Deel 12
Lief dagboek,
De zomervakantie is al bijna voorbij, en dat is te merken aan het feit dat het weer wat kouder wordt. Vandaag heb ik afscheid moeten nemen van Georg, Tom, Gustav en Bill. Ik heb geen idee wanneer ik ze weer terug zie, want dat kan variëren van twee maanden tot een half jaar en ik heb me maar gewoon op het ergste voorbereid. Ik ben heel erg blij voor hen, want dit is natuurlijk waar ze al die jaren voor gewerkt hebben, maar ik heb het recht om hen ontzettend te gaan missen, toch?
Ik zit heel erg tussen mijn gevoelens voor Georg en Bill ingeplet en dat vind ik alles behalve grappig. Bill is ontzettend lief en knap en aardig, maar Georg ook en aangezien ik met hém samen ben, heb ik geen idee wat ik hiermee aan moet. Ik zit heel erg te twijfelen of ik indertijd een goede keuze heb gemaakt en of ik misschien niet toch voor de real-life-Bill had moeten gaan in plaats van voor de sms-Bill. Ik vreesde eerst dat het te laat was, maar dat blijkt niet zo te zijn…
Ik zou om elf uur opgehaald worden door Fleur (Julia sliep die avond bij Tom en zou met hem en Bill naar Magdeburg komen) om dan met zijn tweetjes de bus naar Magdeburg te nemen. We zouden gaan lunchen op kosten van de band omdat zij het diep van binnen ook heel jammer vonden om ons te verlaten en daarna zouden we afscheid nemen. Ik had mijn wekker om half tien gezet, maar werd om half acht wakker op brutere wijze gewekt: een sms.
Ik vond het tot daar aan toe om midden in de nacht wakker gemaakt te worden omdat ik dan tenminste snel weer in slaap kon vallen, maar ’s ochtends, als het eerste ochtendlicht al door mijn gordijnen scheen, ging dat veel moeilijker. Toen ik de irritante zoem-dinges hoorde en mijn droom over allerlei dansende Bills en Georgs (vraag me niet waarom ik dat droomde) als een zeepbel uit elkaar spatte, voelde ik dat ik niet meer ik slaap zou vallen die morgen.
Ik sleepte me uit bed en liep naar mijn bureaustoel, waar ik de vorige dag mijn spijkerbroek overheen gehangen had zonder mijn telefoon uit mijn broekzak te halen. Met een duf hoofd en haar in mijn ogen probeerde ik mijn hersenen aan de gang te krijgen, wat me uiteindelijk lukte. Ik klapte mijn telefoon open en toen ik Julia’s naam zag staan, maakte mijn hart een sprongetje.
‘Hij wilde er niet veel over kwijt, maar zijn reactie zei genoeg! Hij is je voorlopig nog niet vergeten!’
Meteen kreeg ik een glimlachje op mijn gezicht, dat ik meteen weer wegveegde toen ik me besefte hoe verschrikkelijk het was dat ik er blij van werd. Ik moest het heel rot vinden, vooral voor Georg, heel erg rot, want de twee waren vrienden en zouden samen doorbreken, dus het zou niet bepaald bevorderlijk zijn als ze ruzie zouden krijgen.
Ik schudde de gedachte van me af, pakte wat ondergoed uit mijn kast en liep richting de badkamer om te douchen zodat ik wakker zou worden die dag. Toen ik langs de slaapkamer van mijn moeder liep, was de deur nog dicht – wat betekende dat ze nog sliep. Ze zou me waarschijnlijk vermoorden omdat het simpelweg niet hóórde om in de zomervakantie om half acht te douchen, maar ik zou gewoon zachtjes doen en omdat ze de vorige dag toch pas om drie uur thuisgekomen was (ik had dat gehoord omdat ik niet kon slapen van het peinzen), zou ze waarschijnlijk toch niet wakker worden.
Toen ik naar vanille geurend uit de douche kwam, was het zoeken naar een outfit voor die middag. Ik kwam – simpel maar best oké – uit op een spijkerbroek en het shirt dat ik ooit met Bill gekocht had, het cupidoshirt dat Mir me zo goed vond staan. Als hoofdreden deed ik het aan omdat het me goed stond, maar nu pas besef ik me dat ik het ook deed omdat ik hem wilde laten weten dat ik – ondanks dat ik met Georg was – hem niet vergeten was.
