Deel 14


Lief dagboek,

Gisterenavond heb ik eindelijk de jongens weer gezien. Het gaf me echt een vreemd gevoel, vooral omdat het was op de plek waar we hen een jaar geleden ontmoet hebben, als in een flashback of zoiets, opgezogen door tijd en ruimte. Georg is niet meegekomen, de schijtluis, maar ik had genoeg aan de andere drie jongens en ik heb het heel erg gezellig gehad, die paar uur.
Ik denk niet dat het ooit nog goed komt tussen Julia en Tom. De details ken ik niet, maar als Julia ‘klootzak’ naar iemand roept, dan is dat meestal niet erg positief.
Het optreden ging trouwens geweldig. Ik kan me geen beter gevoel voorstellen dan wat ik voel als ik op het podium sta. Die adrenaline, man, dat is geweldig. Het gevoel dat je onaantastbaar bent, ongrijpbaar voor de rest van de wereld en tegelijkertijd zo kwetsbaar. Dat alles fout kan gaan als je één verkeerde beweging maakt, als er maar één dingetje niet gaat zoals gepland. Je zweeft, en ook al is dat aan een zijden draadje, je zweeft dan toch.



Op zaterdag plantte ik mezelf al vroeg op de bank met een bak sla. Voor de verandering zouden we die dag niet met zijn allen kleding passen, want Fleur had één of ander familiefeest en Julia moest noodgedwongen leren omdat haar leraar gedreigd had haar ouders op te bellen als ze geen voldoende zou halen voor het volgende proefwerk. Ik vond het wel beter zo, want tenslotte had ik sinds korte tijd een litteken op de binnenkant van mijn arm waar de meiden niets vanaf wisten en dat hield ik liever zo.
Ik had op vrijdagmiddag mijn beide gitaren naar Fleur gebracht, want zij moest daar (gezien zij degene was die ons had opgegeven) al om half 8 zijn om de spullen klaar te zetten. Ik zou wat later gaan, met de bus, want ik moest op mijn moeder wachten voor het eten omdat ik zelf niet kon koken en zij was weer bij haar vriend. Ik baalde ervan dat ik op dat moment geen gitaar meer had, want ik verveelde mezelf zo te pletter dat ik de televisie aanzette op een muziekzender en wachtte tot Tokio Hotel voorbij zou komen, telkens blikken op de klok werpend om de seconden af te tellen.
Ik probeerde dat gevoel van de vorige keer te herinneren, hoe verschrikkelijk zenuwachtig we toen waren geweest en hoe we ons als stomme pubers gedragen hadden. Vreemd genoeg was ik totaal niet zenuwachtig terwijl onze kansen groter waren dan het jaar daarvoor en ik een nummer ging zingen dat me totaal niet lag. Ik vroeg me af of dat zenuwachtige gevoel misschien kwam doordat een zeker Godspersoon me toen ingefluisterd had dat ik een paar jongens zou ontmoeten die mijn leven op zijn kop zouden zetten. Achteraf lijkt me dat best aannemelijk.
Ik schrok me dood toen ik mijn telefoon af voelde gaan, zo geconcentreerd had ik naar de televisie gestaard. Razendsnel zette ik de bak sla op tafel, slikte het voedsel dat ik nog in mijn mond had door en diepte mijn telefoon op uit mijn broekzak. Het voelde alsof ik vacuüm gezogen werd toen ik het woord ‘onbekend’ zag staan.
Ik nam op en noemde verwachtingsvol mijn naam. Nog geen nanoseconde later hoorde ik Bills stem en toen voelde ik mezelf helemaal week worden, nog steeds met het gevoel dat ik iets goed te maken had. Aan het geruis op de achtergrond hoorde ik dat hij in de auto zat en ik geloofde zelfs dat ik Tom hoorde praten met Georg, waardoor ik meteen een misselijk gevoel kreeg. Het onkruid van de Georg-plant in mijn lichaam was nog steeds niet verdwenen, want ik had de verdelger nooit kunnen vinden. Bill zei me dat hij waarschijnlijk op tijd zou zijn omdat hun chauffeur (ik voelde een steek van jaloezie) verwachtte dat er niet al te veel files zouden staan. Hij belaadde me met een hele hoop informatie die ik in een korte tijd moest verwerken en toen hij me vroeg of hij backstage zou kunnen komen, duurde het drie seconden voordat ik doorkreeg dat het een vraag geweest was. Ik antwoordde dat ik dat niet wist, maar dat het waarschijnlijk geen probleem zou zijn om één enkel persoon backstage te laten. Vier zou moeilijker zijn.
“Ik zeg wel dat ze Bill Kaulitz door moeten laten, goed?” vroeg ik hem. “Je heet toch Kaulitz?”
Hij lachte kort en ik sloot mijn ogen om voor me te zien hoe dat eruit moest zien. Bij dat beeld kreeg ik een glimlach op mijn gezicht en ik voelde hoe ik nog veel weker werd van binnen.
“Klopt,” antwoordde hij. “En ik zal zeggen dat ik voor Maren kom, van Autumn Leaves. Wat is jouw achternaam ook al weer?”
“Meyer,” antwoordde ik, en vertelde hem dat het misschien makkelijker zou zijn als hij zijn cupidoshirt aan zou trekken. De bewaak-man zou waarschijnlijk niet in staat zijn een naam te onthouden, maar misschien was de print van een T-shirt makkelijker te onthouden.
“Ik heb het al aan,” zei hij met een stemgeluid waaraan ik kon horen dat hij grijnsde. “Bij wijze van – nou, ja, je weet wel.”
Toen was het mijn beurt om te grijnzen. Ik begreep wat hij bedoelde: toen ík een uur geleden in een blauwe spijkerbroek en een beha voor mijn kast had gestaan om een shirt uit te zoeken, was ik ook bij cupido uitgekomen. Ik heb geen idee om welke reden dat precies was, maar ik vermoed dat het was omdat ik hem wilde laten zien dat ik hem niet vergeten was.
Alsof ik dat ooit zou kunnen.

