Vooraf
‘Niemand hier heeft iets door. Gaat alles volgens plan? xx’
Een stiekem gevoel verspreidde zich door mijn hele lichaam toen ik opkeek van mijn telefoon om te controleren of iemand had opgemerkt dat ik een sms’je ontvangen had. Daarna wiste ik het bericht. Julia was bezig in de keuken, met een afwezig gezicht dat weer net zo weinig kleur had als de dag dat ik terugkeerde in Duitsland. Een vaag schuldgevoel bekroop me toen ik me besefte dat ik de oorzaak geweest was van die verandering van haar, dat ik haar ongewild en indirect veranderd had in dat zombie-achtige mens dat ze geworden was. Ik vroeg me af of ze het zou overleven als ik opnieuw plotseling uit haar leven zou verdwijnen, maar dit keer met opzet en vol verstand. Ik wist dat het beter voor haar zou zijn wanneer ik zou verdwijnen, maar ik vroeg me af of ze zichzelf dat ook besefte.
Ik zuchtte bij het besef dat mijn leven drastisch veranderd was na die bewuste dag in 2005, toen ik een deal gesloten had met God. Geen enkel ander mens op de hele wereld zou zo gek zijn geweest een deal te sluiten met iets waarvan niemand zeker wist of het überhaupt wel bestond, laat staan dat er iemand een idee had van hoe machtig het was - niemand, behalve ik. Ik was op die bewuste avond letterlijk klem gezet door een jongen die ik niet kende, maar waarschijnlijk de meest afschuwelijke dingen had willen doen als ik niet op het nippertje ontsnapt was doordat ik gebeden had. Ik had God op mijn moeder gezworen dat als hij me zou laten ontkomen, ik voortaan een voorbeeldig christelijk leven zou leiden. Dat had ik echter nooit gedaan en dat was de grootste fout geweest die ik in mijn hele leven gemaakt had.
Direct toen ik ontsnapt was, had ik de deal vergeten en had ik gewoon verder geleefd, alsof er niets gebeurd was. Julia, Fleur en ik hadden net nieuwe vrienden gemaakt - vier jongens die later deel uit zouden maken van een razend populaire Duitse band - en dus wilde ik van het leven genieten. Ik had het gevoel gehad dat het zou kunnen dat ik hen nooit meer terug zou zien als ze door zouden breken en dus had ik geprobeerd iedere seconde tot het uiterste te leven. De jongens waren het enige waar ik me mee bezig had gehouden en zo was ik de deal vergeten.
Toen mijn moeder overleed, doordat ik op haar leven gezworen had het mijne te beteren als God me liet ontsnappen, moest ik bij mijn vader in Japan gaan wonen, aan de andere kant van de wereld. Behalve dat ik me verschrikkelijk voelde van verdriet en schuldgevoel vanwege mijn moeder, moest ik alles achterlaten: mijn vrienden, klasgenoten en vooral Bill, van wie ik achteraf gezien al gehouden had vanaf het moment dat ik hem voor het eerst in zijn ogen gekeken had. Toen we elkaar net ontmoet hadden, trokken we heel erg naar elkaar toe en werden we verliefd, maar om een reden die te ingewikkeld is om uit te leggen, liet ik hem zitten voor Georg. Van hem had ik ook gehouden, maar het was niets geweest vergeleken met wat voor een effect Bills aanblik alleen al op me gehad had. Daar kwam ik echter iets te laat achter, toen Georg al vreemd was gegaan en ik mijn verdriet reeds in mijn arm gekerfd had. Mijn liefde voor Georg had niets voorgesteld met hetgeen ik voor Bill voelde, wat verder ging dan wat dan ook. Het valt niet uit te leggen wat ik voor Bill voel omdat daar geen woorden en daden voor zijn. Ik had zoiets nog nooit voor iemand gevoeld.
Hoe ik uiteindelijk teruggekomen ben, is ook voor mij nog steeds een raadsel. Toen ik vertrok naar Japan, had Bill beloofd me te komen halen zodra hij de kans had, maar op een gegeven moment ging dat zo lang duren dat ik alle hoop al verloren had. Ik spaarde voor een reis naar huis, terug naar Duitsland, maar ik durfde niet terug uit angst dat alles veranderd zou zijn en dat ik er niet meer thuis zou horen. Achteraf gezien was die angst terecht geweest.