Ik was al klaar om half negen, dus besloot ik de overige tijd te spenderen voor de televisie in gezelschap van een croissantje, een appel en een glas melk. Ik zapte langs tekenfilmpjes, nieuwsberichten, talkshows en een programma over plastische chirurgie (ja, op de vroege morgen) tot ik opeens langs een muziekzender kwam waar ik iets bekends zag. Direct zapte ik terug en zag iets dat ik de afgelopen weken nog niet eerder gehoord had. Durch den Monsun. Ik kreeg een grijns op mijn gezicht bij het zien van het heerlijke beeld van Georg in een drijfnat T-shirt, maar besefte me meteen dat heel Duitsland dezelfde beelden al een paar keer gezien had en toen vond ik het opeens niet leuk meer.
Ik zette de televisie uit en hapte in mijn appel. Vanaf dat moment wist iedereen wie mijn vrienden waren, ze namen hen vijf maanden van me af en zouden ze volledig in beslag nemen zodat ze mij zouden gaan vergeten. Ze zouden mijn vriend bedelven onder strings, knuffelberen en huwelijksaanzoeken. Ze zouden anders worden, veranderen en die verandering doormaken zonder mij. Ze zouden van me vervreemden en op tour zoveel meisjes zien dat ze me nooit meer zouden herkennen als ze weer terug waren. Ik veegde een ontsnapte traan van mijn wang. Huilde ik nou omdat ik het rot vond of was het puur zelfmedelijden? Lagen die twee niet heel dicht bij elkaar?
Ik stond maar weer op en zette mijn lege bord en glas op het aanrecht. Daarna liep ik zachtjes – om mijn moeder niet wakker te maken – de trap weer op en glipte mijn slaapkamer in, niet wetend wat ik daar zou gaan doen. Bij gebrek aan tijdverdrijf begon ik de weinige rotzooi die zich in de loop der tijd verspreid had op te ruimen, maar daar was ik binnen tien minuten mee klaar en dus ging ik nog maar even op bed liggen, in het gezelschap van mijn oude gitaar, een liedje pingelend dat Mirre me op de tweede dag dat ze in Wolmirstedt was geleerd had.
Plots viel mijn blik op een paar zwarte plekjes op de witte lamp aan het plafond en dacht ik terug aan de dag waarop het gebeurde. Ik was zenuwachtig geweest voor het optreden van die avond en toen was ik met mijn pas-gelakte nagels tegen de lampenkap gekomen. Dat was op de dag dat ik de jongens had leren kennen en die dag was de dag dat we afscheid zouden nemen, ironisch genoeg. Ik toverde een glimlachje op mijn gezicht terwijl ik mijn gitaar naast me neerlegde.
Ik bekeek mijn nagels kritisch en besloot dat ze wel een lakje konden gebruiken.
Toen Fleur aan kwam fietsen, stond ik al buiten zodat ik op haar bagagedrager kon springen en me zo naar de bushalte liet vervoeren. Meteen toen ik achterop sprong, begon ze meteen te vragen of ik een sms’je van Julia gehad had, en ik vertelde haar erover met een toon in mijn stem die duidelijk moest maken dat ze niet verder moest vragen over mijn gevoelens of meer van dat soort rotzooi. Gelukkig begreep ze de hint en fietste ze zwijgend door.
Wanneer de bus uiteindelijk aan kwam, stapten we beide in en niet lang nadat we zaten en de bus begon te rijden, sneed Fleur het onderwerp ‘school’ aan. Ze had blijkbaar een brief gehad waarin stond dat ze bevorderd was naar de volgende klas en vroeg me of ik ook over was. Ik zei dat ik geen idee had, want ik had nog geen brief zien liggen of zoiets, en dus stuurde ik mijn moeder een sms’je met de vraag of ze me de uitslag wilde berichten zodra ze hem gelezen had.