In de namiddag begon het als een gek te regenen. Ik was totaal verontwaardigd, want de weerbericht-mensen hadden het niet eens voorspeld en waarschijnlijk zou er geen hond naar ons komen kijken als de regen met bakken naar beneden viel. Ik bleef telkens naar buiten kijken, hopend dat het op zou houden voordat ik naar buiten moest, maar de druppels bleven op de ramen beuken en dat maakte dat ik gigantisch chagrijnig werd.
Mijn bui verbeterde niet toen ik in de schemering naar de bushalte kuierde, met een zwarte paraplu met kattenoren waardoor enkel mijn sokken nat werden. Ik geloof dat het algemeen bekend is dat allstars niet bepaald waterdicht zijn. Als klap op de vuurpijl was de bus ook nog eens te laat, waardoor mijn schoenen op een gegeven moment overstroomden en ik mijn tenen niet meer voelde. Toen de bus uiteindelijk aankwam, klapte ik mijn paraplu in en sprong naar binnen zodra de bus zijn deuren opende. Ik stempelde het vereiste aantal strippen af en liep door het gangpad naar achteren, vergezeld door een soppend geluid dat uit mijn schoenen kwam. De toch al kletsnatte vloer waarover ik liep, bevuilde ik nog iets meer en ik plofte uiteindelijk neer op een stoel achter een oude man met een geruite pet en een wandelstok. Met de mouw van mijn jas veegde ik het beslagen raam schoon, zodat ik tussen de regen door naar buiten kon kijken. Ik zette de kraag van mijn jas omhoog, zakte onderuit en duwde het oortje van mijn MP3-speler wat steviger in mijn oor.
Toen de bus snel optrok, flitste er een misselijk gevoel door mijn maag. Hoewel ik niet zo zenuwachtig was als het jaar ervoor, was ik toch een beetje nerveus, maar het zou niet goed zijn als dat niet zo was. We hadden al een jaar niet meer opgetreden en het was dus best griezelig om opeens weer op de bühne te staan, voor een plein vol met mensen. Hoewel, dacht ik, als het zo zou blijven regenen, zou er waarschijnlijk niemand komen en dan speelden we gewoon alleen voor de regen en de hemel en de stenen van het plein.
Ik pakte mijn smaakloze kauwgompje uit mijn mond en plakte het onder de zitting van mijn stoel. De borden gaven al aan dat Magdeburg niet zo heel erg ver weg meer was en dat betekende (ik zuchtte klaaglijk toen ik het me besefte) dat ik alweer bijna de regen in moest. Mijn schoenen hadden de kans nog niet eens gehad om op te drogen.
Ik schrok op toen er opeens een man naast me stond en blijkbaar tegen me sprak. Ik had echter mijn muziek op en had dus enkel zijn lippen zien bewegen. Snel trok ik de oortjes met één ruk aan het snoer uit mijn oren en ik excuseerde me ten teken dat ik zijn vraag niet verstaan had, maar dat ik best bereid was hem te beantwoorden.
Hij glimlachte, waardoor hij rimpeltjes bij zijn ogen kreeg. Hij moest een jaar of veertig zijn, schatte ik snel, misschien iets ouder. Zijn donkere haar werd al wat grauwer en ik bespeurde zelfs al wat grijze plukken, maar zijn gezicht sprankelde nog van jeugdigheid. Zijn huid was gebronsd, hij had een rode blos op zijn wangen en op zijn kin lag een donkere zweem: een stoppelbaard die die morgen niet geschoren was.
“Mag ik naast je komen zitten?” vroeg hij. Zijn stem was een beetje hoog voor een man van die leeftijd, of in ieder geval hoger dan je zou verwachten. Ten onrechte dacht ik dat hij homo was, maar ik schopte die gedachte meteen weer uit mijn hoofd. Het was niet eerlijk om zo te denken. Ik was een slecht mens.
“Natuurlijk!” antwoordde ik met een stralende glimlach die alle nervositeit moest verhullen en ik maakte de plaats naast me vrij door mijn paraplu van de stoel te halen. De man kwam naast me zitten, met zijn knieën tegen elkaar en een koffertje op schoot. Hij was vast zo’n kantoormuts die de hele dag koffie dronk en nu, dacht ik, moe van al dat bellen en drinken, weer terug naar zijn perfecte huisje ging.
“Waar ga je naar toe?” vroeg hij.
Ik moest een zucht onderdrukken. Niemand scheen aan mij te kunnen zien wanneer ik wel of geen behoefte had aan een gesprek. Ik kon niet goed tegen nieuwsgierige mensen, waarschijnlijk vooral omdat ik er zelf één was, en dan vooral als het ook nog onbekenden waren.
“Magdeburg,” antwoordde ik kortaf, maar ik schonk hem een klein glimlachje om hem te laten weten dat ik echt niet zo slecht was als ik me voordeed. Hij kreeg meteen een grote grijns op zijn gezicht en hij deed me zo denken aan een figuur uit een film die ik pas gezien had.
“Aha!” riep hij uit alsof hij een idee bedacht had om Aids te genezen. Op dat moment schoot ik bijna in de lach, want ik had nog nooit iemand gezien die zó nichterig op een plaatsnaam kon reageren, zelfs niet de mensen waarvan ik wist dat het écht homo’s waren. “Ik ook. Ik woon daar.”
Ik zweeg met mijn hand voor mijn mond zodat hij de kleine glimlach op mijn gezicht niet kon zien. Voornamelijk hield ik mijn mond om hem te laten zwijgen, maar ook omdat ik niets meer te zeggen wist. Bovendien borrelden de zenuwen weer in mijn buik, want ik zag Magdeburg al liggen als ik uit het raampje keek. Daar zou het allemaal gaan gebeuren, opnieuw. We kregen opnieuw de kans om aan een platencontract te komen en dat was iets dat ik eigenlijk toch wel graag wilde, gezien ik geen idee had wat ik anders met mijn leven aan moest vangen.
Toen we de stad in reden, viel het me op dat het al minder hard regende dan eerst: de druppels tikten nog wel zachtjes tegen het raam, maar beukten in ieder geval niet meer en dat was een hele verbetering. Ik moest de eerste bushalte hebben en dus ging ik alvast rechtop zitten. Toen ik mijn voeten op de grond plaatste, voelde ik water tussen mijn tenen door sijpelen.