Ik klapte mijn telefoon dicht en stopte hem met een zucht weer in mijn broekzak. Vervolgens pakte ik mijn tijdschrift weer op. De letters waren plotseling getransformeerd in een brij van onidentificeerbare zwarte streepjes, tekens die ik niet begreep. Het leek me aan te vallen, op de één of andere vreemde manier en zodoende legde ik het tijdschrift in een waas van plotselinge paniek weer neer. Ik fixeerde me op Julia. Het was wonderbaarlijk hoe kleine gebeurtenissen een mens konden veranderen. Julia was vroeger, toen we nog op school gezeten hadden, een sterk persoon geweest, iemand waar Fleur en ik op hadden kunnen leunen maar nadat ik vertrokken was, was dat allemaal veranderd. Of nee - veranderen is eigenlijk niet het goede woord. De deal had mijn leven niet veranderd, maar compleet omgegooid. Dat kwam meer in de buurt.
Vol schuldgevoel stond ik op en liep naar de rommelige keuken, waar Julia nog altijd met een bleek gezicht voor ons stond te koken, onwetend dat het een soort van afscheidsdiner zou worden. Ik wilde hen graag vertellen dat ik zou vertrekken, zeggen dat dat me speet, maar dat kon niet. Waarschijnlijk zouden ze me dan smeken om te blijven, me proberen over te halen, niet wetend dat het voor iedereen beter was als ik zou gaan. Ik had altijd gedacht dat God me vergeven had op het moment dat Bill me vond in Japan, wat al een wonder op zich was en dus door Hem verzorgd moest zijn, maar dat bleek niet zo te zijn. Zodra ik teruggekomen was, had ik begrepen dat het zo niet werkte en dat er - ook toen ik aan de andere kant van de wereld vertoefde - dingen gebeurd waren met de mensen waarvan ik hield. Het was beter als ik vertrok en de banden verbrak met alles waarvan ik hield zodat ik het leven van mijn geliefden verder intact liet. Maar ik ging niet alleen.
Ik vroeg haar of ik haar kon helpen met het dekken van de tafel, wat ik voornamelijk deed uit schuldgevoel. Het liefst zou ik haar op dat moment vastgehouden hebben, want eigenlijk kon ik niet verkroppen dat ik weg zou gaan zonder echt afscheid van haar te nemen. Ik wist echter dat ik dan argwaan zou wekken en zodoende liet ik het. Ik liep gewoon langs haar heen en pakte twee borden uit het kastje boven de gootsteen. Er schoot een melancholisch gevoel door mijn maag toen ik me bedacht dat één bord voortaan zou voldoen. Ze zou doorleven alsof ik dood was, alsof ik nooit bestaan had. Waarschijnlijk.
Terwijl ik de tafel dekte, bedacht ik me hoeveel pijn ik mijn vrienden zou doen. Als Julia de volgende morgen wakker zou worden en zou ontdekken dat ik er niet meer was, zou ze zich waarschijnlijk verraden voelen. Dat besef deed me zeer. Ik was een vluchtelinge van het lot en hoewel ik wist dat ik het niet ontvluchten kon, nam ik toch het risico. Het liefst zou ik een brief schrijven waarin ik alles uitlegde, waarin ik mijn vrienden zou uitleggen waarom ik hen achterliet, maar dat kon simpelweg niet. Ik mocht geen sporen achterlaten, mocht uit niets laten merken dat ik ooit in Magdeburg gewoond had. Het zou moeilijk worden, maar ik wist dat het goed zou komen. Ze moesten me vergeten, net zoals Liam en Sakura dat ooit hadden moeten doen, toen ik uit Japan vertrok en terug naar huis ging. Ook toen was ik ervan overtuigd geweest dat het beter was op die manier en hoewel mijn terugkeer me enerzijds gelukkiger gemaakt had dan ooit, was het anderzijds voor de anderen misschien beter geweest als ik daar gebleven was. Dat gold ook voor Bill, maar hem wilde ik niet verliezen. Ik wist zeker dat God hem nooit iets aan zou doen, hoezeer ik ook zou zondigen.
Ik moest verdwijnen, hoe erg het ook was. Eerst zouden mijn vrienden me misschien haten, me verachten en zich verlaten voelen, maar ik had het idee dat ze het wel zouden begrijpen, ooit. Op een gegeven moment zouden ze me vergeten en dan zou mijn plan gelukt zijn: als ze mij vergaten, waren alle banden verbroken en zou God geen reden meer hebben om hen kapot te maken.
Het was beter zo.
‘Sta je op tijd klaar? 5 uur stipt. xx’
Ik keek de donkere woonkamer rond en zocht naar meer dingen die mij toebehoorden. Op de bank waarop ik sliep had ik mijn reistas neergezet en ik kroop het hele huis door op zoek naar spullen die ik mee moest nemen. Julia’s kamer vermeed ik echter. Ik was erop bedacht geweest dat ze vroeg zou gaan slapen omdat ze dat tegenwoordig weer vaker deed. Zodoende had ik ’s middags, toen ze uit school gekomen was, de spullen die van mij waren uit haar kamer gehaald en in mijn tas gestopt, welke ik vervolgens onder de bank verstopt had zodat zij hem niet zou vinden. In iedere hoek van de kamer vond ik kleding, schoenen, sierraden en andere rotzooi waarvan ik me bedacht hoe ik het in godsnaam mee moest krijgen. Mijn tas was vele malen te klein om er alles in gepropt te krijgen, maar ik kon niets achterlaten.
