Deel 1


Lief dagboek,

Ik geloof dat Nathalia, nu ze de zangeres van de band is, echt het gevoel heeft dat ze onze baas is en dat ze ons kan commanderen zoveel ze wil. Oké, ik geef toe dat het nog niet zo super gaat, zeker niet als je je beseft dat het optreden al over drie dagen is, maar dat is niet de schuld van de muzikanten. Het zou wat makkelijker gaan als Nathalia gewoon haar teksten zou leren zodat we wat meer konden afwijken van de originele dingen en gewoon konden improviseren. Dáár scoren we punten mee, niet met zo’n strak en saai nummer dat politiek correct uitgevoerd is. Ik wil muziek maken.



Een brul galmde door de garage. Ik wilde haar eigenlijk negeren, Nathalia, gewoon stug doorspelen en doen alsof ik haar niet gehoord had. Toen het geluid van de drums echter wegstierf, stopte ik ook maar. Ik schonk drumster Julia een blik waaruit ze zelf maar moest opmaken dat ik er totaal níét blij mee was dat ze stopte: het was namelijk niet de eerste keer dat Nathalia de boel ophield.
“Maren!” viel ze tegen me uit. “Echt - als je nog één keer improviseert, dan - verdomme! Als je dat zaterdag ook doet, dan gaat het finaal mis, man! We kennen dit nummer nog niet goed genoeg om er dingen bij te gaan denken, dan raak ik helemaal in de war van je!”
Ze maakte wilde armbewegingen en schudde zo hard met haar hoofd dat haar dunne blonde haar om haar ronde gezicht heen zwiepte.
“Ligt dat dan aan jou of aan mij?” vroeg ik haar geïrriteerd. “Ik ken het nummer goed genoeg om erbij te improviseren, dat zie je.”
Ik wist dat ik het eigenlijk niet had moeten zeggen, maar het was de waarheid. Ik had echt geen zin om de godganse tijd naar Nathalia’s pijpen te dansen en me af te laten zeiken door iemand die de schuld maar op mij af schoof. Ze oefende nooit en kende haar teksten nooit op tijd uit haar hoofd. Als zij het dan niet meer wist, moest de hele band stoppen met spelen. Ze vertraagde de boel ontzettend door haar luiheid en ze was niet eens een echte vriendin van me.
“Maren heeft wel gelijk, Nathalia,” voegde basgitariste Fleur er op vriendelijke toon aan toe. “Ik bedoel: als je de teksten op tijd zou kennen en zo, dan kunnen we ook improviseren en dan hebben we de tijd om er eens een keer iets goeds van te maken…”
Ik had een binnenpretje toen ik zag dat Nathalia even niets wist om te zeggen, perplex stond, en toen een woeste uitdrukking op haar gezicht kreeg. Ik stond echt ontzettend mijn best te doen om mijn lachen in te houden toen ik haar zag stampvoeten en legde mijn hand half over mijn mond zodat het misschien iets minder zou opvallen. Verspilde moeite.
“Nou, mij best!” riep ze, kokend van woede. “Ik kap ermee! Jullie zoeken het maar uit!”
Ze gooide de microfoon op de grond, liep naar de deur, trok hem open en liet hem met een klap weer dichtvallen. Ik dacht diep van binnen dat ze misschien nog wel terug zou komen omdat ze haar functie als zangeres echt niet aan zich voorbij liet gaan (ze had er immers zo lang om gezeurd) maar dat deed ze niet. Door het raam in de deur zag ik dat ze op haar fiets stapte en nog steeds woest de tuin uit reed.
Zodra ze uit het zicht verdwenen was, barstte ik in lachen uit, maar ik stopte daar weer mee toen ik de gezichten van mijn vriendinnen zag.
“Niet boos worden!” riep ik verdedigend uit, en ik stak mijn handen op. “Jullie kunnen onmógelijk ontkennen dat ik gelijk had! Ze belemmert ons in onze – onze… dínges!”
“Vooruitgang,” vulde Fleur me aan terwijl ik in kleermakerszit op de grond ging zitten en mijn gitaar naast me legde.
“Precies,” antwoordde ik. “We gaan te langzaam.”