“Ik heet trouwens Albert,” zei de man terwijl de bus al begon te remmen en ik half opstond, wat een soppend geluid maakte. “En jij?”
Weer die lach, weer die rimpeltjes rond zijn ogen. Vroeger was het vast een hele mooie jongen geweest, bedacht ik me, aanbeden door tientallen meisjes die allemaal zelfmoord hadden gepleegd of zoiets toen hij bekend had dat hij stiekem al jaren homo was en een al net-zo-knappe-vriend in Wolmirstedt had.
“Maren,” zei ik met net zo’n zelfde glimlach – ik hoop zonder rimpels.
Meteen klaarde zijn gezicht weer op en deed hij weer net alsof hij hét medicijn van de wereld zojuist uitgevonden had, wat mij weer bijna in de lach deed schieten. Hij deed me denken aan een verstrooide uitvinder en zou zo een tekenfilmfiguur kunnen zijn.
“Oh! Dat is toevallig,” riep hij uit. “Mijn-”
“Sorry, meneer, maar ik moet er hier uit,” moest ik hem onderbreken omdat de deuren al open gleden en hij nog steeds niet opgestaan was om mij eruit te laten. Ik had geprobeerd niet te geïrriteerd te klinken, maar ik geloof niet dat het gelukt was. Uit het veld geslagen stond hij op om mijn er langs te laten. Nog ‘doei’ naar hem roepend klapte ik mijn paraplu open en liep de regen in. Ik stopte mijn strippenkaart diep in mijn broekzak zodat ik hem in ieder geval niet zou verliezen en ging in de richting van het plein waar het open podium het jaar ervoor ook had plaatsgevonden. Het viel me op dat er maar weinig mensen op straat waren en dat vond ik jammer, want ik vond het niet leuk om voor niets op het podium te staan, om voor niets een nummer te zingen dat ik niet eens leuk vond.
Het werd al langzaam donker, zag ik toen ik mijn blik op de lucht wierp, maar dat kon ook zijn omdat er nog steeds donkere wolken boven Magdeburg hingen. De lucht kleurde langzaam paars en rood, de winkels om me heen waren allemaal al gesloten, en dat gaf me het idee dat ik in een soort van spookstad liep, vooral ook omdat er niemand anders op straat rondliep.
Op een gegeven moment merkte ik dat de regen niet meer op mijn paraplu tikte en toen klapte ik hem maar in, omdat het er anders redelijk vreemd uit zou zien. Toen ik naar de hemel keek, zag ik dat de al ondergaande zon een dappere poging deed om door de donkere wolken te breken en ik voelde de neiging om heel breed te grijnzen. Alleen de aanblik van de zon al maakte me warm van binnen.
Plotseling hoorde ik muziek. Na een snelle blik op mijn horloge zag ik dat het derde bandje bezig moest zijn, want het was vijf voor acht. Pas toen ik de bocht om ging, zag ik het podium en de mensen op het plein. Het was niet zo druk als de vorige keer, maar toch drukker dan ik gedacht had en het schoot door me heen dat áls Bill al zou komen, dat ik hem dan nooit zou kunnen vinden in de drukte.
Ik liep naar het gordijn dat de menigte van de geïmproviseerde backstageruimte scheidde en ging naar de man die ik nog herkende van de vorige keer. Ik zei mijn naam en dat ik in Autumn Leaves speelde. Zonder iets te zeggen schoof hij het gordijn voor me opzij, zodat ik de chaos erachter kon zien: overal lagen muziekinstrumenten en tassen, hopen kleding en allemaal mensen die zaten te roken of zenuwachtig praatten. De ruimte was afgedekt met een groot, oranje zeil, dat een vreemd licht op het tafereel wierp.
Voordat ik naar mijn twee vriendinnen wilde lopen, die ik in het midden zag zitten, vroeg ik de man nog of wanneer er een jongen kwam met hetzelfde shirt kwam als ik, hij hem alsjeblieft door wilde laten. Hij bestudeerde mijn shirt even kort met zijn kraaloogjes, glimlachte toen en knikte bij wijze van antwoord. Daarna liep ik naar mijn vriendinnen toe, die me enthousiast begroetten toen ik in kleermakerszit naast hem kwam zitten na gecontroleerd te hebben of de grond wel echt droog was en ik greep naar mijn gitaar. We oefenden Iris nog één keer, want dat was het nummer waar we de meeste problemen mee hadden – over het andere was ik inmiddels zeker.
Ik vroeg hen of ze zenuwachtig waren na het laatste akkoord afgebroken te hebben, en ze schudden beide hun hoofd.
“Eigenlijk niet,” zei Fleur met een zucht, en ze voegde er aan toe dat dat best vreemd was omdat onze kansen vergroot waren: we waren immers beter geworden en de besten van het jaar ervoor zouden niet meer meedoen omdat die inmiddels optraden voor een miljoenenpubliek. Ook Julia zei dat ze niet echt zenuwachtig was, ook al had ze die avond de kans Tom weer te zien, als hij het lef zou hebben om ook te komen, en ik kon dat beamen. Ik zou weer oog in oog met Georg kunnen staan, maar ik had daar niet zoveel problemen mee. Ik wist toch wel dat ik hem kon weerstaan.
Op een gegeven moment hoorden we een gigantisch applaus en een bedankje van de band op het podium. Daarna kwamen ze het trapje aflopen en stond een groepje meiden in hotpants op om hun plek in te nemen. Na die groep kwam er nog één en daarna zouden wij zijn. Ik hoopte dat Bill nog even backstage zou komen om me een hart onder de riem te steken, want dat had ik ergens wel nodig, voelde ik opeens. Ik had hem gemist.
Ik richtte mijn blik op het gordijn en zag het silhouet van de brede man door het gordijn schijnen door de lampen die overal om het plein heen stonden. Hij was alleen, niet met Bill en langzaam maar zeker begon ik te twijfelen of ik wel de juiste tijd door had gegeven of dat Bill niet toevallig had gezegd dat ze niet zouden kunnen komen. Meteen schopte ik die gedachte weer uit mijn hoofd, want ik wist zeker dat hij gezegd had dat hij dacht dat ze er op tijd zouden zijn: ik kon het telefoongesprek telkens weer afspelen in mijn gedachten, zo goed als ik het onthouden had. Ik vervloekte op dat moment alle files in heel Duitsland.
