Grijze Nachten


Voor Anita (23.03.1993 – 08.03.2006)

“Denk je nog wel eens aan haar?”
We hadden daar al uren gelegen voordat hij me die vraag gesteld had, in het bed van Gordon en mama. Onbewust had ik het plekje opnieuw opgezocht, omdat het ongeluk die dag precies een maand geleden gebeurd was. Na urenlang staren in de duisternis was mijn broer me gezelschap komen houden en ondanks dat hij zich overduidelijk geen raad wist met de situatie (hij plukte aan de dekens en kuchte iedere minuut wel een keer), bleef hij bij me. Ik lag enkel doodstil en hij wist daarmee precies hoe ik me voelde – wat waarschijnlijk ook de reden was dat hij bij me bleef.
Het was druilerig weer, precies zoals op 8 maart, een maand geleden. De regen tikte zachtjes tegen het raam en de wind sloeg als in een golfbeweging over ons huis heen, wat het dak deed kraken en de gordijnen achter de openstaande ramen deed wapperen. Het was net alsof haar geest bij me was en alsof ze me wilde laten weten dat ik er niet alleen voor stond. In plaats van dat dat me gerust stelde, werd ik er echter alleen maar bang van. Ik was blij dat mijn broer bij me was, ondanks dat we minstens een meter uit elkaar lagen. Hij stelde me gerust, enkel door er te zijn.
Zodra hij de vraag gesteld had, was ik gestopt met ademhalen. Ik had geen idee waarom ik dat deed, het was immers helemaal niet zo vreemd dat hij het vroeg, maar het was nogal hard aangekomen. Het deed zeer om aan haar te denken (daarom deed ik het ook niet teveel) en ik wist dat het nog meer pijn zou doen om over haar te praten – om haar naam uit te spreken zoals ik dat al zo vaak met zoveel liefde gedaan had. Als in een flits zag ik haar lachende gezichtje voor me, die glimmende pretoogjes, het blonde haar dat wapperde in de wind als we naast elkaar naar huis fietsten, de sproetjes om haar neus, haar zachte en fragiele stem. Het beeld van wie ze ooit geweest was stond me opeens zo helder voor de geest dat ik ervan geschrokken was en dat ik op slag vergat hoe ik adem moest halen. Ik verloor me even in een herinnering aan haar die nog zo levendig was dat mijn hart ervan brak. Ze was zo mooi geweest, zo lief en vooral vol levenslust. Als er iemand was die het verdiende te leven, was zij het wel.

De zon scheen en dat herinnerde me eraan dat het weer voorjaar werd. Vanaf de fiets kon ik zien hoe er al knoppen aan de bomen zaten, wachtend tot de zon warm genoeg zou zijn en de bloesem haar blaadjes durfde te ontvouwen. Zij fietste naast me, haar gezicht glanzend als haar goudblonde haar. Het was niet te beschrijven wat de zon met haar deed, hoeveel mooier ze was wanneer het zonnig was. Ik voelde me geweldig wanneer ik zo naast haar fietste, zelf ook vol van zonlicht en met vlinders in mijn buik, dolgelukkig. Ze was ook zo lief, zo mooi, zo vol van geluk dat het leek alsof de wereld veel malen mooier leek wanneer ze enkel glimlachte.
Toen we bij mijn huis aangekomen waren en we afscheid moesten nemen, vroeg ze me met een stem die zo zoet klonk dat ik ervan ging zweven of ik de volgende dag weer met haar mee zou fietsen. Ik glimlachte bij het voelen van die onmiskenbare kriebels in mijn buik en bij het besef dat ik dolverliefd op haar was, tot over mijn oren.
Tot mijn spijt moest ik zeggen dat ik niet kon. Ik vond het geweldig om iedere middag met haar mee naar huis te fietsen, ik keek er zelfs de hele dag naar uit, zag het als een lichtpuntje in al het grauwe van mijn dag. Alles in mijn leven was saai, grijs, standaard, normaal, maar zij had daar verandering in gebracht door me te hebben willen leren kennen. Ze was zo bijzonder – ik wilde niets liever dan bij haar zijn, maar mijn broer had me gedwongen weer te komen oefenen met de band. Zodoende moest ik aan de andere kant van de stad zijn – om met de bus naar Magdeburg te gaan – en dus kon ik niet bij haar zijn.
Ze glimlachte lieflijk en verlichtte daarmee mijn dag.
“Het geeft niet,” antwoordde ze. “Overmorgen dan.”
Ik knikte met een gelukkig gevoel dat zich tintelend door mijn hele lichaam verspreidde. Ik had zo graag willen zingen op dat moment, gewoon om haar te laten weten wat ik voor haar voelde, als een soort van ode of serenade. Mijn verliefdheid was zo gigantisch geweest dat ik het soms griezelig vond, maar die angst evenaarde mijn gelukzaligheid bij lange na niet. Ze was precies zoals ik me had voorgesteld hoe mijn grote liefde zou zijn.
Ze boog zich geheel onverwacht een stukje naar voren en ze drukte haar lippen in de volle onschuld op mijn wang, waardoor ik mezelf verloor in een intens gevoel van liefde. Ik had niet eens geweten dat er zo’n heerlijk gevoel bestond, dat er gevoelens waren die zo gigantisch waren dat het leek alsof je een luchtballon was. Het bloed stroomde naar mijn gezicht omdat ik plots verlegen werd, totaal overdonderd door het gevoel dat die simpele kus bij me had losgemaakt: ik had opeens het gevoel dat ik de hele wereld aankon.
Ze had me nog nooit gekust. Het was net alsof ze geweten had dat er voor haar geen overmorgen meer zou komen.
“Ik vind je lief” zei ze blozend. “Voor altijd.”


