Deel 9
Lieve Sa,
Bill en ik hebben afgesproken elkaar een poosje niet te zien. Ik vind het rot dat het zo moet, maar het is beter voor ons, op deze manier. Het is ook niet niks om na een jaar uit elkaar geweest te zijn opeens weer bíj elkaar te zijn – eigenlijk is het een wonder dat we het zo lang nog hebben uitgehouden samen. Ik weet dat ik van hem houd en dat we niet uit elkaar zullen gaan, maar we hebben gewoon even rust nodig, hij net zoveel als ik. Het komt wel goed, daar ben ik zeker van, het is alleen de vraag hóé we eruit gaan komen. Het is gewoon even teveel, alle spanning. We moeten elkaar gewoon even los laten, hoewel ik me afvraag of ik dat wel kan.
De volgende keer dat we met zijn allen bij elkaar waren, was bij de gebroeders Kaulitz thuis. Hun moeder zou die nacht niet thuiskomen en zodoende was het tijd voor een feestje. Iedereen die er normaal gesproken was, zou die avond ook komen (dus ook Nathalia, jammer genoeg) en iedereen was ervan overtuigd dat het een geweldige avond zou worden, behalve ik. Als ik terugdacht aan de laatste keer dat we een dergelijk feestje gehad hadden, herinnerde ik me de spanning tussen Georg en mij, de spanning tussen Tom en Julia, het smirnoff-spel en de eerste keer dat Bill en ik met elkaar naar bed geweest waren en zodoende was ik er van overtuigd dat het verschrikkelijk zou worden. En ik had nog gelijk ook.
Ik zou die avond bij Bill blijven slapen, wat we in die tijd weer wat vaker deden omdat het onmogelijk was om behaaglijk naast elkaar te liggen op een bank. Je zou het kunnen bestempelen als ‘lekker knus’, maar eigenlijk was het alleen maar louter oncomfortabel. Bills bed lag vele malen lekkerder, wat tot gevolg had dat ik weer onmogelijk veel uren doorbracht in de bus op weg naar het kleine Loitsche, dat nog precies het zelfde was als de laatste keer dat ik er geweest was. Het leek soms net alsof het dorpje geen tijd kende, alsof de klok daar stilstond en niemand doorhad dat er dingen veranderden. De enige uitzonderingen daarin leken Tom en Bill te zijn.
Op het begin was het nog best gezellig. Georg zat ongeveer drie meter bij me vandaan, wat Bill als ‘goed’ beschouwde en ik als ‘nog veel verschrikkelijker dan dichtbij.’ Hij zat tegenover me en deed net alsof hij geen aandacht aan me besteedde, maar ik zag hoe hij iedere keer weer vanuit zijn ooghoeken naar me loerde als hij deed alsof hij naar de televisie keek en hoe hij door zijn wimpers zijn blik op me gericht had als hij deed alsof hij zijn schoenen bestudeerde. Ik was al lang gelukkig dat Bill het niet doorhad en dat de spanning in zijn algemeen ontspannen was, maar bij mij voelde het net alsof de sfeer een soort van ballon was: als er ook maar één ding gebeurde, als er ook maar één scherp dingetje tegenaan zou komen, zo hij uit elkaar klappen en dan was hij onherstelbaar beschadigd. Ik zag het als mijn taak om hem te beschermen tegen die scherpe dingen, want ik zag mezelf ook als degene die de ballon opgeblazen had.
“Heb je eigenlijk wel eens seks met een man gehad?” vroeg Tom op een gegeven moment aan Georg, wat me uit mijn overpeinzingen haalde. Ik had zitten nadenken over Nathalia, die zichzelf in een hoekje van de bank gepropt had, naast de nog-altijd-geen-bier-drinkende Gustav. Het was me opgevallen dat ze niet naast Bill zat, zoals ze dat altijd deed om mij op de kast te jagen, maar ik kon tot geen enkele conclusie komen. Het was net alsof ze aardig probeerde te zijn of zoiets, alsof ze samen met mij de sfeer wilde redden, maar ik wist zeker dat het iets anders moest zijn, iets gemeens en iets achterbaks, maar mijn hersenen slaagden er niet in haar gedachtegang te volgen. Daar was ik waarschijnlijk te aardig voor.
Toen Tom uiteindelijk echter die vraag aan Georg gesteld had, wendde ik mijn ogen van haar af en was ik opeens ontzettend geďnteresseerd in de jongen tegenover me, net zoals de rest van de groep dat deed. Georg keek alsof hij ontzettend graag in lachen uit wilde barsten, maar hij hield het prachtig in. De spanning steeg, maar het was geen onprettige spanning zoals die van ingehouden woede, meer een spanning van verwachting. Ik zag een schaduw van een glimlach op Georgs verduisterde gezicht, zo ééntje waar ik nerveus van werd omdat het iets onheilspellends had. Gustav schoot overeind en liep naar de keuken, om nog geen minuut later terug te komen met een limonadeglas dat tot aan de rand volgeschonken was met iets dat onmiskenbaar pure Smirnoff was. Hij zette het voorzichtig voor Georgs neus neer, maar alsnog morste hij een beetje over de rand. Toen hij weer ging zitten, tussen Nathalia en Fleur in, bleef zijn blik op zijn beste vriend gericht, zijn gezicht overlopend van nieuwsgierigheid.
Toen Georg het glas oppakte en het in één teug leegdronk, zijn gezicht vertrokken door de ranzigheid van zoveel sterke drank in één keer, steeg er een luid gejoel op vanuit de rest van de groep, waarbij Toms stem boven die van de rest uit denderde. Nathalia klapte in haar handen, waarin Fleur, Julia en Bill haar bijvielen, het geluid van de tik van het glas overstemmend toen Georg het terugzette op tafel. Hij grijnsde.
“Denk daar maar eens over na,” zei hij bijdehand tegen Tom, zijn houding zo nonchalant dat niemand wist of hij nu loog of de waarheid sprak en ik wist zeker dat dat was wat Georg wilde. Als hij echt ooit seks met een man gehad had, zou hij het fijn vinden dat niemand het zeker wist, maar als het niet zo was, zou hij het heerlijk vinden dat wij dachten van wel. Zijn finesse bracht ons in twijfel en dat was het fijnste spel in zijn leven. “En nu wil ik jou iets vragen.”
Op dat moment voelde ik een schommeling in de sfeer, alsof er een bak water boven ons hing die gevaarlijk wankelde en er al wat water over de rand klotste. Als de bak om zou keren, zouden we waarschijnlijk verzuipen in de ontstane chaos, totaal koud worden en dan was de situatie niet meer te redden.