In mijn hoofd was een tweestrijd aan de gang die me uitputte. Ik verlangde naar Bill, dat was duidelijk, maar ik had geen idee waarom. Het klopte niet dat ik Georg zo gemakkelijk kon laten vallen na die maanden dat ik van hem gehouden had – als ik al wel van hem gehouden had. Het klopte niet dat ik hem behandelde als een vuilniszak die ik gewoon buiten bij de deur zette, hoewel hij mij precies op diezelfde manier behandeld had. Ik had geen idee van wie ik gehouden had, of van wie ik op dat moment hield.
“Hierna zijn wij,” verbrak Fleur mijn gedachtestroom afwezig, starend in het niets.
Julia maakte een geluidje waaruit Fleur kon opmaken dat haar zin gehoord was, maar ik zweeg. Ik dacht na.
Ik vroeg me af of ik wel echt verliefd op Bill was geworden door die sms’jes. Natuurlijk had het eraan bijgedragen, maar misschien was het wel zo dat ik me meer aangetrokken had gevoeld tot hem door de manier waarop hij lachte, door hoe mooi zijn ogen waren, door alle andere dingen aan hem. Georg had natuurlijk ook mooie dingen gehad, mooie aspecten in zijn gezicht, mooie armen en dan hadden we het natuurlijk nog niet eens over hoe lief hij was, maar ik had geen idee of het wel te vergelijken viel. Ik kon hen wel naast elkaar zetten en al hun positieve en negatieve punten tegen elkaar wegstrepen, maar dan kwam ik ook niet tot een conclusie die er toe deed. Waarschijnlijk zouden ze beide net zo positief uit de bus komen, behalve dan misschien op één puntje: er had er maar één van die twee met groupies in bed gelegen en dat was niet Bill geweest.
Ik kon er geen wijs meer uit, snapte mezelf niet. Als er iemand was die al mijn vragen kon beantwoorden, dan zou ik daar heen gaan zijn, ongeacht waar ter wereld dat was. Ik wilde duidelijkheid. Orde scheppen in de chaos, zoals God dat met de wereld gedaan had.
Tegen de tijd dat we het podium op moesten, was Bill nog steeds niet backstage geweest en had ik nog geen conclusie getrokken over voor wie ik mijn Duitse akoestische nummer ging zingen.
Op het podium stonden een drumstel en twee microfoons, ervoor een joelende mensenmassa. Ik maakte mijn hoofd leeg, zette mijn verstand op nul en plakte een grijns op mijn gezicht terwijl ik mijn gitaar om mijn nek hing. Toen ik naar de microfoon stuiterde en Fleur en Julia alles aan liet sluiten terwijl ik zelf het publiek begroette, zag ik dat het niet meer regende.
“Hoi Magdeburg!” riep ik, en kreeg een luid gejuich als antwoord. Ik lachte en voelde de adrenaline vrijkomen. Het pompte door mijn aderen toen ik merkte dat het geluid dat het publiek maakte voorlopig niet minder zou worden. Mijn oren gonsden, piepten en suisden. “Wij zijn Autumn Leaves! Onthoud die naam!”
Mijn vriendinnen stonden op nadat ze alles correct hadden aangesloten en Fleur kwam zo ongeveer naast me staan, achter een tweede microfoon omdat zij de achtergrondzang verzorgde, nadat ze haar basgitaar had opgepakt en om haar nek had gehangen. Julia sprong gauw achter haar drumstel en haalde de drumstokken uit haar kontzak, waarmee ze nog iets kunstigs deed voordat ze uiteindelijk aftelde en we het nummer inzetten.
Meteen toen het eerste geluid door de versterkers klonk, voelde ik me wonderbaarlijk licht, alsof ik op zou stijgen als ik een flinke hap lucht zou nemen, alsof ik onder water was. Het publiek joelde toen ik de eerste noot zong en hoewel de muziek niet helemaal klopte, ging het veel beter dan de keren die we daarvoor nog geoefend hadden. Ik werd totaal high door het enthousiasme van het publiek en stuiterde over het hele podium heen als ik niets te zingen had zodat ik mijn overbodige energie even kwijt kon.
Halverwege het nummer zag ik Gustav lopen, daarachter Tom en daarachter iemand waarvan ik maar aannam dat het Bill was omdat ik zijn shirt niet kon zien. Hij zag er heel anders uit dan hoe ik hem me herinnerde, dan hoe hij er vroeger uit zag: zijn haar was langer, hijzelf was qua lengte de lucht in geschoten en zijn ogen waren, voor zover ik dat kon zien van die afstand, anders opgemaakt. Ik zocht naar een vierde man, Georg, maar die was nergens te bekennen. Ik voelde een soort van triomf in mijn borst wat de adrenalinekick nog maar eens versterkte, want dat betekende dus dat hij waarschijnlijk niet gedurfd had. De eikel.
Ik bleef het groepje met mijn ogen volgen terwijl ze zich een weg door het publiek baanden. Toen ze wat dichter bij het podium stonden, kon ik op een gegeven moment zien dat het inderdaad Bill geweest was, want ik herkende zijn shirt. Mijn ogen ontmoetten die van hem en hij glimlachte stralend, wat mij mijn ogen af liet wenden en ik zong het nummer uit.
Het applaus was oorverdovend. Voordat ik mijn gitaar om ging ruilen voor mijn akoestische, zag ik hoe Gustav zijn duimen opstak naar Fleur en hoe zij stralend glimlachte en hetzelfde terug deed. Ik pakte een krukje, zette het voor de microfoon neer en ging vast zitten terwijl twee mensen die bij het Open Podium hoorden voor twee extra microfoons ter versterking van de gitaren zorgden. De laatste microfoon was voor Julia, die met de geïmproviseerde kindersurprise-ei-dingen op de laatste kruk naast mij kwam zitten.
“Degene voor wie deze is,” zei ik zachtjes in de microfoon, min of meer hopend dat het onhoorbaar zou zijn, “die weet dat zelf wel…”
Julia gaf het teken door drie keer met het ding te schudden, en toen vielen Fleur en ik in.

