Deel 13


Lief dagboek,

Ik weet dat ik lang niet meer geschreven heb, maar dat was omdat ik ook niets hád om over te schrijven. Iedere dag was het zelfde, gewoon naar school gaan en de dag doorkomen en voor de rest gebeurde er niets bewonderenswaardigs. Zonder de jongens gebeurt er gewoon niets dat de moeite waard is en ik mis hem ontzettend.
Een poosje geleden zijn er een hoop dingen veranderd als in een vingerknip, maar ik had niet de moed om erover te schrijven. Dat heb ik eigenlijk nog steeds niet. Het doet teveel zeer om het erover te hebben en ook om het op te schrijven, dus dat doe ik liever als het wat verder gezakt is. Misschien kan ik er volgende maand fatsoenlijk over praten, als de jongens weer terug zijn en ik met Georg gepraat heb.
We hebben trouwens een nieuwe kans op een platencontract. Dit jaar is er in Magdeburg een zelfde soort open podium als datgene waar Tokio Hotel ontdekt is. We doen dit jaar weer mee en hopen dat het ons dit keer wel lukt. Ik ben benieuwd…



Maandenlang had ik Tokio Hotel op televisie gevolgd in alles wat ze deden. Alle televisie-interviews en tv-optredens had ik bekeken en alles wat ik niet had kunnen zien, had ik opgenomen en later bekeken. Ik had alle tijdschriften gekocht, de artikelen verzameld in een mapje en een poster opgehangen op een plek die ik al eerder in gedachten had gehad. Ik zag de jongens iedere dag en had in principe gewoon het gevoel gehad dat ze bij me waren. Ik miste ze allemaal, stuk voor stuk, maar natuurlijk vooral Georg.
Ik belde anders dan hij me van tevoren voorspeld had vaak met hem, hij schreef me briefjes en ik stuurde lappen tekst terug. Sms’jes gingen over en weer, of hij nou in het binnen- of buitenland was en ik kreeg een heel lieve kaart van hem op mijn verjaardag, waar Tom, Bill en Gustav ook een berichtje op hadden geschreven. Het was een klein, maar ontzettend lief gebaar – vond ik – dat ze even drie seconden hadden vrijgemaakt om iets op mijn verjaardagskaart te schrijven. Ze waren me nog niet vergeten.
Ik had de verjaardagskaart heel vaak in mijn handen gehad en dan keek ik vooral naar de manier waarop Bills naam geschreven was. Het was heel snel geschreven, alsof hij heel kwaad was toen Georg hem gevraagd had zijn naam erop te schrijven, maar aan de andere kant had het ook veel rondingen alsof hij verdrietig was geweest en het met een zucht geschreven had. Pas nadat ik zijn naam voor de zeventiende keer bekeken had, zag ik dat het puntje op de I de vorm van een hartje had. Ik heb hem nooit gevraagd of hij dat expres had gedaan of niet.
Georg vertelde me dat het al beter ging tussen hen en Bill. Zonder mij erbij hadden ze geen reden om elkaar de hersens in te slaan en dus konden ze redelijk met elkaar overweg. Ze moesten immers wel, stonden avonden lang met elkaar op één podium en sliepen vaak in één kamer.
Iedere dag miste ik Georg een beetje meer. Vijf maanden duurden ontzettend lang als je op iemand moest wachten. Het leek, toen ik in die tijd leefde, alsof iemand een rem op alle klokken had gezet maar achteraf gezien kan ik me niet veel meer van die tijd herinneren omdat alle dagen hetzelfde waren en in mijn herinnering beslaat die tijd maar een heel klein stukje. Iedere avond lag ik in bed aan Georg te denken en stuurde hem nog een sms voordat ik mijn nachtlampje uit deed in een poging te gaan slapen, maar dat lukte me vrijwel nooit meteen. Ik vroeg me vaak af hoe de jongens het hadden samen, hun droom levend, met zijn vieren heel het land doorreizend en af en toe betrapte ik mezelf erop dat ik een beetje jaloers was. Ik gunde hen de kans, de ervaring, maar het moge duidelijk zijn dat ik Georg veel liever naast me had liggen.
Ik bracht veel tijd door met Julia en Fleur. Bij elkaar konden we ons ei kwijt wat betreft het leven-zonder-vriend (alleen Fleur viel dan een beetje buiten de boot, waarop Julia haar het voorstel deed gewoon haar liefde aan Gustav te verklaren en te zien wat ervan kwam. Fleur bloosde dan altijd en zei dat Julia daarmee op moest houden) en bovendien deden we heel veel leuke dingen samen. Zelfs huiswerk maken werd met Julia, Fleur en een reep chocolade een groot feest. Als ik Geschiedenis niet begreep, deed Julia de taferelen na met spullen uit de keuken (de rotte appels of bruine bananen speelden altijd de rol van Hitler of een andere historische zakkenwasser) en dan snapte ik het plots. Op mijn beurt hielp ik haar met het leren van Franse woordjes (s’exposer betekent blootstellen. Sex, hoor je?).