“Kom maar op,” zei Tom, die comfortabel achterover leunde, doend alsof geen enkele vraag die Georg kon stellen hem ooit van zijn stuk zou kunnen brengen. Ook Georg leunde achterover, zijn armen over elkaar geslagen en met zijn duim wrijvend over zijn kin, nadenkend met een fronsrimpel in zijn voorhoofd. Iedereen zat opeens op het puntje van zijn fictieve stoel, zelfs ik, die een hekel had aan het spel in kwestie omdat het me ooit overstuur gemaakt had en ik dat nooit meer wilde, enkel omdat het spel tussen de twee jongens zo boeiend was. Het was interessant om te zien hoe ze probeerden elkaar zoveel mogelijk onderuit te halen, grappig ook. Het was iets dat alleen zij ooit deden, elkaar afkraken op die manier, en het was leuk om naar te kijken.
“Wat wat iemand ooit gezegd heeft, heeft jou het meest geraakt?”
Het was duidelijk dat Georg aasde op verhalen over meisjes die zijn bedprestaties hadden afgekraakt, maar hij formuleerde de vraag zo dat Tom hem op allerlei verschillende manieren kon interpreteren. Die laatste ging precies zo zitten als Georg: zijn armen over elkaar gevouwen, zijn duim wrijvend over zijn fijn gevormde kin, iets nadenkends in zijn ogen. Het was doodstil terwijl hij in zijn geheugen groef, zocht naar een moment dat hem het meest geraakt had, een moment dat hem voor eeuwig getekend had op welke manier dan ook. Op een gegeven moment stond Georg op om de nog halfvolle fles Smirnoff te halen, waarvan hij een deel in het lege glas schonk en dat naar Tom toe schoof. Tom keek ernaar alsof het iets was dat hij nog nooit gezien had, omdat hij nog steeds in gedachten verzonken was. Waarschijnlijk was het niet het glas dat hij zag, maar iets dat zich voor zijn geestesoog afspeelde.
“Ik wil geen eten, ik wil Maren,” citeerde hij Bill uit een moment van twee jaar geleden, vlak voordat die laatstgenoemde een bord naar Toms hoofd gesmeten had. Ik stond even perplex om het feit dat Tom dat citaat noemde, was verbaasd over het feit dat hij het zich net zo goed en precies herinnerd had als ik. Tom zocht mijn blik en maakte oogcontact met me, Bill wist niet goed waar hij kijken moest en dus keek hij naar zijn handen, die op zijn knieën rustten. Hij haatte het als mensen hem herinnerden aan zijn zwakke momenten. “Maar als ik ook een moment zou mogen noemen waarin niet gesproken werd, dan zou ik het moment nemen waarop Bill en ik in die hotelkamer zaten om hem te laten afkicken en hij schreeuwde om zijn vriendin.” Hij richtte zich tot Nathalia. “Bedankt nog.”
Die hadden we geen van allen aan zien komen. Zijn blik was opeens vernietigend op haar gericht, op de kleine blonde gestalte die nog altijd tussen Gustav en de armleuning van de bank geklemd zat. Ik wist hoe vreselijk het moest voelen om op die manier ingesloten te zitten, om beschuldigd te worden door iemand die je als vriend beschouwd had zonder een kans op ontsnappen, maar ik wenste het haar maar wat graag toe. Ik vond ergens dat ze het wel verdiende zich rot te voelen na wat ze aangericht had, na wat ze niet alleen Bill, maar ook Tom en mij aangedaan had. Ze had hem vernield, ze had hem verdelgd, hem vergiftigd en dat was onvergeeflijk.
“Ja,” viel ik hem bij, min of meer zonder dat ik doorhad dat ik het deed. “Bedankt nog.”
Na de openlijke beschuldiging van Nathalia werd het er niet echt gezelliger op. De mensen die niet direct betrokken waren bij het incident, dat wil zeggen: Fleur, Julia, Gustav en Georg, probeerden de sfeer een beetje te redden door iedereen vol te gieten met alcohol, maar de spanning bleef toch dik. Tom was zwijgzaam en dus misten we de gebruikelijke grappen. Hij keek aldoor naar Nathalia, stil maar niet nietszeggend, alsof hij probeerde gaten in haar te branden met zijn ogen. Ik zou het liefst met hem meedoen, haar met de grond gelijk maken, maar ik liet het omdat ik wist dat het Bill zou steken en dat wilde ik niet. Ik was wel zo sadistisch dat ik Nathalia zoveel mogelijk pijn wilde doen, maar niet als dat ten koste ging van Bill.
Bill was minstens net zo stil als Tom. Ik wilde telkens iets doen om hem kalm te krijgen, om te zorgen dat hij niet uit zijn vel zou springen of zoiets, want ik wist dat hij dat zou doen als de sfeer zo zou blijven, maar ik durfde het niet uit angst dat hij me weg zou duwen, dat hij geen behoefte had aan mentale steun van wie dan ook. Hij was zo stil dat ik bijna niet daar hem durfde te kijken, dus keek ik maar naar Tom, zoals de rest dat ook deed, behalve Nathalia omdat het juist haar blik was die hij probeerde te vangen. Toen ik zo naar zijn gestalte keek, kon ik het me nog steeds niet voorstellen dat hij tegen deze tijd vader had moeten worden van Julia’s kind. Tom was absoluut het type niet om voor een kind te kunnen zorgen, zeker niet in de tijd waarin we toen leefden, omdat alles gewoon te hectisch was. Het was niet goed geweest.
Op een gegeven moment werd de spanning zo ondraaglijk dat Bill opstond en Tom duidelijk maakte met hem mee te komen, naast mij een lege, warme plaats achterlatend. Tom keek hem eerst minachtend aan, alsof hij het Bill niet waard vond om voor op te staan, maar uiteindelijk deed hij het toch en volgde hem naar de gang. Ik liet een zucht ontsnappen toen de deur achter hen dichtviel: een ruzie zou vrijwel zeker volgen, maar ik was al lang blij dat het niet in de woonkamer gebeurde, waar iedereen bij was. Dat zou de stemming niet verlicht maar juist vernietigd hebben.
Met het ontsnappen van de ingehouden adem ontsnapte ook het laatste beetje moed uit mijn lichaam: Tom was de enige persoon die aan mijn kant stond wat betreft het Nathalia-incident (al begreep ik niet waarom) en toen hij opeens weg was en ik er alleen voor stond, voelde ik me opeens heel kwetsbaar. Dat verergerde nog eens toen Gustav broederlijk zijn arm om Nathalia heen sloeg en haar wat moed in leek te spreken, zacht, lief en steunend, alsof Toms beschuldiging totaal onterecht was geweest. Ik voelde me verraden door hem, of eigenlijk voelde ik me verraden door de hele groep. Nathalia wreef even in haar ogen alsof ze moe was en zette daarna haar ellebogen op haar knieën om haar hoofd in haar handen te laten rusten. Haar ogen waren rood als die van een junk, wat me niet verbaasde.
Iedereen was zo op Nathalia geconcentreerd dat er geen enkel persoon behalve ik noch aandacht schonk aan de ruzie tussen de tweeling, waarvan de klanken door de muren lekten, noch aan het feit dat Georg naast me kwam zitten. Ik voelde me al zo rot dat het me eigenlijk niets meer uitmaakte dat hij me gezelschap kwam houden – of eigenlijk vond ik het wel prettig. Het was net alsof hij mijn eenzaamheid en gespannenheid aanvoelde en hij me een soort van steun aanbood, al was hij het dan misschien niet met me eens. Ik sloot mijn ogen en leunde achterover.
