Deel 11


Lief dagboek,

De laatste paar dagen heb ik me doodgeërgerd aan mijn nichtje. Mirre heeft de vier dagen nadat we naar Magdeburg geweest zijn, alleen maar aan mijn kop gezeurd of we misschien Bill niet konden bellen om een afspraak te maken of zoiets, maar natuurlijk had ik daar geen zin in. Goed – ik heb een relatie met Georg, maar ik wil niet dat mijn nichtje iets met mijn nog-niet-eens-ex krijgt en zo. Ja, verdomme, ik weet het ook niet. Ik wil het gewoon niet hebben.
Enfin, ze is nu gelukkig weg en dat geeft mij weer wat rust. Nu weet ik tenminste zeker dat Bill en zij niets met elkaar uitgevoerd hebben, maar ik zit nog steeds met de zorg of ze misschien nummers uitgewisseld hebben of zoiets. Ik wil er eigenlijk ook niet meer aan denken – ik heb Georg en ik moet me daarop concentreren. Bovendien gaan de jongens bijna weg en moet ik extra veel van hem genieten, zeker nu het zulk lekker weer is.

“Hij is echt leuk.”
Dat zinnetje hoorde ik van zondag tot en met woensdag zo ongeveer een miljoen keer, voor mijn gevoel. Mirre kon niet stoppen met praten over Bill en ik was natuurlijk degene die daarmee lastig gevallen moest worden, zodat ze mijn jaloezie-antenne verschrikkelijk prikkelde en die laatste paar dagen dat ze er was, was ik niet te genieten. Ze vroeg wel duizend keer of ik écht zijn nummer niet had, wat ik dan telkens bevestigde (naar waarheid!) en dan vroeg ze het tien minuten later weer. Ik werd er gek van.
Ik was dan ook redelijk blij toen de woensdag aangebroken was en ze opgehaald zou worden. De hele morgen was ik redelijk gezellig omdat het eind er toch bijna op zat en het valt niet te beschrijven wat ik voelde wat ik voelde toen ik de auto van mijn oom voor de deur stopte. Stiekem haat ik mezelf daar nog steeds om: ik hield van mijn nichtje en ik vond het verschrikkelijk dat ik al die opluchting voelde omdat ze weg zou gaan zodat ze mijn leven hier niet op zijn kop zou gaan zetten terwijl ze geen reden had om dat niet te doen. Ik voelde me uitermate geobsedeerd en vond mezelf zo verschrikkelijk dat ik er misselijk van werd.
Ik liep met Mirre naar boven om haar inmiddels ingepakte tas mee naar beneden te slepen zonder dat hij door zijn zware gewicht naar beneden zou vallen en liet mijn moeder de deur open doen toen er aangebeld werd. We hoorden haar haar broer enthousiast begroeten en binnen vragen, maar hij sloeg het beleefd af omat hij naar eigen zeggen geen tijd had. Als hij voor het donker thuis wilde zijn, moesten ze meteen vertrekken, want er stonden gigantisch veel files op de wegen.
Ik glimlachte naar Mir toen ze mijn blik ving, maar ik kreeg niet echt een respons. Dat had ik al wel vaker gevoeld de laatste dagen, dat ik aardig tegen haar probeerde te doen, maar dat ze er niet echt in leek te trappen. Dat was ook niet vreemd, natuurlijk, want we waren bovenop familie ook nog eens vriendinnen en hadden dus een soort van band wat het logisch maakte dat ze het doorhad als ik iets zei dat ik niet meende. Ze had er echter nog niets van gezegd en dus bleef ik doen zoals ik deed, achterbaks als ik was.
Samen sleepten we de tas naar beneden. Toen het ding eenmaal in de gang op de grond stond, deed oom Arne – die in de deuropening stond – een stapje opzij en wees naar de openstaande kofferbak zonder het gesprek met mijn moeder te onderbreken. Het verbaasde me hoe goed zijn Duits nog was, na al die jaren in Nederland, hoewel ik wel een accent hoorde dat ik niet kon thuisbrengen en waarvan ik me niet kon herinneren dat hij het ooit gehad had.
Samen, alsof we een team waren, tilden we de tas op en lieten hem in de kofferbak vallen om daarna de klep weer te sluiten. Ik wierp een blik op mijn huis, waar oom Arne nog steeds niet echt aanstalten maakte om te gaan vertrekken en ik had de behoefte om hem bij zijn schouders te pakken, hem in de auto te proppen en de deur dicht te slaan, maar ik hield me in en bleef gewoon met mijn ogen in zijn rug branden, hopend dat hij de hint zou begrijpen.