Het leven kabbelde rustig door. In mijn leven scheen het zonnetje, stond een rustig briesje en ik wachtte geduldig op het moment waarop Georg en de andere jongens terug zouden komen. In mijn geesteswereld zat ik op een rotsje uit te kijken op de zee, wachtend tot het schip van mijn dappere viking-man (ik gniffelde altijd bij het idee dat als Georg zo’n helm zou dragen, hij inderdaad wel iets weghad van een viking) weer terug zou keren, tot ik een stipje aan de horizon zou zien. Ik had gedacht dat we, Fleur, Julia, ik en de jongens, altijd bij elkaar zouden blijven, maar aan die droom kwam bruut een einde toen Julia op een zaterdagmorgen opeens in mijn slaapkamer stond.
“Heb je het gelezen?” brieste ze, wapperend met een tijdschrift dat ze in haar handen had. Ik kreeg de tijd niet om wakker te worden, want ze smeet meteen het blad in mijn gezicht waarna ik het oppakte en de cover bekeek. Ik zag meteen dat het eigenlijk niet eens meer nodig was om het bijbehorende artikel te lezen, want de schreeuwende kop en de foto’s spraken voor zich. ‘TH-boys gaan los!’, stond er, met daaronder een foto van Tom die zoende met een blond meisje. Daarnaast stond een kleinere foto van Georg, hand in hand met een meisje dat wel iets van mij weg had.
“Ze gaan vreemd!” gilde ze uit en plofte naast me op mijn bed. Ik was verlamd en bleef naar de foto’s kijken alsof het dansende schildpadden waren, hopend dat ik op een gegeven moment door zou krijgen dat ik dat meisje was, dat het een hele oude foto was, maar ik kon behalve de eerste indruk niets van mezelf in haar herkennen. “Ze bedriegen ons, Maren!”
Ik schudde zachtjes mijn hoofd en bleef de foto bekijken om daarna de bijbehorende pagina in het blad te zoeken. Daar stond de foto van Georg en het meisje opnieuw, maar dan groter, en ik zag meteen dat ik het niet was. Meteen voelde ik een soort van paniek door mijn lichaam gaan, alsof ik te horen kreeg dat het mijn laatste dag op aarde zou zijn en ik hoorde de dingen die Julia riep maar half. Terwijl ze doorraasde over ‘onbetrouwbare eikels’ en het feit dat ‘Toms slet op Nathalia leek’, probeerde ik het artikel te lezen, maar ik merkte al gauw dat ik niets in me opnam. Mijn aandacht bleef op de foto gericht, op hun handen die net zo verstrengeld waren als hij ooit met die van mij was geweest en opeens voelde ik me heel moedeloos.
“Maar, Juul,” zei ik op een gegeven moment zachtjes in een poging Julia van mijn argument te overtuigen zodat zij mij kon zeggen dat dat inderdaad waar was en dat Georg dus niet vreemd was gegaan. “Hij houdt alleen maar haar-”
Julia onderbrak me nog voordat ik mijn zin af had kunnen maken door het luid roepen van ‘nee’, waarna ze mijn handen pakte en me heel diep in mijn ogen aankeek alsof ze mijn dokter was en me vertellen ging dat ik heel snel dood zou gaan. Ze zei me dat het maar beter was als ik ervan uitging dat het zo was, want dan zou het immers alleen maar meevallen en ze voegde eraan toe dat ik geen idee had hoe kut zíj zich wel niet voelde omdat een foto van je vriend zóénend met een ander wel heel wat erger was dan een foto van je vriend die hand in hand liep met een ander. Voor mij was het allemaal één pot nat.
“Misschien is het wel gewoon ‘een’ vriendin!” probeerde ik.
“Heeft Georg vriendinnen in Berlijn?” vroeg ze meteen, haar ogen vurig als die van een kwade stier. Ze keek me aan op een manier waardoor ik me nog kleiner ging voelen dan ik al was, alsof ze een kracht had die me minimaliseerde met de seconde totdat ik op een gegeven moment net zo klein zou zijn als de huismijt in mijn matras.
“Weet ik niet,” moest ik toegeven.
Ik voelde me plots heel triest. Als ik Georg kwijt was, dan had ik in principe niets meer om op te wachten. Al die tijd had ik gewacht tot híj terug zou komen, al die dagen had ik doorgeworsteld omdat ik wist dat hij op een gegeven moment weer bij me zou zijn, maar nu drong het tot me door dat hij me inderdaad bedrogen had en dat dat onvergeeflijk was. Hij zou nooit meer bij me zijn.
“We moeten ze bellen,” concludeerde Julia na een korte stilte vastbesloten. “Ik moet weten hoe het zit. Wil jij alsjeblieft bellen?”
Ik stond perplex door haar directheid en ik denk dat dat aan mijn blik te zien was toen ik haar aankeek.
