Deel 7
Lieve Sa,
Nu ik bij Julia woon, is mijn leven opnieuw ontzettend veranderd. Ik ben blij dat ik nu de kans heb haar wat beter te leren kennen, maar ik heb wel eens op gezelligere plekken vertoefd. Toch probeer ik er het beste van te maken. Het was kiezen tussen bij Julia wonen en gelyncht worden als ik weer mee op tour zou gaan, dus dit was wel het beste wat ik kon doen. Het is dat ik beloofd heb dat ik mee zou gaan naar de awarduitreiking van de jongens, want anders zou ik het afgezegd hebben. Ik wil niets meer te maken hebben met de media. Het maakt me kapot.
Ik heb tegenwoordig veel dromen over vroeger, over toen alles nog niet eens begonnen was en dat is al zo vaak gebeurd dat ik bang ben dat er iets gaat gebeuren, iets dat me opnieuw kapot maakt en zo, maar ik hoop dat dat niet waar is. We zullen het wel zien.
Omdat ik geen ander werk durfde te zoeken, want ik was bang dat de fans me overal zouden vinden, moest ik vertrekken uit mijn appartement. Ik zou het nog maximaal drie weken uit kunnen houden, maar het was beter eerder te gaan omdat ik anders helemaal niets meer over zou hebben. Julia was mijn redder in nood: zodra ze hoorde dat ik in nood zat, stelde ze voor dat ik bij haar introk omdat ze een plekje over had op de bank en ze het fijn zou vinden om mij wat meer om haar heen te hebben. Ik was haar direct toen ze het kwam vertellen om de hals gevlogen en we waren direct begonnen met het pakken van mijn spullen. Mijn huisbaas wist al over mijn naderende vertrek en zodoende hoefde ik alleen maar de sleutel in te komen leveren als ik zou vertrekken.
Vreemd genoeg deed het best zeer om te vertrekken. Julia’s woning was niet onaangenaam, maar het haalde het niet bij het mijne – niet dat dat vreemd was, want ik had het gewoon uitzonderlijk goed getroffen, maar toch. Bovendien had ik alweer zoveel meegemaakt in die korte tijd en ook al wilde ik geen herinneringen meer koesteren, het deed toch zeer om ze zomaar achter te moeten laten, alsof het grof vuil was. Mijn herinneringen waren me dierbaar, hoe slecht ze ook waren. Het verwarde me dat ik me er rot over voelde dat ik het moest vergeten, terwijl dat juist was wat ik het liefst wilde. Ik kwam tot de conclusie dat ik niet tegen verandering kon, dat ik daar totaal niet mee om kon gaan en dat ik heel veel niet kon accepteren. Zo ook mezelf.
Toen ik uiteindelijk echter de deur achter me dicht trok en samen met Julia de trap af liep, voelde ik me veel lichter dan eerst, alsof ik met het verlaten van die woning ook een hoop ballast achter me liet. We droegen beide een tas waarin ik wonder boven wonder al mijn spullen had kunnen proppen en ik merkte dat Julia opeens wat meer op mij lette dan ik op haar, maar ik weet niet of dat kwam doordat ik zwakker was of dat zij steeds sterker werd. Toen we samen de sleutel inleverden en daarna de straat op gingen om de weg door het centrum samen af te leggen, schonk ze me telkens controlerende blikken die ik beantwoordde met een glimlach, ten teken dat alles goed met me ging. Dat was overigens geen leugen – ik voelde me prima en was blij dat het opeens goed met Julia leek te gaan, althans, dat het béter met haar leek te gaan. Haar haar was nog altijd weerbarstig en leek onzichtbaar in de zon, maar ze was ten minste buiten en ze kon een tas tillen die minstens tien kilo woog: iets waar ik haar twee maanden eerder nog niet toe in staat had geacht. Het enige dat ik rot vond aan de hele situatie, was dat ik overduidelijk de zwakste was.
De hele weg naar haar appartement toe, dacht ik aan Bill. Na het gedoe met die aspirine was het steeds iets beter met hem gegaan, totdat zijn rotgevoel uiteindelijk helemaal verdwenen was. Ik glimlachte bij de gedachte aan de morgen dat ik in wakker geworden was en dat Bill niet naast me had gelegen. Ik was direct in paniek geraakt, maar uiteindelijk vond ik hem door mijn neus te gebruiken terug in de keuken, waar hij een chocoladetaart stond te bakken die ik helemaal in mijn eentje op moest eten gezien hij geen chocolade lustte.
“Waar lach je om?” vroeg Julia toen ze de glimlach op mijn gezicht opmerkte. Toen mijn blik die van haar ontmoette, voelde ik me direct wat warmer worden van binnen: haar ogen hadden opeens weer diepte en waren niet zo leeg meer als eerst. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn als Julia haar haar weer rood zou verven en die plamuurlaag van haar gezicht zou verwijderen, hoe gelukkig ik zou zijn als ze weer precies dezelfde zou worden als vroeger, maar dat lukte me niet. Waarschijnlijk zou ook Julia nooit meer de oude worden, net zo min als dat ik dat nog zou worden. Het verleden had wonden gemaakt die de tijd niet kon helen.
“Bill,” antwoordde ik, waarna zij lachte. Heel eventjes leek ze op de oude Julia, de Julia van vroeger, heel eventjes maar – daarna was het weer verdwenen. Ik lachte met haar mee en toen er een waterig zonnetje door de wolken brak, bedacht ik me dat het een prachtige scène voor in een film geweest zou zijn: twee meisjes wiens leven verwoest was door God die elkaar weer teruggevonden hadden en gingen proberen het beste van hun leven te maken terwijl er een waterig zonnetje op hen neerscheen en hun ware ik eventjes liet bovenkomen. Mijn rol zou er waarschijnlijk één voor een Oscar zijn, dat was iets dat zeker was.
“Zijn jullie gelukkig?” vroeg ze, en eventjes had ik geen idee wat ik daarop moest antwoorden. Eigenlijk had ik geen idee of Bill en ik gelukkig waren omdat je dat begrip op zoveel manieren uit kunt leggen: sommige mensen zien kunnen smijten met geld als geluk, terwijl andere mensen het delen van emoties als ultieme vorm van gelukzaligheid zien. Ikzelf wist niet precies hoe ik het begrip ‘geluk’ uit kon leggen: als ik aan het woord dacht, zag ik altijd lachende mensen huppelend in bloemenvelden voor me, maar ik wist dat het begrip veel breder was dan dat. Ik wist echt niet of ik gelukkig was met Bill – het enige dat ik wist, was dat ik hem niet meer kwijt wilde.
Ik bleef er de hele tijd aan denken, totdat we bij de deur van het complex aankwamen. Julia liet me rustig denken en onderbrak mijn gedachtestroom niet, wat me blij maakte. Blijkbaar was die connectie tussen ons nog steeds aanwezig, blijkbaar begrepen we nog steeds van elkaar wanneer we wel en niet moesten praten, ondanks de tijd en de veranderingen en dat maakte me gelukkig. We stapten samen in de lift en lieten ons naar de vierde verdieping dragen, wat me een zwevend gevoel gaf. Ik had het nooit echt op liften gehad, vroeger, toen ik nog heel klein was, omdat ik vliegen als iets engs beschouwde. De vrijheid die vliegen gaf, mocht ik niet zo omdat ik het prima vond op aarde en ik er zo lang mogelijk wilde blijven, bij mijn mama, papa en vriendinnen. De situatie was echter zo zeer veranderd dat vliegen me heerlijk leek, dat het me heerlijk leek om alles even achter me te laten en er vandoor te gaan, ver weg van alles. Soms berouwde ik het dat ik geen vleugels had die ik kon uitspreiden als ik dat wilde, als ik de chaos van mijn leven achter me wilde laten. Misschien was het achterlaten van de chaos wel mijn idee van geluk.
