ogen keek, dat ik daardoor nog zwakker zou werden dan dat ik op dat moment al was, en dat wilde ik niet. Het werd tijd om de draad van mijn leven weer op te pakken en opnieuw de Maren te worden die ik altijd geweest was, al wist ik dat dat heel erg moeilijk zou worden. Het zou veel energie kosten en lang duren voordat ik eenmaal zo ver was dat ik dat masker altijd zou kunnen dragen, maar ik wist dat het niet onmogelijk was. Als ik bij Bill wilde blijven, moest dat ook wel: hij was immers verliefd geworden op de Maren die ik vroeger was, niet op de huilebalk die ik op dat moment was.
Ik hoorde hoe hij tegenover me op een stoel zakte, maar ik weigerde op te kijken. Alle emoties die ik voelde, maakten me kapot, stuk voor stuk, en ik was eigenlijk enkel enorm bang. Ik voelde me vernietigd, wat vreselijker voelde dan menig ander iets dat ik ooit gevoeld had, wat verder ging dan welke lichamelijke pijn dan ook. Ik werd verscheurd door haat en liefde en werd voor het eerst geconfronteerd met het feit dat die twee uitersten eigenlijk heel dicht bij elkaar liggen: ik hield van de Bill die er voor me was, van de Bill die niet bang was te praten over zijn gevoelens en te huilen, samen met mij, maar ik haatte de zelfdestructieve en verslaafde Bill, terwijl die twee één en dezelfde persoon waren.
Hij pakte mijn handen vast, welke net als die van hem ijskoud waren, en dwong me hem aan te kijken, wat ik nog altijd niet durfde omdat ik bang was voor wat ik zou zien. Ik wilde hem niet haten, want dat had hij niet verdiend, maar ik kon gewoon niet accepteren dat hij zichzelf vernietigde en dat het mijn schuld was. Toen ik mezelf uiteindelijk aan hem overgaf en mijn ogen opsloeg, wenste ik direct dat ik het niet gedaan had: in zijn ogen was te lezen dat het hem speet en dat was iets dat ik niet kon verdragen. Het was zo’n intense blik geweest, met zoveel emotie, dat ik ervan schrok en het ontnam me de adem. Direct richtte ik mijn blik weer op het tafelblad, op het poeder dat daar nog altijd lag en voelde hoe opnieuw twee tranen mijn ogen verlieten.
“Het is niet-” begon hij heel zachtjes, waarna ik mijn ogen weer opsloeg. Zijn blik hield die van mij lang vast, zo lang zelfs dat ik niet eens meer de moed had om te vragen wat het dan verdomme wel was, waar hij verdomme mee bezig was en meer woorden die ik met geen mogelijkheid over mijn lippen geduwd zou kunnen krijgen. “Het is geen coke.”
Ik was even verbaasd, vroeg me af wat hij bedoelde en of ik het wel goed verstaan had. Zijn ogen vertelden me dat hij de waarheid sprak, maar ik wist niet meer of ik hem kon vertrouwen en ik had er eigenlijk ook geen idee van hoe goed Bill kon liegen. Misschien loog hij me al voor sinds dat ik terug gekomen was uit Japan, had hij toch een relatie met Nathalia en was hij nooit echt afgekickt. Het verwarde me dat ik er opeens niet meer zeker van kon zijn wat er allemaal wel en niet waar was, wat leugens waren en wat niet en of er loze beloften gedaan waren. Ik wilde hem vertrouwen, maar ik wist opeens niet meer of dat wel kon.
“Wat?” vroeg ik verbaasd, wat een beetje teniet gedaan werd door de rauwe toon in mijn stem. Ik was hees, mijn keel voelde al net zo gezwollen aan als mijn ogen en ik was nog steeds even misselijk als eerst. Ik voelde me vernietigd, bedrogen en ik schaamde me voor mijn goedgelovigheid. Ik had moeten weten dat wanneer God al niet te vertrouwen was, niemand te vertrouwen was. Mensen waren niet te vertrouwen.
“Het is aspirine,” zei hij zacht. “Gewoon, voor het gevoel.”
Hij sloeg zijn ogen neer, beschaamd, waarschijnlijk omdat hij zich besefte hoe idioot het klonk. Ik had me opgelucht moeten voelen, maar in werkelijkheid werd ik alleen nog maar verdrietiger. Hij liet mijn handen los en begon te spelen met de ketting die om zijn hals hing, mijn ketting, wat hem breekbaar maakte. Ik wilde hem het liefst uitschelden en het uitschreeuwen van verdriet en pijn, maar ik kon het niet. Hij was een slachtoffer van het leven, net als ik, en hij verdiende het niet om vernietigd te worden. Ik hield van hem en zou dat altijd blijven doen.