Voor de eerste keer in een week vroeg ik me weer af hoe ik in zo’n onbeschrijflijke teringzooi terecht gekomen was. Voordat ik naar Japan vertrokken was, hadden we altijd prima met elkaar op kunnen schieten maar sinds ik weer terug was, leek iedere gezamenlijke avond uit te monden in een ruzie tussen eender wie. De mensen die ik dacht te kennen, bleken opeens totale vreemden voor me te zijn, bleken bergen geheimen te hebben die ze niet wilden prijsgeven totdat ze emotioneel totaal gesloopt waren. Ik wist zeker dat als Nathalia niet was langsgekomen om Julia haar armband terug te brengen, dat ik dan nog steeds niet had geweten van Tom en Julia’s ongeboren kind dat ze Maren hadden willen noemen en dat frustreerde me, vooral omdat het betekende dat ik Nathalia dankbaar moest zijn. Ik haatte het dat ik haar niet publiekelijk kon haten, omdat ik daar mensen pijn mee deed, omdat ik wist dat ik iedereen tegen me op zou zetten als ik dat deed en omdat – ja, omdat het gewoon niet ging. Zelfs Bill steunde me niet in mijn Nathalia-haat, wat logisch was, want hij was voornamelijk de reden dat ik haar haatte: hij gaf me immers een reden om haar te haten. Ik had het gevoel dat ik er helemaal alleen voor stond.
Ik opende mijn ogen. Georg zat naast me, een respectabele afstand tussen ons bewarend, zo stil dat het haast schattig was. Zijn ogen waren meer op Nathalia en Toms lege stoel gericht dan op mij en daar was ik blij om, want dat betekende dat Bill geen enkele reden had om kwaad op hem te worden en stennis te schoppen.
Tenminste, dat dacht ik.
Toen de deur van de woonkamer weer openging, was dat wat de aandacht trok. Tom beende met grote passen terug naar zijn stoel, maar Bill keerde direct weer om toen hij zag dat Georg op zijn plek zat. In dat vreselijk korte momenten dat onze ogen elkaar ontmoet hadden, had ik een soort van paniek in zijn ogen gezien, een gevoel dat hij direct op mij overgebracht had en ik was al opgesprongen voordat hij de deur eenmaal hard achter zich dicht had kunnen trekken. Struikelend liep ik naar de deur, de ogen die in mijn rug prikten negerend, want dat was niet het belangrijkste op dat moment. Bill zag problemen die er niet waren en tilde daar verschrikkelijk zwaar aan: dát was wat ik op wilde lossen.
Ik riep Bills naam toen ik hem de trap op zag verdwijnen, nadat ik de woonkamerdeur achter me had dichtgetrokken, maar ik had geen idee waarom ik dat deed: ik wist dat hij niet zou stoppen bij het horen van zijn naam omdat werkelijk al zijn zintuigen verstopt leken te zitten als hij agressief was, als hij dingen zag die er niet waren. Als ik niet zoveel van hem gehouden had, had ik hem waarschijnlijk doodeng gevonden, maar de situatie lag anders en dus moest ik er voor hem zijn, moest ik hem laten zien dat er niets was waar hij zich zorgen om hoefde te maken. Hij was verschrikkelijk kwaad, dat zag ik aan de manier waarop hij de trap beklom: met twee treden tegelijk en hard stampend, heel anders dan de vederlichte manier waarop hij normaal gesproken een trap op liep. Ik liep snel achter hem aan, herhaalde opnieuw zijn naam terwijl ik wist dat het niet zou helpen en wist hem bij zijn bovenarm te grijpen voordat hij zijn slaapkamer in kon verdwijnen. Ik schrok van de blik in zijn ogen toen hij zich woest omkeerde, zo duivels als die stond. Er brandde een hellevuur in zijn ogen, wat zijn ogen vervaarlijk deed schitteren en de trekken in zijn gezicht waren zo hard en gespannen dat ik bang was dat hij zichzelf totaal zou verliezen in zijn woede. Die angst was terecht.
“Wat doe je?” vroeg ik in alle kalmte, mijn hand van zijn bovenarm af laten zakkend via zijn elleboog en pols, totdat ik zijn hand kon vastpakken. Hij trok zijn arm echter ruw los, zo vervuld van woede dat hij me achteruit liet deinzen. Ik voelde er veel voor mijn handen op te heffen om mijn gezicht te beschermen, want hij joeg me écht angst aan, maar ik deed het niet.
“Je doet verdomme ook niets om hem tégen te houden!” schreeuwde hij luid, een wijd en expressief gebaar met zijn arm makend. Hij beet het me toe, bijna letterlijk, zijn gezicht dicht bij het mijne en zijn kaken achteraf op elkaar klemmend. Ik moest echt moeite doen om niet te jammeren en rustig te blijven, want ik wist dat als ook bij mij de stoppen door zouden slaan, dat er dan geen redden meer aan zou zijn. Dan kon ik net zo goed mijn eigen graf gaan graven.
“Hij dééd niets!” maakte ik hem duidelijk, hopend dat hij wat zou kalmeren bij het horen van de wanhoop die ik in mijn stem legde, maar tevergeefs.
“Maar hij wílde het verdomme wél – waarom denk je anders dat hij naast je kwam zitten, Maren? Hij wil me kapot maken en jij laat dat gódverdomme gewoon tóé!”
Hij nam afstand van me, liet zijn blik nog even in die van mij gehaakt en trok hem daarna los, richtte zijn ogen op de parketvloer onder ons. Die vloer was nog het enige dat ons samenhield, leek het wel. Ik voelde hoe hij langzaam van me wegdreef en wilde niets liever dan hem vastgrijpen, maar ik kon het niet, zelfs niet toen hij zich van me wegdraaide en aanstalten maakte zijn kamer in te vluchten. Ik stond daar gewoon, in het midden van de donkere gang en wachtte tot mijn lichaam iets zou doen dat hem tegen kon houden, maar dat gebeurde niet.
“En jij en Nathalia dan?” vroeg ik hem op een gegeven moment, hopend dat ik een geldig tegenargument in de ring gegooid had, iets dat hem tot reden kon brengen. Het had wel het gewenste effect op de korte termijn: hij hield zijn pas in, draaide zich weer om en deed een pas of twee dichter naar mij toe.
“Nathalia is niet verliefd op mij.”
“Georg ook niet op mij!”
“Oh nee?”