“Hoezo?” vroeg ik haar, en ik hoorde de instabiele ondertoon in mijn stem, alsof ik op dat moment al bang was voor het antwoord dat Tom me zou gaan geven.
“Als ik hem hoor, ga ik óf huilen, óf schreeuwen en dat wil ik niet,” riep ze uit. “Alsjeblieft, Maren. Serieus. Alsjeblieft.”
Ze keek me aan met en blik die zowel dwingend als vragend als smekend was en ik kon – ondanks mijn geschoktheid en angst voor de waarheid – gewoon niet weigeren. Ik zei Julia dat ze de telefoon maar even moest halen en in die paar seconden dat ik alleen was, voelde me ik vreemd en hol, alsof mijn ingewanden weggehaald waren. Toen ze weer terug kwam, toetste ze Toms nummer in en gaf ze de telefoon aan mij. Ik legde het ding tegen mijn oor en hoorde dat hij al overging. Twee keer. Drie keer. Ik luisterde naar die telkens terugkerende toon, vijf keer, en besefte me dat ik geen idee had wat ik moest zeggen als hij uiteindelijk op zou nemen.
“Hallo?” zei een stem na zeven keer overgaan. Ik herkende Tom, hoewel zijn stem lager was dan hij de laatste keer dat ik hem gesproken had was.
“Hoi,” zei ik zacht. Bij het horen van zijn stem, kon ik me gewoon niet voorstellen dat hij zoiets zou doen, dat hij één van mijn beste vriendinnen zoiets zou flikken. Hij klonk gewoon heel aardig, attent en – ja, tróúw, al was dat misschien niet het juiste woord. “Wie is dit?” hoorde ik Tom vragen met een gigantische hoeveelheid achterdocht in zijn stem, dezelfde hoeveelheid achterdocht die Julia en ik op dat moment in ons hadden. Ik vond het fijn om hem te horen, ondanks de reden waarom ik belde.
“Maren,” antwoordde ik kortaf. “Je weet wel. Meyer.”
“Oh – Maren! Hoi!” zei hij vrolijk, en dat toverde een lach op mijn gezicht. Ik keek echter weer ernstig toen ik me besefte dat het niet echt het moment was om te lachen. “Ik dacht dat je een fan was of zoiets!”
“Nee hoor,” antwoordde ik. “Hoe gaat het?”
Ik keek Julia, die naast me zat, aan en zag hoe ze naar me keek, alsof ik achterlijk was omdat ik niet meteen vroeg waarom hij was vreemdgegaan, omdat ik hem niet meteen begon uit te schelden alsof hij de halve wereld uitgeroeid had. Misschien had ik het zo moeten doen, maar zou was ik nou eenmaal niet.
“Prima,” antwoordde hij. “We hebben het druk…”
‘En wij weten nu waarmee,’ wilde ik eigenlijk zeggen, maar dat deed ik niet. Misschien zou het beter geweest zijn als ik het wel zo gedaan had, als ik hem gewoon geconfronteerd had met hetgeen dat we wisten en daarbij ook meteen duidelijk maakte hoe ik erover dacht, maar ik kon het niet. Tom klonk zo vrolijk, alsof er niets aan de hand was, en ik was een beetje bang voor zijn reactie. Misschien zou hij wel kwaad worden, misschien zou hij verdrietig worden of zou hij gaan schelden of zoiets. Ik had nog nooit eerder iemand opgebeld om hem te vragen of hij vreemdgegaan was, dus ik had geen idee hoe zo iemand zou reageren.
Ik had geen idee wat ik moest zeggen en dus viel er een stilte waarin ik Julia wanhopig aankeek, hopend op wat raad. Het enige dat ze deed, was boos en dwingend kijken.
“Eh, Tom?” begon ik met trillende stem.
“Ja?” vroeg hij, niet erg motiverend om door te vragen. Het klonk niet als een ‘ja, vertel verder’ maar meer als een ‘hou maar op’ en dat maakte dat ik het liefst de hoorn in Julia’s hand zou drukken. Ik deed het echter niet.
“Je – eh,” hakkelde ik verder. “Je weet toch dat je nogal gevolgd wordt door de paparazzi, hè, de laatste tijd?”
Ik weet dat het een klotebegin was om hem ermee te confronteren, maar ik was zo geschokt van het nieuws dat de creativiteit ver te zoeken was. Bovendien was het ook niet echt nodig om subtiel te zijn, vond ik, want we wisten dat hij schuldig was en waarschijnlijk zou ik hem toch nooit meer spreken na dat telefoongesprek. Niet als het aan mij lag, tenminste.
“Ja,” klonk het door de telefoon, een beetje geïrriteerd, alsof hij haast had en ik maar op moest schieten met mijn verhaal. Ik voelde de tranen achter mijn ogen branden omdat hij zo rot deed, maar ik drong ze weg en probeerde het vibrato in mijn stem onder controle te krijgen.
“Nou. We – eh – hebben. Foto’s. Gezien,” hakkelde ik. “In de Bravo.”