“Zeg,” hoorde ik opeens naast me, en dus moest ik mijn ogen van Arne’s rug afhalen. “We gaan al die jaren toch niet weggooien door een jongen, hè?”
Ik keek heel verbaasd op en stond even perplex omdat ik niet wist wat ik moest zeggen. Ik keek in haar ogen en had mijn mond al half open om antwoord te geven, maar ik had geen idee wat ik moest zeggen. Toen het stil bleef, trok ze haar wenkbrauwen op en zo plooide haar voorhoofd zich in drie irritante rimpels.
“Hoe bedoel je?” vroeg ik schijnheilig.
Mirre maakte meteen een beweging van moedeloosheid, alsof ik gek was of zoiets en ik kon het haar niet kwalijk nemen. Als ik haar was, zou ik mezelf ook voor gek verklaren en mezelf een egoïst vinden, maar ik was nou eenmaal wie ik was en ik kon de gevoelens die ik had niet uitschakelen. Ik wist dat ik Georg had en ik wist dat ik van hem hield, maar Bill was een onderwerp dat heel diep bij me zat en ik wilde niet dat hij in handen van een ander zou vallen, vreemd genoeg. Soms, of eigenlijk meestal, werd ik gek van mezelf.
“Dat weet je wel!” riep ze gedempt uit zodat haar vader het niet zou horen. “Ik begrijp jou niet! Ik bedoel – jij hebt Georg toch?”
Ik knikte en wist dat ze gelijk had. Ik had geen idee hoe ik me uit de situatie ging praten en hoe ik haar duidelijk moest zien te maken hoe het zat, vooral omdat ik zelf niets snapte van al mijn gevoelens. Was ik zo egoïstisch dat ik wél met Georg samen mocht zijn, maar dat Bill niet op zoek mocht naar een ander meisje? Zo zat ik toch niet in elkaar?
“Nou dan!” zei ze. “Waarom doe je dan zo moeilijk over Bill en mij?”
Ik voelde mijn maag omdraaien bij ‘Bill en mij’. Dat klonk alsof ze al bijna een stelletje waren.
“Ik doe toch niet moeilijk over-”
“Dat je het niet uitspreekt, betekent niet meteen dat je niet zo dénkt!” zei ze zachtjes. “Ik snap jou gewoon niet, weet je wel? Ik bedoel – hállo!”
Ik keek haar in haar ogen, die verdriet uitstraalden zoals ik dat hen nog nooit had zien doen en direct ging mijn zelfhaat parten spelen. Hoe verschrikkelijk was het als je één van je beste vriendinnen een jongen onthield omdat je zelf misschien nog niet helemaal over hem heen was?
“Ik – eh,” stamelde ik, maar ze onderbrak me alweer voordat ik iets bedacht had om te zeggen.
“De jongen waar ik al drie jaar achteraan zit, weet niet eens mijn naam en dan probéér ik hem een keer te vergeten en dan ga jíj zó lopen doen omdat – ja, waarom eigenlijk?”
Er viel een korte stilte waarin mijn hersenen op volle toeren draaiden omdat ik werkelijk geen idee had wat ik tegen haar moest zeggen. Als ik het zelf al niet begreep, hoe zou zij het dan ooit moeten kunnen begrijpen?
“Omdat,” haperde ik, om de vervelende stilte tussen ons te verbreken, maar ik had geen idee wat ik erachter moest voegen. Ik was dan ook blij dat ik oom Arne het gesprek met mijn moeder af hoorde ronden en dat hij niet veel later naar de auto toe liep en vrolijk zei dat ze gingen vertrekken, niet doorhebbend dat de spanning die tussen mijn nichtje en mij inhing net zo dik was als de aarde in doorsnede.
Met een klikje op zijn supersonische autosleutel sprongen de portieren van het slot en hij stapte in na Mirre glimlachend aangekeken te hebben. Zij had terug gelacht en haar blik daarna weer op mij gericht, haar perfect geëpileerde wenkbrauwen een beetje opgetrokken zodat de zieligheid in haar ogen nog eens benadrukt werd.
“Sorry,” zei ik bij gebrek aan andere woorden. “Als je weer thuis bent, zal ik je bellen en dan leg ik het uit, goed?”