Ik viel stil. De woede in zijn ogen bracht tranen naar de mijne. Bill was mijn alles, mijn reddingsboei, hetgeen waar ik altijd op kon vertrouwen als ergens mee in de problemen kwam en ik voelde hoe hij langzaam van me vervreemde. Ik had het kunnen zien aankomen, maar ik had besloten mezelf er blind voor te maken en ik begreep opeens niet meer waarom in godsnaam. Zijn houding was machteloos achter die brandende ogen, net zoals die van mij, en opeens voelde ik hoe zielig we eigenlijk waren, hoe zielig het was om jezelf telkens maar omhoog te trekken aan de ander terwijl diegene ook op het punt van verdrinken stond. We vielen niet in een bodemloze put, wij wáren die bodemloze putten. Er kon zoveel liefde in gegooid worden als mogelijk, maar het zou de bodem nooit bereiken en dus zou het nooit bevredigen. Van elkaar houden was het begin van het einde.
“Ik heb godverdomme een nummer geschreven waarin ik je om hulp vraag maar je trekt me alleen maar fucking vérder naar beneden omdat je het te druk hebt met je éigen fucking ellende! Ik heb je verdomme nódig en jij denkt alleen maar aan jezélf!”
Ik schrok zo van de gebroken klank in zijn stem dat ik hem niet meer tegen kon houden toen hij zich weer omdraaide en zijn kamer inliep. Ik belandde pas weer terug in de werkelijke wereld toen zijn deur met een klap dichtgegooid werd en ik me besefte dat ik alles tussen ons verpest had. Er ontsnapte een traan uit mijn oog, welke over mijn wang rolde en op de grond uit elkaar spatte, net zoals ik uit elkaar spatte op dat moment. Ik brak. Ik was al gebroken. Ik was alleen.
Die avond sliep ik in Toms bed, alleen. Ik had het zo lief gevonden dat hij aangeboden had op de bank te slapen dat ik vergeten was daartegen te protesteren, zoals je dat eigenlijk wel hoort te doen als je iets aangeboden wordt. Hij had als een echte gentleman zijn ogen gesloten toen ik me omgekleed had en had me daarna geknuffeld (wat minder warm dan Bill altijd deed maar feit was dat hij me vastgehouden had en dat dat lief was) en had me gezegd dat het wel weer goed zou komen als Bill weer tot bezinning zou komen, dat het altijd zo ging als Bill zichzelf even verloor, maar ik durfde hem niet te geloven. Hij was nog nooit zo door het lint gegaan als die avond, zo kwaad dat ik zelfs bang was dat hij zichzelf wat aan zou doen. Ik deelde die angst met Tom toen hij me nog een knuffel gaf voordat ik mezelf begroef in mijn dekens en hij beloofde even bij hem te gaan kijken. Toen hij de deur achter zich sloot, ging ik plat op mijn rug liggen en bestudeerde ik het plafond, mijn oren gespitst op ook maar iets dat op een worsteling kon lijken aan de andere kant van de muur. Het bleef echter doodstil, de gehele tijd, hoe goed ik ook luisterde.
Ik sloot mijn ogen en dacht aan hoe het nu verder zou gaan tussen ons, óf het wel verder zou gaan tussen ons. Ik kon me niet voorstellen dat hij twee jaar en drie maanden zou willen weggooien om een ruzie die eigenlijk nergens over ging, maar desondanks toch erg heftig geweest was. We hadden voordat ik naar Japan vertrokken was nooit echt ergens ruzie over gehad en opeens hadden we in korte tijd twee keer onze koppigheid in de strijd gegooid. Misschien was het toch beter geweest als ik in Japan gebleven was, dat ik hem gewoon nog een keer vast had kunnen houden toen hij me zocht en dat ik daarna weer afscheid van hem genomen had met de mededeling dat ik niet meer van hem hield, of een andere leugen. Hij zou dan even pijn gehad hebben, maar dat was waarschijnlijk minder erg dan dat waar we op dat moment doorheen gingen. Dit was geen zogenaamde Monsun meer, dit was een weiland vol landmijnen.
Na een onbepaalde hoeveelheid tijd schrok ik op van het geluid van de deur, die zachtjes openging. Mijn ogen vlogen open en hoopten Bill te zien, maar het was Tom, gekleed in een wit shirt waardoor hij er een beetje uitzag als een spook. In drie grote stappen was hij bij het bed, waar hij neerknielde alsof hij ging biechten, zijn armen op de rand van het matras legde en hij mijn blik ving. Zijn ogen stonden zacht en teder, lieflijk, broederlijk en kalm.
“Hij slaapt,” zei hij op een fluistertoon. “Er is niets aan de hand – hij is heel rustig…”
Ik fakete een glimlachje, wetend dat Bill maar gedaan had alsóf hij sliep, maar ik vond het de moeite niet om er nog aandacht aan te besteden. Tom kende Bill het beste van iedereen (ik vond ten minste dat ik dat wel mocht aannemen) en als hij geen reden zag om zich zorgen te maken, dan zag ik dat ook niet. Bill had rust nodig.
“Probeer jij ook maar te gaan slapen,” vervolgde hij daarna. “Ik denk dat je het goed kunt gebruiken.”
Hij stond op, gaf me nog een kus op de wang en verliet daarna mijn slaapkamer. De blik die hij nog achterom wierp, was hartverwarmend en ik schonk hem een glimlach. Toen de deur achter hem dichtviel en ik weer alleen met de stilte was, draaide ik me op mijn zij en trok ik mijn knieën zo hoog mogelijk op, op de manier waarop ik altijd lag als ik me rot voelde of het koud had. Ik liet de ruzie van nog geen uur geleden mijn gedachten voorbij gaan, herhaalde iedere uitgesproken zin in mijn gedachten en verwonderde me opnieuw over zijn woede. Hij haatte Georg echt, vanuit de grond van zijn hart en ik realiseerde me dat er niets was dat ik daartegen kon doen. Het zat zo diep dat het er niet meer uit te krijgen viel.
Ik bedacht me wat ik zou doen als mijn moeder nog geleefd zou hebben, als ik thuis op bed gelegen had en ze maar een paar meter van me verwijderd was in plaats van zo oneindig ver weg. Waarschijnlijk zou ik uit bed gestapt zijn en bij haar zijn gaan liggen, dicht tegen haar aan, zodat ze me kon troosten. Mijn moeder had nooit veel woorden nodig gehad om te weten wat er mis met me was, dat begreep ze meestal al na één blik. Ik had het nooit nodig gevonden om dingen met haar te bespreken, gewoon omdat ik ervan uitging dat ze wist hoe mijn stemming was en hoe dat kwam. Onze band was door de scheiding van mijn vader zo sterk geworden dat we zelfs urenlang zwijgend met elkaar door konden brengen en achteraf het gevoel hadden een lang gesprek gevoerd te hebben. Weer realiseerde ik me wat ik miste, wat ik verspeeld had. Mijn moeder was de inzet geweest van Gods pokerspel en ik had het verloren. Misschien was het een vreemde vergelijking, maar hij was desalniettemin waar. Ik míste haar zo.