Das Fenster öffnet sich nicht mehr
hier drinnen ist’s voll von dir und leer
und vor mir geht die letzte Kerze aus.
Ich warte schon ’ne Ewigkeit
endlich ist’s jetzt soweit
da draußen ziehen die schwarzen Wolken auf.


Ik voelde hoe de adrenaline langzaam uit mijn lichaam lekte alsof de woorden die ik zong een kraan open hadden gezet. Binnen in mij verspreidde zich een gevoel van leegte die meteen opgevuld werd door emoties die ik niet kon benoemen. Ze verwarden me, gaven me het gevoel dat ik totaal weerloos was. In tegenstelling tot het zwevende gevoel van even daarvoor, voelde ik me op dat moment alsof ik nooit meer zou kunnen vliegen.

Ich muss durch den Monsun
Hinter die Welt
Ans Ende der Zeit
bis kein Regen mehr fällt
Gegen den Sturm
am Abgrund entlang
und wenn ich nicht mehr kann denk ich daran
Irgendwann laufen wir zusammen
Durch den Monsun
Dann wird alles gut


Bill of Georg, Bill of Georg. Ik snapte mijn eigen gevoelens niet, snapte niet waardoor ik zo snel over Georg heen kon komen. Misschien dácht ik alleen maar dat ik over hem heen was, maar zouden mijn gevoelens weer als een blikseminslag terug komen als ik hem in zijn ogen zou kijken, als ik zou beseffen wat ik zou moeten missen als ik hem niet vergaf en niet gewoon met hem doorging alsof er niets gebeurd was.

Ein halber Mond versinkt vor mir
war der eben noch bei dir
Und hält er wirklich was er mir verspricht.
Ich weiss das ich dich finden kann
Hör’ deinen Namen im Orkan
Ich glaub’ noch mehr dran glauben kann ich nicht.


Ik voelde tranen branden achter mijn ogen, maar vocht ze terug. Weer dacht ik aan wat ik Bill had aangedaan, de pijn en chaos die ik binnen de band veroorzaakt had en opeens voelde ik mezelf heel egoïstisch. Ik was voor mezelf gegaan, terwijl ik eigenlijk niets met beide jongens had moeten beginnen, omdat dat ten koste ging van de band. Als de verhalen over Bill die Georg me over de telefoon verteld had waar waren, dan was de situatie tussen hen niet bepaald goed en ik had dat kunnen voorkomen door simpelweg mijn handen thuis te houden.

Ich muss durch den Monsun
Hinter die Welt
Ans Ende der Zeit
bis kein Regen mehr fällt
Gegen den Sturm
am Abgrund entlang
und wenn ich nicht mehr kann denk ich daran
Irgendwann laufen wir zusammen
Weil uns einfach nichts mehr halten kann
Durch den Monsun


Het was de bedoeling dat ik precies door zou zingen zoals Bill dat deed in het origineel, maar de hoge tonen die ik op dat moment moest produceren, kreeg ik niet uit mijn strot. Ik slikte de brok in mijn keel weg en haalde diep adem in een poging de wurgplant in mij te verdelgen, maar het mocht niet baten. Toen ik de bridge begon te zingen, stonden de tranen van verdriet, verwarring, angst en paniek in mijn ogen.

Ich kämpf mich durch die Mächte
hinter dieser Tür
werden sie besiegen und dann
führen sie mich zu dir

Tussen alle mensen vonden mijn ogen die van Bill. Ik knipperde mijn tranen weg en probeerde hem een glimlachje te schenken toen hij dat ook deed, maar mijn spieren deden niet wat ik hen wilde laten doen. Het was een wereldwonder dat ik nog kon spelen en zingen tegelijk, zo op de automatische piloot en ik was bang dat als ik aandacht zou besteden aan hetgeen dat ik speelde, dat ik dan opeens niets meer zou weten en dat ik stil zou vallen, waarna er een onoverbrugbare stilte zou vallen en al onze kansen bekeken zouden zijn. Hetzelfde was het geval met het feit dat het huilen me nader stond dan het lachen: als ik mijn tranen niet in bedwang zou kunnen houden, dan zou het afgelopen zijn met onze toekomst als band. Dan zou ik ook nooit meer willen spelen.

Dann wird alles gut
Dann wird alles gut
Wird alles gut
Alles gut


Op een gegeven moment ging ik zelfs geloven in wat ik zong, al wist ik niet voor wie het bedoeld was. Zong ik het nummer voor Georg omdat ik hem miste of zong ik het voor Bill om mijn fouten goed te maken en te laten weten dat ik hem ook miste? Ik bleef piekeren terwijl ik zong en speelde en ik vond het een wonder dat dat allemaal tegelijk ging, dat ik niet opeens mijn gedachten begon te zingen, hoewel dat Bill misschien een hoop meer duidelijk zou maken dan enkel het nummer.