Toen we voor Julia’s deur stonden en ik de me bij het zien van haar kamernummer herinnerde dat Bill een lange tijd bij haar gewoond had toen hij net afgekickt was. Ik vond het opeens vreemd om te weten dat ik min of meer in zijn voetsporen trad, dat we beide na ons dieptepunt bij Julia terecht kwamen, maar het voelde ook fijn omdat het met hem beter was gegaan, daarna. Misschien zou ik me ook wel veel beter gaan voelen als ik een aantal maanden met Julia door zou brengen.
“Hoe was het eigenlijk toen Bill hier was?” vroeg ik haar toen we uiteindelijk binnen waren en we de tassen in de woonkamer op de grond lieten vallen. Direct toen het vraagteken mijn mond verlaten had, had ik er spijt van dat ik het gevraagd had: ze leek ineens weer op de Julia die ik een aantal weken eerder in bed had aangetroffen, zo fragiel en doorzichtig als een vlinder. Vroeger zou ik waarschijnlijk mijn vraag teruggetrokken hebben omdat ik gemerkt had dat ze zich er niet prettig bij voelde, maar ik wilde zo graag weten hoe ze het samen gehad hadden dat ik dat fatsoen eigenlijk niet meer op kon brengen. Ze bleef een lange tijd stil, liep nog wat heen en weer van de keuken naar de woonkamer toen ik mezelf al lang op de bank had laten zakken en pas na vijf minuten kwam ze naast me zitten. Ik kreeg een glas cola in mijn handen gedrukt terwijl ik helemaal niet van cola hield (ik glimlachte weemoedig bij het besef dat ze dat vergeten was) en ze ging met haar rug tegen de zijleuning zitten, wat ik ook deed zodat we elkaar aan konden kijken.
Nog heel even was ze stil, draaide rondjes met haar glas zodat er in het midden een klein draaikolkje ontstond. Ik herinnerde me hoe we dat vroeger altijd met zijn drietjes gedaan hebben, Fleur, Julia en ik, toen we nog heel klein waren, en hoe we er altijd een wedstrijd van gemaakt hadden wie de grootste draaikolk kon maken. Altijd weer eindigde het spelletje in een drama voor onze moeders omdat er meer frisdrank op de vloer belandde dan dat er in het glas achterbleef, maar wij hadden altijd de grootste lol gehad.
“Het was,” begon ze, maar direct kapte ze haar zin weer af en keek ze naar haar nagels. Ik besloot te wachten, net zoals ik mijn hele leven al wachtte op iets dat alles beter zou maken, maar had daar wel al mijn geduld voor nodig. “Emotioneel.”
Ze plakte het woord er gewoon achter alsof het geen betekenis had verder, alsof een emotie iets was dat niet hoorde te bestaan en wat direct uitgeroeid moest worden. Opeens begreep ik waarom ze zo verbitterd was, en dat slechts door de manier waarop ze dat ene woord uitsprak. Anders dan ik was zij in staat een masker op te zetten dat haar emoties verborg en dat maakte dat ik haar benijdde, maar aan de andere kant was ik blij dat ze het – zo leek het, althans – langzaam afzette. De blik in haar ogen was weer normaal.
“Emotioneel?” vroeg ik niet-begrijpend.
“Ja, emotioneel,” antwoordde ze snel, alsof ze niet te lang wilde stilstaan bij het woord. “Hij praatte veel, huilde veel, schreef veel. Die eerste single van het album – dat was voor jou. Ik had het gevoel dat hij álles wat hij deed voor jou deed – schrijven, afkicken. Overleven…”
Ze zweeg en keek op van haar handen, waarna ze mij aankeek. Ze had een soort van vastberadenheid in haar blik liggen, iets dat me herinnerde aan de Julia met rood haar en sproeten, dat onverschrokken meisje dat ergens diep van binnen nog wel in haar moest zitten. In haar ogen zag ik geen mistige vlakte meer, maar een heldere spiegel waarin ik zowel haar als mezelf kon zien, hoe we als kind opgegroeid waren en hoe we geworden waren wie we waren. Het was vreemd om terug te kijken op het verleden, nog steeds, om te realiseren dat de toekomst aan elkaar hing van een reeks beslissingen die in het verleden genomen waren.
“Hij houdt echt van je, Maren.”
Ik trok mijn mondhoeken triestig op en knikte, want ik wist dat het waar was en ik was blij dát ik dat wist. We hielden van elkaar en ik kon me niet voorstellen dat dat ooit nog anders zou zijn, dat er ooit een eind kon komen aan iets dat oneindig leek. Ik wilde niet accepteren dat ik in volle vaart op het einde afsnelde, dat ik mijn eigen graf groef door door te gaan met waar ik mee bezig was. Ik had het gevoel dat ik in een sneltrein zat die zo hard ging dat ik er niet meer uit durfde te springen, hoewel ik wel moest om mijn leven tot een goed einde te brengen. Ik durfde echter niet, bang dat de val zeer zou doen en ik een langzame en pijnlijke dood zou sterven en opeens leek te pletter slaan tegen een muur zoveel aantrekkelijker. Ik was te bang om te bewegen en bleef liever waar ik was, want beide mogelijkheden leidden tot iets pijnlijks, ondanks het feit dat het één me beter zou kunnen maken en het ander niet.
Ik was blind.
De zon scheen door het bladerdak en wierp een groen licht op Julia, wiens haar desondanks even rood bleef. Haar krullen dansten om haar gezicht, dat vergeven was van de sproetjes die het brutale gelaat iets schattigs, iets aandoenlijks meegaven. Ze droeg wit en danste om een diepe zwarte put heen, onder de bladeren, die van tijd tot tijd een druppel lieten vallen waarna het water zich vermengde met de parelende druppeltjes op haar lelieblanke huid.
Daarna zag ik Fleur, eveneens in het wit. Ze zat op een steen en keek naar Julia, die maar niet stopte met dansen en mijn hart brak door de schoonheid van het geheel. Ze was zo jong nog, besefte ik me opeens, net zoals Julia, een kind nog. Haar tenen kriebelden het gras onder haar voetzolen en ze wiebelde zachtjes heen en weer, alsof ze twijfelde tussen mee dansen met Julia en blijven zitten, verlegen en bescheiden als ze was. Ze keek met grote ogen, alsof ze jaloers was op het dansende meisje voor haar en ik voelde dat ik wilde dat ze mee zou dansen, dat ze mee zou genieten van die heerlijke deugd, maar ze bleef zitten. Haar kleine handjes verplaatste ze over het stenen oppervlak in een poging een houding te vinden die haar min of meer gelijk zou scharen aan Julia, maar ze slaagde daar niet in. Fleur was een mooi kind, maar ze verbleekte naast het stralende meisje dat naar de naam Julia luisterde, het meisje dat niet veel nodig had om prachtig gevonden te worden door haar overweldigende uitstraling. Ze bleef maar dansen, steeds meer en mooier en dat met zoveel overtuiging dat ik er zeker van was dat ze een natuurtalent was.
