Nadien
Ik sloeg het dagboek dicht en legde het naast me neer, verloren, alsof het geen waarde had. Een vervelend gevoel verspreidde zich in mijn buik toen ik terugdacht aan de tijd die ik samen met Bill in die kamer had doorgebracht, hoe geweldig het geweest was om samen een eindeloos moment beleefd te hebben waarin al het andere zo ver weg leek. Die herinnering maakte mijn binnenste vaak zo warm dat ik er in combinatie met het kille gevoel van al het voorgaande vaak buikpijn van kreeg. Hoe vaak ik dat dagboek ook las, hoe vaak ik mijn herinneringen ook ophaalde, het vervelende gevoel bleef altijd het zelfde. Dat veranderde nooit. Net als de liefde.
Toen ik op mijn horloge keek, zag ik dat het wonderbaarlijk genoeg tijd was om te gaan. Uit een zijvakje van mijn reistas pakte ik een grote, beschreven enveloppe waar ik de avond van tevoren de postzegels al op geplakt had. Waarschijnlijk waren het er meer dan nodig waren om een dagboek naar Japan te kunnen versturen, maar daar ging het niet om. Ik had niets aan geld als ik met Bill zou vluchten voor het lot. We hadden genoeg aan elkaar.
Ik pakte het dagboek weer op en liet het in de enveloppe glijden, om die daarna zorgvuldig dicht te likken. Het pakketje stopte ik terug in mijn tas, om vervolgens op te staan en het zand van mijn broek te kloppen. Opeens voelde ik me heel vreemd, heel leeg van binnen en tegelijkertijd zo vol. Ik besefte me dat er geen weg meer terug was zodra Bill en ik eenmaal vertrokken waren en dat klonk zo ontzettend definitief dat ik op slag weer begon te twijfelen. Ik kon Julia niet achterlaten, en Fleur. Bill kon niet zomaar wegrennen van de band. Ik had geen idee of ons toekomstbeeld het waard was al het andere mooie achter ons te laten. Onze vrienden hadden ons nodig, net zoals wij elkaar nodig hadden.
Het kon alleen niet, en dat wist ik. We móésten weg.
Ik drapeerde mijn trouwjurk over het graf van mijn moeder, heel zorgvuldig, zodat er geen vouwen in zaten. Ik wist dat het zinloos was, want het kon ieder moment gaan stormen en dan zou mijn jurk onherstelbaar beschadigd zijn, maar dat was niet waar het om ging. Het ging om het gebaar. Ik wilde mijn moeder iets moois nalaten en ook al wist ik dat het er niet voor eeuwig zou blijven liggen, het ging erom dat ik het haar gegeven had. Dat ze voor altijd iets van haar dochter bij zich zou hebben.
Zodra ik tevreden was over het resultaat, keerde ik me om en liep ik zonder nog om te kijken de begraafplaats af. Mijn voetstappen knerpten op het grind, verzwaard door het gewicht van mijn hart. Het deed zeer te weten dat ik nooit meer terug zou komen. Eerder had ik haar graf nooit bezocht, dus in principe zou ik er weinig om moeten geven het nooit meer te kunnen bezoeken, maar zo was het niet. Het was gewoon het feit dat ik zo vreselijk ver weg zou zijn en dat ik de mógelijkheid niet meer zou hebben haar te bezoeken. Daar zat het verschil in. Het kón niet meer. Níets kon meer. Er was zoveel mogelijk nu ik er samen met Bill vandoor zou gaan, maar ook zoveel niet.
Het geluid van kwetterende vogeltjes doorbrak de stilte van de nacht. Achter de horizon zag ik de eerste zweem van oranje licht die aankondigde dat het spoedig dag zou worden. Ik ademde de lucht van de morgenstond in en voelde hoe dat mijn zorgen min of meer wegnam. Het kalmeerde me. Plotseling leek het zo onbelangrijk dat we dingen moesten achterlaten – alleen wij bestonden immers, plus de overweldigendheid van de natuur om ons heen. Verder niets. De wereld was één groot decor van landschappen waarin Bill en ik de sterspelers waren, en niemand anders. God was onze regisseur. Hij zou ons leven een richtlijn geven, maar ik wist zeker dat wij samen de ruimte zouden krijgen een eigen invulling te geven aan ons leven – mits we binnen de lijnen bleven.