Mijn identiteitskaart en portemonnee vond ik naast de overvolle asbak op het tafeltje in de zithoek. Het deed me denken aan de avond daarvoor, de zaterdagavond waarop we voor het laatst met zijn negenen samen waren geweest: Fleur, Fabian, Julia, Tom, Nathalia, Gustav, Georg, Bill en ik. We hadden geprobeerd zo normaal mogelijk te doen, maar ik had aan Bills gezicht kunnen zien dat hij het er moeilijk mee gehad had. Toen ik met hem naar beneden gelopen was om hem uit te laten, had hij gehuild omdat hij het verschrikkelijk vond om zijn broer achter te laten. Hij had precies verwoord wat ik voelde bij het verlaten van mijn twee beste vriendinnen: dat het voelde alsof je in tweeën gerukt werd en onvolledig verder moest leven. Toen ik hem gevraagd had of hij het plan wilde doorzetten, had hij echter niet getwijfeld. Wij moesten door. Samen.
Op het dressoir stond, in een lijst die er ondanks dat ik hem op de markt gekocht had duur uit zag, een foto van mij en Bill, verbonden doordat we elkaars rechterhand vasthielden. Ik pakte hem op en bekeek de foto kort, liet mijn ogen over onze gelukkige gezichten dwalen. Ik had het gevoel dat het een hele oude foto was, uit een ander leven. In werkelijkheid was het nog maar een week geleden. Ik keek er zo gelukkig, net als Bill, net alsof er niets gebeurd was vroeger, alsof alles maar een boze droom geweest was. Ik draaide de lijst om en opende hem, zodat ik de foto eruit kon halen. Als ik de lijst thuis zou laten, kon er niets breken of beschadigen en bovendien zou hij alleen maar kostbare ruimte innemen.
Ik legde de foto tussen mijn kleding zodat hij niet zou kunnen kreuken en draaide afwezig aan de ring om mijn vinger terwijl ik de ruimte scande om te zien of ik iets over het hoofd zag. Op de bank waarop ik sliep lag - behalve mijn dekbed en de reistas - de jurk die ik droeg op de foto: gebroken wit, veel gaas en breekbaar tule, waarvan ik geen idee had hoe ik hem mee zou moeten nemen. Een kort moment herbeleefde ik het moment waarop we elkaar beloofd hadden voor eeuwig samen te blijven, iets waarvan ik zeker wist dat het ons zou lukken. Ik kon me niet voorstellen dat er nog meer was waar we ons doorheen zouden moeten slaan - niet na wat we samen al overleefd hadden.
Plots viel mijn oog op de gitaartas die naast de televisie stond. Een kort moment speelde ik met de gedachte hem te laten waar hij was, want het zou immers alleen maar extra ballast zijn. Bovendien was het de bedoeling dat ik opnieuw iemand anders zou worden, precies zoals ik gedaan had toen ik naar Japan ging. Ik was een kameleon en paste me aan aan iedere plek waar ik terecht kwam, paste me aan aan iedere situatie waarin ik belandde en ik moet zeggen dat het me op dat moment van pas kwam. Ik was een vluchtelinge en dan was het fijn als ik telkens iemand anders kon worden. Iets dergelijks als die gitaar zou me alleen maar aan vroeger herinneren en dat was juist niet wat ik nodig had. Het zou me in verwarring brengen.
Ik wendde mijn gezicht af en draaide me vliegensvlug om, waarbij ik met mijn voet tegen de tafel stootte en die wankelde. Een doodsangst jaagde door mijn lichaam bij het kabaal dat het teweeg bracht, bang dat Julia wakker zou worden hoewel ik wist dat dat bijna onmogelijk was. Haar slaapmiddelen waren daar te sterk voor. Toen ik mijn hartslag weer onder controle kreeg, zakte ik neer op de bank die nog niet vol lag met rommel en legde mijn hoofd tussen mijn handen. Ik had de neiging op te staan en naar Julia’s kamer te lopen, de deur te openen en gewoon naar haar te kijken om nog een laatste blik van haar op te vangen voordat we voor eeuwig uit elkaars leven zouden verdwijnen. Ik wilde haar nog vasthouden, voor de allerlaatste keer, maar ik wist dat ik dat niet moest doen. Op dat moment was ik sterk, wist ik wat ik wilde en ik wist dat ik dat teniet zou doen als ik nog één keer onder ogen zou krijgen wat ik achter moest laten. Ik moest er niet teveel over nadenken, besloot ik, want dat zou me alleen maar aan het twijfelen brengen terwijl ik donders goed wist wat ik wel en niet moest doen.