Na wat korter leek te duren dan normaal (wat kan komen door het bescheiden feestje dat Fleur en ik op de achterbank gevierd hadden nadat mijn moeder me terug ge-sms’t had met de mededeling dat ik ook over was) stopte de bus bij de halte in Magdeburg en gleden de deuren open. Julia’s glunderende gezicht was het eerste dat ik in het zicht kreeg en ik negeerde haar toen ze knipoogde en voor haar doen onopvallend in Bills richting knikte. Ik gaf Georg een bescheiden kusje, begroette Gustav met een knuffel en kreeg toen pas Bill in het oog. De tijd leek even te vertragen toen zijn blik die van mij ving, als in een film en ik voelde hoe ik als in een reflex mijn lippen bevochtigde.
Hij trok zijn mondhoeken een beetje op bij wijze van ‘hallo’ en wat me opviel, was dat zijn ogen heel dof stonden. Ik geloof dat hij het ook voelde, zo’n dikke mist die je hersenen bedwelmde en maakte dat fatsoenlijk nadenken en doen onmogelijk was. Alles ging in slowmotion. Ik begroette hem op dezelfde manier en had geen idee wat ik verder doen kon: zou het heel erg zijn om hem een knuffel te geven als ik wist dat hij me nog leuk vond? Maar hoe moest ik hem dan begroeten? Drie kussen op de wang geven alsof hij iemand was die ik voor de eerste keer ontmoette terwijl hij eigenlijk ooit een bijna-vriendje van me geweest was?
De beslissing werd voor me gemaakt toen hij mijn hand even vastpakte, er kort in kneep en me daarna tegen hem aandrukte. Ik sloot mijn ogen en liet een zucht ontsnappen toen ik zijn geur rook, waarvan ik nog steeds niet wist of het een parfum was of dat hij van zichzelf zo rook. Door de slowmotionstand van mijn hersenen leek het moment langer te duren dan het daadwerkelijk deed. Toen hij me uiteindelijk los liet en ik mijn hoofd naar Georg keek, was alles opeens weer weg: de mist, de verwarring en de slowmotion. Ik had even het gevoel dat ik voorover viel door die plotselinge tijdsversnelling, alsof ik op de fiets van de zwaarste versnelling in één draai omschakelde naar de lichtste.
Ik schonk mijn vriend een glimlachje toen ik zijn wantrouwende blik zag en pakte zijn hand, verstrengelde onze vingers en liet me door hem mee leiden. Met een klein kneepje in zijn hand en door even met zijn ring te spelen, hoopte ik hem duidelijk te maken dat hij niet bang hoefde te zijn dat ik terug zou rennen naar Bill, dat ik hem niet achter zou laten en dat ik van hem hield, hoewel Georg daar alle reden toe had. Of ja, dat ik in ieder geval meer van hem hield dan van Bill, want dat was ook zo. Op dat moment.
We liepen naar een lunchroom vlak bij het centrum, waar Gustav de avond van tevoren een tafel voor zeven gereserveerd had. Een serveerstertje dat merkbaar net nieuw was, wees ons een tafel voor het raam zodat we konden uitkijken op een straat waar gigantisch veel mensen voorbij liepen. Ik volgde de groep mensen naar het grote raam en werd plotseling geboeid door een aantal spierwitte duiven die gewoon tussen de honderden mensen rondhupsten en geen enkele angst in hun kleine lijfjes leken te hebben. Zo merkte ik niet dat Georg Bill een vuile blik toewierp toen die laatste wilde gaan zitten op de plaats die voor mij bedoeld was.
Toen er op een gegeven moment een jongetje met een pet als die van Tom op tussen de duiven sprong en ze het luchtruim boven de aarde verkozen, draaide ik me terug naar de tafel en nam de stoel bij het raam, waar Georg tussen mij en Bill in zat. Aan de andere kant zaten Fleur en Gustav naast elkaar en Julia begon haar grappige-momenten-reeks die dag door bij Tom op schoot te gaan zitten, waardoor de stoel aan de kop onbezet bleef. Ze pakte de kaart van het midden van de tafel en begon met het heel bekakt oplezen van alle gerechten waaruit we konden kiezen. We zaten hard te lachen toen opeens dat serveerstertje weer terugkwam op schoenen waar ze niet op kon lopen en waarschijnlijk van haar moeder waren. Ze vroeg op een vervelend en nepperig toontje of we iets wilden drinken. Binnen de kortste keren lagen we weer in een deuk omdat Julia zo mogelijk nóg bekakter een ‘glaasje van de huiswijn’ bestelde. Het gezicht van de serveerster vertrok, waarschijnlijk omdat ze dacht dat we om haar lachten, en de tranen stonden in haar ogen tegen de tijd dat ze van iedereen de bestelling opgenomen had en wiebelend wegvluchtte. Het was iemand anders die de drankjes kwam brengen en ons vroeg wat we te eten wensten.