Ze trok haar mondhoeken triestig op en sloeg haar ogen daarna neer.
“Goed,” zei ze tegen haar torenhoge schoenen, en keek me daarna lachend aan. “Ach – het maakt ook niet uit, eigenlijk. Als ik weer naar school moet en Aiden zie, dan – nou ja. Je weet wel…” Ze wendde haar blik weer even af terwijl ze klaaglijk zuchtte. De helft van de zucht ging verloren in het geluid van de zilverkleurige Mercedes, die startte nadat oom Arne zijn portier had dichtgeslagen.
“Het komt wel goed,” zei ik zo hard dat Mir het wel kon horen maar mijn moeder niet.
“Nee,” zei ze hoofdschuddend. “Ik kom waarschijnlijk nooit meer van hem af.”
Ik glimlachte triestig naar haar, maar toverde dat lachje om in een grijns toen zich op haar gezicht ook een grijns aftekende. Ze spreidde haar armen en gaf me een knuffel die ik beantwoordde. Meteen voelde ik een soort van warmte door mijn lichaam gaan en ik wist daarmee dat zij me in ieder geval vergeven had. Ikzelf was echter wat minder vergevingsgezind tegenover mezelf.
“We zien elkaar gauw weer,” zei ik toen ik haar weer los liet en ze in de auto stapte, naast haar vader en het raampje open draaide alvorens het portier dicht te slaan.
“Niet vergeten te bellen hè?” zei Mir met een knipoog, nog uit het raampje hangend. “Ik wil weten waarom – nee, ik wil álles weten. Vandaag nog.”
Ik grijnsde en deed een stapje achteruit toen de auto begon te rijden. Mirre bleef uit het raampje hangen en riep me iets na wat ik jammer genoeg niet kon verstaan, maar ik zwaaide gewoon enthousiast terug en bleef haar met een fijn gevoel nastaren totdat de auto de straat uitgereden was, terug op weg naar Nederland.

Diezelfde avond nog belde ik Mirre om haar alles te vertellen over mijn geschiedenis met Bill en waarom ik het dus niet zo fijn had gevonden dat ze op die manier met Bill om was gegaan. Nadat ik het hele verhaal had uitgelegd, zei ze dat ze het wel begreep en dat het haar speet dat het zo gegaan was omdat ze toch niets meer voor Bill gevoeld had dan het normale leuk vinden-gevoel. Ik zei haar dat het mij speet van mijn debiele gedrag die laatste paar dagen en dat ik het goed zou maken als ik over een poosje weer bij haar zou komen logeren.
Ook de dagen daarna bleef ik nog even met dat gevoel in mijn maag zitten. Wáárom in godsnaam had ik zo overspannen gereageerd op het feit dat Mirre Bill een paar keer aangeraakt had? Ik weet zeker dat ik bij Georg het zelfde gereageerd zou hebben, dus het was niet zo dat ik wel verliefd was op Bill en niet op Georg en dat maakte het nog veel ingewikkelder. Het zou veel makkelijker zijn geweest als ik gewoon van mezelf kon zeggen dat ik niet meer verliefd was op Georg, maar dat was niet waar. Ik wist slechts niet wie ik boven wie verkoos.
Toen Mirre eenmaal vertrokken was, ging ik vaak naar Fleur; niet naar Julia, want die zat weer heel vaak bij Tom na dat telefoontje van zaterdagnacht maar daar kon ik niet mee zitten. Ik vond het al lang goed dat Julia weer gelukkig met hem was en dacht er dus ook niet over om haar te belasten met mijn eigen hersenspinsels. Daarom luchtte ik mijn hart bij Fleur, die behalve goed kon luisteren ook nog wel eens met een goed advies kon komen en daar had ik dringend behoefte aan. Fleur luisterde heel veel, maar kwam dat maal niet met oplossingen. Ze vroeg heel de tijd maar ‘waarom dan?’ en zo, als een echte psycholoog, maar ik had geen idee waarom en dus kon ze me niet helpen. Toen ik op een middag verzuchtte dat ik me afvroeg wat Bill eigenlijk voor mij voelde, stelde ze me voor Julia dat te laten vragen.
“Julia?” vroeg ik verbaasd. Julia was niet echt de eerste persoon die iemand aan zou wijzen als er iets moest gebeuren dat toch min of meer subtiel gebracht moest worden.
“Ja, Julia,” antwoordde ze. “Die zit toch iedere dag in Loitsche.”