Plotseling zag ik mezelf zitten, hoog in een boom, uitkijkend over het meer dat een open plek tussen de bomen vormde. Ik had een staartje in mijn haar, mijn pony was te lang en ook ik was in het wit gekleed. Toen ik op een gegeven moment naar beneden keek en Julia zag dansen, riep ik naar Fleur dat ze op moest staan en mee moest dansen, maar ze bleef koppig zitten. Nogmaals riep ik, een kreet die over het meer schalde en afketste tegen de stammen van de bomen om ons heen. Ik wilde dat ze mee zou dansen, want ik wist zeker dat ze dan net zo mooi zou worden als Julia, dat ze net zo zou gaan schijnen en dat ik dan trots op haar zou zijn.
Het moment daarna zag ik Mirre lopen, ver beneden me. Ze kwam van tussen de bomen en droeg de kleur die de schaduw ook had. Ik kon haar ogen niet zien doordat ik in de boom zat, maar wist dat er iets mis was aan de manier waarop ze liep, de manier waarop haar haar bewoog terwijl er niet eens wind stond. Ze liep op het gapende gat af, precies zoals een soldaat dat ook doet, met grote passen die als vastberaden voor moesten komen, maar eigenlijk wanhopig overkwamen, alsof ze niet zeker was van wat ze deed en bang was voor waar ze op af liep. Ik voelde dat ze bang was, dat ze niet wilde maar gedreven werd door een kracht die groter was dan zij zelf, iets waar ze niet tegen wilde of kon protesteren. Ik gilde hard in de hoop haar zo te kunnen laten stoppen, maar ze leek me niet eens te horen. Fleur bleef gewoon zitten, betoverd door Julia’s schoonheid en Julia bleef dansen alsof ze blind was voor de zwarte gestalte die recht op het gat af stevende.
Ik vergat totaal waar ik was en sprong op, wilde naar haar toe lopen, maar ik stapte in het diepe. Plotseling was er om me heen alleen nog maar lucht, niets waaraan ik me vast kon grijpen en viel ik naar beneden, steeds harder. Ik schreeuwde nog dat Mirre moest stoppen met lopen terwijl ik maar bleef vallen, met mijn rug naar de onvermijdelijke grond gericht. Ik kneep mijn ogen dicht en opende ze daarna weer, waarna ik licht zag tussen de bladeren.
Ik schrok wakker en schoot direct overeind, waarna het nog even duurde voordat het tot me doordrong waar ik me bevond: ik lag op de grond, mijn deken zat als een dwangbuis om mijn lichaam en te oordelen naar het bonkende gevoel in mijn hoofd, had ik me gestoten aan de rand van de tafel die in het midden van de zithoek stond. Het was donker in de woonkamer, het enige licht kwam van onder de gesloten gordijnen vandaan en dat maakte dat de sfeer nogal spookachtig en onwerkelijk was, alsof ik nog droomde. Ik hoorde het tikken van de regen op de ramen, wat me zowel een onrustig als een veilig gevoel bezorgde. Toen ik op het klokje van mijn telefoon keek, zag ik dat het nog geen vier uur was en dat Julia dus nog sliep, zoals het hoorde te zijn.
Ik maakte mezelf los uit de wurggreep van de deken en krabbelde overeind, nog steeds half in shock door mijn droom. De details lekten uit mijn hoofd alsof het water was en ik probeerde het op te vangen in de kom van mijn hand, die veel te klein was en zodoende spetterde de meerderheid uit elkaar op de vloer. Ik bleef rechtop staan totdat alles weg was, probeerde nog iets terug te halen, maar op een gegeven moment was alles weg, behalve de herinnering aan het feit dat Mirre zichzelf het zwarte gat in gejaagd had. Ik schudde mijn hoofd om de gedachte daaraan uit mijn hoofd te schoppen, maakte mezelf wijs dat het geen betekenis had omdat Mirre nu eenmaal veilig in Nederland zat en ging naar de keuken om een glas water te pakken.
Het was koud in het kleine appartementje, kouder dan ik verwacht had dat het zou zijn. Direct toen ik mijn deken liet vallen en ik op mijn blote voeten de eerste passen over het vinyl liep, kreeg ik kippenvel op mijn benen en wilde ik het liefst weer terug onder de deken kruipen en proberen of het me zou lukken opnieuw de slaap te vatten, maar ik wist dat ik dan alleen maar zou gaan liggen nadenken over de droom en daar wilde ik eigenlijk niet meer aan denken. Ik werd de laatste tijd enkel overspoeld door toekomstvisioenen en dat wilde ik al net zo graag als overspoeld worden door dingen uit het verleden. Misschien was het nog frustrerender om raadselachtige dromen over de toekomst te hebben dan om telkens teruggeslingerd te worden in het verleden. Ik was op zoek naar de middenweg, probeerde enkel in het heden te leven, maar dat lukte me maar niet.
Ik pakte een glas uit het kastje boven de gootsteen en werd direct van de toekomst in het verleden gesmeten, alsof ik een bal was die naar hartelust heen en weer gesmeten kon worden: ik dacht aan een aantal weken daarvoor, toen ik ingesloten was geweest door Georg die me toen zijn zogenaamde liefde verklaard had. Gelukkig werd ik dat keer niet verrast door twee warme handen op mijn buik toen ik mezelf uitrekte en op mijn tenen ging staan.
Terwijl ik een glas met water vulde en er een slok uit nam, ging ik toch opeens weer denken aan de droom, waar ik me nog steeds niets van herinnerde behalve Mirres zwarte uiterlijk en het zwarte gat waar ze in gelopen was. Ik vroeg me af waarom ik in godsnaam zulke dingen droomde, waarom ik mijn dierbare nichtje in een zwart gat zag lopen terwijl ik helemaal geen reden had om aan zulke dingen te denken, maar ik kon niet tot een conclusie komen. Er kon in principe niets aan de hand zijn, dat kon ik bijna met zekerheid zeggen, want ze was in goede handen bij haar ouders en die zorgden goed voor haar. Ze was alles voor hen, net zo dierbaar voor hen als ze voor mij was.
Met de eerste bliksemflits van die nacht kwam het besef dat die laatste zin wel eens de reden kon zijn dat ik droomde over zwarte Mirres en zwarte gaten. Ze was me dierbaar, heel dierbaar zelfs, en God vernietigde alles dat me dierbaar was alsof het onkruid was dat niet op aarde diende te zijn. Hij roeide alles uit dat ik liefhad, alles wat me ook maar tegenhield het leven achter me te laten, en daar zou hij Mirre ook toe kunnen rekenen. Ze hield me tegen te sterven.