De tijd die we op het eten moesten wachten, doodden we met veel verhalen die vaak begonnen met de woorden ‘weet je nog’. Ik luisterde maar met een half oor, leunde met mijn kin op mijn hand en keek naar de witte duiven buiten, die één voor één terug kwamen omdat de kust weer veilig was. Ze gingen vrolijk door met het oppikken van gemorste frietjes en broodkruimels die de baas van de lunchroom daar waarschijnlijk iedere dag neergooide. Ik was droevig maar had geen idee waardoor precies. Misschien waren het de duiven die me zo intrigeerden, omdat zij gewoon hun vleugels konden spreiden wanneer ze daar zin in hadden, wanneer ze zich onveilig voelden of gewoon weg wilden gaan en ik voelde dat ik die behoefte ook had. Als ik geen huis had om in te wonen en geen verplichtingen had, dan zou ik de jongens volgen en bij hen blijven, zodat ik bij Georg kon blijven. En bij Bill.
Mijn hand had ik onbewust om de hanger die aan de ketting rond mijn nek hing geklemd, denkend aan of ik hem aan Georg zou moeten geven. Ik vroeg me af of hij het vervelend zou vinden als ik hem niet aan hem zou geven omdat hij dan zou kunnen denken dat ik niet van hem hield. Ik bedoel – ik hield van Georg, maar ik had geen idee of ik mijn hele leven met hem door zou kunnen brengen, door zou wíllen brengen. Ik had ook nog zoveel tijd om andere mensen te ontmoeten, weet je wel, dus het zou wel heel erg stom zijn om mijn ketting al weg te geven op mijn vijftiende.
Wat me uiteindelijk overhaalde om de ketting te houden, was het feit dat ik me bedacht dat Georg helemaal niets van het verhaal achter het ding wist. Hij zou hem niet eens missen en zou geen idee hebben wat het betekende als ik hem aan hem zou geven.
Plots voelde ik een voet tegen de mijne komen en ik schrok op uit mijn peinzen. Toen ik opkeek, zag ik dat het Georg was, die me een vragende blik schonk alsof hij wilde weten of er iets aan de hand was. Ik was heel eventjes bang dat hij mijn gedachten had kunnen lezen. Ik glimlachte maar en richtte daarna zogenaamd mijn aandacht op het gesprek, maar in werkelijkheid waren mijn gedachten bij de jongen die twee plekjes van me weg zat.
Na die lunch, waar we voor mijn gevoel uren op hadden moeten wachten, gingen we op tocht door het centrum. Bill drong steeds aan om wat kledingzaakjes binnen te gaan maar dat weigerde Georg dan op zo’n harde manier dat de rest er niets tegenin durfde te brengen. Ik voelde meteen dat het foute boel was en probeerde de boel elke keer opnieuw te sussen door Georgs hand te pakken en daar kalmerend in te knijpen omdat hij niet bang hoefde te zijn. Het is wonderbaarlijk hoezeer ik er toen van overtuigd was dat dat inderdaad waar was, want ik geloof dat Georg eerder door had dan ik wat voor een aantrekkingskracht Bill op me uitoefende.
Uiteindelijk stelde ik voor om even een cafeetje in te duiken. Georg vol gooien met alcohol was de enige manier om hem vrolijker te laten worden, wist ik uit ervaring, en het was op dat moment van groot belang dat hij zichzelf normaal ging gedragen. De jongens moesten verdomme de volgende dag op tour en ik wilde een ruzie tussen de twee jongens maar al te graag vermijden.