Plotseling voelde ik me heel neerslachtig en kreeg ik het verlangen gitaar te spelen om rustig te worden. Dat kon echter niet. Ook al sliep Julia vast, het zou stom zijn met het risico te spelen haar wakker te maken. Meteen voelde ik dat ik het gitaarspelen zou missen en dat maakte dat ik opstond en naar de televisie liep, mijn gitaar bij haar hals pakte en mee naar de bank sleepte. Ik legde haar op de grond, klaar om mee te grissen als ik zou vertrekken. Mijn jurk legde ik daar bovenop en nog één keer scande ik de kamer op spullen die van mij waren. Toen ik tot de conclusie kwam dat ik alles wel moest hebben, ritste ik mijn reistas dicht en zette die ook naast de bank, zodat ik ruimte kreeg om te gaan liggen, met al mijn kleren nog aan. Ik pakte mijn telefoon uit mijn broekzak, zette de wekker en legde hem daarna onder mijn kussen zodat ik de enige in het appartement zou zijn die het alarm zou horen. Daarna strekte ik mezelf uit, trok ik mijn dekens op tot aan mijn kin en bleef ik naar het plafond staren, de gedachten razend door mijn hoofd.
Ik had mijn vrienden zoveel pijn gedaan door het maken van die deal, toen ik naar Japan had moeten vertrekken. Julia en Tom hadden samen iets doorgemaakt dat hen beide nooit meer de oude had laten worden. Bill was een tijd lang opnieuw verslaafd geweest, wat Tom nog verder gesloopt had. Fleur was haar bezigheidstherapie kwijtgeraakt. Wanneer ik zou vertrekken, zouden ook Georg en Gustav kapot gaan. Zij verloren de band. Daar nog bovenop kwam het feit dat Georg mij verloor. Ik wist dat ik het niet kon maken om te vertrekken zonder iets te zeggen. Ik wilde het hen graag uitleggen, vertellen waarom ik vertrok. Ik wilde niet dat ze me zouden haten, maar het was onmogelijk het hen te vertellen. Alles zou in de soep lopen als ik een spoor achter zou laten, want met alles wat ik schreef zou ik kunnen verraden waar ik zat. Ik zag hun gezichten voor me, dat van Fleur en dat van Julia, dat van Georg, Gustav en Tom en op dat moment deed mijn hart zoveel zeer dat ik dacht dat het zou breken.
Toen de tranen achter mijn ogen begonnen te branden, sloeg ik de dekens weer van me af en sprong ik op, liep ik naar het raam en wrikte ik het open na de luxaflex geluidloos naar boven gehaald te hebben. De frisse lucht had niet het effect dat gitaarspel op me had, maar ik voelde hoe het mijn gedachten meenam en dat verlichtte me. Ik veegde de tranen uit mijn ooghoeken weg en sloot daarna mijn ogen om te luisteren naar de geluiden van Magdeburg bij nacht, naar het geluid van de wind en de auto’s die sporadisch voorbij zoefden. Spoedig zou ik zelf in zo’n auto zitten, op weg naar ergens waarvan we niet wisten waar het lag. We gingen naar het eind van de wereld, zo ver als we zouden kunnen komen, tot de tijd ons zou vergeten en alleen wij twee nog zouden weten wie we waren. Het was een bijna onmogelijke opgave, maar ik wist zeker dat het ons zou lukken. Ons was al zoveel gelukt.
Ik opende mijn ogen en liet mijn blik over de stad glijden, bekeek wat ik zou achterlaten en hoewel ik nog steeds angstig was, kreeg ik er opeens vrede mee. God zou me blijven achtervolgen, het lot zou me blijven achtervolgen en dan kon ik beter ver weg zijn, afgescheiden van alles waar ik van zou kunnen houden. Ik mocht van niemand meer houden, enkel van Bill, waarvan ik zeker wist dat hij buiten schot zou blijven. Als God Bill van me af zou nemen, dan zou ik hem achterna komen en dat wilde Hij niet. Daar was ik honderd procent zeker van.
‘Gaat alles volgens plan? We mogen geen tijd verliezen. xx’
Ik schakelde het alarm uit en stopte mijn telefoon in mijn broekzak nadat ik de tijd gecontroleerd had: het was drie uur. De deken op de bank drapeerde ik op zo’n manier dat het nauwelijks te zien was dat er niemand onder lag, wat me schuldig deed voelen omdat ik zo mijn beste vriendin om de tuin zou leiden. Ik was normaal gesproken altijd eerlijk en oprecht en zou onder normale omstandigheden nooit zoiets doen als dit - in het holst van de nacht wegsluipen en er vandoor gaan zonder iets te zeggen. Toen ik mijn sleutels van het dressoir griste, werd dat gevoel nog erger. Ik wist dat het beter was als ik zou vertrekken, maar ik kon het eigenlijk niet maken. Een kort moment stond ik nog te twijfelen, maar toen schudde ik al mijn gedachten van me af en besefte me dat het moest. In feite had ik het al veel eerder moeten doen.