Een wanhopige poging lucht te happen, resulteerde in een snik die zo griezelig breekbaar klonk dat ik ervan schrok. Plotseling brak ik open en stroomden de tranen over mijn wangen. Ik had niet eerder om haar gehuild, net zomin als ik aan haar gedacht had. De verdoving die ik gevoeld had toen mijn moeder me van het ongeluk verteld had, toen ze begraven werd en in de slopende periode die op mijn verlies gevolgd had, had ervoor gezorgd dat ik het niet had gekund. Opeens lukte het me echter en ondanks dat ik geen idee had waar het vandaan kwam, voelde het merkwaardig bevrijdend. Ik voelde toen pas hoezeer ik haar miste, hoe weinig er van me overbleef zonder haar. Ze was een lichtpuntje in mijn leven geweest, als een ster aan de hemel en nu die opeens verduisterd was, was er niets moois meer in mijn leven.
Mijn broer overbrugde de resterende afstand tussen ons en nam me in zijn armen, liet me mijn gezicht in zijn shirt begraven en fluisterde zachte en kalmerende woordjes. Ik had het gevoel dat ik niet meer kon stoppen, alsof er een dijk doorgebroken was, maar ik gaf er niet meer om. Het voelde verlichtend om te huilen, alsof ik daarmee een stukje van mijn verdriet kwijtraakte. Een maand lang had ik mezelf geïsoleerd van alles dat me had kunnen breken, maar toen ik eenmaal gebroken was, voelde ik hoe fijn het was. Mijn broer was er voor me, hij was bereid me te steunen en deed dat op een fantastische manier. Hij was er gewoon. Dat voldeed.
En plotseling viel alles op zijn plek, al mijn opgekropte verdriet. Het drong tot me door dat ze er niet meer was en dat ze nooit meer terug zou komen. Ik was haar kwijt. Ik was haar verloren en er was geen manier waarop ik haar terug zou kunnen krijgen, hoe graag ik dat ook zou willen. Ik miste haar, meer dan dat ik iemand ooit gemist had. Ze liet een leegte in me achter die zo groot was dat ik niets meer kon voelen. Ik wist zeker dat zij de ware geweest was en ik hield van haar, ook al was ik nog maar twaalf jaar oud.