Het glas water glipte van tussen mijn vingers en belandde met een klap op de grond. Ik voelde het water over mijn voeten gutsen en hoorde het ketsen van het gebroken glas tegen de plinten, maar ik kon me niet meer bewegen. Ik liet mijn conclusie langzaam tot me doordringen, liet het besef even op me inwerken en voelde de paniek die dat teweeg bracht. Toen ik weer gevoel in mijn benen kreeg, stapte ik over het glas heen naar de woonkamer en liet mezelf op de bank zakken, trok de deken over me heen en rolde mezelf op totdat ik een klein balletje was. Mijn blik was gericht op mijn telefoon, die nog altijd op tafel lag, en ik voelde het verlangen om mijn nichtje te bellen, om te controleren of alles goed met haar ging, maar het was vier uur ’s nachts. Ze was opeens zo onbereikbaar voor me, zo ver weg, hoewel ze altijd zo dichtbij geleken had. Niet alles was wat het leek.
Omdat het voor Bill en mij vrijwel onmogelijk was om nog iets met zijn tweeën te gaan doen zonder dat we herkend zouden worden, waren er drie plaatsen waar we heen konden gaan: zijn huis, Julia’s appartement of ons bos. Meestal kozen we voor die laatste, omdat dat de enige plaats was waar we echt ongestoord alleen konden zijn en het de meerderheid van de tijd heerlijk weer was. We maakten hele wandelingen tussen de bomen, onder het bladerdak, wat me vaak deed denken aan de droom die ik gehad had: ik verwachtte onder iedere boom een zwart gat te zien waarin ik mijn nichtje zou zien liggen. Ik weet dat het een kortom debiele angst was, maar hij zat er wel.
Op het moment dat Fleur me echter belde, zat ik samen met Bill in de auto die we vlak bij het bos geparkeerd hadden. Het regende en dus zaten we binnen, samen wachtend totdat het weer zou opklaren en we naar buiten konden. In de tussentijd maakten we het echter op onze eigen manier gezellig: we zaten zwijgzaam naast elkaar en schonken elkaar om de zoveel tijd een warme blik waarna we weer van elkaar wegkeken en onze aandacht weer naar buiten verplaatsten. Het klinkt misschien verre van gezellig, maar het schiep een sfeer tussen ons die buitengewoon prettig was, het had iets vertrouwelijks dat we niet eens hoefden te praten om het fijn met elkaar te hebben. Op de momenten dat onze blikken elkaar ontmoetten, voelde ik de vlinders in mijn buik stormachtig vliegen en dat maakte me gelukkig, omdat mijn liefde nog altijd niet bekoeld. Hij haakte zijn blik altijd vast in die van mij en het kostte me telkens weer veel moeite om hem los te scheuren, maar ik deed het toch omdat daardoor die prettige zweem van anticipatie vrijkwam, dat wat het een spelletje maakte en het geheel een soort van seksuele lading meegaf.
Het hemelse moment werd uiteindelijk verbroken doordat het snerpende geluid van mijn mobieltje door de stilte sneed. Gauw dook ik in mijn broekzak, hopend het gesprek snel af te kunnen handelen zodat Bill en ik verder konden gaan met het delen van de stilte maar zodra ik zag dat het Fleur was, vervloog die hoop een beetje. Ook al hadden we elkaar al tijden niet meer gezien, we konden nog steeds lang met elkaar praten – of eigenlijk waren het meer monologen van Fleur die over school gingen. Ik was altijd te beleefd om te zeggen dat ik niet naar haar wilde luisteren, want ik vond dat je dat als vriendin echt niet kon maken, maar stiekem verveelde het me een beetje, zéker als ik net een ultiem romantisch moment met Bill beleefde.
“Met Fleur!” zei ze direct, overladen van enthousiasme. “Sorry dat ik stoor – Julia zei dat je met Bill ergens heen was of zo – maar dat is goed want dan kun je meteen even vragen wat hij ervan vindt en zo – maar ik wil weten of jullie alsjeblieft model willen zitten voor me.”
Het duurde even voordat ik me realiseerde dat het laatste gedeelte van haar zin een vraag was. Ze sprak ontzettend snel, alsof ze doorhad dat ze me stoorde en me zo gauw mogelijk weer alleen wilde laten. Ik waardeerde het van haar, maar ze overweldigde me zo met haar stortvloed van woorden dat het voelde alsof ik erdoor omver geblazen werd, of zoiets.
“Model zitten?” herhaalde ik verbaasd. Bill zocht even oogcontact met me toen ik dat zei en trok zijn wenkbrauwen op, wat een rimpel in zijn hoofd bracht die Georg ook had. Hij zag er aandoenlijk uit als hij dat deed, heel fragiel maar dan op zijn manier. Zijn gezicht kreeg een soort openheid waar ik van ging stralen, net zoals hij dat deed.
“Ja – met kleren aan hoor,” stotterde ze. “Ik wil volgend jaar naar de kunstacademie en daarvoor moet ik een portfolio hebben waar ook een paar portretten in moeten en zo en ik vroeg me gewoon af of ik jullie daarvoor mocht tekenen – je weet wel, omdat jullie al zo lang samen zijn en omdat – ja, gewoon. Ik wil jullie gewoon heel graag tekenen.”
Ze besloot haar zin met een krachtige punt, vastberaden maar toch ook onzeker. Ik hoorde aan haar stem dat ze het graag wilde en dat maakte me aan het lachen. Ik zei haar dat ik het even aan Bill zou vragen en wilde net mijn hand over de hoorn leggen toen hij al naar me knikte – niet op zo’n manier alsof hij het eigenlijk niet wilde en het enkel deed om Fleur tevreden te stellen, maar alsof hij het echt wilde en niet kon wachten totdat het zo ver was, alsof hij er echt naar uitkeek om met mij voor eeuwig vastgelegd te worden op papier. Ik lachte naar hem, stralend en met vlinders in mijn buik, en legde daarna de telefoon weer aan mijn oor om Fleur te zeggen dat we het zouden doen en dat ik haar nog zou bellen om een wat gedetailleerde afspraak te maken. Ze lachte dat ze de hint begreep, wenste ons nog veel plezier die dag en hing daarna op.
Toen ik de telefoon in mijn zak deed, voelde ik meteen hoe de spanning zich weer oplaadde. Het regende nog altijd, wat kalmerend werkte en toen ik hem aankeek, glimlachte hij. Ik hield van de manier waarop hij glimlachte, hoe hij zijn puntige tanden ontblootte en hoe hij zo’n speelse twinkeling in zijn ogen kreeg. Het deed me denken aan de keer dat hij gezegd had dat hij er zo gelukkig mee was dat we samen onze tatoeage hadden laten zetten, dat het hem een gevoel van verbondenheid gegeven had – het was zo’n glimlachje waaruit ik afleidde dat we allebei precies het zelfde voelden op dat moment.
“Zullen we gaan zwemmen?” vroeg hij speels, nog steeds met dat glimlachje op zijn gezicht. Toen ik hem verbaasd aankeek, toverde hij zijn glimlach om in een brede grijns die mij ook liet lachen en ik werd gelukkig van het feit dat we nog samen konden lachen terwijl we samen ook al door zoveel shit heen hadden gemoeten. Dat zei wel iets over onze relatie, denk ik.
