Ik was nooit echt bang geweest
Ik was nooit echt bang geweest. Ik bedoel – natuurlijk was het rot dat er mensen waren die het hele internet volzetten met dingen die tégen ons waren, dat er af en toe hele pagina’s vol stonden met plannen om ons te vermoorden en meer van dat soort zooi, maar uiteindelijk zie je dat toch altijd als een soort van grote grap, weet je wel? Ik heb het nooit echt serieus genomen, want ik kon me gewoon niet voorstellen dat er mensen zo ver zouden gaan in hun haat voor ons.
Het viel me pas op hoe ver mensen gingen toen er op een open air concert van ons een aantal mensen opgepakt werden die hun tassen vol hadden zitten met golfballen die waarschijnlijk bedoeld waren om ons mee te bekogelen. Ik deed er eerst een beetje lacherig over, zei dat het weer eens iets anders was dan tomaten en eieren, maar ik zag er pas de ernst van in toen Gustav vertelde dat golfballen dodelijk konden zijn als ze je maar hard genoeg raakten. Opeens besefte ik me hoe dicht bij anti-fans konden komen, hoe dicht bij ze al gewéést waren en hoe makkelijk de dingen eigenlijk fout konden gaan.
Ik probeerde me er gewoon overheen te zetten, maar ik merkte toch dat ik minder gemakkelijk over straat liep, zeker in steden als Londen, Parijs en Berlijn. Opeens zag ik in iedere voorbijganger een potentiële anti-fan die wel eens een wapen bij zich kon dragen en steeds vaker bleef ik thuis als de rest de stad in ging. Zelfs met bodyguards om me heen voelde ik me niet echt veilig, want er was zo veel dat fout kon gaan en ik bleef gewoon binnen, ook al verklaarden mijn bandvrienden me voor gek.
Heel vaak piekerde ik mezelf in slaap, met mijn handen onder mijn hoofd gevouwen, starend naar het plafond. Ik merkte zelfs aan mezelf dat ik liever met mijn broer op één kamer sliep dan dat ik alleen was en ik had het gevoel dat ik echt paranoia werd. Alleen zijn vond ik verschrikkelijk en ik besefte me dat ik echt bang was, bang voor wat mensen ons aan konden doen, bang voor de haat die mensen jegens mij voelden terwijl ze me niet eens kenden.
De rest van de band deed er nog steeds heel lacherig over, lachten om de anti-fanpages op het internet, maar mij was het lachen vergaan. Ik leefde ontzettend veel in angst die dagen en kwam bijna niet meer buiten omdat ik bang was voor wat er zou kunnen gebeuren als ik ook maar één seconde te lang in het openbaar rond zou lopen. In het begin van mijn angst had ik me nog wel veilig kunnen voelen op het podium omdat ik me bedacht dat de security heel goed controleerde, maar vanaf die keer dat Georg geraakt werd door een ei en we furieus (ik deed maar alsof; het enige dat ik voelde, was angst) het podium verlieten, voelde ik me zelfs daar niet meer veilig.
Ik kon de andere jongens soms wel slaan omdat ze zo naïef waren, omdat ze niet inzagen wat voor een gevaar we liepen en ik voelde me af en toe moedeloos omdat ik de anderen niet scheen te kunnen bereiken met mijn woorden. Heel vaak bedacht ik me hoe het zou zijn als hen iets zou overkomen en hoe zeer ik ook probeerde daar niet aan te denken, toch drong het beeld zich telkens weer aan me op om mijn gedachten te teisteren en daar werd ik heel onrustig van. Zij zagen de ernst van de situatie niet in, maar ik zag het des te meer en op een dag bleek ik nog gelijk te hebben ook.
Het was op een zomer avond, opnieuw een open air concert, waarop ik banger was dan ik ooit geweest was. Ik denk dat ik het aanvoelde, aanvoelde dat er iets gebeuren ging en dat ik wist dat ik er niets aan kon doen, maar had geen idee wat en dus bleef ik doorspelen. Mijn gitaar was vals en ik miste veel noten, maar voor de fans maakte dat niet uit. Ze vonden ons toch wel goed.