We kozen een groezelig café dat een beetje op dat in Loitsche leek, waar we ooit met zijn zevenen heen geweest waren toen ik nog min of meer met Bill was. Georg liep meteen naar de bar na mij een warme kus gegeven te hebben om al vast zeven bier te bestellen (hoewel het me niet verbaasd zou hebben als hij er maar zes genomen had, Bill overslaand) en kon zo niet voorkomen dat Bill tegenover mij plaatsnam. Ik had vanaf dat eerste moment al moeite met het ontwijken zijn ogen.
Georg kwam terug met een heel dienblad vol bier en ik schonk hem een dankbare glimlach om dat zevende glas. Hij zette Bills glas zo ver weg dat die laatste moeite moest doen om het te pakken te krijgen en ik schrok van de blik die ook ik toegeworpen kreeg toen ik het glas naar hem toe schoof. Ik richtte mijn ogen op het tafelblad en sloot mijn rechterhand om mijn glas alvorens mijn hoofd weer op te richten.
“Proost,” zei ik, mijn glas opheffend. “Op een geweldige toekomst vol Tokio Hotel.”
Ik zag Bill droevig glimlachen, maar besteedde er niet teveel aandacht aan omdat ik bang was voor nog zo’n dodelijke blik van de jongen naast me. Ik liet mijn glas tegen alle opgeheven glazen aantikken en we namen allen een grote slok na een collectief uitgesproken ‘proost’. Toen ik het leeg had, zette ik het met een tik op tafel en opeens viel mijn blik op Bills borst. Hij had zijn jasje eindelijk uitgetrokken en ik zag dat hij hetzelfde shirt droeg als ik. Ik kreeg ogen als schoteltjes en neem aan dat hij doorhad dat ik het gezien had, want hij glimlachte droevig en wendde toen zijn blik af. Ik kreeg een vreselijk gevoel in mijn buik en sloeg mijn armen om mezelf heen.
Alsof dat nog niet genoeg was, riep Julia halverwege de dag uit dat we hetzelfde shirt aan hadden, waarna er een akelige stilte viel. Ik keek naar het tafelblad en voelde hoe Bill mijn blik probeerde te vangen, maar ik gaf er niet aan toe. Naast me voelde ik Georg alsof er een straalkacheltje op mijn zij gericht stond, één bonk agressie, zo erg dat ik er bang van werd.
“Ik ga naar de WC,” verklaarde ik toen ik opstond, vluchtend voor de stilte. Ik werd gek van de gevoelens die mijn lichaam nog steeds niet verlaten hadden en de blikken die iedereen me toewierp, maakten dat ik misselijk werd. Ik had het gevoel dat iedereen in de ruimte mijn gedachten kon lezen en dus afwist van de twijfel die ik voelde, diep binnenin me. Het was niet om uit te houden en ik had de behoefte die paar meter te rennen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat Fleur opstond en me volgde terwijl ze zei dat ze ook even naar de WC ging, maar ik wist dat ze iets heel anders in de zin had. Fleur merkte het altijd als er iets mis was, als er iets niet ging zoals ik het wilde, en dus wilde ze waarschijnlijk weten wat me dwars zat. Of nee, waarschijnlijk wist ze wel wat het probleem was en wilde ze me ermee helpen, zeggen dat ik Bill moest negeren, niet begrijpend dat ik dat simpelweg niet kon. Ik sloot mezelf al op in een hokje voordat ze eenmaal kon beginnen met praten.
Ik deed de klep van de WC omlaag en ging erop zitten om even diep in te ademen en mijn hoofd leeg te maken terwijl ik de binnengehouden lucht weer liet ontsnappen. Bill moest even uit mijn gedachten verdwijnen, bedacht ik me, hij moest me met rust laten want ik had Georg. Na al die tijd dat wij al samen waren, had hij al lang over me heen moeten zijn in plaats van me een enorm schuldgevoel aan te praten.