Dat laatste viel moeilijk te ontkennen en dus belde ik haar die avond nog op om te vragen of ze daar alsjeblieft achter kon komen voor me. Gelukkig vroeg ze niet waarom ik dat wilde weten omdat ze haast had. Voordat ze ophing omdat ze weg moest, drukte ik haar nog op het hart of ze er alsjeblieft niet bij wilde zeggen dat ze het van mij moest vragen en of ze alsjeblieft zo gauw mogelijk de uitslag wilde melden, bij voorkeur per sms. Ze zei van wel, maar zo afwezig dat ik me afvroeg of ze me überhaupt verstaan had, en daarna verbrak ze de verbinding.
De dag daarna verkeerde ik constant in spanning of Julia me zou sms’en, want ze zei dat het misschien niet kon lukken omdat Bill niet altijd thuis was die dagen (ik vroeg me wanhopig af waar hij dan wel heen ging) en uiteindelijk werd ik zo zenuwachtig van het wachten dat ik de huistelefoon pakte en Georg belde om nog een date te plannen voordat ik hem een half jaar zou moeten missen. Bovendien miste ik hem ook gewoon. Ik had hem niet meer gezien sinds de vrijdag van de week daarvoor en dat was al meer dan een week geleden.
Zodra ik Georgs stem hoorde, raakte ik nog veel meer in verwarring. Ik werd totaal warm bij het horen van zijn stem, wat betekende dat mijn liefde voor hem nog niet bekoeld was, maar bleef ook zitten met het gevoel dat ik bij Bill had. Terwijl ik met Georg praatte, gingen mijn gedachten heel de tijd naar Loitsche en naar het gesprek dat daar op dat moment aan de gang zou kunnen zijn. Ik vroeg me af hoe rot ik me zou voelen als bleek dat Bill me niet meer leuk vond en of ik daar gemakkelijk overheen zou kunnen stappen.
Uiteindelijk verbrak ik de verbinding na mijn excuses aan te hebben geboden en te zeggen dat ik doodmoe was, ook al was het nog maar acht uur. In principe was ik ook doodmoe, van het vele peinzen en piekeren, maar ik zou nog lang niet gaan slapen. Wel maakte ik mijn gezicht vast schoon, trok ik mijn pyjama aan en ging op mijn bed liggen met mijn gitaar, waarop ik een zacht melodietje speelde dat gewoon in me opkwam. Het maakte ook niet zoveel uit wat ik speelde op dat moment, want het ging er gewoon om dat mijn gedachten eens tot rust kwamen.
Dat deden ze echter niet. Ik bleef maar denken, peinzen, piekeren, net zo lang tot ik er gek van werd en zin had mijn gitaar op de grond te gooien. Natuurlijk deed ik dat niet en borg ik hem voorzichtig op in mijn gitaartas alvorens naar de badkamer te sloffen en mijn tanden te poetsen, zodat ik daarna in bed kon gaan liggen en de slaap me kon laten overvallen. Toen ik de tandenborstel in mijn mond had gepropt en het schuim uit mijn mondhoeken liep, hoorde ik mijn sms-signaal plots uit mijn kamer komen en ik wist niet hoe gauw ik de badkamer uit moest rennen. Eenmaal in mijn kamer, klapte ik mijn telefoon open en zag dat het berichtje niet datgene was waar ik op had zitten wachten.
Het was van Georg.

Twee dagen later, de dag nadat de eerste single van Tokio Hotel uitgekomen was, was mijn laatste afspraakje samen met Georg voordat we elkaar een paar maanden niet zouden zien. De tour zou sowieso een paar maanden in beslag nemen, afhankelijk van hoe populair de jongens zouden worden, maar dat zag er best rooskleurig uit. De keren dat ik met Georg door de stad gelopen had, was hij al een paar keer herkend en had hij al enkele keren handtekeningen uitgedeeld. Daarom zouden we dat keer een boswandeling gaan maken: het was onze laatste keer samen en we hadden niet de behoefte telkens gestoord te worden door fans.
Hij kwam me thuis ophalen met zijn uit elkaar vallende auto, om kwart over één, toen ik met mijn moeder voor de televisie zat en een door mijn moeder gemaakte vegetarische sandwich naar binnen werkte. Meteen toen ik de auto voor het huis zag stoppen, propte ik de rest van het brood in één keer in mijn mond en sprong snel overeind om naar de deur te rennen na mijn moeder nog een kus op haar wang gegeven te hebben. Ze was van mijn date op de hoogte.