Fleur kwam naast me zitten, legde haar bas naast zich neer, maar Julia bleef gewoon achter haar drumstel zitten, de stokjes in haar hand ronddraaiend alsof ze bij de majorette zat. Vroeger had Julia bij de majorette gezeten, van haar vijfde tot haar zevende ongeveer, en Fleur en ik hielden ervan om haar daarmee te jennen. Later was Julia zo iemand geworden die van majorettetutjes walgde en ze had alle foto’s van de kleine, roodharige Julia al verbrand om het uit haar herinnering te bannen. Fleur en ik waren het echter nooit vergeten.
“Nu zitten we wel zonder zangeres…” merkte Fleur snugger op. Haar ogen waren op haar rode allstar-gympen gericht, waarmee ze probeerde een takje weg te schieten. Julia bleef stil.
“Niet,” zei ik op een manier dat ze allebei naar me keken. “Jullie weten toch nog wel hoe we ooit begonnen zijn, voordat – voordat – zíj zich ermee begon te bemoeien? Toen ging het sowieso veel sneller en beter!”
Ze keken beide op, ik had de duimen van mijn beide handen op mezelf gericht.
“Ja, maar ik vind het er professioneler uit zien als we een aparte zangeres hebben,” zei Julia. “Ik bedoel – jij zingt beter dan Nathalia, maar het ziet er toch professioneler uit als er niemand is die twee dingen tegelijk doet…”
Ik haalde mijn schouders op.
“Nou en. Het gaat nu om de kortetermijnoplossing want het is al over drie nachten… Kom op, iedereen is in Magdeburg als het open podium is! Jullie willen toch bekend worden? Beroemd? Nou, dat gebeurt niet als we altijd maar in deze garage blijven zitten. We moeten naar buiten, van ons laten horen, en dit is onze kans!”
Ze leken nog niet echt overtuigd, hoewel ik toch vond dat mijn argumenten best wel goed waren. Jammer genoeg was ik nooit echt een geboren debat-mens geweest, anders dan Julia, die kon overtuigen als geen ander.
“Julia,” zei ik tenslotte, in een laatste poging haar over te halen. “Tom treedt op.”
Ze keek op en ik zag hoe ze probeerde om niet te lachen, maar uiteindelijk sierde een brede grijns haar gezicht. Ik zag hoe ze opleefde onder die gedachte, de voor haar heerlijke gedachte dat ze Tom weer eens zou zien spelen. Ik voelde dat ze opeens aan mijn kant stond. Dat was een goed argument geweest.
Julia was al heel lang geïnteresseerd in Tom, maar ze had hem nog nooit gesproken. We hadden hem en zijn broer ooit zien optreden in hetzelfde zaaltje als waar zaterdag het open podium zou zijn en Julia had de hele avond lopen zeuren dat ze hem zo’n leuke jongen vond. Vanaf toen waren we eigenlijk naar alle optredens van de jongens geweest, op aandringen van Julia. Ik vond het ook niet erg, want ze waren goed. Er gingen roddels dat de jongens een platencontract aangeboden hadden gekregen, maar ik wist niet of ik die moest geloven.
“Ah, Fleur,” zei Julia nu. “Het moet inderdaad doorgaan. Schijt aan Nathalia, back to the roots. Maren kent haar teksten tenminste de repetitie nadat we ze geschreven hebben. Geen slecht plan, toch?” Fleur hief haar hoofd op en glimlachte flauwtjes. Ik keek haar aan met grote puppy-ogen, hopend dat ze zou instemmen. Zonder Nathalia konden we wel, maar Fleur moesten we er sowieso bij hebben. We waren een team, al jaren lang.
“Jullie hebben gelijk,” zei ze. “Ik ben ook – nou ja. Misschien lopen er wel mensen rond die ons verder kunnen brengen dan het niveau waar we nu op zitten.”
Ik glimlachte sereen en zei dat ik het met haar eens was toen ik opstond en mijn broek afklopte. Ik wist wel dat ik op hen kon rekenen. We kenden elkaar al vanaf de kleuterschool en waren altijd beste vriendinnen geweest, dus ik wist inmiddels wel waarmee ik ze over kon halen. Voor Julia had ik altijd een goed argument nodig, maar Fleur was zo’n persoon die makkelijk te overtuigen was zodra ik Julia aan mijn kant had.