Ich muss durch den Monsun
Hinter die Welt
Ans Ende der Zeit
bis kein Regen mehr fällt
Gegen den Sturm
am Abgrund entlang
und wenn ich nicht mehr kann denk ich daran
Irgendwann laufen wir zusammen
Weil uns einfach nichts mehr halten kann
Durch den Monsun
Durch den Monsun


Ik voelde hoe mijn stem in duizend stukjes brak en de tranen welden op uit mijn ogen. Mijn blik vertroebelde terwijl ik probeerde niet met mijn ogen te knipperen omdat de tranen dan uit mijn ogen zouden rollen, en ik slaagde erin mijn wangen droog te houden.

Dann wird alles gut
Durch den Monsun
Dann wird alles gut.


Terwijl de eerste kleine traan over mijn wang rolde, nam ik het applaus in ontvangst. Ik slikte de brok in mijn keel weg en bedankte het publiek met een soort van trilling in mijn stem, die daar waarschijnlijk gekomen was door het teveel aan emoties dat ik op dat moment voelde.
Ik ontmoette Bill achter het podium. Na het nummer, tijdens het applaus dat we gekregen hadden, had hij met weinig handgebaren duidelijk kunnen maken dat hij naar achteren zou komen. Ik had geglimlacht ten teken dat ik het begrepen had. Durch den Monsun was sowieso al een emotioneel nummer en het werd zo mogelijk nog erger met al die verwarrende gevoelens die ik erbij voelde.
Ik viel hem om de hals en drukte mijn hoofd tegen zijn schouder. Hij omarmde me warm en ging met zijn vingers zachtjes door mijn haar, wat mijn ademhaling deed kalmeren. Ik liet alles gaan, alle tranen die ik had bedwongen tijdens het laatste nummer en Bill kalmeerde me door zachtjes over mijn rug te gaan en ‘stil maar’ te fluisteren. Ik voelde dat we bekeken werden, tientallen blikken brandden in mijn rug, maar ik gaf er niets om. Ik was bij Bill en dat was alles dat telde. Hij zou me begrijpen, alle onzekerheden wegvagen, er altijd zijn om een arm om me heen te slaan als ik me rot voelde of het moeilijk had. Ik zou hem nooit meer laten gaan.
En terwijl ik daar stond, zo dicht bij Bill dat ik die oude, vertrouwde geur kon opsnuiven, doemde in mijn hoofd een beeld van Georg op. Hij vervaagde al, langzaam maar zeker, maar het litteken op mijn arm deed dat niet. Ik zou Georg misschien vergeten, maar niet hoe rot ik me om hem gevoeld had. Daar zou dat litteken me aan blijven herinneren, en ook aan het feit dat ik kwetsbaar was. Ik was niet zo onaantastbaar als ik zou willen zijn.
Ik zou Bill zoveel willen vragen over Georg – wanneer hij voor het eerst was vreemd gegaan, hoe vaak hij was vreemd gegaan, waarom hij me zoveel pijn had gedaan, of hij wel van me gehouden had, of hij onze relatie wel als serieus beschouwd had, waarom Bill me niet had verteld dat Georg me bedrogen had en zo waren er nog wel een aantal dingen, maar het was de tijd er niet voor. Eerst zouden we lol maken, bijpraten over de gezellige dingen die we in de tussentijd hadden meegemaakt en daarna kwam het moeilijke gedeelte pas. Ik had geen zin in een serieus gesprek op dat moment en voor hem gold waarschijnlijk het zelfde.
Hij vroeg me zachtjes voor wie ik het nummer gezongen had en omdat ik geen idee had, zweeg ik wijselijk. Misschien had Bill wel een vriendin, bedacht ik me, had hij zich uiteindelijk over me heen kunnen zetten en was ik veel te laat met de gevoelens die ik weer voor hem kreeg. Ik had geen idee wat hij op dat moment voor me voelde, want het enige houvast dat ik had, was dat uiterst vage sms’je dat ik van Julia gekregen had, waarin stond dat hij me ‘waarschijnlijk’ nog niet vergeten was. Er spookten allerlei vragen door mijn hoofd waar ik graag antwoord op wilde en iets zei me dat dat ook gauw zou gaan gebeuren. Bill wist waarschijnlijk veel van alles wat zich op en af hun podium had afgespeeld en hoeveel mensen in welke hotelkamers geweest waren. Dat gaf me een beetje rust. Binnen niet al te lange tijd zou er orde komen in de chaos in mijn hoofd.