Er rolde een traan uit mijn ooghoek langs mijn oor op mijn kussen en al gauw volgden er meer. Ik probeerde me voor te stellen hoe mijn leven eruit zou zien zonder Bill maar dat was gewoon onmogelijk. Het deed zoveel zeer. Ik had er nooit over nagedacht dat ik hem ooit nog kwijt zou kunnen raken omdat ik dacht dat onze liefde onvoorwaardelijk was, maar natuurlijk was hij dat niet. Een leven zonder Bill leek me zo onwaarschijnlijk leeg maar toch ook vol, van eenzaamheid. Hij hoorde bij mij, hij was een deel van me en als dat zomaar weggenomen zou worden, zou ik opnieuw ten onder gaan, net zoals toen ik naar Japan moest. Ik kon niet leven zonder hem, nooit. We hoorden bij elkaar.
Op een gegeven moment begon ik te snikken en begroef ik mijn gezicht in Toms laken om het geluid te dempen, zodat niemand me zou horen. Ik was kwaad op mezelf, kwaad dat ik zo zielig lag te doen terwijl alles mijn eigen stomme schuld was, maar ik kon mijn verdriet niet meer tegenhouden. Ik had altijd zo het gevoel gehad dat ik het in principe zelf nog wel kon redden, of dat in ieder geval Bill er was om me op te vangen als ik viel (op God hoefde ik in ieder geval niet meer te rekenen) maar opeens voelde ik me écht alleen. Ik had geen mensen die er onvoorwaardelijk voor me waren, geen ouders die voor me klaarstonden als er iets mis ging en opeens voelde ik me een wees – iets wat ik in principe ook was. Ik mocht dan wel volwassen zijn, maar zo voelde ik me niet. Ik voelde me nog een kind dat vastgehouden wilde worden door haar moeder maar dat ging niet meer. Een kracht waarvan ik niet wist wat het was en waar het vandaan kwam, maakte de levens van iedereen die ik liefhad tot een hel, beëindigde er hier en daar zelfs één en ik kon er opeens niets meer aan doen. Het was net alsof ik met duizend ballen jongleerde – iets waarbij het onmogelijk was er ook maar een paar in de lucht te houden. Het glipte me door de vingers, keer op keer.
Op een gegeven moment voelde ik hoe er iemand naast me kwam liggen, hoe er twee slanke armen om mijn middel gesloten werden en hoe ik teder tegen een warm lichaam aangetrokken werd. Ik schrok, stopte met snikken, en ontspande weer toen ik een bekende geur registreerde; Bill. Ik had niet eens gemerkt dat er iemand bij me gekomen was. Zijn zachte, slanke vingers gingen over mijn gezicht, streelden zacht mijn haar en de sussende fluisterklanken van zijn kalmerende stem streelden mijn oor. Kippenvel verspreidde zich over mijn huid toen zijn lippen in mijn hals drukte, al even zacht als de kleine geluiden die hij maakte. Ik huilde door alle gemengde emoties, omdat hij er opeens weer was, zo plotseling, en omdat het opeens leek alsof alles weer goed zou komen. Ik was zo dankbaar dat ik hem had.
“Het spijt me,” fluisterde hij zachtjes. Ik kneep mijn ogen even dicht, biddend dat ik niet droomde. Hij veegde een zoute traan van mijn gezicht, teder en verzorgend, en drukte een kus op mijn slaap terwijl hij met mijn haar speelde. “Ik meende het niet zo.”
Ik draaide me om, mijn ogen nog altijd gesloten, en liet me door hem kussen. Zijn lippen waren zo zacht – ik kon me niet eens voorstellen wat ik met mijn leven zou moeten als ik hem nooit meer zou kunnen proeven, ruiken, voelen. Hij was alles wat ik nodig had om een volledig functionerend mens te zijn, alles wat ik nodig had om het leven het leven waard te vinden. Zonder hem zou ik niemand zijn, niets zijn, niet bestaan. Ik zou een zombie zijn als hij me zou verlaten, een mens zonder inhoud, niet wetend waar hij was en waar hij naar toe moest. Zonder hem kon ik het leven niet aan.
Hij was het enige dat me in leven hield.
Toen ik de volgende morgen wakker werd, was Bill al op. Hij zat achter Toms bureau met een pen en papier en hij schreef haastig, alsof hij bang was dat hij de woorden die hij in zijn hoofd had zitten zou vergeten als hij ze niet snel genoeg aan het papier zou toevertrouwen. Vanuit bed bekeek ik hem, liet mijn ogen over zijn gebogen rug glijden, zag kippenvel op zijn slanke armen en registreerde de kleine ribbeltjes in zijn half-getrainde buik. Zijn haar, wat hij met zijn vrije hand tevergeefs achter zijn oren probeerde te stoppen, hing sluik langs zijn engelengezicht, onttrok de littekens op zijn sleutelbeen aan het zicht. De concentratie op zijn gezicht was niet goed te zien, maar ik wist dat die er was. Hij zag er zowel krachtig als weerbarstig uit, door de mengeling van vastberadenheid in zijn gezicht en de gebogen houding van zijn lichaam. Hij was prachtig.
Toen hij achterom keek en zag dat ik hem uitgebreid bestudeerde, legde hij direct zijn pen neer en stond op. De blik in zijn ogen stond een beetje triestig, misschien een beetje verontrustend en dat maakte dat ik een zenuwachtig gevoel in mijn buik kreeg. Ik schoof een beetje opzij toen hij aanstalten maakte naast me in bed te stappen en liet me gewillig door hem omhelzen. Zijn borst was koud, net zoals de handen die om mijn middel lagen. Zijn duim streek het stukje huid waar mijn tatoeage in geprikt was. Hij wreef met zijn neus teder over die van mij in plaats van me een kus te geven. Het was zo’n lief gebaar dat ik er kriebels van in mijn buik kreeg, zo wonderschoon dat ik wenste dat ik altijd op die manier wakker kon worden, met het gevoel dat alles gewoon oké was. Zijn slanke vingers streken over mijn wang, zijn lange nagels krasten zachtjes over mijn lippen en hij opende zijn mond alsof hij iets wilde zeggen, maar er kwam geen geluid uit. Ik strekte mijn vingers uit naar zijn gelaat, maar durfde het niet aan te raken omdat hij er zo fragiel uitzag, zo breekbaar en doorzichtig – ik durfde die sereniteit niet te verstoren. Ik liet mijn hand halverwege op het matras zakken, waarna hij hem weer oppakte om onze vingers te verstrengelen, zonder het oogcontact te verbreken. Hij bevochtigde zijn lippen.
“Misschien moeten we elkaar een tijdje niet zien.”