Op een gegeven moment hoorde ik, boven de keiharde muziek uit, het korte geluid van een knal en vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn broertje in elkaar zakken. Meteen kneep een angst die ik nog nooit eerder gevoeld had mijn keel dicht en ik stopte direct met spelen, waardoor de stilte opeens galmde in mijn oren. Het gegil van de fans ging aan me voorbij, bereikte mijn oren niet, want ik had het te druk met mijn broer, die ineengedoken op de grond lag. Met mijn gitaar nog om mijn nek knielde ik bij hem neer en ik draaide hem op zijn rug, waardoor ik zag dat hij zijn handen tegen een plaats iets boven zijn middenrif gedrukt had en met zijn ogen dichtgeknepen zwaar ademde.
Wat er in het publiek gebeurde, ging totaal aan me voorbij. Ik merkte niet dat alle beveiligingsmensen op één bepaald iemand gesprongen waren en dat Gustav en Georg ook het podium op wilden lopen voordat ze tegengehouden werden door onze manager en een paar mensen wiens gezicht ik niet herkende. Ik tilde Bills handen op en schrok van de donkerrode vlek die zich al op zijn witte shirt verspreid had. Bill kneep meteen zijn ogen weer dicht en draaide kermend op zijn zij terwijl hij zijn handen opnieuw tegen de – ik besefte het me nu pas – schotwond drukte.
“Bel een ambulance!” schreeuwde ik naar niemand in het bijzonder, terwijl ik naar mijn wederhelft bleef staren alsof ik water zag branden, met een gigantische hoeveelheid angst die door mijn aderen stroomde. Ik voelde me verlamd, alsof ik een baby was en opnieuw moest leren bewegen en spreken. Diep van binnen hoopte ik dat het niet zo ernstig was, maar ik was niet gek en zag natuurlijk wel hoe erg het was, ook al was ik geen dokter of erkend chirurg. Ik veegde wat zwart haar uit Bills gezicht, die nog steeds zacht kermde van de pijn en ik herhaalde mijn uitroep nog een paar keer, nu roepend naar Georg, die aan zijn pols vastgehouden werd door de manager. Hij reikte meteen naar zijn broekzak en ik wendde mijn ogen pas weer op mijn broer toen hij zijn telefoon gepakt had, een nummer ingetoetst had en het ding tegen zijn oor gelegd had.
Ik tilde zijn hoofd een stukje op en hield hem in mijn armen alsof ik zijn moeder was. Hij had nog steeds zijn handen om zijn middenrif geklemd, zwarte tranen druppend op zijn witte t-shirt en hij haalde piepend adem. Met een schok besefte ik dat hij in zijn long geraakt was en meteen drukte ik zijn gezicht in mijn shirt, naast de band van mijn gitaar, die nog steeds om mijn nek hing.
“Blijf bij me,” fluisterde ik in zijn oor, maar ik wist niet of hij het kon horen. Ik voelde hoe zijn trillende hand een weg zocht naar boven, hoe hij zich halverwege aan mijn shirt vastgreep en ik wierp een blik op zijn gezicht, dat ik bijna niet meer herkende. Zijn wangen waren zwart van de uitgelopen make-up en hij trilde onophoudelijk, zijn oogleden stijf gesloten terwijl hij zo af en toe nog kermde van de pijn die het deed. Zijn borst met de donkerrode vlek ging gauw op en neer en aan het geluid dat hij maakte, merkte ik dat hij geen lucht meer kreeg. Hij ademde kort en snel, niet erg diep en ik voelde hoe de tranen achter mijn ogen een weg naar buiten zochten toen hij zich wanhopig aan me vastklampte, alsof hij wist dat hij zou sterven.
Ik bad om een ambulance, smeekte dat hij gauw zou komen en dat ze mijn broer zouden redden, maar diep van binnen wist ik dat het een verloren zaak was. De wereld om me heen negerend, hield ik Bill stevig vast en ik zag hoe mijn tranen op zijn gezicht drupten, zich vermengden met die van hem en ik schrok toen hij op een gegeven moment zijn ogen wijd open sperde, alsof hij zag hoe de engel die hem zou komen halen naderde terwijl hij niet wilde gaan. Ik wilde hem bij me houden, want ik hield van hem en ik zou die klote-engel hem niet van me af laten nemen. Ik zou hem stevig vasthouden en hem rammen als hij Bill uit mijn armen wilde trekken.