“Wie is ‘we’?” vroeg hij, vanaf toen meer nieuwsgierig dan geïrriteerd. Eigenlijk wilde ik niet verder vragen, wilde ik niet weten of het waar was, gewoon ophangen en het erbij laten, maar één blik van Julia was genoeg om me duidelijk te maken dat als mijn leven me lief was, ik de verbinding niet zou verbreken.
“Juul en ik,” antwoordde ik.
“Welke foto’s?” vroeg hij opnieuw. Ik werd gek van alle vragen die hij stelde, vooral omdat ik het liefst niet wilde antwoorden, maar werd door de persoon naast me gedwongen door te vragen. Me afvragend waarom ik het eigenlijk deed - want zíj was tenslotte degene die duidelijkheid wilde en niet ik, haalde ik diep adem.
“Die met dat blonde meisje,” zei ik razendsnel in één adem. Ik hoopte maar dat hij het verstaan had en dat hij me niet vroeg het te herhalen, want ik geloof niet dat ik daartoe in staat zou zijn. Er verspreidde zich een hol gevoel in mijn buik en ik pakte Julia’s hand vast toen ze aan mijn dekbed begon te pulken van de zenuwen.
“Oh,” was het enige dat hij zei. Ik wachtte tot er meer informatie zou komen, meer vragen, maar het bleef akelig stil. Ik keek Julia in haar ogen en verwachtte daar tranen te zien, maar in plaats daarvan zag ik dat ze brandden van woede. Ze keek me aan alsof ze een antwoord verwachtte, maar ik wist totaal niets en dat betekende dat ik verder moest vragen.
“Ontken je niet dat jij het bent?” vroeg ik hem daarom, met een knoop in mijn maag. Julia kneep mijn hand fijn en normaal zou ik dat pijnlijk vinden, maar op dat moment voelde ik het niet eens. Julia was belangrijk, en Toms antwoord, niet mijn hand.
Ik hoorde hem zuchten aan de andere kant van de lijn, alsof hij zijn hoofd in zijn handen legde of op bed ging liggen. Dat maakte dat ik mijn ogen sloot en voor me probeerde te zien hoe hij daar lag, hoe hij zich voelde en wat zijn reactie was, maar ik zag niets anders dan een grote zwarte leegte vergezeld van een stilte die net lang genoeg duurde om hem schuldig te achten. Toen ik me bedacht wat Julia zo ongeveer moest voelen op dat moment, kreeg ik een stoot adrenaline die een boos gevoel losmaakten en de tranen achter mijn ogen over liet lopen.
“Nee, sorry,” antwoordde hij zachtjes, een beetje gebroken misschien zelfs. “Zeg haar alsjeblieft dat het me spijt…”
Ik wendde mijn blik af naar Julia en probeerde die laatste woorden te zeggen, maar ik kreeg geen geluid meer uit mijn keel. Mijn lippen vormden de woorden maar Julia kon er geen wijs uit, te oordelen naar haar niet-begrijpende gezicht. Er viel een lange stilte die af en toe onderbroken werd door Tom, die aan de andere kant van de lijn vragend mijn naam zei. Ik stak de hoorn uit naar mijn vriendin, die hem furieus uit mijn hand griste.
“Geef me Georg,” zei ze, ook met een trilling in haar stem, maar niet omdat ze verdrietig was. Julia probeerde haar woede onder controle te houden jegens Tom, merkte ik, maar het lukte haar niet zo goed. Ik vond het min of meer vreemd om Julia daar boos over te zien in plaats van verdrietig, maar aan de andere kant paste het wel meer bij haar. Ik had nog maar zelden een huilende Julia gezien, waarvan de laatste keren die keren waren dat ze dácht dat Tom vreemd ging en de keer daarvoor waarschijnlijk was omdat een meisje in de zandbak haar emmertje had afgepakt. Dat zei wel iets over haar persoonlijkheid en over haar liefde voor Tom.
Aan de andere kant van de lijn hoorde ik Tom zacht protesteren en ik strekte me uit op bed toen Julia opsprong en haar stem het grote werk liet doen.
“Geef me verdomme Georg, klootzak!” schreeuwde ze zo hard dat ik durfde te zweren dat ik de lamp met de veeg zwarte nagellak aan het plafond zag trillen. In de stilte die daarna viel, ging Julia op mijn bureaustoel zitten en tikte ze furieus met haar nagels op het tafelblad. Ik sloot mijn ogen en bedekte mijn gezicht met mijn onderarmen.
“Ja, hoi,” hoorde ik haar op een gegeven moment zeggen en ik kroop onder mijn warme dekbed. “Ben jij ook zo’n gigantische kuthoer geweest of valt het wel mee met jou?”
Ik sloot mijn ogen en drukte mijn handen tegen mijn oren uit een poging niets te horen, maar Julia’s scherpe stem drong overal doorheen. Ze schold hem uit voor alles dat los en vast zat en dat was voor mij genoeg om een conclusie te trekken, waarna ik mijn ogen weer opende en mijn tranen de vrije loop liet.