Hij fluisterde het hees en gebroken, alsof hij de hele nacht had liggen huilen en ik kon me best voorstellen dat dat zo was. Het stemgeluid raakte me diep van binnen, raakte me omdat ik me besefte dat die woorden hem net zoveel zeer deden als mij. Zijn woorden kwamen niet als een donderslag bij heldere hemel, maar alsnog kwam het hard aan, omdat ik zou graag zou willen dat we bijzonder waren, dat we daadwerkelijk álles samen konden overleven. Helaas waren wij ook maar mensen van vlees en bloed, geen engelen die boven de rest van de wereld verheven waren. Ik wist dat het beter was om elkaar even met rust te laten zodat we alles konden laten bezinken maar desondanks deed het zeer. Ik kon me niet voorstellen hoe het zou zijn om de dagen te moeten aftellen voordat ik hem weer zou zien, iedere lege dag doorworstelend, proberend boven water te blijven voordat hij terug zou komen om mijn hand te pakken en me te proberen op het droge te trekken. Want dat was hoe ik het zag: we hadden tijdenlang samen in een diepe oceaan gezwommen, elkaar onderdompelend, en nu zou hij er even uit klimmen. Ik zou door blijven watertrappelen, wachtend tot hij terug zou komen om mij de hand te reiken. Het was enkel nog de vraag of ik hem terug het water in zou trekken of dat hij me mee het land op nam.
Voordat ik het wist, werden mijn ogen vochtig en rolde er een traan over mijn wang. Nog voordat ik mijn hand naar mijn gezicht had kunnen brengen om hem weg te vegen, deed Bill het voor me en hield hij me vast, zijn volle onderlip lichtjes trillend. Ik klampte me stevig vast aan zijn koude lichaam, zocht naar steun waarvan ik wist dat ik er na een onbepaalde hoeveelheid tijd geen beroep meer op zou kunnen doen. Mijn hele lichaam deed opeens zeer, terwijl de geestelijke pijn eigenlijk het enige was dat ik behoorde te voelen. Ik voelde me alsof ik gemarteld was, alsof alle botten in mijn lichaam gebroken waren en ik verwachtte – nee, ik wíst, dat Bill de enige was die me zou kunnen genezen. Hij was zo zorgzaam, zo lief en zacht en breekbaar. Hij was zo mooi. Zo onmisbaar.
“Niet huilen,” fluisterde hij zachtjes, vederlicht. “Het is allemaal zo snel gegaan.”
Ik knikte, want ik wist dat het de waarheid was. Sinds ik teruggekomen was, was alles in een stroomversnelling terecht gekomen. Bill en ik waren samen in een figuurlijke trein gestapt, op een gegeven moment ontspoord en recht op een solide muur af gesjeesd, onstopbaar door de onmetelijke snelheid. We hadden de keuze gehad te pletter te slaan tegen de muur of te springen en te hopen op een zachte landing. Het risico dat we namen was groot, maar het was beter dan dat onverbiddelijke einde. Ik was al lang blij dat we aan dezelfde kant sprongen en niet ieder een andere kant van het spoor namen: we wisten waar we elkaar moesten zoeken voordat we elkaar weer zouden vinden en op een volgende trein zouden kunnen stappen. Ik wilde overleven, samen met hem, en voelde een overlevingsdrang die ik nog nooit eerder gevoeld had. Nu ik het einde zo dichtbij gezien had, wist ik wat ik moest koesteren.
De sussende geluiden van zijn stem maakten me rustig, lieten me ontspannen in zijn armen en maakten dat de tranen uiteindelijk stopten met stromen. Ik haalde trillerig adem en nam toen afstand van hem, keek hem diep in zijn vochtige ogen en zag liefde. Ik zag een vorm van liefde waarvan ik niet eens geweten had dat hij bestond, een liefde waarvan ik nooit gedacht had dat ik hem ooit zou krijgen. Wat er tussen ons bestond was echt, daar was ik me van bewust, en ik realiseerde me dat dat bijzonder was. Wij waren misschien wel niet extra-ordinair, niet anders dan andere mensen, maar de liefde tussen ons was dat wel. Het was bijna onaards wat ik voor hem voelde en ik kon me niet voorstellen dat er mensen anders dan wij waren die ooit zoiets gevoeld hadden. Het maakte een vreemd gevoel los in mijn maag, een soort van misselijkheid die waarschijnlijk veroorzaakt werd door de grote hoeveelheid vlinders die daar rondvlogen, alsof diezelfde vlinders me omhoog wilden laten zweven maar dat ik te zwaar was voor hen. Het was zo’n wonderbaarlijk gevoel, zo mooi maar tegelijkertijd ook verschrikkelijk omdat ik wist dat ik er niet tegen zou kunnen als het weer zou verdwijnen. Als je niet wist wat het was, kon je het ook niet missen, maar ik kende het nu eenmaal en ik wist dat ik er niet meer zonder kon.
“Het is al goed,” zei ik met een nep glimlachje, hoewel mijn woorden wel gemeend waren. Ik bracht mijn hand omhoog naar zijn lelieblanke gezicht en streek zachtjes over zijn kaaklijn, over de schaduw van een traan die op zijn trillende lippen lag. Hij ademde diep in en uit, draaide zich toen op zijn rug en veegde zijn ogen droog terwijl ik mijn hand naar beneden liet zakken en met mijn vingertoppen de contouren van zijn tatoeage overtrok. Ik voelde me zo intiem met hem op dat moment, wij, in het bed van zijn broer, alleen met elkaar en ons verdriet. De beslissing die we namen was zwaar, maar desalniettemin de goede. Op dat moment wilde ik niets liever dan hem vasthouden en hem nooit meer loslaten.
Toen hij zijn slanke handen langzaam over mijn arm naar beneden liet glijden en ze op mijn littekens liet rusten, voelde ik een zindering in mijn hele lichaam. Hij drukte een zachte kus op mijn lippen, één waarvan ik wist dat het er één van de laatsten zou zijn voordat ik hem zou moeten loslaten en ik had het gevoel dat mijn hele lichaam zong. Hij was zo teder en lieflijk dat ik dacht dat ik ervan zou gaan zweven. Ik had vredig kunnen sterven op dat moment.
Ik voelde op dat moment dat mijn moeder bij me was, iets dat ik nog nooit eerder zo bewust gevoeld had. Ik kreeg kippenvel op mijn hele lichaam en voelde dat ze op me neerkeek, dat ze glimlachte en dat ze trots op me was, ook al had ze geen enkele reden om trots op me te zijn. Behalve Bills liefde voelde ik op dat moment ook de onvoorwaardelijke liefde van een moeder voor haar dochter en dat voelde zo puur, zo schoon en fijn dat ik nog twee tranen uit mijn ogen liet ontsnappen. Ik had het zo lang moeten missen, had het zo lang zonder haar moeten doen, maar op dat moment besefte ik me dat ik haar altijd bij me had, waar ik ook ging. Ze had een dochter die haar eigen leven verwoest had en waarover ze moest waken omdat ze nog niet klaar was voor de grote harde wereld waarin ze beland was na het overlijden van haar moeder. Ze was er altijd geweest voor me, vroeger, had me altijd gesteund als ik iets moeilijks voor de kiezen kreeg en opeens zag ik in dat ze dat nog steeds deed, al was dat onbewust. Mijn moeder wist dat het beter voor mij zou zijn als ik Bill even los zou laten en dat was uiteindelijk dat me die keuze liet maken, dat wat maakte dat ik achter mijn eigen beslissing stond. Ik kon voelen hoe ze in de hoek van de kamer stond, naast Toms bureau, hoe ze naar ons keek terwijl we daar zo lagen en toen glimlachte ik, heel oprecht, gewoon omdat ik opeens gelukkig was, omdat ik wist dat ik het goede deed.