Julia was een rebel en dat was aan haar te zien ook. Ze was lang en lijzig, had donkerrood haar dat krulde en ondanks dat ze schattige sproetjes op haar neus had, slaagde ze er vaak in om een heerlijk arrogant gezicht op te zetten als iets haar niet zinde. Het was vaak heerlijk om een vriendin van haar te zijn omdat ze altijd voor me opkwam als er iets onrechtvaardigs gebeurde. Soms was ze echter ook genadeloos. Veel mensen zouden haar beschrijven als iemand die nooit haar zwakke kant liet zien, en eigenlijk was dat ook zo. Ik kon me niet herinneren dat ik haar ooit had zien huilen.
Fleur daarentegen was weer een heel ander persoon. Eigenlijk was het best apart dat de twee vriendinnen waren, maar aan de andere kant ook wel logisch omdat Julia Fleur kon beschermen en Fleur iemand was die altijd stabiel was, zodat Julia op haar kon steunen als ze weer eens iets impulsiefs gedaan had. Fleur was er altijd.
Fleur was net zo onschuldig als ze eruit zag: een klein dopneusje, blauwe ogen en donkerblond haar dat stijl en lang was. Ze was klein, maar nog altijd groter dan ik, en ze had zo’n lief klein buikje waar ik graag in prikte om haar te irriteren. Ze had soms van die buien waarin ze riep dat ze dik was, maar dat was de grootste leugen die ik tot dan toe gehoord had.
En dan had je mij, de kleinste van het stel. Duitse moeder, Japanse vader die er vandoor was gegaan met een collega toen ik negen was en volledig christelijk opgevoed hoewel ik veel teveel vloekte. Ik denk dat de meeste mensen me zouden beschrijven als een soort handlanger van Julia, want ik kon lang niet zo arrogant kijken als zij en had altijd iets minder snel mijn antwoord klaar. Ik hield ervan om naar Julia te luisteren als ze iemand diste, mijn lachende ogen verbergend onder mijn altijd te lange pony.
Ik keek op mijn horloge en zag dat het tijd was om naar huis te gaan, voordat mijn moeder me op zou bellen dat ik als de wiedeweerga naar huis moest komen, zoals ze dat vaak deed. Ik was nog maar vijf minuten te laat.

Zaterdagochtend brak aan. Toen ik mijn ogen open deed en mijn deelnemerspas op mijn prikbord zag hangen, drong het tot me door dat ik die dag moest optreden. Kreunend rolde ik naar de andere kant van mijn bed zodat ik er niet meer aan hoefde te denken, maar eenmaal in mijn gedachten kwam het er niet meer uit. Ik schopte de dekens van me af en keek op mijn wekker. Het was nog maar zeven uur, veel te vroeg om op een zaterdag uit bed te gaan. Mijn moeder zou me vermoorden als ik om zeven uur zou gaan ontbijten, douchen of gitaar spelen.
Ik besloot de teksten nog maar een keer door te nemen. Ik kende ze al van buiten maar als ik plots mijn teksten zou vergeten, dan konden ze in ieder geval niet zeggen dat ik ze niet goed geleerd had. Toen ik alle drie de nummers had doorgekeken, was het nog maar half acht. Ik kon beter nog eens met mijn gitaar oefenen, maar dat zou mijn moeder me niet in dank afnemen. Ik liet me dus nog maar eens achterover vallen en besloot een spelletje te gaan spelen op mijn telefoon. Toen ik hem open klapte, zag ik dat ik een sms’je had, van Julia, verzonden om 06:04. Met verbazing over Julia’s vroegheid opende ik het bericht.
Aargh, Maren! Ik kan niet meer slapen en ben zó zenuwachtig! Hij zit de hele tijd in mijn gedachten!
Ik glimlachte. Typisch Julia. Normaal gesproken sliep ze tot, laten we zeggen, één uur ’s middags uit, maar als ze zenuwachtig was om wat voor reden dan ook, borg je dan maar. Als Julia zenuwachtig werd, dan was ze altijd heel erg hyperactief bezig, gillend en druk en dan sprak ze met wilde armgebaren die niet te volgen waren.