Voordat ik mijn spullen oppakte, zag ik een klein boekje op de tafel liggen en besefte ik me dat het het dagboek was dat ik ooit voor Kerstmis van Sa gekregen had. Meteen kreeg ik een flashback naar lang geleden, het moment waarop ik in Japan afscheid genomen had van Sa en Liam en Sa me had laten beloven in het dagboek te schrijven om het haar daarna op te sturen. Ik had er altijd trouw in geschreven en gezien ik opnieuw zou vertrekken, was het nu de tijd om het op de post te doen. Snel pakte ik het op en propte het in het zijvakje van mijn reistas, want ik wist dat het in het grote vak niet meer zou passen.
Toen ik op tafel een pen zag liggen, streed ik opnieuw met het verlangen iets op te schrijven, al was het maar ‘sorry’ of ‘het spijt me’. Ik wist mijn gevoel echter aan de kant te schuiven en probeerde vervolgens geluidloos mijn bagage op te pakken en naar de deur te lopen, gebukt onder het gewicht van al mijn bagage. Toen ik de sleutel al in het slot gestoken had en dat met een klikje opengesprongen was, pakte ik mijn jas van de kapstok en liep de deur door. Het was maar een kleine stap, maar ik wist dat ik met die halve meter een ander leven begonnen was.
Na de deur dicht gedraaid te hebben, liep ik naar de lift, die al met open deur op de vierde verdieping hing, alsof hij verwacht had dat er iemand zou komen. In die paar meters tussen de deur van Julia’s appartement en de lift, voelde ik hoe ik een soort van onzichtbare grens overschreed, een grens die mij voor altijd zou afscheiden van het verleden en direct wist ik zeker dat ik nooit meer terug zou keren. Dat was onmogelijk. Zodra ik de deur uit gestapt was, hoorde ik daar niet meer.
Beladen met al mijn tassen propte ik mezelf in de krappe ruimte en drukte op het knopje van de begane grond. Voordat de deuren sloten, bijna geluidloos, wierp ik met een rotgevoel in mijn maag een laatste blik op kamer 483, de kamer waarin ik zoveel gedacht had in de afgelopen maanden. Daarna begon de lift te dalen en maakte het trieste gevoel plaats voor misselijkheid. Een aantal seconden voelde ik me onrustig, want ik hield niet van liften, maar toen de deuren na een aantal luttele seconden weer open gleden, was het alweer over. Ik stapte snel de vaag verlichte hal door, waarbij mijn voetstappen echoden, richting de deur.
Toen ik de koele lucht op mijn gezicht voelde en de donkere hemel boven me zag, voelde ik me opeens heel vrij, hoewel ik dat liever niet wilde zijn. Ik was al veel te lang vrij geweest, zowel in Japan als in Duitsland, en ik had meer dan ooit de behoefte vastgehouden te worden. Ik voelde het verlangen te rennen en dat deed ik dus ook, voor zover mijn bagage dat toeliet. Het geluid van mijn schoenen weerklonk dof en hard door de donkere straat en het leek alsof mijn schaduw - die zich telkens aftekende op de muur naast me als ik een lantaarnpaal passeerde - met me mee rende. Het deerde me niet dat de onderkant van mijn dure jurk over de grond sleepte en dat het gevaarlijk was om geluid te maken in een buitenwijk van een grote stad, midden in de nacht. Mijn vlucht was alles dat ertoe deed op dat moment.
Ik kon dat moment zo goed linken met een moment uit het verleden dat ik zelfs de emoties ervan terugvoelde: de paniek die opzwol in mijn borst, de adrenaline in mijn ledematen en de tranen die achter mijn ogen prikten. Ik dacht aan dat moment in het steegje, zo’n drie jaar geleden, toen ik in mijn eentje de stad in gegaan was terwijl de rest van de groep in het café bleef. Dat was net na mijn eerste zoen met Bill geweest en ik had ruimte nodig gehad om wat na te denken over mijn gevoelens voor hem. Ik was gaan rennen toen ik gemerkt had dat ik gevolgd werd, maar uiteindelijk had hij me te pakken kunnen krijgen. Het was op dat moment dat ik hetgeen gedaan had dat mijn leven op zijn kop gezet had: gezworen dat als ik er levend vanaf zou komen, ik mijn leven zou wijden aan God. En ondanks dat, ondanks het feit dat mijn hele leven was omgegooid door een moment dat vergelijkbaar was met wat ik in het heden aan het doen was, was ik niet bang op dat moment. Ik had het gevoel dat het zo ver achter me lag, dat zulke dingen me niet meer konden overkomen heden ten dagen, dat ik immuun was voor God.