Julia brak het gesprek abrupt af en ik voelde hoe het matras een beetje indeukte toen ze naast me op bed kwam zitten. Niet lang daarna trok ze mijn deken omlaag en streelde ze zachtjes mijn haar terwijl een leeg gevoel dat groter was dan de planeet Jupiter mijn binnenste opvulde. Ik sloot mijn ogen en trok mijn knieën op om me zo klein mogelijk te maken, mezelf te beschermen tegen de grote buitenwereld. Ik voelde geen emoties, helemaal niets.
De hele dag bleef ik in bed liggen. Julia was hem op een niet-nader-bepaald tijdstip gesmeerd zonder gedag te zeggen. De telefoon ging een paar keer over, maar ik wilde niet opstaan om hem op te nemen en had daar ook de kracht niet voor. Ik had zo’n mist in mijn hoofd, zo’n alles bedwelmende mist die me alleen maar liet huilen en me verder verlamd liet. Ik was kapot.
Op zondag kwam mijn moeder, die zaterdag niet thuis geweest was, om drie uur eens kijken waarom ik nog op bed lag. Ze vond me huilend en hongerig in mijn bed, vroeg me wat er aan de hand was en praatte daarna de hele tijd met me, knuffelde en troostte me en bakte die dag een gigantische chocoladetaart die we met zijn tweetjes tot de laatste kruimel opaten.
De dag daarna was het maandag en moest ik dus naar school. Toen ik er tijdens het eerste uur aan herinnerd werd dat we het tweede uur een toets Geschiedenis zouden hebben, besloot ik maar weer naar huis te gaan. Het regende.
De dag erna liep ik rond met een diepe wond, iets boven de binnenkant van mijn elleboog. Ik had me zo dood en doorzichtig en eenzaam gevoeld dat ik had willen controleren of ik nog wel leefde. Het bloed dat was opgeweld, had me op de één of andere manier rustig gemaakt, alsof het het bewijs was dat ik een mens was, dat mijn leven niet was opgehouden op die zaterdag.
Van de weken daarna weet ik nog vrij weinig door de verlamming die ik voelde, alsof ik constant onder invloed van alcohol was. Mijn liefde en verdriet om Georg verminderde al gauw door hulp van Fleur en Julia, maar hij verdween nooit helemaal. Waarschijnlijk had ook Georg een wurgplant in mijn binnenste laten groeien en had ik alles daarvan kunnen verdelgen, behalve het beetje onkruid dat er nog van over was. Ik miste hem, maar had geen idee of ik hém miste of dat ik het miste om van iemand te houden. Het leek allemaal al weer zo lang geleden.
Ik stortte me op school en op de muziek. De band was een soort van uitlaatklep voor me geworden, omdat behalve het feit dat ik er mijn emotie (of eerder het gebrek daaraan) in kwijt kon, ook samen met mijn vriendinnen kon zijn zonder dat ik ergens over hoefde te praten.
Julia praatte juist heel veel om alles te verwerken. In de eerste plaats was ze natuurlijk kwaad op Tom, maar aan de andere kant had ze ontzettend veel van hem gehouden en dus kon het niet anders dan dat ze ook heel erg verdrietig was. Ze hield ervan agressieve nummers te spelen, hatelijke nummers, omdat ze daar haar kwaadheid in kwijt kon. Mudshovel van Staind was één van haar favorieten, hoewel we daar altijd alleen maar de muziek van speelden omdat ik niet die mannelijke rauwheid in mijn stem had.
Ondertussen leefde ik verder, hoewel iedere dag voor mijn gevoel een strijd op leven en dood was. Ik keek geen televisie meer, las geen tijdschriften meer, zette de radio niet meer aan en leefde zodoende net zo transparant als ik me voelde. Het enige dat ik nog van Tokio Hotel had, was de megaposter in mijn kamer, maar dat deerde me niet meer. Ik had geleerd hem te negeren.
Naarmate de tijd verstreek, werd het warmer en lichter buiten. Mijn hoofd werd ook iets lichter, maar er bleef een dunne nevel in hangen, zo’n voorjaarsmist die je aan het eind van de winter altijd boven de weilanden ziet hangen voordat het vee er weer in mag. Het was bijna april, de maand waarin jonge dieren geboren werden en dingen weer gingen groeien en bloeien. De liefde tussen Georg en mij zou echter nooit meer opbloeien. Die was voor eeuwig dood.

Het was ergens tussen eind maart en begin april toen Fleur en ik op school, leunend tegen de muur, over Gustav aan het praten waren. Ik was de laatste tijd zo met Georg en Tom bezig geweest, dat ik de andere twee jongens eigenlijk vergeten was. Of nee, dat lieg ik. Ik had aan Bill gedacht, de afgelopen paar weken, aan hoe graag ik hem eigenlijk wilde spreken en hoezeer ik hem gemist had de afgelopen maanden. Ik dacht aan wat ik had weggegooid toen ik me op Georg gestort had en meer van dat soort dingen die ik het daglicht liever niet liet aanschouwen.