Hou je nou maar niet met Tom bezig,’ stuurde ik terug. ‘Eerst moet het optreden goed gaan, daarna ben je vrij om te doen wat je wilt!
Ze zou vast begrijpen wat ik met dat laatste bedoelde, met haar oversekste gedachtegang.
Toen ik het verstuurd had, zag ik op het klokje dat het nog geen vijf over half acht was. Ik slaakte een diepe zucht en besloot mijn nagels maar te gaan lakken, wat natuurlijk een kliederboel werd omdat je nou eenmaal je nagels niet zittend op bed hóórt te lakken. Ik haalde de boel er weer af met nagellakremover en begon, zittend aan mijn bureau, weer opnieuw. Daar viel mijn blik weer op het kaartje. Ik probeerde het te ontwijken, maar mijn ogen werden er gewoon steeds naar toegetrokken. Ik vroeg me af of ik – als ik ’s morgens vroeg al zenuwachtig was – het mogelijk zou zijn om ’s avonds nog een noot uit mijn keel zou kunnen krijgen. Ik had het gevoel dat mijn gehele toekomst van die avond af zou hangen, alsof er iets zou gebeuren dat mijn toekomst zou gaan bepalen. Achteraf gezien had ik gelijk, maar op dat moment zelf dacht ik meer aan iets als een platencontract of iets in die richting. Iets dat me beroemd zou maken, ook al was het de eerste keer dat we zouden optreden in ons hele leven.
Ik dacht nog eens na over Nathalia en waarom ik haar in godsnaam in de band had toegelaten terwijl ik haar niet eens goed kende. Het antwoord wist ik binnen een seconde: ik was zo iemand die nooit ‘nee’ kon zeggen als iemand iets vroeg. Nathalia had al een poosje laten doorschemeren dat ze het zo leuk zou vinden om in een bandje te zingen en ik had me telkens als ze daarover begon opgevreten van binnen, als de dood dat ze zou vragen of we in Autumn Leaves niet nog een plaatsje voor haar over hadden. Na vijf keer vroeg ze het uiteindelijk en hoewel mijn hersenen het woord ‘nee’ naar mijn lippen gedragen hadden en ik wanhopig gezocht had naar een uitweg, had ik toch ‘ja’ gezegd. Gelukkig was ze uit zichzelf weg gegaan.
Ik blies over mijn nagels in de hoop dat de nagellak dan iets sneller zou drogen. Ik kon totaal niet stil zitten wachten, daar had ik geen geduld voor. Ik moest altijd meteen weer iets anders gaan doen, waardoor er deukjes en krassen in mijn nagellak kwamen en ik ze weer opnieuw kon lakken. En zo ging dat door. Ik was gezegend met een ontiegelijke ongeduldigheid, iets wat ik en anderen met mij ontzettend vervelend vonden, maar ik kon er niets aan doen. Ik denk dat dat iets was dat ik van mijn moeder meegekregen had.
Ik stond op en liep door mijn slaapkamer, zwiepend met mijn armen. Mijn kamer was klein en ik was me daarvan bewust. Daarom was het altijd netjes opgeruimd en had ik zo weinig mogelijk aan mijn muren hangen - anders leek het helemaal een kippenhok. Het enige aan de muur was mijn prikbord met ansichtkaarten, het enige op de vloer was het zwarte vloerkleed dat op de kale planken lag. Ik hield van zwart-wit, omdat het zo rustgevend maar toch stijlvol was. Mijn zwartsatijnen beddengoed was mijn favoriete object.
Ik stopte met het zwiepen van mijn armen toen ik de hanglamp raakte. Ik schrok me rot van het geluid dat dat maakte en dacht daarbij niet aan het feit dat ik mijn nagels wel weer opnieuw kon gaan lakken. Daar dacht ik pas aan toen ik een spoortje zwarte nagellak op de witte lampenkap zag.