Vanaf die dag begon ik aan haar te denken. Ze mocht niet vergeten worden en zolang ze in mijn hoofd voortleefde, zou ze dat ook niet. Ik dacht constant aan haar, aan haar lach, haar haren, de vrolijke sproetjes om haar neus. Vaak hoorde je dat herinneringen vervaagden naarmate de tijd verstreek, dat er uiteindelijk slechts een schaduw overbleef van wat de persoon in kwestie ooit geweest was, maar zij vervaagde niet. Ik kon haar nog precies voor me zien, als op mijn netvlies gebrand, en kon me nog precies de klanken herinneren van de laatste woorden die ze ooit tegen me gesproken had.
Vaak ging ik terug naar de plaats waar het gebeurd was, in het donker, als de rest van het dorp sliep en ik kon huilen zonder gezien te worden. Als ik daar dan zo zat, in het oranje licht van de straatlantaarns die de pikzwarte leegte om me heen grijs kleurde, dan besefte ik me pas hoe vergankelijk het leven was. Zij had één seconde niet opgelet, de vrachtwagenchauffeur had één seconde zijn gedachten ergens anders gehad en zodoende was het voor haar gedaan geweest. Ik was niet kwaad op de chauffeur, nooit geweest ook, omdat het maar door mijn hoofd bleef malen dat het eigenlijk mijn fout was. Normaal gesproken, als we samen naar huis fietsten, dan reed ik aan de buitenkant omdat ik de enige man in ons gezelschap was en ik het gevoel had dat de man aan de buitenkant behoorde te rijden, voor de veiligheid van de vrouw. Op acht maart had ik echter gerepeteerd met de band en dat maakte dat ik er niet geweest was om haar te beschermen tegen het gevaar. Ík was het geweest die dood zou moeten zijn, niet zij. Het ging zelfs zo ver dat ik mijn broer er op een gegeven moment stilzwijgend van ging beschuldigen dat hij me gedwongen had met hem mee naar Magdeburg te gaan, maar ik wist dat dat oneerlijk was. Niemand had geweten dat ze zou sterven, niemand had het kunnen voorkomen, behalve zijzelf en de man die haar aangereden had.
Naarmate de jaren verstreken, besefte ik me dat ik echt van haar gehouden had. Iedere avond, als ik ten minste thuis was, zei ik mam en mijn broer dat ik nog een rondje door het dorp zou gaan lopen, om dan vier uur later pas weer terug te keren. De bezorgde blikken die ze me toewierpen, spraken boekdelen: ze maakten zich zorgen om me, maar dat was helemaal niet nodig. Er was niets mis met me. Ik vond het gewoon fijn om aan haar te denken, om gewoon op het gras naast de weg te gaan zitten en me voor te stellen hoe ze eruit gezien zou hebben als ze nog zou leven. Die vraag drong zich steeds vaker aan me op naarmate ik zelf ook begon te veranderen, zowel lichamelijk als geestelijk. Waarschijnlijk zou ze nóg mooier geworden zijn dan ze al geweest was, met net zulke sprankelende ogen en met lange, blonde haren die glansden in de zon. We zouden samen opgegroeid zijn, zouden elkaar iedere dag weer gezien hebben en op een gegeven moment zou ik het aangedurfd hebben haar te zoenen, waarna we verliefd zouden zijn geworden en onafscheidelijk zouden blijken te zijn.
Een klein stemmetje in mijn hoofd fluisterde me soms toe dat het niet eerlijk was tegenover mezelf om te blijven houden van een meisje dat een hersenspinsel geworden was, maar er was nog een ander stemmetje dat me telkens in bleef fluisteren dat ze me lief vond, voor altijd, en dat was waar ik naar luisterde. Soms voelde ik dat ze bij me was. Dan zat ik bij het kruispunt, in het donker, leunend tegen de paal van de stoplichten die ze daar pas hadden neergezet na het ongeluk en dan voelde ik een zachte hand over mijn gezicht strijken. Ik sloot mijn ogen dan en probeerde voor me te zien hoe ze voor me zat, hoe een hemelse glimlach haar mond sierde. Het verlangen haar vast te houden werd dan zo groot dat ik mijn arm uitstrekte naar daar waar ik dacht dat ze zich moest bevinden, maar mijn hand viel telkens door haar heen. Ze was niet wezenlijk bij me, maar ze was er wel. In mijn gedachten. En daar zou ze nooit meer weggaan. Soms praatte ik tegen haar. Dan zei ik dat het me speet dat ik er niet geweest was die dag, dat het me speet dat ze zo vroeg had moeten sterven doordat ik de klap niet voor haar had kunnen opvangen en zij zei dan altijd dat het niet gaf, met een warme stem die me deed huilen. Soms huilde ik zo hard om haar dat ik er zeker van was dat ze het in het dorp konden horen en zij hield me dan vast, met zachte armen die me afschermden van de rest van de wereld en ze wiegde me dan zachtjes, troostende woordjes fluisterend. Als ze dat deed, voelde ik me tegelijkertijd geweldig en verdrietig, want ze was er niet meer terwijl ik nog wel verliefd op haar was. Ik hield van haar en ik zou altijd van haar blijven houden, dat wist ik zeker. Zij was de ware voor mij. Ik werd ouder, mijn liefde werd ouder, maar er veranderde niets aan mijn gevoelens voor haar. Ik bleef aan haar denken, iedere dag, of ik nou thuis was of tourde met de band. Ze was altijd in mijn gedachten te vinden en ik zong ieder nummer op de bühne voor haar, precies zoals ik dat de laatste keer dat ik haar gezien had had willen doen. Ik droeg haar altijd met me mee, in mijn hart en in mijn gedachten en dat zou ik blijven doen tot aan het einde van mijn dagen, tot ik uiteindelijk weer bij haar zou zijn.