Het werd me teveel. Ik kon er met mijn hoofd niet bij dat Bill een aspirine verpoederde en dat opsnoof om maar het gevoel te hebben dat het coke was. Hij was ziek, besefte ik me, want de verslaving zat nog altijd in zijn hoofd en die zou niet verdwijnen, nooit meer. Hij zou voor altijd een slaaf van de drugs blijven, afhankelijk van de wens te vergeten en dat deed me zo verschrikkelijk veel zeer dat mijn wereld ervan ging draaien. Bill, de enige stabiele factor in mijn leven, was al net zo instabiel als ik dus waren we net twee vermoeide mensen in diep water: we zouden elkaar steeds verder naar beneden duwen om zelf maar boven te blijven, waarna we uiteindelijk geen kracht meer over zouden hebben en samen naar de bodem zouden zinken om daar te sterven en in de oneindigheid terecht zouden komen. Ik wist dat het zou gebeuren, uiteindelijk, maar ik wilde de situatie liever houden zoals hij was. Ik zou liever samen met hem zinken dan dat ik in mijn eentje boven zou blijven.
Ik schoof mijn stoel naar achteren en stond op, nog altijd huilend, niet wetend hoe ik daarmee kon stoppen. Bill keek naar me op, met nog altijd die blik van spijt en medeleven in zijn ogen en ik kon er gewoon niet naar kijken. Ik schudde mijn hoofd en draaide me van hem weg, waarna ik naar de slaapkamer liep en mezelf op bed liet vallen, niet eens de moeite nemend om de deur achter me te sluiten. Gebroken verborg ik mijn gezicht in mijn kussen en ik huilde zo hard dat ik bang was dat mijn botten zouden breken. Opeens had ik genoeg van de ellende en was ik bang dat ik het niet zou overleven, hoewel ik daar toch altijd heilig van overtuigd was geweest, want ik kon er gewoon niet meer mee omgaan. Alle ellende in de wereld kwam over me heen, niet in één keer zodat ik er voor eens en voor altijd vanaf was en de draad van mijn leven weer op kon pakken, maar steeds achter elkaar zodat er telkens als ik dacht dat ik de klap te boven was weer iets anders gebeurde dat me weer terugduwde in die bodemloze put. Het was doodvermoeiend om telkens weer omhoog te klimmen om daarna weer te vallen en ik wist niet of ik nog wel wílde klimmen als het zo moest. Een leven waarin ik telkens weer teleurgesteld werd, was het proberen niet eens waard.
Ik voelde hoe Bill naast me kwam liggen, voelde zijn warmte tegen me en hij sloeg beide armen om me heen om me tegen zich aan te drukken. Hij zong een zachte melodie die ik pas herkende als die van Durch den Monsun toen ik wat kalmeerde, een fragiel deuntje dat verpletterd werd door de drukkende spanning om ons heen. Het voelde alsof mijn ziel aan diggelen lag en hoewel het zeer deed, vond ik dat niet heel erg: het bood me de kans hem opnieuw in elkaar te zetten, als een puzzel, zodat er een betere Maren uit tevoorschijn zou komen. Ik dacht dat ik op dat moment op mijn dieptepunt zat en dat het vanaf daar alleen nog maar beter zou kunnen gaan, maar ik kon nog dieper. Dat wist ik op dat moment echter nog niet. God was nog niet klaar met me.
“Het is niet verslavend,” fluisterde hij in mijn oor toen mijn schouders niet meer schokten en mijn ademhaling weer rustig geworden was. Hij probeerde mijn wonden te helen met zijn woorden, wist ik, maar het werd er alleen maar erger op. Het feit dat hij zich niet eens meer leek te realiseren wat goed en slecht voor hem was, deed pijn in mijn hele lichaam.
“Maar wel schadelijk,” zei ik hees en rauw terwijl ik met mijn gezicht wat afstand van hem nam zodat ik hem beter aan kon kijken. Hij liet me los en pakte mijn handen vast, zodat die verstrengeld tussen ons in lagen. In zijn ogen zag ik nog steeds zijn berouw, zag ik nog steeds dat het hem speet van alles en daar was ik blij om. Hij had zich waarschijnlijk niet beseft hoeveel pijn het me zou doen en had berouw van zijn daden nu dat hij het eenmaal wist. “Je moet ermee stoppen, Bill, echt waar. Het is niet goed voor je.”
Ik kneep in zijn hand en hij kneep terug ten teken dat hij me begreep en dat hij bij me was. Voor andere mensen was dat gebaar misschien iets totaal inhoudsloos, maar ik wist dat het voor Bill het zelfde was als het doen van een belofte die hij nooit zou breken. Hij was zo ontzettend bijzonder en betekende zo veel voor me dat ik er zeker van was dat we nooit meer uit elkaar zouden gaan, maar ieder persoon vergist zich wel eens en ik deed dat ook. Met iedere stap die ik deed, kwam ik dichterbij het einde, maar ik kon niet stil blijven staan omdat ik dan de kans niet zou krijgen om te worden wie ik wilde zijn. Iedere keuze die ik maakte, was er één tussen twee dingen die ik niet wilde en zo werd ik een hoek in gedwongen. God had me niet teruggebracht naar Bill omdat hij me vergeven had, maar omdat hij me nog verder af wilde breken dan dat ik al afgebroken was en dat zou hem nog lukken ook. Hij zou me nooit meer met rust laten, mijn hele leven lang en hoewel dat voor anderen een reden zou zijn om een eind aan hun leven te maken, was dat het voor mij niet. Ik had Bill nog en zo lang ik hem had, kon ik alles overwinnen.