“Wanneer mag ik hem zien?” jengelde ze als een irritant klein kind, wat ze expres deed om mij te pesten omdat ze donders goed wist dat ik er niet van hield als ze me zo pushte. Ik grijnsde breed terwijl ik probeerde te bedenken of ik nog iets nodig had, maar dat was niet het geval (geen jas: het was dertig graden) en ik besloot haar maar antwoord te geven.
“Ooit,” antwoordde ik kort. “Doeg!”
Ik schonk haar nog een laatste grijns en liep de woonkamer door, naar de gang, de deur uit. Het zonnetje scheen op me neer en ik voelde hem meteen op mijn schouders branden, wat me het gevoel gaf dat ik waarschijnlijk weer zou verbranden die dag.
Ik trok het portier van de auto open, stapte de auto in en gaf een grijnzende Georg een kus op zijn mond, wat een heel vreemd gevoel in mijn buik gaf. Het was niet echt aan te duiden met ‘vlinders’ of ‘kriebels’, wat me de conclusie deed trekken dat de eerste verliefdheid al voorbij was en ik het stadium van ‘houden van’ in ging. Het was niet zo dat ik het onprettig vond om bij hem te zijn of dat ik het vervelend vond om hem te kussen, dus dat betekende dat mijn gevoelens voor hem niet verdwenen waren. Ze zwakten hooguit wat af, maar er was maar weinig voor nodig om dat gevoel weer op te vijzelen.
“Goedemiddag,” zei ik terwijl ik het portier dichtsloeg. “Heb je er zin in?”
Georg zette de auto in zijn achteruit, sloeg zijn arm om mijn stoel heen, draaide de helft van zijn lichaam naar achteren en reed zo de straat uit. Daarna draaide hij zich weer terug en legde zijn hand op mijn bovenbeen, waar mijn been meteen warm werd door de hitte die zijn hand afstraalde. Hij beantwoordde mijn vraag niet, maar schonk me een flauw glimlachje en boog zich naar me toe om een warme kus op mijn lippen te drukken. Dat beschouwde ik maar als een ‘ja’.
Georg drukte snel het gaspedaal in toen een auto achter ons ongeduldig toeterde en we reden Wolmirstedt uit, gleden tussen de andere auto’s door de weg op en lieten de stad al gauw achter ons. Ik liet me onderuit zakken, plantte mijn knieën tegen het handschoenenkastje en begluurde Georg, die met een geconcentreerd gezicht naar het dichtstbijzijnde bos reed. Ik had de conclusie getrokken dat ik hem het mooist vond als hij volledig geconcentreerd was omdat hij dan een heel karakteristieke rimpel in zijn voorhoofd kreeg. Voor anderen was dat misschien totaal onaantrekkelijk, maar ik vond het typerend voor Georg en daarom heel speciaal.
Ik zag een spiegeltje liggen in dat bakje dat onder de handrem zit en griste het weg om mezelf erin te bekijken. Mijn make-up zat goed, concludeerde ik, maar mijn pony was nog steeds te lang. Na die keer dat ik Nathalia bijna had overreden en me bedacht had naar de kapper te gaan, was ik nog steeds niet geweest omdat ik het telkens vergeten was, precies zoals ik al had bedacht. Over een week of drie zou ik weer naar school moeten, dus zou ik iets daarvoor mijn haar wel weer eens laten knippen. Ik stond graag op mijn best op mijn pasfoto, want die stond op mijn bibliotheekpasje en daar moest ik een heel jaar tegenaan kijken.
Eenmaal bij het bos aangekomen, parkeerde Georg de auto onder een boom zodat hij niet oververhit zou zijn als we terug zouden komen en stapten we uit. De hemel was vergeet-mij-nietjes blauw en de zon straalde alsof het zijn allerlaatste dag was. Meteen begon ik te bedenken wat ik die dag zou doen als het mijn laatste was, maar ik kreeg de tijd niet om daar een antwoord op te bedenken omdat Georg de auto afsloot en zijn hand uitstak naar mij, die ik met een lach op mijn gezicht vastpakte. We liepen het bos in, waar de schaduw ons opwachtte en ik genoot van de koelte op mijn schouders. Je kon ruiken dat het die nacht hard geregend had en ik hield intens veel van die geur. Het was broeierig door de zon op het bladerdak en de geur van gras en bladeren drong in mijn neusgaten. De bomen waren heerlijk groen en hadden veel bladeren, waar nogal eens wat water vanaf wilde spatten als er een vogel langs vloog en meteen weer verdampte zodra het in aanraking kwam met mijn huid. Ik gloeide, niet alleen van de zon, maar ook omdat ik met Georg was, ondanks de twijfels die ik zo nu en dan voelde.