Ik liet mijn hoofd tussen mijn knieën zakken en ademde nog een keer diep in en uit, waardoor mijn hartslag rustiger werd. Daarna stond ik op en trok het toilet door om voor Fleur te verbloemen dat ik om een andere reden naar de WC was gegaan, maar ik wist toen al dat ze het toch wel door zou hebben. Toen ik het hokje uit liep, stond ze daar, leunend tegen een wasbak. Ik wist dat ik niet om haar heen kon, dat ze me door had, maar toch liep ik naar de wasbak om mijn handen te wassen terwijl ik haar blik ontweek. Als ze me in mijn ogen zou kijken, zou ze heel waarschijnlijk de verwarring zien en daar had ik geen behoefte aan. Ik wilde het graag in mijn eentje oplossen, want ik had me ook in mijn eentje in de nesten gewerkt en ik vond het oneerlijk om Fleur daarmee op te zadelen, hoewel ik eigenlijk al teveel gedaan had.
Op een gegeven moment kwam ze achter me staan, toen mijn handen al totaal koud waren omdat ik ze al een minuut of drie onder het koele water hield en ze hield me stevig vast. De tranen prikten achter mijn ogen, maar ik drong ze terug door tegen mezelf te zeggen dat ik een vuile aanstelster was en vreemd genoeg hielp dat. Na een paar seconden maakte ik mezelf los uit de omhelzing en ik droogde mijn handen af.
“Het is gewoon rot, weet je wel?” mompelde ik zachtjes, wetend dat ze het zou begrijpen.
Ze knikte en zei daarna heel zachtjes dat Bill zich gewoon neer moest leggen bij het feit dat ik met Georg was, maar dat hij daar blijkbaar veel tijd voor nodig had en dat ik hem die tijd moest gunnen. Misschien had hij doorgehad dat ik jaloers was geweest op Mirre en had ik hem daarmee hoop gegeven die er op dat moment nog niet voor hem was. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan toen Fleur dat zei, want het was ontzettend waar en ik vond het zo stom dat ik mezelf zo door hem had laten verleiden, dat ik hem inderdaad hoop gegeven had. Mijn zelfhaat borrelde weer op.
Desondanks glimlachte ik naar haar en vroeg haar na een snelle blik in de spiegel te werpen of ze mee terug ging naar binnen. Ze schonk me een glimlach terug en stak daarna haar hand uit, waar ik die van mij in legde, en ze nam me mee naar binnen.
Eenmaal daar, voelde ik dat de sfeer nog niet te doorklieven viel met een cirkelzaag. Toen we dichter bij de tafel kwamen, zag ik dat Bill en Georg elkaar hels in de ogen keken, hoe Gustav probeerde de zaak te sussen voordat hij zijn ogen op ons richtte en het feit dat Julia en Tom elkaar los gelaten hadden, wil wel zeggen hoe ernstig de situatie was.
“Bill, stél je niet zo aan! Ze-” riep Julia uit voordat ze Gustavs blik volgde en doorkreeg dat Fleur en ik hun richting uit liepen. Door de afkapping van die zin, werd de sfeer nog dichter en het verbaasde me erover dat ik nog kon bewegen. Ik voelde opeens heel erg misselijk en hol, alsof ik flauw ging vallen, maar ik wist op mijn stoel te gaan zitten voordat het zo ver was. Meteen legde Georg zijn hand op mijn bovenbeen zonder Bills blik los te laten, alsof ik alleen zijn territorium was waar niemand anders op mocht komen en ik zag de kwelling in Bills ogen toen hij dat deed voordat hij zijn ogen op het tafelblad richtte.
Ik vroeg me af of Julia bedoeld had dat Bill zich niet moest aanstellen met betrekking tot Georg en mij, want dat leek me wel aannemelijk, gezien ik geen andere reden zou weten. Het was me echter een raadsel wat er daarvoor gebeurd zou kunnen zijn. Misschien had Georg wel een scène getrapt omdat Bill me aankeek of iets anders bezitterigs. Op dat moment kon ik me niet voorstellen dat hij dat zou doen, kon me niet bedenken waaróm in godsnaam, want ik zag zelf geen gevaar. Nog niet. Ik wist dat Bill iets in me geplant had dat was uitgegroeid tot een wurgplat die mijn keel totaal dichtkneep.