Ik slenterde door de straten van Wolmirstedt, het stadje waar ik me ooit zo thuis gevoeld had. Op dat moment, midden in de nacht, voelde ik me echter een insluiper, een onbekend persoon dat daar niet hoorde te zijn. Het was mijn thuis niet meer. Ik herkende nog altijd iedere hoek van iedere straat, wist precies hoe ik lopen moest, maar tegelijkertijd voelde het zo onbekend aan. Het was zo’n vreemd idee dat de reis van mijn leven ooit in Wolmirstedt begonnen was en dat hij daar eveneens zou eindigen. Na die nacht zou ik mijn naam vergeten, me afsnijden van alles wat me ooit gebonden had en vluchten van de werkelijkheid. Zodra de zon op zou komen, zou ik niemand meer zijn en dat was precies wat ik wilde. Overal en nergens onbekend zijn.
Mijn voeten leidden me automatisch naar de brievenbus aan het einde van de straat waarin ik ooit gewoond had. Toen ik langs mijn oude woning liep, bleef ik naar mijn voeten staren, weigerde ik op te kijken. Het was mijn huis niet meer, dus in wezen verschilde het niet van alle andere huizen die ik passeerden. Maren had er ooit gewoond, maar zij bestond niet meer. Ze was verdwenen in een mist van liefde, tezamen met de persoon die alle liefde van de hele wereld verdiende. De persoon die ik op dat moment was, droeg geen naam. Maren was mij niet meer. Bill zou Bill niet meer zijn. Namen waren niet nodig in een wereld die zo oneindig was als de onze.
Zodra ik bij de brievenbus aangekomen was, pakte ik het pakketje met het dagboek uit mijn tas. Even stond ik nog te twijfelen of ik het zou posten of niet, want ondanks dat ik haar beloofd had dat ik het terug zou sturen wanneer het vol was, ik wist niet of ik haar wilde belasten met wat ik de afgelopen tijd had meegemaakt. Het was zo vreselijk zwaar allemaal, zo dramatisch en emotioneel. Mijn leven leek wel een film, af en toe, als je het zo achter elkaar doorlas uit een dagboek. Precies dat wat ik vroeger gewenst had.
Ik vroeg me af hoe Sa het zou vinden om te zien wat een rotzooi ik wederom van mijn leven gemaakt had, hoe vreselijk dom ze me zou vinden. Ik kon precies voor me zien wat voor gezichten ze zou trekken wanneer ze bepaalde passages door zou lezen en kon daaruit slechts één conclusie trekken: ze zou me niet veroordelen. Dat besef deed me de knoop doorhakken. Ik schoof het pakketje door de gleuf en voelde hoe er een last van me afviel toen ik het op de bodem hoorde bonzen. Plotseling was mijn keuze écht definitief. Ik zou er vandoor gaan en niets zou me meer tegenhouden. Het enige dat ik nog moest doen, was de bus naar Loitsche nemen en samen met Bill naar de andere kant van de wereld lopen. Ik had geen idee waar we uiteindelijk terecht zouden komen, maar dat deed er ook niet toe. Niets deed er meer iets toe.
Ik pakte mijn mobiele telefoon uit mijn broekzak en slingerde het apparaatje zonder er verder nog bij na te denken in de bosjes achter de brievenbus, zodat ik voor eeuwig onbereikbaar zou zijn. Plotseling moest ik denken aan Mirre, aan hoe zij voor mij onbereikbaar geweest was. Ik vroeg me af of Julia net zulke dromen over mij zou krijgen als ik over Mirre gehad had, of ze zich net zoveel zorgen over mij zou maken als ik over mijn nichtje gedaan had. Aan de ene kant hoopte ik van wel, aan de andere kant hoopte ik van niet. Zolang ze me maar niet zou vergeten.
Met een serene glimlach op mijn gezicht pakte ik mijn reistas op en begon ik aan de weg naar de bushalte. Plotseling voelde ik me vastberadener dan ooit, mijn blik gericht op de zon die langzaam opkwam, mijn nieuwe leven aankondigend. Ik zou verdwijnen om nooit meer terug te komen en hoe eng dat ook zou zijn, vreemd genoeg was het het enige logische dat ik kon doen. Ik had er ook vrede mee. Het behoorde zo te zijn. Wanneer Bill en ik zouden vertrekken, zou alles beter worden, zowel voor onszelf als voor de mensen die we achterlieten. Na alle dingen die we met zijn allen meegemaakt hadden, gunde ik het hen zo om eindelijk met rust gelaten te worden, zodat ze eindelijk konden beginnen met leven in plaats van te blijven rondzwemmen in een oceaan van wanhoop die ik voor hen gegraven had.
Er was licht aan het einde van de tunnel.