We liepen een tijd lang, hand in hand, zwijgzaam. Ik leidde hem, want ik kende het bos zo ongeveer van buiten omdat ik er heel vaak met Julia en Fleur geweest was om in bomen te klimmen. Ik nam hem mee naar het midden, waar een groot meer was. Het lag er stil bij, strak als een spiegel en inktzwart. Het enige dat de rust verstoorde, was het geluid van de vogels die zachtjes kwetterden want het was vrijwel windstil en het enige dat in aanraking kwam met de boomtoppen, was de hoogstaande zon.
Ik liet me in het gras vallen op de plek waar ik stond en Georg plofte naast me neer, dicht tegen me aan zodat hij zijn arm om mijn middel kon leggen en ik legde mijn hoofd even op zijn schouder zonder het contact dat ik op dat moment met de natuur had te verbreken. Hij woelde door mijn haar, waardoor ik uiteindelijk in de lach schoot en hem speels van me afduwde om een paar grassprietjes uit de aarde te rukken en die in zijn gezicht te gooien. Hij lachte hard, dwong me op de grond in de houtgreep en ik kon niet meer stoppen met lachen totdat hij zijn lippen op de mijne drukte en ik weer rustig werd.
Toen Georg zijn hoofd terugtrok, gingen we naast elkaar in het gras liggen, onze vingers in elkaar verstrengeld, om naar de hemelsblauwe lucht te kijken. Ik bekeek de wolken die langzaam over ons heen geblazen werden, heel langzaam bij het gebrek aan wind en probeerde er vormen in te herkennen, maar ik kon er niets uit halen.
Op een gegeven moment voelde ik hoe Georg zijn hand losmaakte uit die van mij en niet lang daarna voelde ik hoe er allemaal grassprietjes op me dwarrelden. Ze vielen overal: op mijn buik, in mijn haar, in mijn ogen en ik begon weer te lachen.
“Hou op!” lachte ik.
“Je vroeg erom!” riep hij terug, maar hij stopte, kwam dicht tegen me aan liggen en ik nestelde me tegen hem aan. Het was de een na laatste keer dat ik hem zou zien voordat hij het druk zou krijgen, of in ieder geval te druk om nog aandacht aan zijn vriendin te besteden.
Plots schoot me iets te binnen. Was ik zijn vriendin eigenlijk wel? Het was nooit echt met woorden bevestigd of zoiets en ik was me er ook wel van bewust dat dat op zijn leeftijd niet meer gebruikelijk was. Ik vond het echter altijd prettig om een soort van sociale zekerheid te hebben, zodat ik wist waar ik op kon leunen als ik in de problemen kwam en ik altijd een poot had om op te staan. Iets om aan vast te houden.
“Blijf je me trouw?” vroeg ik min of meer vanuit het niets, en ik keek hem aan door alleen mijn hoofd te draaien, niet mijn gehele lichaam. Hij draaide zich naar me toe en sloeg zijn arm om mijn buik heen, zijn hand onder zijn hoofd, leunend op zijn elleboog.
“Is dat een serieuze vraag?” vroeg hij zonder iets van beschuldiging of belachelijkmaking in zijn stem. Het klonk gewoon als een vraag zonder een bepaalde achtergrond. Ik zei hem dat het inderdaad een serieuze vraag was omdat miljoenen meisjes hem zouden toejuichen, slipjes voor hem op het podium zouden gooien en hij ze voor het uitzoeken zou hebben. Magdeburg, Loitsche en Wolmirstedt zouden uiteindelijk uit zijn herinnering verdwijnen en waarschijnlijk zou hij vergeten dat hij een vriendin had die op hem wachtte.
“Natuurlijk vergeet ik jou niet! Je weet toch hoeveel moeite ik voor je gedaan heb?” bracht hij daar tegenin.
“Ja,” antwoordde ik schouderophalend. “Maar misschien is het wel heel makkelijk om vreemd te gaan als je geen moeite voor die meisjes hoeft te doen.”
Hij gaf geen antwoord en zorgde voor een beladen stilte.