“Denk je nog wel eens aan haar?”
Ik glimlachte toen hij het vroeg, omdat ik daarbij moest denken aan de laatste keer dat hij het me gevraagd had, toen het nog maar een maand geleden gebeurd was en hij me had moeten vasthouden om me te laten stoppen met huilen. Ik had vaak aan dat moment gedacht omdat het me zoveel had duidelijk gemaakt over mijn liefde voor haar. Alle momenten die ik in de grijze nachten in het oranje licht van de lantaarnpalen had doorgebracht, waren voortgekomen uit het feit dat hij me had doen beseffen dat ik niet zonder haar kon.
Het was bijna donker in de tourbus, afgezien van het straaltje licht dat de volle maan door de voorruit wierp. Het was wederom een grijze nacht. Mijn broer lag naast me in het veel te krappe bed. Het was niet zo dat dat vaker gebeurde – eigenlijk lagen we nooit meer samen in één bed, en dat maakte dat ik min of meer verwacht had dat hij me die vraag zou stellen. Het was die dag vijf jaar geleden sinds het ongeluk en zodoende had ik me vroeger dan normaal teruggetrokken in bed, gewoon om even aan haar te denken. Hij had me echter niet lang alleen gelaten en was me gezelschap komen houden, precies zoals die ene keer.
Nadat hij me de vraag gesteld had, draaide hij direct zijn hoofd om om te zien of ik net zo zou reageren als de vorige keer. Dat deed ik echter niet. Ik glimlachte enkel sereen bij de gedachte aan het blonde meisje met haar lelieblanke huid en de sproetjes die haar neus sierden. Een zucht ontsnapte aan mijn lippen. Ja, ik dacht aan haar, maar ik had geen idee of ik hem dat ook moest zeggen. Ze was altijd in mijn gedachten, altijd in mijn hart en ik was er nog altijd heilig van overtuigd dat ze de liefde van mijn leven was, ook al waren we al vijf jaar verder in de tijd. Ik kon hem zeggen dat ik soms zelfs tegen haar praatte, maar waarschijnlijk zou hij dan enkel denken dat ik gestoord was en hulp nodig had omdat ik haar dood klaarblijkelijk nog steeds geen plek gegeven had. Ik zou hem kunnen zeggen dat ik iedere avond, als we tenminste thuis waren, terugkeerde naar de plek des onheils en dat ik daar huilde totdat ze me zou komen troosten, wat ze ook daadwerkelijk deed. Het was allemaal waar, maar ik wilde het hem niet zeggen omdat ik wist dat hij me direct zou veroordelen en dat hij zou denken dat ik niet helemaal goed in mijn hoofd was. Ik zou het hem niet kwalijk nemen ook – waarschijnlijk zou ik precies het zelfde denken als hij opeens een verhaal op zou hangen over geesten en het feit dat hij nog steeds verliefd was op een meisje dat hij nooit meer terug zou kunnen krijgen.
“Ja,” antwoordde ik simpelweg, waarna ik mijn hoofd ook draaide en hem in zijn bruine ogen staarde. Het was de waarheid, niets meer en niets minder. Hij zou nooit te weten komen dat ik haar nog altijd sprak, dat ze me vasthield als ik daar behoefte aan had en dat ze zou wachten met naar de hemel gaan totdat ik daar ook klaar voor was. Als we gingen, dan zouden we samen gaan.
Mijn broer trok zijn mondhoeken op tot een glimlach en pakte mijn hand om onze vingers te verstrengelen. Hij voelde wel dat er meer aan de hand was dan enkel die ‘ja’, maar hij zou er nooit naar vragen omdat hij wist dat ik het wel zou vertellen als ik daar klaar voor was. Hij was er, en dat voldeed.

“Ik vind je lief” zei ze blozend. “Voor altijd.”