We bleven nog een poosje zitten voordat Gustav verkondigde dat hij naar huis wilde, zijn dunne zomerjas van de stoelleuning af plukte en hem aantrok. Ik bleef als bevroren zitten maar stond op toen Georg me aankeek met een blik vervuld van een emotie die ik niet kan benoemen. Het was in ieder geval iets dat me ontzettend bang maakte, banger nog dan Bills gezicht, waarvan af te lezen viel dat hij het liefst de hele tafel om zou gooien. Georg hielp me in mijn jas en gaf me een kus op mijn voorhoofd alvorens zijn arm om mijn schouders te slaan en me het café uit te leiden, waarna we met zijn zevenen in de richting van zijn huis liepen. De weg legden we zwijgend af en alleen Fleur en Gustav wisselden af en toe woorden die de sfeer zo mogelijk nog drukkender maakten.
Het leek een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk kwamen we bij het huis aan en zei Georg dat hij nog even naar binnen moest om de autosleutels van zijn moeder te pakken. Hij nam mij mee het huis in, wat me deed voelen alsof ik een gevangene was, maar ik liet het maar toe en liep achter hem aan het hele huis door tot hij de sleutels gevonden had. Ook die zoektocht was in een totale stilte, alsof we het spreken verleerd waren en dat gevoel had ik ook. De wurgplant had mijn keel echt dichtgeknepen, want ik kreeg geen normaal woord meer uit mijn strot.
Samen liepen we weer naar buiten en Georg haalde de auto met een klikje op de sleutel van het slot, zoals oom Arne dat ook zo patserig deed. Ik nam de passagiersplaats zodat ik naast Georg zat en keek door de achteruitkijkspiegel hoe de rest van de groep ook instapte. Ik wendde mijn blik echter direct op Georg toen die ook instapte en me controlerend aankeek, alsof ik zoenend met Bill betrapt was. Ik voelde me verschrikkelijk en wilde aan de ene kant zo snel mogelijk naar huis, maar aan de andere kant wilde ik eventjes alléén met Georg zijn, zodat ik hem kon uitleggen hoe alles zat.
Hij startte de auto en reed de oprit af, de kleine straatjes door, totdat we uiteindelijk Magdeburg uit reden. Ik had de moed niet om te praten en keek slechts naar de lantaarnpalen die ons voorbij zoefden, telde ze totdat ik uiteindelijk Wolmirstedt op de borden zag staan en vond dat er toch iemand moest zijn die de stilte moest verbreken. Het waren er 483.
“Ik ga jullie missen, jongens…” verzuchtte ik, en ik kreeg beamende geluiden uit vier andere monden te horen: Julia en Tom waren niet in staat om te spreken doordat hun tongen aan elkaar vastgekleefd waren. De vervelende stilte sloeg plotseling om in een stilte die veel fijner was, door het uitspreken van dat kleine zinnetje. We wisten dat we afscheid van elkaar moesten nemen en dat was alles behalve fijn. We waren aan elkaar gehecht geraakt, waren echte vrienden en hoewel er sommige dingen niet altijd zo gingen als gepland, wisten we dat we toch wel bij elkaar zouden blijven. Een ruzie tussen Bill en Georg zou daar niets aan kunnen veranderen.
Op een gegeven moment stopten we bij mijn huis, veel sneller dan ik verwacht had, en stapten we allemaal uit. De eerste die afscheid van me nam, was Gustav, die breed grijsde en me een warme knuffel gaf. Ik kreeg een glimlach op mijn gezicht en gaf hem nog gauw een kus op zijn wang voordat hij me los liet en me overleverde aan Tom, die zich voor de gelegenheid losgemaakt had van Julia. Toen ik hem omarmde, had ik het gevoel dat – en dat was de schuld van zijn uitermate bescheiden maatje XXL – ik een heleboel lucht vasthad.
Daarna kwam Bill, die me stevig vastpakte en ik had het gevoel dat ik in huilen uit zou barsten als hij me los zou laten. Ik vond het zo rot voor hem dat de dingen gelopen waren zoals ze gelopen waren, maar ik kon er niets meer aan veranderen. Ja, ik kon het uitmaken met Georg, maar ik hield meer van hem dan van Bill en bovendien zou ik Bill daarmee het risico geven in elkaar geramd te worden door zijn medebandlid. Dat wenste ik hem niet toe. Hij zou er wel uit komen in zijn eentje, bedacht ik me, want hij had al zoveel dingen overleefd en natuurlijk zou hij ook hier weer overheen komen.