Ik rende, steeds sneller doordat ik gewend raakte aan de ballast die ik meedroeg, totdat ik het busstation in het oog kreeg. Ik had geen idee hoe lang ik gerend had, maar te oordelen naar mijn brandende longen en prikkende milt was het niet kort geweest. De tranen stroomden over mijn gezicht, wat kwam door de mix van verborgen paniek en adrenaline in mijn hoofd. Zodra ik tot stilstand kwam, voelde ik hoezeer mijn hart bonkte en ik liet mezelf op een bankje in een hokje zakken. Ik zette al mijn tassen naast me neer, zodat er niemand naast me kon komen zitten, en ik wachtte tot ik mijn hartslag weer onder controle had. Toen pas stond ik op om te kijken hoe laat de volgende bus zou komen en kwam tot de conclusie dat ik nog tien minuten moest wachten.
Ik liet me weer op het bankje zakken en pakte mijn telefoon om te berichten dat ik eerst nog naar Wolmirstedt zou gaan om mijn moeder op te zoeken. Toen in beeld verscheen dat ik het bericht met succes verzonden had, dwaalden mijn gedachten af naar het meisje dat op dat moment rustig in bed lag te slapen, zich niet bewust van het feit dat ik verdwenen zou zijn als ze wakker werd. Misschien had ze op dat moment wel een nachtmerrie, zoals ze dat het laatste jaar zo vaak gehad had, maar was ik er nu niet om haar daarna kalmerende woorden toe te fluisteren. Misschien zou ze me al direct missen zodra ze wakker werd. Fleur kon ik min of meer alleen laten - die had ten slotte Gustav nog als beste vriend, min of meer, en Fabian voor al die andere dingen - maar Julia had niemand meer. Ja, Julia had Tom, maar dat was al zo vaak verkeerd gelopen dat ze daar beter niet meer aan kon beginnen. Ze moest hem vergeten, net zoals ze mij moest vergeten.
Ik begroef mijn gezicht in mijn handen toen ik me besefte dat Julia het niet zou redden zonder mij. Fleur was er, natuurlijk, maar Fleur had het zo druk met haar eigen problemen dat ik niet zeker was of ze er wel voor Julia zou kunnen zijn. Vroeger zou Fleur alles opzij gezet hebben om haar te kunnen helpen, maar haar obsessie voor zekerheid was zo gegroeid dat ik me besefte dat Julia niet meer op haar kon rekenen. Ik had gedacht dat ík eenzaam was, maar ik zou wegrennen met iemand anders.. Op dat moment realiseerde ik me pas dat Julia de enige was die er echt alleen voor stond.
Ik kon niet weggaan. Er was iemand die me nodig had en voor haar moest ik er zijn. Julia had in al die jaren dat ik haar kende al zoveel voor me gedaan, meer dan ik ooit voor haar terug kon doen, en wie was ik dan om haar zomaar te laten zitten? Ik vond het niet leuk om gehaat te worden, maar ik zou het haar niet kwalijk kunnen nemen - waarschijnlijk zou ik haar evengoed haten als ik in dezelfde situatie zat als zij en zíj ging er vandoor. Het was iets verschrikkelijks dat ik deed, het ging totaal in tegen alles wat ik ooit als ‘goed’ beschouwd had. Ik was een slecht mens.
Op het moment dat ik mijn telefoon uit mijn broekzak wilde pakken om te laten weten dat ik niet mee zou gaan, werd ik verblind door een paar felle koplampen. Pas toen het voertuig voor mijn neus stopte, besefte ik me dat het de bus was en onmiddellijk voelde ik me weer onrustig worden. Het was tijd om een beslissing te nemen, om te kiezen tussen blijven of vertrekken, ook al had ik in mijn hoofd die beslissing al lang genomen. De deur van de bus gleed sissend open en ik sloeg de hengsels van mijn reistas over mijn schouder, pakte mijn jurk en gitaartas op. Afwisselend keek ik naar de bus en naar de weg waarvan ik wist dat die naar huis leidde, naar een warm bed en vriendschap. Na dat korte moment van twijfel, zette ik mijn ene voet in de bus en hees mezelf naar binnen.
Het was beter zo.
‘Het is bijna tijd. Ga je het redden? xx’
Door het donker liep ik over de begraafplaats van Wolmirstedt, de zolen van mijn schoenen knerpend op het pad dat onder mijn voeten lag. Hoewel ik er nog nooit geweest was, behalve de dag van de begrafenis zelf, wist ik precies waar ik zijn moest. Mijn voeten vonden de juiste weg voor me, wisten iedere kuil in het pad te ontlopen. Normaal gesproken zou ik doodsbang geweest zijn, in het donker op een kerkhof, maar ik had het gevoel dat ik niets meer te verliezen had. Bovendien zou ik mijn moeder op gaan zoeken en ik wist dat ik voor haar niet bang hoefde te zijn.