Het zou wel weer goed komen.
Het was stil om me heen, en donker. Julia was uit met Tom, naar weet ik veel waar naar toe, wat maakte dat ik alleen was en daar was ik blij om. Ik zat in kleermakerszit op de bank, had de deken om mijn schouders geslagen en speelde al uren met een blanco enveloppe, liet hem tussen mijn vingers draaien en hoorde telkens hoe er een voorwerp van de ene naar de andere kant schoof als ik de enveloppe kantelde. Ik had geen besef van tijd meer sinds ik Bills hand had los gelaten, had geen idee hoe ik in godsnaam thuis gekomen was, maar dat deed er ook niet zo toe. Wat er wel toe deed, was dat ik Bill de hele zomer niet zou zien. Een hele zomer. Dat waren drie fucking maanden, wat betekende dat ik ongeveer de helft van de tijd dat we een relatie hadden niet eens bij elkaar waren geweest. Ik voelde me wanhopig, op de één of andere manier en ontzettend eenzaam, mede omdat Julia er niet was om me gezelschap te houden. Ik voelde me een beetje verlaten door haar, op de één of andere manier, hoewel zij niets van mijn situatie wist en ze in volle onschuld met Tom was mee gegaan. Het enige dat ze voor me achtergelaten had, was een briefje waar dat op stond.
Ik had het donker zien worden die avond, maar had mezelf er niet toe kunnen zetten op te staan en het licht aan te doen. Ik wist precies waar ik was, kon perfect nadenken, maar mijn lichaam wilde niet meer doen wat mijn hersenen hen opdroegen. Het enige dat nog ging, was het spelen met de enveloppe, het luisteren naar het schuivende geluid van het kleine voorwerp dat zich daarin bevond. Ik bleef me maar afvragen wat erin zat, maar kon mezelf er niet toe zetten hem te openen, kon er de kracht niet voor vinden. De leegte liet me keer op keer zuchten als ik me weer besefte dat ik alleen was en dat het nog drie maanden zou duren voordat daar een einde aan zou komen.
Ik bleef zijn woorden in mijn hoofd herhalen, kon ze met klank en al herinneren, samen met de geur van zijn shirt en van zijn haar. Hij rook naar vanille, net zoals ik. Hij had zo zacht tegen me gesproken, zo vol van liefde en pijn, net als ik, maar ik wist dat ook hij besefte dat we het goede deden. Even uit elkaar gaan was misschien moeilijk, maar het was beter. Hij had zijn rust nodig en ik moest wennen aan mijn omgeving, andere dingen zoeken dan Bill om me aan vast te klampen als ik bang was, of onzeker, of verdrietig. Pas toen ik op de bank zat, al uren lang, alleen met het geluid van de wind en het tikken van de klok, besefte ik me hoe weinig tijd ik relatief gezien met Fleur had doorgebracht; ik sprak haar nooit meer apart. Dat kwam ook omdat zij het zo druk had met school, maar vooral omdat ik het te druk had met Bill en het proberen onze oude relatie terug te krijgen, wat onmogelijk was. Er was teveel gebeurd, we waren niet onschuldig meer en die flierefluiterige tijden waren gewoon voorbij. We zouden het nooit meer terugkrijgen en daar moest ik me bij neer zien te leggen, hoe moeilijk dat ook was.
Mijn vingers glipten onder het randje van de plakstrip van de enveloppe, peuterden het papier los, langzaam en beheerst, alsof ik droomde. Ik bleef recht voor me uit kijken, naar de gesloten deur van Julia’s slaapkamer, me bedenkend hoe zij had geleden in kamer 483 en hoe ik precies het zelfde zou doen, zo zonder Bill. Ik had echter het geluk dat ik haar had om me te steunen – zij had alles in haar eentje moeten doorstaan. Ik voelde een diep respect jegens haar.
Er viel er een klein en glinsterend voorwerp in de kom van mijn hand toen ik de enveloppe erboven kantelde, waardoor mijn hart een slag oversloeg. Het was een ring, een breed exemplaar van glimmend zilver, met aan de binnenkant onze initialen. Ik zat even als verlamd op de bank, kijkend naar de verfijning waarmee de vier letters in het zilver gegraveerd waren en voelde een kriebel in mijn maag, omdat ik wel ongeveer vermoedde wat het betekende. Het voorwerp was op dat moment voor mij al van onschatbare waarde. Het was wonderbaarlijk hoeveel de ring op Bill leek, qua verfijning en subtiliteit – je zou de schoonheid niet zien voordat je er wat beter naar zou kijken, voordat je het verhaal erachter kende.
Ik pakte de enveloppe weer op, en haalde de brief die er nog in gezeten had eruit. Hij was geschreven op normaal lijntjespapier, niets bijzonders, waarschijnlijk gewoon een blaadje dat daar nog had rondgezworven uit Toms schooltijd. Toch voelde hij aan als bijzonder. Ik had geen idee wat erin stond, had geen idee waarom hij überhaupt een brief voor me geschreven had, maar ik wist niet of ik het wel wilde lezen. Misschien zou het wel zoveel emoties bij me losmaken dat ik er de hele zomer aan zou blijven denken, misschien zou ik hem er wel nog meer door missen, misschien stonden er wel dingen in die ik niet wilde weten, dingen die me teveel zeer zouden doen, of dingen over mij die hij nooit had durven uitspreken. Misschien betekende die brief het einde van onze relatie, maar had hij me dat niet recht in mijn gezicht durven zeggen, bang voor mijn overspannen reactie daarop, en had hij het maar in een brief gezet. Toch vouwde ik de brief open, enkel en alleen omdat ik wilde weten waar ik aan toe was en omdat ik niet wilde dat hij voor niets de moeite had genomen een brief voor me te schrijven.
Zijn handschrift was kriebelig, bijna onleesbaar omdat hij zo snel geschreven had, maar desondanks nog altijd leesbaar. Ik hield van de manier waarop hij hoofdletters schreef, zo overduidelijk uit de losse pols maar altijd met dat puntje perfectie dat bij hem hoorde, zelfs als hij op topsnelheid schreef. Ik trok mijn mondhoeken op in een glimlach toen een aangename geur mijn reukorgaan bereikte en stootte een klein lachje uit. Natuurlijk was de brief geparfumeerd, dat kon alleen een jongen als Bill bedenken. Het rook naar hem, naar hoe hij die morgen geroken had, naar de geur die me overvallen had toen ik de avond daarvoor in mijn eentje in Toms bed gelegen had en heel eventjes leek het weer alsof hij heel dicht bij me was.