Toen ik een zware hand op mijn schouder voelde, maakte ik me los uit de omhelzing en draaide me om naar Georg, van wie de hand was geweest. Ik zag hoe hij een helse blik over mijn schouder wierp, die waarschijnlijk voor Bill bedoeld was, maar ik gaf er niet meer om en ik liet me tegen hem aandrukken. In mijn gedachten had ik bedacht dat ik me niet zou laten zoenen voor Bills neus, maar toen ik Georgs mond op die van mij voelde, bood ik al gauw geen weerstand meer, maar ik hield het kort en verbrak het lichaamscontact al na drie seconden om Bill min of meer te sparen.
Georg fluisterde dat hij me zou gaan missen en ik fluisterde het zelfde, weigerend om in Bills richting te kijken. Ik wist dat hij het rot vond, maar ik voelde zelf precies het zelfde en hij wist waarschijnlijk ook wel dat het gewoon een speling van het lot geweest was. Toen wist ik nog niet dat ‘het lot’ niet bestond en dat ik een jaar later ook afscheid van iedereen zou moeten nemen, maar dat dat afscheid in alle opzichten emotioneler zou zijn.
Waarschijnlijk heeft God me toen al willen laten zien dat ik fout zat, dat ik mijn belofte niet na kwam, door me te straffen met het niet direct vinden van mijn ware liefde. Die straf was waarschijnlijk gewoon niet hard genoeg en daarom had ik het niet door, daarom leefde ik gewoon verder zoals ik al jaren lang deed en probeerde ik andere excuses te vinden voor het feit dat Bill en ik nog niet samen waren, dat Georg tussen ons in stond. Pas later, toen ik bij mijn vader woonde en mijn eerste dagen in bed doorbracht om na te denken, tóén pas begon ik na te denken over eerdere tekenen die Hij me gegeven had voordat de ergere dingen gebeurden. Dat moment was er één van.
Ik schonk Georg nog een glimlach en liet hem beloven dat hij me zou bellen als hij daar behoefte aan had. Met een grijns zei hij dat hij daar waarschijnlijk geen tijd voor zou hebben en stiekem deed dat me best zeer, want ik wilde dat hij me nodig zou hebben, dat hij me zou missen en dat hij niet zonder me kon. Ik nam met een trieste glimlach afstand van hem en beloofde mijn twee vriendinnen dat ik de volgende dag contact met hen op zou nemen zodat we met zijn allen wat muziek zouden kunnen maken of zoiets – daar was het weer de tijd voor, want Julia zou het een hele tijd zonder Tom moeten doen. Ik kreeg positieve antwoorden terug en bleef nog even buiten staan terwijl mijn vrienden weer instapten, zich klaarmaakten voor de volgende stop en ik zwaaide de auto uit toen hij de straat uit verdween, met een brede glimlach op mijn gezicht.
Toen ik daarna naar de voordeur liep - met mijn rijstkorrelketting nog om mijn hals – en mijn sleutels uit mijn broekzak probeerde te vissen, voelde ik dat het niet fout zou gaan. Natuurlijk zouden ze me niet vergeten, we waren immers min of meer aan elkaar verwant nu, en ze zouden me uit duizenden herkennen als ze terug zouden komen, hoe lang dat ook nog zou duren. Ze zouden de hoofden van duizenden, miljoenen meisjes op hol brengen maar mij nooit vergeten omdat ik een vriendin van hen was en niet zómaar iemand. Als ze weer terug zouden zijn, zouden we ons weer verenigen en dan zouden ze van iedere dag een speciale maken, samen met ons, en ze zouden Autumn Leaves helpen aan de top te komen. We zouden apart opgroeien, maar ook samen, in elkaars hart, en het drong tot me door dat het niet erg was om afscheid van hen te nemen. Het bestond immers niet.
Het was niet het eind van de wereld.