Ik was de hele dag gespannen. Ik probeerde nog wat liedjes akoestisch te oefenen (mijn elektrische gitaar stond in Fleurs garage) maar daar werd ik niet meer ontspannen door. Ik wist dat ik het kon en de liedjes die ik oefende gingen stuk voor stuk goed, maar ik was als de dood dat ik dicht zou klappen als ik op een podium voor een écht publiek stond. Ik probeerde niet aan de naderende avond te denken, maar wat moest ik anders?
Ik kon ook echt niet eten. Het ontbijt had ik overgeslagen en bij de lunch konden zelfs versgebakken broodjes me niet hongerig maken. Het gaf me zelfs een vrij misselijk gevoel. Al bij het denken aan eten gingen de zenuwkriebels door mijn maag racen en dat remde mijn eetlust met een rotgang van driehonderd kilometer per uur. Uiteindelijk hield ik het maar bij een halve geprakte banaan, wat me het gevoel gaf dat ik een baby was.
Nadat ik na de lunch rusteloos televisie had zitten kijken, besloot ik Fleur op te bellen om te vragen of ik niet wat eerder naar haar toe kon komen. Ik deelde mijn zenuwachtigheid liever met iemand anders dan dat ik mezelf maar zat op te vreten in mijn eentje. Ik toetste haar nummer in en hoorde hoe de telefoon slechts één keer overging voordat ze opnam.
“Met Fleur?” klonk het gehaast.
Even was ik overdonderd door haar snelheid. Normaal zag ik de tijd tussen het indrukken van het nummer en het opnemen als een soort van generale repetitie waarin ik me bedacht wat ik ging zeggen en dat had ik nog niet gedaan.
“Eh – hoi! Met Maren!” zei ik. “Is het goed als ik-”
“Ja!” riep ze uit. “Kom alsjeblieft hier heen. Met een grote tas vol kleding. Ik ben echt zó verschrik-kelijk zenuwachtig!”
“Zelfde hier,” beaamde ik. “Ik pak de spullen even in en dan zie ik je over een half uurtje, goed?” “Alles is goed, als je maar komt. Tot straks!”
“Tot zo!”
Ik hing op en liep naar boven, waar ik een grote tas pakte om al mijn leuke kleding in te proppen. We hielden ervan om elkaars kleding aan te trekken, Fleur, Julia en ik, en hielden eindeloze verkleedpartijen voor bijvoorbeeld feesten en als we uitgingen. We hadden afgesproken dat we dat die dag ook zouden doen en dus moest mijn halve kledingkast mee naar de andere kant van Wolmirstedt (want dat was waar ik woonde), plus mijn toilettas, schoon ondergoed en andere rotzooi omdat ik daar ook nog bleef slapen.
Vandaar dat ik er toen ik de deur uitging uitzag alsof ik een week op vakantie zou gaan. Ik had een tas bij waarvan de rits nog bijna niet meer dicht kon omdat hij zo uitpuilde en mijn moeder stond me uit te lachen toen ik hem probeerde achterop mijn fiets te binden maar mijn snelbinders er niet overheen getrokken kreeg. Uiteindelijk maakten we de boel vast met elastiek-achtige dingen, wenste ze me succes en drukte een kus op mijn wang.
Ik had tegenwind, maar voor die ene keer zat ik daar niet mee. Het zorgde ervoor dat ik hard moest trappen en ik me zorgen kon maken of mijn haar en make-up nog wel goed zaten, zodat ik mijn gedachten dus ergens anders had dan daar waar ze de hele dag al waren. De wind blies de gedachte aan het optreden van die avond weg, op de een of andere manier. Het was jammer dat ik er weer aan herinnerd werd toen ik Fleurs huis in het oog kreeg.
Ik parkeerde mijn fiets scheef tegen het huis aan waardoor hij vrijwel onmiddellijk omviel door het gewicht van de tas achterop. Ik hees het geval overeind en haalde de zware tas van mijn bagagedrager, wat nog moeilijker was dan het erop binden ervan.
Ik trok de achterdeur van het witte huis open zodra het me dan toch eindelijk gelukt was en werd meteen bestormd door Fleurs hond, die ze Bob genoemd had.
“Bob!” hoorde ik Fleurs moeder vanuit de keuken roepen. “Bob, kom hier!”