Ik huilde zo hard dat al mijn angst verdween en er een grote leegte achterbleef. Ik greep Bill bij zijn schouder en dwong hem te blijven leven, riep in zijn oor dat hij me niet alleen mocht laten, maar ik voelde hem wegglijden. Toen hij zijn laatste adem uitblies, versmolt de gepijnigde uitdrukking op zijn gezicht tot een glad masker dat ik even met mijn vingertoppen aanraakte, me niet beseffend dat ik hem kwijt was.
Overmand door woede en verdriet sprong ik op, rende naar de rand van het podium, mijn gitaar nog steeds bungelend om mijn nek. Ik speurde met mijn door-tranen-vertroebelde ogen het publiek af naar de klootzak die me dit had aangedaan, die mijn broer afgemaakt had en ik negeerde de paniek van de fans, die niets was vergeleken met wat ik voelde. Uiteindelijk vonden mijn ogen een klein plekje aan de rand van het publiek, waar ik een stuk of acht brede en lange mannen in een cirkel zag staan, waarschijnlijk de dader omringend.
“Schiet dan!” schreeuwde ik in tranen, maar ik wist dat het onhoorbaar was omdat mijn stem niet versterkt werd door een microfoon. “Schiet dan, verdomme!”
Ik spreidde mijn armen en legde mijn hoofd kort in mijn nek alsof ik een schietschijf was, hem proberend uit te dagen ook mij neer te schieten en me ook op te laten halen door dezelfde engel die Bill zojuist van me had afgenomen, maar ik wist dat het geen zin had. Opeens merkte ik dat mijn gitaar nog om mijn nek hing en vanuit het verdriet en de woede die ik in me had, greep ik het ding bij de hals en smeet het op de grond kapot, in net zoveel stukken als mijn hart zojuist gebroken was en ik genoot van het geluid dat door de versterkers het publiek in galmde. Het gaf mijn woede het best weer, maakte precies dat geluid dat ik zo graag wilde maken op dat moment, maar het niet kon omdat de angst mijn keel dichtkneep en mijn stembanden verlamde.
Ik voelde hoe een hand zich om mijn pols sloot en toen ik opkeek, keek ik recht in Gustavs ogen. Ook zijn wangen waren nat en ik liet me door hem omhelzen terwijl ik mijn ogen op het lichaam van mijn broer richtte. Hij lag er zo vredig bij, op de één of andere manier en ik maakte me los van Gustav toen ik zag hoe een paar mensen die niets met mij en mijn broer te maken hadden, bij hem knielden en voelden of hij nog polsslag had. Opnieuw voelde ik de tranen in mijn ogen opwellen en ik wilde zo graag naar hem toe, zo graag bij hem zijn, maar hij was zo ver weg van mij, nu. Ik zou hem pas over jaren weer terugzien, misschien wel nooit meer, want hij had zo’n goed leven geleid en ik leidde er één die me waarschijnlijk niet naar de hemel zou brengen, hoewel ik er vanaf dat moment alles voor over zou hebben gehad om weer met een schone lei te beginne, zodat ik weer heel gauw bij hem zou kunnen zijn.
Ik liet mezelf op de grond zakken, mijn benen voor me uit, en ik liet mijn schouders hangen terwijl ik mijn ogen sloot en nog een paar tranen liet rollen. Ik had het gevoel dat ik zojuist in tweeën was gespleten en in het hiernamaals weer op zoek moest gaan naar mijn wederhelft, zoals ze zeiden dat mensen op aarde dat ook moesten doen. Dat had Bill me ooit verteld, dat wij elkaar al zo vroeg gevonden hadden, in tegenstelling tot de meeste andere mensen.
Toen ik me achterover liet vallen en mijn armen en benen spreidde alsof ik de mens van Vitruvius was, hoorde ik de sirenes in de verte zingen, veel te laat om mijn broer nog te kunnen redden. Veel te laat om mij nog te kunnen redden. Het was allemaal voorbij.