We feestten de hele avond. Voor de deelnemers van het open podium was het bier gratis en dus zorgde ik de hele avond voor Bills bier. Eindelijk had ik de kans om hem terug te betalen voor al die keren dat hij voor mij betaald had. Ik bedacht me met een grijns dat ik Georg gewoon nooit terug zou betalen voor al het bier dat hij betaald had: eigen schuld, dikke bult.
Na ons vierde biertje keek ik eens om me heen om te kijken of ik Julia of Fleur nog ergens kon bekennen. Toen dat niet het geval bleek, keek ik op mijn horloge en zag dat het half 10 was. Ik had nog vier en een half uur om hen te vinden en dat leek me wel genoeg. Ze konden niet heel ver weg zijn.
“Wil je nog een biertje?” vroeg ik aan Bill terwijl we onze plastic glazen in de daarvoor bestemde vuilnisbak deponeerden. Ik keek naar hem en kwam er daardoor bij toeval achter dat zijn profiel prachtig was. Toen keek hij me aan.
“Ja, graag,” antwoordde hij met een glimlach.
Na hem na die vijfde ook nog een zesde glas gebracht te hebben, maakten we ons los uit de massa. De welbekende boem-boem-stamp-muziek was begonnen en we wilden graag van voor het podium weg voordat we plat ge-boem-boem-stamp’t zouden worden. We zochten een plekje aan de rand van het plein en vonden een bankje waar de muziek vrijwel onhoorbaar was. Ik ging zitten, maar Bill maakte het zich gemakkelijk en ging languit liggen, met zijn hoofd in mijn schoot.
Ik voelde me meteen een beetje ongemakkelijk, wist niet waar ik mijn handen laten moest, dus plantte ik ze maar naast mijn lichaam op het bankje. Bill vouwde zijn handen op zijn buik en sloot zijn ogen, waardoor ik eens ongegeneerd zijn gezicht kon bestuderen, dat in principe nog hetzelfde was. Hij was enkel overduidelijk ouder geworden. Zijn haar was langer en onttrok de tatoeage in zijn nek van het zicht. Ik wilde het aanraken, betasten, kijken hoe hij daarop reageerde, maar ik durfde niet. Voor mijn gevoel zou dat vreemd zijn, ook al was ik al een maand of twee vrijgezel. Ik had het gevoel dat ik hem vanaf toen voorzichtiger moest behandelen na dat van het jaar daarvoor, want ik had nog altijd iets goed te maken.
Plotseling opende hij zijn ogen waardoor we kort oogcontact hadden en ik gauw mijn blik afwendde alsof ik hem niet had zitten begluren, maar natuurlijk had hij me door.
“Waar keek je naar?” vroeg hij met een nieuwsgierig glimlachje. Mijn blik werd aangetrokken door zijn mee-lachende ogen, die glommen in het licht van een lantaarnpaal die niet heel ver van ons vandaan stond. Ik deed mijn mond open om iets te zeggen maar er schoot me niets te binnen en dus klapte ik hem maar weer dicht. Gegeneerd wendde ik mijn hoofd af.
“Ben je écht nooit boos op me geweest?” vroeg ik hem ter vervanging van een antwoord.
“Nee,” zei hij resoluut, maar ik geloofde hem niet echt. “Kijk me eens aan.”
Dus dat deed ik. Ik keek hem diep in zijn schitterende ogen, verdronk erin, liet me erdoor opzuigen. Hij had ogen die een mens konden boeien, die een mens konden vastketenen in het moment en ze pas weer losliet als hij met zijn ogen zou knipperen. We knipperden geen van beide.
“Ik ben nooit boos geweest op jou. Het was een groot misverstand en het is begrijpelijk dat je voor Georg koos omdat je gevoelens voor mij kreeg vanwege die sms’jes en zo. Dat zei Georg. Kijk, natuurlijk had ik het leuk gevonden als het anders was gelopen maar het is nou eenmaal gebeurd en je kunt niet veranderen wat gebeurd is. Het is jouw schuld niet.”
Nog steeds hadden we niet geknipperd en zo langzamerhand kreeg ik het gevoel dat Bill me aan het hypnotiseren was. Ik vroeg me af wiens schuld was het dan verdomme wel was, als hij vond dat ik er niets aan had kunnen doen. Die van Georg? Die van God?
Ik voelde hoe Bill mijn hand pakte, maar ik was me er niet echt van bewust. Ik had het gevoel alsof mijn geest heel ergens anders was dan op aarde, alsof ik aan het doodgaan was en mijn ziel mijn lichaam vast verlaten had. Ik voelde me net zo als toen ik hoorde dat Georg was vreemdgegaan, heel transparant en doorzichtig, alsof ik van buiten mijn lichaam naar mezelf kon kijken, alsof ik boven mezelf zweefde.
“Zullen we volgend weekend samen iets gaan doen?” vroeg Bill. Toen ik geschrokken opkeek, voegde hij er ‘ik bedoel gewoon als vrienden’ aan toe. Mijn mond vormde zich tot een glimlach.
“Ja, lijkt me leuk,” antwoordde ik, en stelde voor om te gaan winkelen, waarna hij breed grijnsde en mijn ogen met die van hem naar zich toe trok.
“Natuurlijk. Winkelen is altijd goed.”
Ik zweeg en liet de stilte haar werk doen. We bleven een tijdje zo zitten, mijn hand in die van Bill, zijn hoofd in mijn schoot. Ik keek in het niets, in een verte die er niet was, want ik voelde me steeds zo ongemakkelijk als hij oogcontact maakte. Opgelaten bijna. Ik voelde de gehele tijd dat hij probeerde mijn blik te vangen, mijn ogen naar zich toe te trekken, maar ik bleef stug vooruit kijken. Ik negeerde hem, maar het kostte me vreselijk veel moeite.
Plotseling voelde ik het gewicht uit mijn schoot verdwijnen en werd mijn hand losgelaten. Toen ik keek, zag ik dat Bill zijn lange benen uitstrekte en overeind kwam. Hij gaapte en ging met zijn hand door zijn haar, waardoor mijn hart smolt: hij zag eruit als een hele lange, uitgerekte knuffelbeer.
“Kom, we gaan weer terug,” zei hij, en hij stak zijn hand uit om me overeind te trekken. Ik vroeg hem waarom terwijl ik mijn hand in die van hem legde en hij trok me overeind, wat een beetje fout ging omdat er opeens een licht gevoel door mijn hoofd schoot, ik even wankelde en omviel. Gelukkig was daar Bill, die me vastgreep voordat ik de grond raakte. Net als in de film. Ik veegde een verdwaalde haarlok achter mijn oor terwijl hij me weer recht trok en ik besloot maar gewoon verder te praten alsof er niets gebeurd was. Ik hoopte dat mijn hoofd niet al te rood was en vervloekte ieder cliché dat me die avond al overkomen was. Bill liet me los en wenkte me mee te komen.