Bob luisterde niet en liet zich gewillig door me aaien nadat ik de tas op de grond had gezet. Ik hoorde de voetstappen van Fleurs moeder vanuit de keuken naar de hal komen, gehaast. Ik keek op en zag haar met een nat bord in haar handen.
“Oh, Maren, jij bent het,” zei ze. “Ik moet er niet aan denken dat Bob ooit een keer een onbekende aanvalt… Kom verder! Fleur zit boven, op haar kamer.”
Ik groette haar vrolijk en liep door naar de trap nadat ik mijn schoenen had uitgetrokken. Ik liep de trap op en nam de deur aan de linkerkant van de gang, waar ik Fleur aan op bed aantrof, met haar ogen dicht en de muziek keihard aan. Ze opende haar ogen pas toen ik op de uit-knop van het apparaat drukte en een stilte de kamer vulde. Mijn oren gonsden.
“Hé! Ik hoorde je niet binnenkomen!” riep Fleur uit terwijl ze overeind schoot, op een hysterisch toontje. “Ik ben zo zenuwachtig hè! We kunnen niet eens iets winnen of zo, maar ik ben zó zénuwachtig!”
Door Fleurs gedrag werd ik nog kriebeliger. Ze laadde juist een deel van haar zenuwen over op mij, terwijl ik juist naar haar toegekomen was om mijn zenuwachtigheid op haar af te reageren. Haar hyperheid zweepte me op en zorgde ervoor dat ik visioenen kreeg van alles wat er die avond fout zou kunnen gaan: stem kwijt, gitaar stuk, microfoons die uitvielen, vallen tijdens het over-het-podium-hupsen – het kon niet anders dan dat er één van die dingetjes zou gaan gebeuren.
Ik had nog geen idee wat die avond me zou brengen.

Later die dag kwam Julia, met net zo’n grote tas vol met kleding als ik. We hadden afgesproken dat we ons eerst om zouden kleden, daarna nog even te oefenen, vervolgens zouden eten en uiteindelijk zou Fleurs moeder ons naar Magdeburg brengen. Julia was echter een uur te vroeg en dus hadden we nog wat tijd voor ons zelf.
Eigenlijk zaten we het grootste gedeelte van de tijd levenloos op Fleurs bed, niet wetend wat we konden zeggen. Ik was met mijn gedachten bij die avond en probeerde een beetje te kalmeren, wat maar moeilijk ging. Ik probeerde me te concentreren op andere dingen, zoals het feit dat Fleur haar nagels kapot kauwde, maar dat hielp niet bepaald. Ik werd er alleen maar zenuwachtiger van.
Na een poosje deed ik het raam van haar slaapkamer open, ging op de vensterbank zitten en liet de zachte wind over mijn gezicht strijken. Het werd lente. Ik zag hoe alles begon te groeien en bloeien en hoe de wereld weer wat kleur kreeg na de barre winter van dat jaar. Het zonnetje was nog koel, maar het deed zijn best om de wereld wat warmer te maken. Als het richting mei ging, zou het hem vast gaan lukken, bedacht ik me met een glimlach.
Het maakte me kalm. De natuur maakte me rustig. Ik keek naar een paar vogeltjes wiens silhouetten zich aftekenden tegen de grijze hemel toen ze hun vleugels uitstrekten en kwetterend uitvlogen en bedacht me dat het zo heerlijk zou zijn om ook eens mijn vleugels uit te slaan en eens wat meer van de wereld te gaan ontdekken. Toen wist ik nog niet dat ik zeer binnenkort een persoon zou ontmoeten die me de wereld vanuit een ander perspectief zou laten zien en dat ik binnen een tijdsbestek van anderhalf jaar aan de andere kant van de wereld zou zitten.
We besloten de tassen met kleding maar leeg te gooien op de vloer en te bekijken wat we hadden meegenomen. Er zaten maar een aantal bruikbare dingen tussen, want het was vrijwel onmogelijk om mij een broek van Julia aan te trekken of Fleur in een rokje van mij te proppen. Shirtjes gingen echter wel. We wilden op het podium staan als onszelf, alledaags, maar toch bijzonder. En dat was best wel lastig.