Fleur belde heel veel met Gustav, vertelde ze, maar bleef beweren dat ze nog steeds niets voor hem voelde. Stiekem vond ik dat best jammer, want ze pasten goed bij elkaar: ze konden overal met elkaar over praten en het bovendien fantastisch goed met elkaar vinden. Als ze ooit nog gevoelens voor elkaar zouden krijgen, dan zouden ze trouwen en nooit meer uit elkaar gaan. Daar was ik heilig van overtuigd.
Toen Julia uiteindelijk aan kwam lopen, vertelde ze ons met een brede grijns op haar gezicht dat we opnieuw een kansje hadden op een platencontract, zwaaiend met een foldertje dat ik herkende als dat van het open podium in Magdeburg, dat net zoals het jaar daarvoor ook dit jaar weer zou plaatsvinden. Fleur en ik kapten ons gesprek meteen af en Fleur begon meteen enthousiast te praten over het jaar daarvoor, toen ze haar beste vriend ontmoet had. Toen ik Julia’s gezichtsuitdrukking zag, wist ik meteen dat ze die dag had bestempeld als de zwartste bladzijde uit haar hele leven.
“Ze stellen weer dezelfde voorwaarden als vorig jaar,” zei Julia uiteindelijk om Fleurs relaas af te kappen. “Twee liedjes, waarvan één in het Duits en één nummer akoestisch moet zijn…”
Ik knikte bedenkelijk. Het jaar daarvoor was het ook gelukt, dus dat jaar zou het niet veel moeilijker worden. Het enige probleem zou het vinden van geschikte liedjes zijn. Het instuderen ging meestal makkelijk omdat we zo goed op elkaar ingespeeld waren en we allemaal beschikten over een muzikaal gehoor.
Na een tijdje vroeg ik op welke datum het hele gebeuren plaats zou vinden en toen wist Fleur te melden dat het op de dag was dat de jongens terug zouden komen van de tour. Op dat moment was er een pijnlijke stilte gevallen en hadden Julia en ik pijnlijke blikken gewisseld. Ik wilde er niet aan denken hoe het zou zijn om Georg opnieuw te zien na al die tijd en na de dingen die in de tussentijd gebeurd waren. Het liefst zou ik een rups zijn, mezelf in een cocon wikkelen en daar pas uit komen tegen de tijd dat ik een vlinder was om mijn vleugels te spreiden en weg te vliegen naar ergens waar het beter was.
Twee dagen later lag ik op mijn bed met de telefoon tegen mijn rechteroor gedrukt en belde ik met iemand die ik voor mijn gevoel al een eeuwigheid had moeten missen: Bill. Ik had Fleur gevraagd via Gustav aan Bills nummer te komen zodat ik kon bellen om te vragen of hij en de andere jongens zin hadden om te komen kijken in Magdeburg. Fleur had nog voorgesteld om het gewoon via Gustav te vragen, maar ik vond dat het wel eens tijd was om weer eens contact met Bill op te nemen. Het kon overkomen alsof ik met hangende pootjes naar hem terug kwam nadat het fout was gegaan met Georg, maar dat boeide me niet zo. Ik had in die tijd nogal het gevoel dat ik toch niets meer te verliezen had.
Ik had hem dus gevraagd om bij ons te komen kijken en hij had direct enthousiast gereageerd. We hadden het over de tijden en hij zei dat hij niet zeker wist of hij tien voor half negen wel kon halen omdat hij rekening moest houden met de files richting de stad.
“Ik zal het proberen, oké?” zei hij uiteindelijk. “Ik kan echt niets beloven…”
Ik glimlachte en zei dat ik dat begreep, dat ik op hem zou wachten. Pas toen ik het al gezegd had, kreeg ik door dat daar nogal een dubbele betekenis achter hing en blijkbaar had hij dat ook gehoord, want er viel opeens een stilte die niet eens zo ongemakkelijk was. Het leek alsof we beide nadachten over die laatste zin, alsof hij mij probeerde te begrijpen terwijl ik van mezelf ook niet begreep waarom ik het gezegd had.
“Hoe gaat het nu eigenlijk met je?” vroeg hij, de stilte verbrekend met de klank van zijn zachte stem. Ik deed net alsof ik zijn vraag niet begreep terwijl ik donders goed wist waar hij het over had, omdat ik mezelf had aangeleerd het onderwerp te behandelen alsof het niet bestond. Hij antwoordde dat hij bedoelde hoe het met me ging na al dat Georg-gedoe en dat bevestigde mijn vermoedens. Het onderwerp was aangesneden en het deed me zeer te horen dat zijn stem heel gekrenkt klonk. Als ik hem geweest was, zou ik mezelf nooit vergeven omdat dat soort dingen nou eenmaal onvergeeflijk waren. Dat deed je mensen, en zeker mensen zoals hij, gewoon niet aan.