“Eer we daar zijn, zijn we zeiknat,” antwoordde ik terwijl zijn hand die van mij opzocht en onze vingers zich verstrengelden. Toen ik naar onze handen keek, die zo tussen ons inlagen, merkte ik dat ik dankbaar was om het feit dat ik het was die zo naast hem zat, dat ik het was die beleefde hoe het was om intens geliefd te worden en dat ik degene was van wie hij hield. Ondanks alles wat ik had meegemaakt, zou ik nooit met iemand willen ruilen omdat de goede dingen de slechte dingen ruimschoots ophieven.
“Daarom ook,” zei hij zacht terwijl hij met zijn duim over de huid van mijn hand streek. De klanken van zijn stem, die een beetje hees was door de vele optredens die hij gegeven had, vermengden zich met het tikkende geluid van de regen. “Dan maakt het toch niet meer uit.”
Toen onze blikken elkaar opnieuw ontmoetten, gaf ik hem antwoord zonder woorden te gebruiken. Ik verplaatste mijn hand naar de deurklink en duwde de deur open, waarna het geluid van de vallende regen nog duidelijker hoorbaar werd. Het góót werkelijk, het regende zo hard dat het door de druppels heen bijna onmogelijk was om nog iets anders te zien dan water en schimmen van wat er om ons heen gebeurde. Ik wist direct dat het geweldig zou zijn om te zwemmen terwijl het luchtruim ongeveer gelijk was aan het aardoppervlak maar wist ook dat Bills haar en make-up de overtocht niet zouden redden – en die van mij ook niet, trouwens.
“Weet je het zeker?” vroeg ik om bevestiging, wat hij beantwoordde door ook zijn portier te openen en naar buiten te stappen, waarin ik zijn voorbeeld volgde. Meteen viel de regen als een deken over me heen en ik wist in één oogopslag dat ik die dag niet meer droog zou worden: de overweldiging van de regen was immens, het was zelfs met een paraplu onmogelijk om droog te blijven in dat weer en ik kan niet anders zeggen dan dat het geweldig voelde – het was alsof ik zwom in de lucht.
Bill sloot de auto af en pakte mijn hand vast, waarna we samen begonnen te rennen. De bodem was zompig en glad en telkens als één van ons twee bijna onderuit ging, lachten we daar samen om en renden dan samen weer verder. Het deed me denken aan die keer dat we samen door de regen hadden gerend in Loitsche, tussen de weilanden door, maar dan nog veel intenser door de geuren die er in het bos hingen. Door de regen zag ik vormen en kleuren die ik nog nooit gezien had, dingen waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden en het was een verschrikkelijk bijzondere ervaring. Het feit dat ik Bills hand vasthield en dat we samen renden naar iets waarvan we wisten dat het er altijd zou zijn, hoe oud we ook zouden worden, versterkte het gevoel. Het voelde net alsof we zouden gaan vliegen als we nog sneller zouden gaan, of dat we door de tijd zouden reizen en dat maakte dat ik er nog een schepje bovenop deed hoewel mijn longen al uit elkaar dreigden te klappen: er was nergens waar ik zo graag heen wilde dan naar het verleden, waar ik mijn moeder nog zou kunnen redden en waar alles nog zo was zoals het hoorde te zijn. Het deed me denken aan de droom die ik ooit gehad had, de droom waarin Bill in het wit gekleed was en vleugels had gehad en dat maakte dat ik even moest glimlachen. Hij nam me mee in zijn vlucht.
Zodra we op de open plek aangekomen waren, ontdeden we ons van onze kleding totdat we beide enkel nog in ons ondergoed stonden. De kledingstukken lieten we doelloos ergens vallen, want het interesseerde ons niet meer of ze behalve nat ook nog vies zouden worden: het enige dat ons nog leek te boeien, was het feit dat we samen bijna naakt tussen hemel en aarde stonden. Zijn lichaam fascineerde me nog altijd, hoe bekend het inmiddels ook al voor me was. Telkens weer als ik naar de verfijning van zijn alles keek, voelde ik kriebels in mijn maag en verlangen dat er ook al gezeten had toen ik hem het eerst zonder shirt gezien had. Ondanks de hoeveelheid rotzooi die we (door mijn schuld, dat wel) meegemaakt hadden, waren de gevoelens nog precies het zelfde.
Hij pakte opnieuw mijn hand vast en leidde me mee naar het meer. Kippenvel verspreidde zich over mijn lichaam toen ik de eerste stap in het water zette, maar dat weerhield me er niet van door te zetten. Het water dat uit de hemel viel vermengde zich met een tikkend geluid met het water waardoor wij waadden, zo hard dat het voor ons onmogelijk was om ook maar één woord te wisselen. Dat was ook niet nodig – de sfeer deed het werk voor ons. Het was wonderbaarlijk hoe hemel en aarde één leken te worden en ik voelde dat ik ernaar verlangde ook één met hem te worden. Hij pakte mijn handen vast en trok me naar zich toe, waaruit ik concludeerde dat hij precies het zelfde wilde als ik. Ik liet mijn handen kort op zijn bewegende borstkas rusten voordat ik ze naar boven verplaatsten, over de littekens in zijn sleutelbeen naar zijn hals, waar ik mijn vingers met zijn haar verstrengelde. Toen hij zijn handen om mijn middel legde en me een stukje omhoog tilde, sloeg ik mijn benen om zijn smalle heupen en drapeerde mijn armen om zijn mooi gevormde nek, waar ik teder mijn lippen in drukte, proevend hoe het water zijn huid schoon spoelde. Ik trok een spoor met mijn lippen via zijn kaaklijn naar zijn mond, waar een vorm van passie ontvlamde waarvan ik wist dat die zeldzaam was. Relaties zoals tussen die van Bill en mij waren zeldzaam.
Terwijl we daar zo in het water stonden, zo dicht bij elkaar dat ik niet meer wist waar ik eindigde en hij begon, voelde ik iets dat ik nog nooit eerder heel duidelijk gevoeld had. Ik voelde me merkwaardig vrij, op de één of andere manier, alsof alles wat ik had meegemaakt wegspoelde door al het water om me heen, alsof ik als ik het bos zou verlaten weer helemaal opnieuw zou kunnen beginnen, dat ik naar huis zou gaan en dat mijn moeder daar dan zou zitten met een zelfgemaakte vegetarische pizza. Ik wist dat het niet waar was, maar de fantasie was al genoeg voor mij om me vrij en gelukkig te voelen. Het feit dat ik ver weg van alles wat ik haatte en dat ik dicht bij het gene dat ik liefhad was, maakte dat alles opeens veel mooier leek. Alles was opeens zoals het zijn moest.
De volgende middag liep ik ergens waar ik voor mijn gevoel al eeuwen niet meer geweest was: Wolmirstedt, de plaats waar ik geboren, getogen en gebroken was. De dag daarvoor had ik Fleur teruggebeld om te vragen waar Bill en ik op papier vastgelegd zouden worden: zij had het eerst in Magdeburg willen doen, op de plaats waar we elkaar ontmoet hadden, maar omdat daar teveel mensen waren die Bill zouden herkennen, hadden we het verplaatst naar Wolmirstedt. Eerst had ik nog willen tegenstribbelen, maar uiteindelijk had ik toegestemd omdat ik zelf ook wel wist dat ik het verleden niet voor eeuwig kon blijven ontlopen.