Lieve Maren,
Het spijt me dat ik dit op moet schrijven, dat ik je op papier moet vertellen wat er allemaal in me omgaat, maar ik kan het je niet recht in je gezicht vertellen omdat ik dan simpelweg de woorden niet vind. Ik hoop je op deze manier toch een beetje duidelijk te maken hoe het zit, hoe het komt dat ik mezelf zo verloor gisteravond – niet om mijn gedrag goed te praten, want dat kan nu eenmaal niet, maar misschien zie je dan wel dingen die je je nooit eerder beseft hebt. Ik heb niet het gevoel dat je ooit echt begrepen hebt hoe het zit met mijn haat jegens Georg en mijn liefde voor jou.
Wat betreft Georg liggen de zaken nogal gecompliceerd. Het liefst had ik de tour toen niet eens afgemaakt omdat de spanning tussen ons gewoon te hoog was, maar omwille van Gustav en Tom heb ik toch altijd doorgezet. Ik kan nog steeds niet begrijpen hoe hij me zo heeft kunnen naaien, hoe hij jouw nummer uit mijn telefoon heeft kunnen jatten en hoe hij je eigenlijk gewoon van me heeft afgepakt. Dat doe je niet als je vrienden bent. De manier waarop hij je behandelde stak me nog veel meer: hij deed alsof je zijn gevangene was, verbood je zelfs enkel maar naar mij te kíjken en ik vond het verschrikkelijk dat hij dat deed, alsof hij je wilde hersenspoelen en je tegen mij op wilde zetten of zoiets, maar gelukkig is dat nooit gebeurd. Altijd heb ik die stille hoop gehouden dat je op een dag terug naar mij zou komen, maar ik had nooit gedacht dat het ook echt zou gebeuren. In al die nachten dat ik aan je heb liggen denken in de tourbus, in ieder denkbaar hotel in Duitsland, heb ik praktisch gebeden dat je zou inzien dat Georg niet te vertrouwen was en ik ben zo blij dat – ja. Je weet wel. Dat je voor mij koos.
Je wilt niet weten hoe het was om je weer in mijn armen te houden na je meer dan een half jaar te hebben moeten missen. Ik weet nog heel goed dat je Durch den Monsun zong en dat ik me afvroeg voor wie je het zong, want ik heb het voor jou geschreven, die keer nadat we samen gevangen werden door de regen tussen de weilanden buiten Loitsche. Ik voelde zoveel liefde op dat moment dat ik vol muziek zat en die liefde heb ik vertaald in dat nummer, de song die uiteindelijk mijn leven veranderd heeft. Ik ben je daar nog altijd dankbaar voor, dat ik mede dankzij jou mijn droom kan leven. Jij en de band zijn alles waar ik voor leef.
Ik geloof dat ik het je nooit verteld heb, maar ik hield al van je toen mijn ogen voor de eerste keer jouw blik vingen, toen we elkaar voor het eerst aankeken. De vlinders in mijn buik waren er vanaf toen en bleven daar ook. Ik vond je zo bijzonder, zo puur en onschuldig nog en ik voelde de onweerstaanbare drang je beter te leren kennen, gewoon omdat je me zo – ja, ik weet niet of ‘intrigeren’ hier het juiste woord voor is. Ik vond je gewoon speciaal en in dat opzicht is het altijd liefde op het eerste gezicht geweest. Ik hield toen al van je, ook al wilde ik dat toen nog niet zien omdat ik niet wil dat de woorden hun waarde verliezen. Ik bewaarde ze voor wanneer ik de ware zou vinden. Dat wil niet zeggen dat ik niet verliefd op je was, want dat was ik, ben ik nog steeds, en niet zo’n beetje ook, maar ik wist niet zeker of het voor altijd zou blijven. Ik zag wel dat het je zeer deed dat ik je roep om liefde niet beantwoordde als je me zei dat je van me hield, maar ik hoop dat je begrijpt dat mijn idealen me waardevol zijn. Ik hield echt wel van je, toen, dat is er altijd al geweest, ik moest er alleen nog achter komen.
Het deed zo’n zeer toen je moest vertrekken, toen je van me weggehaald werd. Ik weet nog zo goed dat je vader naar je toekwam om te praten, net nadat Isabel was overleden en ik kan de haat die ik voelde nog makkelijk oproepen. Het was niet zijn schuld dat je met hem mee moest, maar hij was de enige op wie ik boos kon zijn. Ik kon het gewoon niet aan je los te moeten laten en je bij hem in de auto te laten stappen, je te laten gaan. Het gevoel dat ik had toen ik je hand losliet was onbeschrijfelijk, zo verschrikkelijk, Tom heeft me een uur vast moeten houden totdat ik kon stoppen met huilen en toen was mijn verdriet eigenlijk nog veel erger. Durch den Monsun spookte telkens door mijn hoofd, ieder woord, iedere noot, de gehele melodie en ik had verwacht je nooit meer terug te zien. Het was net alsof alles weer samenviel toen ik je weer terugvond, alle losse puzzelstukjes van mijn leven en ik kon wel zweven van geluk op dat moment. Je opnieuw kunnen vasthouden was iets dat ik nooit had durven dromen, zo geweldig en hoewel ik in principe niet geloof in een hogere macht of zoiets, denk ik toch dat er iets geweest is dat ervoor gezorgd heeft dat we nu weer samen zijn.
Ik weet dat je kwaad bent op Nathalia vanwege dat drugs-gedoe, maar zij is wel degene die me gered heeft. Zonder jou kon en wilde ik eigenlijk niet meer leven en zij heeft mijn leven gered door me die troep te geven. Tom heeft vaak geprobeerd me te helpen, maar hij wilde enkel praten over mijn relatie met jou en zag niet in dat ik eigenlijk alleen maar wilde vergeten. Hij zag mijn depressie niet, wilde die niet zien, dacht dat praten me zou helpen mijn verdriet aan de kant te zetten, maar dat maakte me alleen maar meer kapot. Ik weet dat je Nathalia toch wel blijft haten, dat er niets is dat ik kan zeggen dat je mening zal bijstellen, maar ik wil wel dat je weet dat ik er zonder haar waarschijnlijk niet meer geweest zou zijn.
Ik bel je na de vakantie, dat beloof ik. Ik weet zeker dat we voor elkaar bestemd zijn, dat we voor altijd van elkaar zullen blijven houden, hoe ver we ook van elkaar verwijderd zijn, en dat we altijd wel bij elkaar uit zullen komen. Ik heb vroeger veel te lang getwijfeld aan mijn liefde voor jou, heb veel te lang getwijfeld het je te zeggen en ik heb daar nog altijd spijt van, maar ik zat gewoon met dat ik niet wist of onze liefde eeuwig zou zijn. Nu heb ik daar wel zekerheid over en ik ben blij dat ik in jou degene gevonden heb met wie ik mijn hele leven wil delen. Vandaar ook die ring. Ik wil ooit met je trouwen, ook al heb ik ooit gezegd dat dat één van de dingen is die ik nooit in mijn leven zou doen. Maar dan nog – beloften zijn er om te breken.
Ik hou van je.
Bill.