“Omdat er daar allemaal platencontract-mensen rondlopen,” antwoordde hij terwijl we samen richting het plein liepen, “En die zoeken zich waarschijnlijk helemaal suf naar jou…”
Ik glimlachte en ging naast hem lopen, met een respectabele afstand tussen ons in. Aan de ene kant hoopte ik dat hij mijn hand weer zou pakken, maar aan de andere kant wilde ik dat ook weer niet en zo werd ik heen en weer geslingerd tussen mijn verlangens.
Toen we terugkwamen op het plein, zag ik Julia met een uitgestreken gezicht op een bankje zitten. Ik liep al in haar richting om haar te vragen wat er aan de hand was maar deinsde terug toen ik zag dat Tom met net zo’n gezicht naast haar zat. Bill botste tegen me op, waardoor ik schrok en me gauw omdraaide. Ik moest direct even stilstaan omdat het opnieuw zwart werd voor mijn ogen en ik voelde dat Bill mijn polsen vastpakte.
“Niet omvallen,” zei hij, en verstevigde zijn greep.
Ik zei niets totdat het zwart weer wegtrok en ik Bills gezicht weer kon onderscheiden van alles er omheen. Ik maakte hem duidelijk dat hij om moest keren en toen hij niet-begrijpend terugkeek, duidde ik met mijn hoofd op het bankje waar zijn broer met mijn vriendin zat. Toen Bill het zag, knikte hij met een scheef glimlachje en trok me mee naar een bankje waarvandaan we hen min of meer ongezien konden bespioneren. Hij liet zich op het bankje zakken en trok mij bij hem op schoot voordat ik kon tegenstribbelen. Ik had geen idee wat ik ervan moest vinden: was het een poging tot het creëren van een close vriendschap of was het een versiertruc?
Ik sloeg mijn arm om zijn nek (om stabiel te zitten, verder zat er niets achter) en bestudeerde Julia, die zenuwachtig heen en weer schoof over de houten zitting van het bankje. In haar ogen brandde een laaiend vuur dat gedoofd dreigde te worden door tranen die zich opmaakten voor vertrek naar buiten. Ik had geen idee wat Julia voelde op dat moment; haat, liefde, spijt of verdriet. Ik zag enkel dat ze het vreselijk moeilijk had.
“Is het waar van Tom en die vijfentwintig meisjes?” vroeg ik afwezig zonder mijn blik van het stel op de bank af te wenden en pas na het stellen van mijn vraag, wendde ik mijn gezicht naar Bill, die mijn blik onmiddellijk vast ankerde in de zijne. “Zoiets las ik ooit ergens…”
Bill glimlachte ongeïnteresseerd en haalde zijn schouders op.
“Ik heb geen idee of het er zoveel zijn. Misschien zijn het er inmiddels veertig, misschien zijn het er tien. Ik heb geen idee, sorry…”
Ik knikte en haalde mijn ogen weer van zijn hem af. Julia zat nog steeds onbeweeglijk op het bankje, met haar handen in haar jaszakken terwijl Tom haar iets uitlegde en probeerde tot haar door te dringen. Diep van binnen juichte ik voor Julia, want ik vond het ontzettend knap dat ze hem, na alles wat ze samen meegemaakt hadden, gewoon buiten kon sluiten.
Toen het tafereel me begon te vervelend, keek ik tussen de mensenmassa door om te zien of er misschien platencontract-mensen in rondliepen, maar ik kon er geen ontdekken. Alleen een grote meute springende boem-boem-stamp-muziek-liefhebbers in korte rokjes en pooierkleding. Niemand die eruit zag alsof hij een bandje zocht.
Ik wilde Bill net vragen of hij misschien al iemand gezien had maar nog voordat ik mijn mond open had getrokken, schrokken we op door een luide uitroep van Julia die Tom uitschold voor klootzak en Bill en ik zagen beide dat Julia Tom met de vlakke hand in zijn gezicht mepte, om hem daarna ontgoocheld achter te laten. De springende menigte had het – gelukkig voor hem – niet opgemekt maar Bill en ik maar al te goed. We staarden met grote ogen naar het tafereel, benieuwd naar wat Tom ging doen en toen Tom opstond en onze richting uit kwam lopen, deden Bill en ik net alsof we het heel druk met elkaar hadden en niets hadden gezien van Toms vernedering.
“Zeg, Bill,” zei Tom schoorvoetend toen hij bij ons stond. We keken op van ons nepgesprek, Bill en ik, en zagen een verschrikkelijk zielige Tom staan. Ik weet dat ik geen medelijden met hem zou moeten hebben omdat ik vond dat Julia het juiste gedaan had, maar geloof me: als je Tom met een beteuterd gezicht naast je hebt staan in iets dat op een te grote pyjama lijkt als er nachtlicht op valt, dan kun je niet anders dan medelijden hebben. Het was net alsof hij ’s nachts wakker was geworden door een nachtmerrie en naar zijn ouders kwam omdat hij niet meer kon slapen. Ik was vertederd, maar mocht het niet zijn.
“Ja?” zei Bill vragend terwijl hij zijn arm om mijn onderrug legde. Meteen kroop er een tintelend gevoel over mijn ruggengraat, wat me de rillingen gaf.
“Ik – eh…” zei Tom, die zijn handen diep in zijn zakken gestoken had en naar de grond keek terwijl hij met zijn voet een plastic glas vertrapte. Toen hij zijn linkerhand naar boven verplaatste en zijn wang lichtjes aanraakte, keek hij mij eerst vluchtig aan. Daarna verplaatste hij zijn aandacht naar Bill. “Ik ga naar huis toe. Dus dan weet je waar ik ben als je me zoekt…”
Bill glimlachte medelijdend.
“Prima. Welterusten.”
“Ja, jij ook alvast,” zei hij. “En jij ook, Maren…”
Hij stak zijn hand op en keerde zich om nadat ik mijn mondhoeken opgetrokken had. Bij het vertrek kon hij het niet laten om een harde trap tegen een blikje te geven zodat het met een luide klap tegen een muur terecht kwam en onwillekeurig dook ik een beetje in elkaar.
“Ik geloof niet dat Julia hem nog terug wil,” zei Bill bedachtzaam op een vrolijk toontje zodra Tom uit het zicht was.
“Hij haar wel dan?” vroeg ik nieuwsgierig. Ik wilde best weten wat Bill van de hele situatie afwist, omdat hij de enige was voor wie Tom een open boek was en hij dus de aangewezen persoon was om te vertellen wat Tom zover gedreven had om met een ander meisje te zoenen of misschien zelfs nog meer. Ik besefte echter toen Bill antwoordde met ‘geen idee’ dat het nog niet echt de tijd was om ons bezig te houden met de relatie tussen Tom en Julia. We hadden het nog te druk met onszelf.