“Het gaat wel weer beter,” zei ik, en stond zuchtend op van mijn bed. “Ik heb wel het gevoel dat ik er overheen ben. Het zou kunnen dat het keihard inslaat als jullie terug zijn.”
“Of niet,” vulde hij aan.
Ik beet op mijn lip en liet een korte stilte vallen waarin ik de poster-Bill even diep in zijn ogen keek alsof ik verwachtte dat hij zou gaan bewegen, van het papier af zou stappen en weer bij me zou zijn. Ik hoopte dat ik door zijn papieren versie aan te kijken, kon overbrengen dat het me speet zonder dat ik het uit zou hoeven spreken.
“Of niet, nee…” antwoordde ik, waarna er weer een stilte viel. Ik liep naar mijn poster toe, liet mijn ogen van Georg naar Bill glijden en weer terug, strekte mijn vingers uit en raakte op het papier even Georgs wang aan. Daarna keek ik de poster-Bill weer aan in de ogen die ik maar al te goed kende en voor mijn gevoel al miljoenen keren van dichtbij gezien had. Ik kreeg een brok in mijn keel en vocht tegen de tranen in mijn ogen. Ik vroeg mezelf af van wie ik in godsnaam hield.
Bill was geweldig. Ik vond het geweldig hoe vergevingsgezind Bill was, dat hij gewoon weer met me kon praten alsof ik hem nooit pijn had gedaan en hoe hij zomaar kon zeggen dat het gebeurde er niet meer toe deed. Ik zou het nooit zo hebben kunnen doen als hij, er gewoon zand over gooien en het proberen te vergeten voor zover dat ging en dat maakte dat ik diep respect voor hem had. Bill zat heel diep bij me, maar ik wist dat ik hem kwijt zou zijn als ik hem nog één keer zo zou behandelen als ik gedaan had in het verleden. Ik was ontzettend kwaad op mezelf, haatte mezelf erom dat ik zo’n lieve jongen zó had kunnen bedonderen en vond eigenlijk dat ik het niet verdiende om een tweede kans te krijgen. Dat nam echter niet weg dat ik er enorm blij mee was.
“Zeg, Bill,” vroeg ik hem op een gegeven moment, mijn ogen nog steeds op de poster gericht. “Ben je er ooit boos over geweest?”
Hij liet een stilte vallen en ik denk dat hij dat expres deed, zodat hij me langer in spanning liet en me liet denken dat hij inderdaad kwaad op me was. Gedurende die hele stilte hield ik mijn adem in, bang voor het antwoord, en ik liet het pas ontsnappen toen hij ‘nee’ zei.
“Dat wil zeggen – niet op jou,” voegde hij eraan toe. “Ik was wel kwaad op Georg, weet je wel. Ik bedoel – jij kon er niet echt iets aan doen, maar Georg wist wat ik voor je voelde en hij heeft je gewoon – of ja, zo zie ik het – van me afgepakt. Dat flik je vrienden niet, vind ik. Ik voelde me wel genaaid door hem.”
Ik glimlachte stil en genoot van de stilte die er viel. Bill was niet kwaad op me, hij was het zelfs nooit geweest en ik begreep van zijn kant dat hij kwaad was op Georg. Ik zou het Julia ook nooit hebben kunnen vergeven als ze mijn grote liefde voor mijn neus weggekaapt had, dus eigenlijk vond ik het knap dat ze nog met elkaar in de band zaten. Ik had echt respect voor de jongen aan de andere kant van de lijn.
We lieten de stilte zoals hij was en luisterden naar elkaars ademhaling. Ik had een glimlach op mijn gezicht en voelde niet de behoefte iets te zeggen, want al het belangrijke was gezegd. De antwoorden die ik had willen hebben, had ik gekregen en hij had me vergeven, waar ik ontzettend blij om was. De stilte was voor mijn gevoel perfect zo, want we waren bij elkaar en konden iets zeggen als we wilden, maar dat was gewoon niet nodig. Bill en ik voelden elkaar perfect aan en wisten wanneer we moesten spreken en wanneer niet. Het was het er gewoon de tijd niet voor.

Inmiddels kwamen de meiden en ik hopeloos in tijdnood omdat we nog steeds geen idee hadden welke nummers we gingen spelen. We konden natuurlijk dezelfde nummers doen als het jaar ervoor, maar dat zou niet bijster origineel zijn en bovendien was het dan ook geen uitdaging meer om te gaan oefenen. We kenden die nummers van buiten en het zou leuker zijn om weer eens iets nieuws te brengen.
Na schooltijd waren we met Fleur mee naar huis gegaan en tot etenstijd hadden we op de koude vloer van de garage gezeten om twee nummers te bedenken waarvan er één Duits was en er ook één akoestisch moest zijn. Ik had Julia nog even om het foldertje gevraagd en had daarop gelezen dat het ook een mogelijkheid was om een Duits akoestisch nummer te spelen en dat het nummer in de andere taal dus niet per se unplugged hoefde te zijn.