Het was alsof ik zelf de dood tegemoet ging - zo voelde het in ieder geval. Het was net alsof er aan het eind van het pad iemand zou staan te wachten die een graf voor me gegraven had en me zou dwingen erin te gaan liggen, waarna hij mijn geest mee zou nemen naar de hemel of de hel. Ik had geen idee waar ik terecht zou komen, maar ik hoopte het eerste omdat ik zeker wist dat mijn moeder daar ook zou zijn. Ik miste haar zo ontzettend, wilde dat ze me vast zou houden en dat ze me zou vergeven dat ik haar indirect vermoord had zodat ik verder kon gaan met een schone lei. Vreemd genoeg voelde ik compleet geen angst bij dat idee.
Toen ik eenmaal op de juiste plaats was, voelde ik opnieuw tranen prikken achter mijn ogen. In mijn herinnering was het graf een zwart en donker gat geweest, maar nu lag er een mooie witte grafsteen waar enkel haar naam op stond, plus haar geboorte- en sterftejaar. Het was simpel, maar ik vond het prachtig en het deed me deugd dat Albert, haar toenmalige vriend, iets uitgekozen had dat ze zeker weten mooi gevonden zou hebben.
Het speet me zo dat ze daar lag door mijn schuld, dat het allemaal door mij gekomen was. Als ik nooit die deal gesloten had, dan zou ik op dat moment in bed gelegen hebben, thuis, in Wolmirstedt, wachtend tot mijn moeder me wakker zou komen maken. Mijn leven zou er dan zo anders uitgezien hebben, zo standaard en simpel, maar dat was waar ik naar verlangde. Toen ik nog jong was, had ik altijd gehoopt dat mijn leven bijzonder zou zijn, zoals dat van de mensen op televisie, dat ik echt iets mee zou maken in de jaren die ik op aarde zou spenderen en dat ik alles behalve saai zou zijn. Dat was veranderd toen mijn ouders scheidden, wat nogal wat ellende met zich meegebracht had, en door de jaren heen was dat nog meer afgenomen. God deed niet veel voor me, maar het gebed om een extra-ordinair leven had hij in ieder geval verhoord en toen ik zo voor het graf van mijn moeder stond, wenste dat ik nooit voor zo'n leven gebeden had. Het was allemaal uit de hand gelopen, alle ellende, veel te waar om mooi te zijn.
Ik liet mijn tas vallen, legde mijn gitaar neer en spreidde mijn jurk uit op het vochtige gras voor het graf, zodat mijn broek niet nat zou worden. Een hele tijd zat ik daar, enkel denkend aan het verleden en de tijd die voor me lag, de tijd die ik door zou brengen met de liefde van mijn leven. Alles was mijn schuld, alle ellende die ik mijn vrienden aangedaan had, en dat moest ik ontvluchten. Ik moest zo ver weg gaan dat ik geen mensen meer kon hebben van wie ik kon houden zodat ik geen slachtoffers meer kon maken. Niemand behalve wij twee.
Ik voelde dat er een kleine traan over mijn wang liep en veegde hem weg met mijn vingertoppen. Ik ritste het zijvakje van de reistas die naast me op de grond lag open en pakte het dagboek eruit. Even liet ik het in mijn handen liggen, zodat ik het gewicht goed kon voelen. Het leek zwaarder te zijn geworden door de maanden heen, zwaarder door alle emoties en gevoelens die ik erin gestopt had en ik wist zeker dat Sa die emoties ook zou kunnen voelen.
Met een glimlach veegde ik wat zand van het graf en legde daarbij het dagboek naast me neer. Ik besefte heel goed dat ik naar de toekomst moest kijken en het verleden moest laten voor wat het was, maar soms was het verleden zo overweldigend aanwezig dat ik het niet kón negeren. Op dat moment, toen ik voor het graf van mijn moeder zat, móést ik er gewoon over nadenken. Zodra ik in de trein naar waar dan ook zou stappen, zou ik mijn verleden wissen en doorleven onder een andere naam. Voordat ik dat deed, wilde ik het echter eerst nog kalm doorlopen en het laten bezinken. Ik wilde nog één maal bedenken wat ik had kunnen doen om de toekomst anders te laten zijn, hoewel ik wist dat ik er niets meer aan kon veranderen. Het gebeurde zou toch wel gebeurd zijn. Dat was hoe God werkte.