We pasten bijna alles, in welke combinatie dan ook. Er waren dingen die leuk stonden, maar die waren dan te gewoontjes of waren nét niet goed genoeg voor een – het klinkt gek om ons zo te noemen, maar het moet maar - rockband. Het duurde langer dan ik gedacht had voordat we allemaal een outfit hadden.
“Deze rok staat echt raar, hè?” vroeg Julia toen ze een rok van mij aanhad. Bij mij kwam hij tot over mijn knieën, maar bij Julia liet hij nog een deel van haar bovenbenen bloot. Op zich was dat niet erg, maar Julia had bobbelknieën. Fleur en ik konden niet anders dan toegeven.
Uiteindelijk trok Fleur een strakke spijkerbroek aan, geblokte ballerina’s, een zwart bloesje en een grote hoeveelheid sierraden die het geheel bijzonder maakten. Julia had een gestippeld jurkje uitgekozen en daar haar kisten onder aangetrokken. Ze vond het oneerlijk dat ze als drumster sowieso al wat minder in de spotlights stond, en vond dus dat ze wat opvallender kleding aan mocht trekken. Ikzelf droeg een rechte zwarte jeans, allstars en een witte tanktop met een zwarte skull erop. Het stond bij mijn zwarte gitaar, waar ik ooit, in een ver verleden, witte doodskopjes op geplakt had. Het was precies goed. Niet te normaal, maar niet net alsof we er over nagedacht hadden. Het zag er spontaan uit, alsof we zo ook naar school zouden gaan, maar het was ook bijzonder. Het was perfect, vooral ook omdat de kleuren die we alledrie droegen, ook nog bij elkaar pasten. Het was een mooi plaatje, zo zwart-wit.
We gingen naar beneden om te oefenen. Ik viel nog bijna van de witte wenteltrap toen Julia niet uitkeek, maar uiteindelijk kwam ik nog volledig intact beneden aan. In de garage ging het echter minder goed: doordat ik helemaal lacherig was van de weer opspelende zenuwen, struikelde ik van het kleine trapje naar de garage. Ik stapte mis en struikelde naar beneden, waardoor ik op mijn kont belandde. Ik begon hard te lachen en de andere meiden vielen me bij. Een minuut of vijf hadden we de slappe lach, daarna gingen we oefenen. Hoewel het meer een ‘poging tot’ was.
We gingen een stuk sneller door de liedjes heen dan toen we nog met Nathalia geoefend hadden, maar al met al ging het slecht. Waarschijnlijk kwam dat door de zenuwen, maar ook vooral doordat we af en toe nog last van de slappe lach hadden. Ik barstte soms midden in een zin in lachen uit en Julia vond het grappig om bij tijd en wijle een drumstokje door de gigantische garage te gooien, waardoor we dan weer een paar minuten aan het zoeken waren. We waren ontzettend melig, soms zelfs zo dat ik mezelf vervelend vond, maar over het algemeen vond ik het vooral heel erg grappig. We hadden heel vaak van dat soort momenten gehad, door de jaren heen, en ik raakte ze maar niet zat.
“Ach, ze zeggen dat een slechte generale een spetterend optreden verzorgt, dus ik zou me er geen zorgen over maken,” zei de moeder van Fleur tijdens het eten. Ik probeerde uit alle macht wat spaghetti naar binnen te slurpen maar voor de eerste keer in mijn hele leven besefte ik me hoe machtig dat spul is. Ik nam drie happen en schoof toen mijn bord van me af. Ik zuchtte dat ik het niet meer op kon, met mijn hand wrijvend over mijn buik. Ik zat propvol, terwijl ik de hele dag nog niet gegeten had. Misschien was het maar beter als ik niet beroemd zou worden: dan had ik iedere dag een optreden en was ik iedere dag zenuwachtig. Dan zou ik de hele dag niet eten en zouden mensen denken dat ik anorexia had. Nou, in feite had ik dat dan ook wel, maar niet expres. Maar goed.
Na het eten installeerden we ons achter de televisie, maar veel kreeg ik niet mee van het programma. Mijn blik was constant op de grote klok aan de muur gericht, met de grote cijfers, streepjes en de dikke vette secondewijzer die je zelfs hoorde tikken als de televisie aanstond. Ik telde de tijd af totdat we zouden vertrekken.