Tegen de tijd dat ik mijn kont niet meer voelde vanwege het lange zitten en ik op was gestaan omdat ik naar huis moest voor het avondeten, waren we uiteindelijk op een nummer gekomen dat Fleur graag wilde doen: Iris, van de Goo Goo Dolls. Ik had geprotesteerd door te zeggen dat het voor mij onmogelijk was om zo laag te zingen, maar Fleur zei dat we het nummer best een halve toon hoger konden spelen en dat het probleem daarmee opgelost zou zijn. Ook probeerde ik hen ervan te overtuigen dat het heel erg moeilijk was om een Duits akoestisch nummer te vinden, maar Julia kwam met het simpele idee een ‘gewoon’ Duits nummer unplugged te spelen. Ik had niet willen toegeven dat ik het eigenlijk gewoon een rotnummer vond en dus had ik me na die twee argumenten maar bij hun beslissing neergelegd.
Tegen de tijd dat ik thuis zat, op mijn kamer, met mijn gitaar op mijn schoot, wisten we nog steeds niet welk Duitse en welk akoestische liedje we gingen uitvoeren. Er waren allerlei titels de revue gepasseerd die varieerden van Nena tot iemand waarvan ik de naam niet meer wist. Na een poosje waren we toch het nummer van vorig jaar maar weer gaan doen, totdat Fleur zei dat ze dat tóch maar níét wilde en we weer op de grond waren gaan zitten om verder te denken. Een andere mogelijkheid was om zelf een nummer te schrijven en dat uit te voeren, maar niemand kon dat en dus viel dat meteen al af.
Beneden hoorde ik mijn moeder bellen met die achterlijke vriend van haar, waar ze al vaker zat dan dat ze thuis was. Ze zei me telkens dat hij me graag wilde ontmoeten, wat ik dan afdeed met een kort ‘oh’. Ik wilde hem niet ontmoeten. Ik wilde niet weten waar mijn moeder me waarschijnlijk mee op ging schepen. We hadden het altijd zonder een man in huis gered en ik begreep gewoon niet waarom dat opeens wel nodig was.
Ik bestudeerde de poster die nog altijd aan de muur hing en vroeg me af of ik nog van Georg hield, of ik hem nog terug zou willen of dat ik het wel goed vond zo, na die paar maanden dat we samen waren geweest. Ook vroeg ik me af of ik van Bill gehouden had, of ik op dat moment van hem hield en waarom de dingen in godsnaam gelopen waren zoals ze gelopen waren. Ik had op dat moment nog geen idee van de dingen die me nog te wachten stonden, van de dingen die mijn ogen zouden openen en me zouden laten beseffen wat ik verkeerd had gedaan.
Ik pingelde maar wat, speelde Iris en probeerde de tekst uit mijn hoofd te leren, iets waar ik normaal gesproken totaal geen moeite mee had. De zaken lagen echter anders doordat mijn hoofd al vol zat met andere dingen, waaronder Bills woorden en – ja, eigenlijk gewoon Bill in zijn geheel. Bill in het algemeen, vooral in combinatie met mijn schuldgevoel en de behoefte iets te vinden om het goed te maken. Alles dat ik bedacht, was echter niet goed genoeg en al gauw had ik de conclusie getrokken dat er geen mogelijkheden bestonden om het goed te maken.
Fleur en Julia dachten dat mijn pishumeur aan Georg lag. Ze probeerden me er nog iedere dag van te overtuigen dat hij een lul was, tevens de allergrootste fout die ik ooit gemaakt had maar ik was daar zelf nog niet zo zeker van. Ik werd werkelijk waar helemaal gek van mezelf, wist niet wat er wel waar was en wat niet, kon mijn gevoelens niet meer rangschikken en me wegwijs maken in de allesoverheersende chaos in mijn hoofd. Ik werd er doodmoe van.
Toen ik weer opnieuw wilde beginnen met Iris, viel mijn blik opnieuw op de poster. Bill, met zijn lieve piekerige haar, Gustav met zijn teddybeer-achtige koppie, Tom met die verleidelijke blik in zijn ogen (‘Hoe vaak zou hij die blik gebruikt hebben?’ schoot het door me heen) en Georg met zijn sluike bruine haar. Hij zou er waarschijnlijk heel anders uit zien, maar daar had ik geen idee van omdat ik me daar gewoon niet meer mee bezig had gehouden, de afgelopen maanden. Man, wat had ik me in hem vergist. Ik had gedacht dat hij echt van me hield, na al die moeite die hij voor me gedaan had, maar blijkbaar had hij zoveel mogelijk meiden af willen werken voordat hij oud en lelijk zou worden. Het moment daarna pakte ik, zonder mijn kwade blik van Georgs papier-ogen af te wenden, mijn telefoon en toetste het nummer van Fleur in. Ik had opeens een geniaal plan voor een Duits, akoestisch nummer.