Bill was er voor me. Hij zei niet veel terwijl hij naast me liep, maar ik kon veel opmaken uit de manier waarop hij mijn hand vasthield en hoe hij me af en toe controlerend bekeek, alsof hij er zeker van wilde zijn dat het goed met me ging. Met iedere stap die we zetten, kwam de kerk dichterbij en leek de druk op mijn schouders toe te nemen. Telkens als ik mijn voet op de grond zette, denderde de naam van mijn moeder door mijn gedachten en op een gegeven moment werd ik er een beetje angstig door. Telkens weer probeerde ik de prop in mijn keel weg te slikken, maar hij bleef er zitten en ik moest vechten tegen het verlangen om te keren en weg te rennen, terug naar de bushalte die op zijn beurt ook weer herinneringen terug zou brengen. Overal in het stadje wachtten herinneringen me op en ik kon er niet van weglopen.
Bill gaf me een kneepje in mijn hand en probeerde mijn blik te vangen, maar ik liet het niet toe omdat ik wist dat ik dan vol zou schieten. We bleven gewoon lopen, naast elkaar, op weg naar het kerkplein waar we met Fleur afgesproken hadden. De hele wandeling lang bleef ik maar om me heen kijken, bleef me verbazen over de dingen die nog precies het zelfde waren en de dingen die waren veranderd in de loop der tijd. Men zegt wel eens dat tijd alle wonden heelt, maar ik kon zien dat dat niet zo was: Wolmirstedt miste me, maar ik kon niet terug, wílde het ook niet. Iets binnen in me zei me dat ik het verleden en de toekomst niet met elkaar moest laten mengen, dat ik dat uit elkaar moest houden en dat wilde ik maar al te graag.
Toen we het plein opliepen en ik de kerk in zijn volle grootte zag, verlamde ik even. Ik wilde het liefst naar Fleur toe lopen, die op een krukje tegenover een bankje zat en haar spullen klaarlegde op een uitklapbaar bijzettafeltje, maar ik was geïmmobiliseerd. Opeens werd ik overspoeld met herinneringen aan mijn moeders begrafenis, één van de meest verschrikkelijke momenten uit mijn hele leven, en ik kan niet anders zeggen dan dat het vreselijk was. Alle gevoelens van het moment keerden terug en lieten mijn maag omkeren, maakten me duizelig en draaierig. Het liefst was ik omgekeerd en weggerend, maar zelfs dat was onmogelijk door het loodzware gevoel in mijn benen. Ik hoorde de muziek die op die bewuste dag gespeeld had, zag Alberts doodongelukkige gezicht, Bills contolerende blik en Mirre die me steunde. Ondanks dat ik die dag onder de kalmeringsmiddelen gezeten had, kon ik me alles nog precies herinneren, iedere geur en iedere andere zintuiglijke waarneming. Ik voelde hoe er een traan uit mijn oog ontsnapte en over mijn wang rolde, vluchtend uit mijn lichaam zoals ik zelf altijd uit de werkelijkheid probeerde weg te vluchten, maar ik kon hem niet wegvegen omdat ik geen gevoel in mijn armen had. Alles was opeens zo ver weg, de hele wereld, maar het besef dat ik mijn leven erop moest voltooien kwam opeens duizelingwekkend dichtbij. Ik kon me niet herinneren dat ik me ooit zo verschrikkelijk gevoeld had.
Ik belandde met een schokje terug in de werkelijkheid toen Bill mijn hand vastpakte en tussen mij en de kerk in ging staan, zodat hij me het zicht erop ontnam. Onmiddellijk realiseerde ik me hoe stom het eruit moest zien dat ik niet meer kon bewegen bij het zien van een kérk, dat ik moest janken bij de aanblik van Gods huis. Ik voelde het verlangen de kerk te verbranden, om God dakloos te maken zoals hij mij ooit ook dakloos gemaakt had, maar dan zou ik het al helemaal bij hem verbruid hebben en dat moest ik niet doen. Als hij Bill van me af zou nemen, dan was ik verloren.
“Het is niets,” onderbrak ik Bill nog voordat hij iets gezegd had, de hand die hij naar mijn gezicht bracht afwerend. Met een ruw gebaar veegde ik de ontsnapte traan van mijn gezicht en ik hief mijn hoofd vastberaden naar hem op, alsof ik hem ervan wilde verzekeren dat ik het wel aankon terwijl ik daar zelf niet eens zeker van was. Hij schonk me een zuinig glimlachje dat bijna medelevend overkwam, alsof ik het recht had om te huilen en ik sloeg mijn ogen neer naar de straat onder onze voeten. Hij pakte mijn hand, verstrengelde onze vingers en leidde me mee naar Fleur, die nog altijd haar tekenspullen rangschikte. Ik realiseerde me opeens (ik weet dat dat besef een beetje laat kwam, maar beter laat dan nooit) dat ik nooit geweten had dat Fleur goed was in tekenen, dát ze überhaupt wel eens tekeningen maakte en opeens voelde ik me een slechte vriendin omdat ik haar daar na haar telefoontje ook niet naar gevraagd had. Als ik niet geïnteresseerd was in haar, wat was ik dan voor iemand?
Fleur begroette ons enthousiast, op een toon waaruit ik kon afleiden dat ze óf niets meegekregen had van mijn emotionele instorting van even daarvoor, óf dat ze buiten een talent voor tekenen ook nog over een talent voor acteren beschikte. Ze droeg haar haar in een staart, iets dat ik nog nooit gezien had, en had een artistieke blouse aan waarvan ik dacht dat ik haar moeder hem wel eens had zien dragen. Ze zag eruit als een kunstenares, wat totaal nieuw voor me was en daarmee ook bijzonder. Ik had altijd gedacht dat Fleur geen talenten had, maar blijkbaar had ik verkeerd geoordeeld.
Ze was onzeker, merkte ik, alsof ze bang was Bill en mij te commanderen terwijl ze best wist dat wij alles zouden doen om haar aan die plaats op de kunstacademie te helpen. Ik schonk haar een glimlach die een gevoel van vertrouwen op moest wekken, maar de sfeer bleef toch een beetje gespannen ondanks het feit dat we elkaar al zo lang kenden. Ze vroeg ons heel timide of we alsjeblieft op het bankje wilden gaan zitten, met onze gezichten naar elkaar toe, wat we direct deden omdat we beide graag wilden dat Fleur zich op haar gemak zou voelen. Zodra we zaten, pakte ze een tekenblok, een stuk houtskool en begon ze als een razende te schetsen, alsof ze ons niet teveel tot last wilde zijn en de zaak zo gauw mogelijk af wilde handelen zodat wij verder konden gaan met het leiden van een leven waar we niet eens over beschikten.