Met een trieste glimlach op mijn gezicht draaide ik aan de ring om mijn vinger. Ik pakte het dagboek weer op en ging met mijn vingertoppen zachtjes over de kaft, alsof ik op die manier een soort van uitstralende energie zou kunnen voelen. Ik dacht terug aan Japan, aan Sakura en Liam die ik ontmoet had toen ik naar Tokyo vertrokken was om geld te sparen voor een reis terug naar Duitsland. Zodra ik achttien geweest was, had ik het huis van mijn vader gelaten voor wat het was en hij had me niet eens tegen gehouden - niet dat hij dat gekund had, maar het gaat om het feit dát. Ik had niets voor hem betekend en ook al had ik dat altijd al geweten, het had op de één of andere manier toch zeer gedaan. Sa en Liam hadden me zo verschrikkelijk lief opgevangen en zo goed voor me gezorgd dat ik het een wonder vond dat ze me nog hadden willen laten gaan toen ik naar Duitsland vertrok, dat ze me niet gedwongen hadden eerst iets voor hén te doen.
Ik kreeg een glimlach op mijn gezicht toen ik aan Sa dacht, omdat ze altijd zo energiek geweest was en plots anders was geworden toen Bill me kwam ophalen om naar het vliegveld te vertrekken. Ze had zo hard gehuild dat ik bijna zou zijn gebleven, maar mijn liefde voor Bill was sterker dan die voor Sakura en ik was vertrokken, had hen achter gelaten. Ik had de hele tijd in Duitsland geprobeerd hen te vergeten, maar dat was me nooit gelukt. Ik miste hen.
Ik opende het boekje en bladerde door de beschreven bladzijden. Op sommige bladzijden had ik klein en netjes geschreven, maar op anderen waren mijn letters groot en slordig en af en toe was de inkt verlopen omdat ik gehuild had. Aan mijn verschillende handschriften was goed te zien hoe ik me gevoeld had op het moment van schrijven en ik wist zeker dat Sa dat door zou hebben. Mijn gevoelens waren zo verschillend en afwisselend geweest sinds ik weer terug was en dat had me min of meer opgebroken. In Japan was ik constant leeg en neerslachtig, wat misschien niet prettig was geweest, maar telkens heen en weer schommelen tussen intens gelukkig en intens verdrietig was uitermate vermoeiend.
De eerste datum die in het boekje genoteerd stond, bovenaan de eerste bladzijde, was die van een dag laat in januari. Dat was de dag waarop ik in het vliegtuig naar Duitsland gezeten had, samen met de vier jongens. De laatste was die van gisteren, toen ik besloten had het leven in Magdeburg te laten voor wat het was. De tijd die er tussen zat, was niet veel meer dan die van een jaar, maar het leken er voor mijn gevoel wel tien. Er was zo verschrikkelijk veel gebeurd. Mijn leven leek echt op een soap, besefte ik me, en een slechte ook. Het bevatte teveel drama, een slechte verhaallijn en een plot wat zelfs ik zou kunnen schrijven. Ik haatte mijn leven. Ik haatte mezelf dat ik ooit om zo’n leven gesmeekt had en ik haatte God dat hij die wens in vervulling had laten gaan. Een almachtig iemand als hij zou moeten weten dat een kind van acht wiens ouders net gescheiden zijn, niet emotioneel stabiel is en dat zij niet weet hoe ze haar leven later zou willen hebben. Iemand als God, zo goed en genadig, zou die wens nooit vervuld hebben, daar was ik zeker van.
Plotseling vroeg ik me af of ik niet al die tijd met de duivel te maken had gehad in plaats van met God. God was goed en vergevingsgezind en diegene waarmee ik de deal me gesloten had, was dat totaal niet. Misschien had ik altijd maar enkel gedácht dat ik met God te maken had omdat dat de persoon geweest was die ik aangeroepen had, maar misschien had slechts de duivel geluisterd en had ik mijn ziel aan hem verkocht. Ik kon er met mijn hoofd niet bij dat God zoveel levens zou kunnen verwoesten in één keer. Mijn moeder had altijd gezegd dat hij juist de goedheid zelve was en het beeld dat ik van hem kreeg, was dat totaal niet. Misschien bestond alleen de duivel, of misschien had God alleen tijd voor de mensen die hem nederig aanbaden. Misschien had God het wel te druk met andere dingen en had hij besloten de aarde te laten voor wat hij was of misschien kreeg ieder wezen slechts één wens die hij zou vervullen. Dan was ik te laat geweest met mijn gebeden. Of te vroeg, het was maar hoe je het bekeek.
Ik bladerde terug naar de eerste bladzijde van het dagboek en las de woorden die ik in een ver verleden geschreven had. In mijn hoofd leefde de gedachte dat ik zo graag weer normaal wilde zijn, zoals vroeger. Voordat alles me overkomen was.