Eenmaal achterin de auto kon ik geen seconden meer aftellen, dus begon ik met het aftellen van de kilometers. Iedere keer dat we een bord met het woord ‘Magdeburg’ tegenkwamen, was het getal erachter kleiner en groeide die kriebel in mijn maag. Ik had de neiging om te krabben, maar ik wist dat het niet zou helpen.
Fleurs moeder had de radio aangezet in een poging de stilte te doorbreken, want die was vreselijk drukkend geweest, alsof het ging onweren. Ik had het gevoel dat ik teveel gegeten had en dat ik moest overgeven. De auto was al oud en schommelde over de weg, met veel schokken wanneer Fleurs moeder schakelde. Telkens als ze door een putje in de weg reed, moest ik kokhalzen. Ik denk dat ze het gezien had, want ze zei dat ik erg wit zag en dat we best even konden stoppen als ik daar behoefte aan had. Met een vervelende knoop in mijn maag antwoordde ik dat dat zo was.
Ze parkeerde de auto gewoon in de berm, en dat terwijl er borden stonden dat je dat beter niet kon doen. Ik wist niet hoe gauw ik het portier moest opengooien en uit de auto moest rennen om wat frisse lucht in te ademen en mijn maag tot rust te laten komen. Ik was nooit goed geweest in elegant de auto uitstappen, maar dát sloeg alles. Het was een wonder dat ik niet met mijn neus in de koeienpoep viel. Ik ademde diep in en uit en voelde hoe de knoop in mijn buik ietsje losser kwam te zitten dan eerst. Frisse lucht leek altijd wel te helpen, bedacht ik me, zowel tegen een kater als tegen de zenuwen als tegen een vreselijk misselijk gevoel, hoewel dat natuurlijk op hetzelfde neerkwam als een kater op de vroege zondagmorgen.
Al gauw stapten ook Fleur en Julia de auto uit om ook even frisse lucht te happen. Fleur had een gezicht dat nog witter was dan het mijne (maar dat kwam alleen omdat zij door en door westers was en ik van mezelf een getinte huid had) en Julia was ongekend hyperactief opeens. Ze kon niet stilstaan, maar hield wijselijk haar mond. Ik zou er echt niet tegen kunnen als ze ook nog eens zou beginnen te kwetteren over die Tom van haar en dat wist ze maar al te goed. Dat kon er op dat moment echt even niet bij.
“Dames,” zei Fleurs moeder na vijf minuten frisse lucht. “We moeten echt verder, anders komen we straks nog te laat!”
Ik hield mijn adem even vast en voelde dat ik daardoor meteen weer misselijk worden, dus begon ik weer te ademen. Ik wist echter ook met mijn volle verstand dat we nu meteen moesten vertrekken, anders zouden we keihard moesten rijden waardoor we nog meer zouden schokken en schommelen en dan zou ik sowieso over mijn nek gaan. Jammer genoeg zat er niets anders op dan weer in de auto te stappen en gewoon rustig te rijden.
We stapten weer in de auto, waar ik al misselijk werd van de lucht die er hing. Toen we eenmaal reden, draaide ik het raampje open en keek ik naar de horizon. Mijn moeder had ooit gezegd dat dat hielp, en wonderbaarlijk genoeg was dat ook zo. Bij iedere onverwachte beweging die de auto maakte, keerde mijn maag nog steeds wel om maar het echte kotsgevoel bleef uit. De misselijkheid maakte op een gegeven moment weer een beetje plaats voor ‘gezonde’ zenuwachtigheid.
Nog geen vijf minuten later reden we Magdeburg in en moesten we uitstappen omdat het verkeer te druk werd om door te rijden. Fleurs moeder wenste ons succes en reed weg nadat we onze spullen uit de kleine achterbak gehaald hadden, ons uitzwaaiend. We zwaaiden zenuwachtig terug, met een beetje hyperactiviteit in onze bewegingen, en lieten ons daarna meenemen door de mensenstroom, naar waar het allemaal zou gaan gebeuren.