Ik haakte mijn blik in die van Bill en probeerde zo stil mogelijk te zitten zodat ik het Fleur zo makkelijk mogelijk maakte, probeerde me helemaal af te sluiten voor de rest van de wereld zodat de tijd sneller voorbij zou gaan en wonder boven wonder lukte me dat ook nog. Ik concentreerde me op Bills gezicht, wat ik zo nauwkeurig bestudeerde dat het haast leek alsof ik het zelf moest tekenen, en hield dat een hele tijd vol. Met mijn ogen volgde ik de hoek die zijn kaaklijn maakte, de curve van zijn wenkbrauwen, het moedervlekje onder zijn volle onderlip, de zachte huid van zijn wangen, de fijne lijntjes bij zijn mond, de wimpers die zelfs op dat moment – zonder make-up – nog gekruld waren en het plooitje in zijn oor. Ik zag dingen die ik al triljoenen keer gezien had, wat ik al een miljard keer bestudeerd had en waar ik me telkens opnieuw over verbaasde. Zijn schoonheid was ongekend, zijn verfijning bijna goddelijk en ik voelde me alweer gezegend over het feit dat hij van mij was, dat hij van mij hield en van niemand anders. Behalve het feit dat ik God verachtte voor wat hij me had aangedaan, was ik hem ook dankbaar voor het feit dat hij Bill en mij bij elkaar had laten komen. Ik kon me niet voorstellen hoe mijn leven zou zijn als ik hem had moeten missen.
Behalve de dingen die ik al lang kende, zag ik echter opeens ook dingen die ik nog nooit eerder gezien had. Het kwam aan als een schok, opeens, ik deinsde een beetje terug nadat het me opviel. Nog nooit eerder was me opgevallen dat hij een soort leegte in zijn ogen had, van een vuur dat gedoofd was, en de harde trek rond zijn mond was er eerder ook niet geweest. Hij had iets verbetens in zijn gezicht, onzichtbare littekens die zijn pijn te kennen gaven en ik vervloekte mezelf erom dat ik het niet eerder gezien had. Ook hij had geleden onder wat er allemaal gebeurd was, ook hij had pijn gehad door de situatie waarin we beland waren, ook hij was een slachtoffer van God geweest. Ik zag de marteling in zijn ogen, zag hoe hij nog altijd leed onder alles wat ik veroorzaakt had. De dingen die in gang gezet waren, kon ik niet meer terugdraaien. Het was net alsof ik een tik tegen een dominosteentje gegeven had en dat ik het niet meer stop kon zetten, wat vreselijk voelde. Ik liep maar achter de feiten aan en deed daar niet enkel mezelf pijn mee, maar ook de jongen tegenover me. Zijn ogen leken op donkere tunnels zonder einde en toen ik nog beter naar hem keek, merkte ik opeens hoe oud hij leek. In feite was hij achttien, maar hij had al zoveel meegemaakt als iemand van achtentwintig. Ik had hem kunnen behoeden voor dat onverbiddelijke versnellingsproces, maar dat had ik niet gedaan. Ik was een slecht mens.
Er rolde een traan over mijn wang die ik niet weg durfde te vegen uit angst Fleur tegen te werken. Ik zag Bills onderlip trillen, net zoals die van mij dat deed, maar hij was emotioneel een stuk sterker dan ik en hield het vol zijn tranen binnen te houden. De blik in zijn ogen raakte me diep en hard, alsof ik met een hamer een klap op mijn borst kreeg: het maakte dat ik jachtig moest ademen om aan mijn zuurstof te komen. Hij pakte mijn hand in en kneep zachtjes om me te laten realiseren dat hij bij me was, dat hij bij me zou blijven zo lang ik dat zou willen en dat maakte dat mijn schouders schokten, hoezeer ik dat ook tegen probeerde te houden. Ik vond het vreselijk erg dat hij pijn had, want hij was de persoon waarvan ik het meest hield op de hele wereld en hij verdiende het niet om zo te lijden. De enige die een dergelijke marteling verdiende, was ik, maar hij wilde me sparen. Onze liefde ging zo diep dat hij zijn pijn voor me had verborgen omdat hij niet gewild had dat ik me zorgen om hem gemaakt had – tot aan dat moment. Opeens was hij weer een open boek voor me, zoals hij dat altijd geweest was, en dat maakte dat ik behalve verdrietig ook gelukkig was. We mochten geen geheimen voor elkaar hebben, want we hielden van elkaar. Geheimen hebben paste niet bij onze manier van houden van.
Toen Fleur uiteindelijk zei dat ze klaar was en ze haar houtskool aan de kant legde, had ik het gevoel dat ik de hele tijd mijn adem ingehouden had en dat ik opeens weer vrij kon ademen. Ik durfde opeens te snikken en verborg mijn gezicht in mijn handen voordat Bill me in zijn armen nam en kalmerend met zijn handen over mijn rug wreef, alsof hij zo hoopte al mijn zorgen over te nemen. Het liefst had ik me van hem losgetrokken omdat ik hem niet nog meer zorgen wilde geven, maar ik was weerloos in zijn armen en ik kon het gewoon niet. Ik kon het van mezelf niet uitstaan dat ik niet eerder zo goed naar hem gekeken had, dat ik niet eerder gezien had dat hij een masker droeg waarachter hij al zijn pijn verstopte en dat ik hem niet al eerder had kunnen helpen zichzelf daarvan te ontdoen. Altijd had ik Bill gezien als iemand die zijn emoties kon uiten, iemand die niet bang was zichzelf te laten zien zoals hij was, maar ook hij was kwetsbaar, net zoals ik. Aan de andere kant wist ik zeker dat als ik er niet geweest was, hij dat masker nooit opgezet had. Hij wilde me sparen, wilde niet dat ik een schuldgevoel zou krijgen, maar aan de andere kant kreeg ik dat enkel nog maar meer omdat ik me besefte dat hij het voor me verborgen gehouden had. Hij kon niet alles bij me kwijt, en dat enkel omdat ik zo ontzettend veel met mezelf bezig was. Meer en meer drong het tot me door dat hij iemand nodig had die gelukkig was, iemand die hém gelukkig kon maken zodat hij alle problemen achter zich kon laten. Bill verdiende een fijn leven met gelukkige momenten die ik hem niet kon geven. We waren terechtgekomen in een neerwaartse spiraal van zelfdestructie.
Ik verdiende hem niet.
De volgende paar dagen dacht ik vaak aan Fleurs tekening. Bill en ik hadden beide een kopie van haar gekregen, welke ik had ingelijst en op het dressoir gezet had, naast een tekening van Julia die ook door Fleur gemaakt was. Ik keek er vaak naar en verbaasde me telkens opnieuw weer aan Fleurs verborgen talent: het portret leek sprekend en straalde alle emotie uit die ik op dat moment gevoeld had. Op de tekening zag ik de harde trekken van Bills gezicht en de leegte in zijn ogen beter dan in het echt en ik kon de kwelling in mijn papieren evenbeeld geweldig goed zien. Het was griezelig hoe goed Fleur ons toneelspelletje door leek te hebben, alsof zij meer wist hoe wij de schone schijn ophielden dan dat we dat zelf wisten. Ze was echt een kunstenares.
Een aantal dagen voordat ik met Bill naar de awarduitreiking zou gaan, werd ik door Julia verplicht mee te gaan winkelen voor een outfit. Mijn aanvankelijke plan was geweest gewoon iets simpels aan te trekken: mijn gympen, een spijkerbroek en een shirt – wat waarschijnlijk het cupidoshirt geworden zou zijn – maar dat liet Julia niet toe. Met een paar simpele uitroepen als ‘ik sta voor lul als je in die schoenen over de rode loper gaat’ en ‘je ziet er mannelijker uit dan Bill als je dát aantrekt’ had ze me overgehaald toch maar met haar mee te gaan, ook al zat ik krap in het geld en had Bill me op het hart gedrukt vooral iets aan te trekken waar ik me lekker in voelde. Opeens werd ik herinnerd aan dat pijnlijke etentje met Albert, waar ik in mijn oude kloffie tussen allemaal chique mensen gezeten had en direct had ik geweten dat ik dat niet nog een keer mee wilde maken, hoe de rest van de jongens er ook uit zag.
Zo kwam het dus dat we op donderdagmiddag samen door de straten van Magdeburg struinden, ik op mijn afgetrapte gympen en Julia op laarzen met hakken – iets dat haar make-over compleet leek te maken. Ik had haar nog nooit op hakken zien lopen, laat staan op het vijf-centimeter-lange soort dat het verschil in lengte tussen ons nog maar eens vergrootte. Ik droeg een bril op mijn neus die voor mijn gevoel groter was dan mijn hele hoofd in omtrek om maar niet herkend te worden door de enge fans die nog altijd een hekel aan me hadden.
Het ging al veel beter met Julia. Behalve aan het feit dat ze meer straalde, meer lachte en meer praatte dan eerst, merkte ik dat aan het feit dat ze weer wat vuur in zich leek te hebben: ze sleurde me met zoveel kracht iedere winkel die haar geschikt leek in dat ze me soms zelfs aan de oude Julia deed herinneren. Ik had geen idee waardoor het kwam dat ze plotseling weer zo vrolijk was, maar ik was er zo blij mee dat het me ook eigenlijk weinig interesseerde. Stiekem hoopte ik dat het iets met Tom te maken had, want ik vond het nog altijd zonde dat ze uit elkaar gegaan waren, maar ik koesterde niet al te veel hoop omdat ik wist hoe moeilijk het was om een relatie in stand te houden na een reeks van ingrijpende gebeurtenissen. En ja, een beste vriendin die naar de andere kant van de wereld verdween en een broer die aan de coke en de heroïne bleek te zitten, dat vond ik wel onder ‘ingrijpende gebeurtenissen’ vallen. Toch was ik nog altijd nieuwsgierig naar hoe het de twee vergaan was na mijn vertrek naar Japan, hoe hun relatie verder gegroeid was totdat Bills verslaving er weer een einde aan gemaakt had, maar ik dacht dat ik daarmee haar humeur zou verdelgen en dat was niet echt waar ik op uit was. Ze was enthousiast en gezellig en ik genoot ervan weer eens iets leuks met haar te doen. Pas op dat moment besefte ik me hoezeer ik haar gemist had, hoe slecht we de vergane weken samen benut hadden en ik prees me gelukkig dat ik haar teruggevonden had, na al die tijd.
We waren al een hele tijd op zoek naar een leuke jurk (want ja, Julia wilde dat ik – ondanks dat ik al sinds mijn kindertijd geen jurkjes meer gedragen had – een jurk aan zou trekken) maar slaagden er maar niet in een leuke te vinden. De leukste tot dan toe was er één geweest die tot mijn grote spijt lichtgeel geweest was, en voor de rest leken de winkels alleen maar soepjurken in hun collecties te hebben: restanten die nog over waren van de feestdagen. Het enige positieve daaraan was dat ze al drie keer afgeprijsd waren en dus praktisch niets meer kostten.
Op een gegeven moment ging mijn nieuwsgierigheid me parten spelen en ging het zich aan me opdringen. Ik wilde Julia’s humeur niet verpesten, maar het verlangen iets meer over de relatie tussen haar en de wederhelft van mijn grote liefde te weten te komen was vele malen groter. Ik vervloekte mijn zucht naar informatie, vervloekte mijn karakter omdat Julia’s humeur me weinig leek te kunnen schelen, maar ik kon het niet weerstaan.
“Hoe zit het nu eigenlijk tussen jou en Tom?” vroeg ik toen we de tweeënvijftigste winkel uit liepen en Julia bedenkend op haar horloge keek, zich waarschijnlijk bedenkend dat ze nog moest koken. Sinds ik bij Julia woonde, at ik al wel gezonder, want ik kon slechts eieren bakken en pizza’s opwarmen, dus was er in de tijd dat ik in mijn appartement woonde weinig sprake geweest van gezonde voeding. Toen ik mijn vraag gesteld had, keek ze echter weer op, met een verwarde blik in haar ogen die opeens weer aan de nieuwe Julia deed denken, en direct wenste ik dat ik me had ingehouden. Opeens deed ze weer ingetogen en zelfbeschermend, alsof ze dacht dat de vraag haar pijn zou gaan doen, maar ze sloeg haar ogen niet neer. Ze bleef me strak aankijken met die indringende ogen van haar, zonder te knipperen, terwijl ze die fragiele houding aannam en zich langzaam weer voor me afsloot. Ik kon als het ware een luikje achter haar ogen zien sluiten en ik merkte hoe ze de muur waarvan ik dacht dat ze hem al had afgebroken weer optrok.
“Vraag daar alsjeblieft niet naar,” antwoordde ze terwijl ze haar blik op haar schuifelende voeten richtte. Ik verwachtte min of meer dat er nog iets achter die zin zou volgen, want zo klonk het en ik zelf liet meestal ook nog wat woorden volgen na het uitspreken van die zin, iets in de trant van ‘het is een lang verhaal’ of ‘ik vertel het je ooit nog wel, maar niet nu’ maar het bleef stil tussen ons. Zij bleef naar de weg kijken, ik had geen idee waar ik kijken moest. Ik deed zoveel fout in zo’n korte tijd dat het me ervan duizelde.
“Sorry,” excuseerde ik me. “Ik had – nou, ja. Sorry.”
Ik stamelde nog wat aaneengesloten excuses totdat zij me een kil glimlachje schonk en ze haar arm door die van mij haakte om zogenaamd weer gezellig verder te winkelen. Ik wist echter onmiddellijk dat het niet meer écht gezellig zou worden: ik had haar oude ik de kop al ingedrukt voordat die eenmaal weer tot bloei had kunnen komen en het zag er niet naar uit dat die voorlopig nog terug zou komen. Ik had er spijt van dat ik haar zo halsoverkop gevraagd had naar iets waarvan ik had kunnen weten dat het diep bij haar zat, had er spijt van dat ik haar geconfronteerd had met iets waarvan ik wist dat ze zich er net zo ongemakkelijk over voelde als ik dat deed bij mijn Japan-verhaal. Ik had er spijt van dat ik haar altijd als sterk beschouwd had terwijl ieder mens – zelfs Julia – een zeker soort van zwakte in zich had. Ik had er spijt van dat ik zo makkelijk dacht over de zwakten van andere mensen, dat ik dacht dat ik de enige was die pijn geleden had en dat ik daarom maar op iedereen kon leunen, terwijl iedereen steunpilaren nodig heeft in zijn leven. Ik ging meer en meer inzien dat we allemaal maar op elkaar leunden, Julia, Fleur, Tom, Bill, Georg, Gustav en ik, dat we in feite met zijn allen in het water lagen en ons aan elkaar vastklampten om boven te blijven. Op een gegeven moment zouden er zes van ons verdrinken en zou er één boven blijven, eenzaam en alleen, die na uren lang rond spartelen ook het onderspit zou delven. Het was een verloren zaak.