Deel 17
Lief dagboek,
Nu de zomer er weer aan komt en de jongens nog steeds bezig zijn met de tour, zie ik Bill zo vaak mogelijk en dat is vrij weinig. Het gaat heel erg goed tussen ons: ik heb het gevoel dat ik iedere dag nog verliefder op hem word terwijl ik iedere dag daarvoor al denk dat ik op het toppunt zit. De hysterie van de eerste maand is al wat gezakt en maakt nu plaats voor een gevoel dat ik veel fijner vind: ik denk dat ik vanaf nu officieel kan zeggen dat ik van hem hou. Ik ben niet echt zeker over zijn gevoelens voor mij, want ik heb geen idee of hij ze óf niet uitspreekt, óf gewoon niet voelt en dat maakt dat ik me vaak onzeker voel.
Ik geloof trouwens dat Albert een blijvertje is. Mijn moeder is nog vaker weg dan eerst en hij komt ook heel vaak bij ons over de vloer. Ik ga hem steeds meer mogen en aan hem wennen: die homotrekjes merk ik nu – in tegenstelling tot in het begin – niet eens meer op. Ik zie wel een stiefvader-kandidaat in hem: volgens mij krijg ik echt alles van hem gedaan en is hij totaal niet streng. Met hem zou ik het best nog een aantal jaar vol kunnen houden hier.
Het was al bijna mei. Langzaam maar zeker werd het steeds warmer en het einde van het schooljaar kwam in zicht. Op de momenten dat Bill optrad of ergens in een studio zat, werkte ik keihard om de rotcijfers uit mijn post-Georg-periode op te halen en in de tijd dat hij vrij was, was ik bij hem. Ik genoot van ieder moment met hem, ik genoot van iedere seconde.
Ik volgde Tokio Hotel weer, op televisie en in de bladen en ieder programma waarin ze te zien waren, nam ik op. Al gauw had ik een hele collectie videobanden van mijn vrienden, zodat ik die later, over een jaar of tien, weer eens kon bekijken. Ik zag hoe Bill straalde, hoe hij genoot van de aandacht en hoe vrolijk hij was, altijd en overal. Hij was verliefd. Op mij, en op mij alleen.
Het was op een zaterdag toen ik bij Bill thuis was en we samen op bed lagen. Ik luisterde naar zijn hartslag en hij kriebelde met zijn vingers zachtjes over mijn onderrug, wat kippenvel over mijn hele lichaam verspreidde terwijl ik het aangenaam warm had. Het was weer één van die momenten die ik op pauze wilden zetten en wilde beleven tot in de eeuwigheid, zo heerlijk in zijn armen liggen en horen hoe zijn hart rustig bonkte. Als ik dit moment op pauze zette, dan zou het voor altijd blijven kloppen. Hij zou nooit sterven.
“Bill,” verbrak ik de stilte op een gegeven moment.
Met een kort geluidje van zijn lippen maakte hij duidelijk dat hij luisterde, ook al bleef hij bewegingsloos liggen, met zijn ogen gesloten. Ik schoof zijn T-shirt een stukje omhoog en streelde de huid van zijn heupen, die heerlijk zacht aanvoelde, als een babyhuid. Ik hield van het gevoel van zijn huid, van het gevoel van zijn aanraking. Ik hield van alles van hem.
“Nou,” begon ik, nog steeds luisterend naar zijn hart terwijl ik met mijn vingers over zijn buik gleed. “Een poos geleden zei je bij de bushalte dat je al heel lang verliefd op me bent, hè?”
Weer maakte hij zo’n kort geluid en vreemd genoeg maakte dat me zenuwachtig. Ik had liever gehad dat hij gewoon stil geweest was, dat ik het vertelde met de gedachte dat het ook kon zijn dat hij sliep en dat ik het dus makkelijker kon vertellen.
“Nou,” vervolgde ik, en ik tilde mijn hoofd op van zijn borst om het naast het zijne neer te leggen, zodat ik hem aan kon kijken als hij zijn ogen zou openen. “Hoe lang is dat al?”
Hij glimlachte sereen en kwam met zijn hoofd dichterbij het mijne terwijl hij zijn hazelnootkleurige ogen opende, zodat onze neuzen bijna tegen elkaar aan kwamen en zijn ogen opeens heel wazig te zien waren.
“Vanaf het moment dat ik je voor het eerst in de ogen keek,” zei hij zacht, en kwam nog dichterbij. Voordat ik er erg in had, voelde ik zijn mond op die van mij en maakten we kort contact. Daarna legde hij zijn arm om me heen en trok me tegen hem aan om zijn hoofd in mijn nek te begraven. Ik ging met mijn hand door Bills haar. Volgens mij was alles aan hem zacht, van zijn stem tot zijn huid en zijn aanrakingen. Zijn geur was eveneens zacht, zijn karakter was zacht, zijn manier van doen was zacht en hij had een zacht, klein hartje. Ik hield van hem.
Ik haalde het moment terug dat hij me voor het eerst in de ogen gekeken had, op dat geïmproviseerde bankje achter het podium waar alles zou gaan gebeuren. Fleur, Julia en ik waren doodzenuwachtig geweest en Bill had een gesprek met ons aangeknoopt, maar ik kon het exacte moment niet meer precies terughalen. Ik had geen idee of ik iets speciaals in zijn ogen gezien had toen die elkaar voor het eerst ontmoet hadden, of ik zelf ook iets gevoeld had of niet.
“Nu wil ik jou iets vragen,” klonk het gesmoord vanuit mijn nek voordat ik een conclusie had kunnen trekken. Hij maakte zich van me los en keek me liep in mijn ogen, waar hij overtollig haar uitstreek. Mijn pony was weer eens te lang. Ik zei hem dat hij mocht vragen wat hij wilde toen hij een plukje van mijn haar pakte en dat rond zijn vinger draaide.
“Nou,” zei hij, zijn blik nog steeds verankert in die van mij. Het was onmogelijk om je hoofd af te wenden wanneer Bill je op die manier aankeek, met die intensiteit en liefde. Dat kon gewoon niet. “Weet je nog dat je in april Durch den Monsun gezongen hebt? Toen in Magdeburg?”
Ik knikte, nog steeds gehypnotiseerd door zijn blik. Ik had het gevoel dat ik verdronk in zijn ogen, dat ik geen lucht meer kreeg en dat ik mijn adem in moest houden om te blijven leven, om weer boven te kunnen komen.
“Toen vroeg ik je voor wie je het gezongen had, maar daar heb ik nog steeds geen antwoord op gekregen...”
Ik werd even stil van die vraag. Daar had ik al zo lang niet meer aan gedacht, aan het feit of ik het nou voor Georg of voor Bill gezongen had maar hij dwóng me eraan te denken. Omdat ik het zelf niet wist, besloot ik het maar op een andere manier te bekijken: wie had ik op dat moment het liefst bij me willen hebben? Wie miste ik op dat moment het meest? Het antwoord op beide vragen was Bill, want eigenlijk had ik toen al een hekel gehad aan Georg, diep van binnen. Van Bill had ik altijd gehouden, diep van binnen.
“Ik weet het niet precies,” antwoordde ik naar waarheid, “maar ik denk voor jou…”
Hij glimlachte breed en draaide zich half op mij, waarna hij me heerlijk zoende en zijn dat maal warme handen onder mijn shirt liet glijden. Ik streek met mijn lippen over zijn kaaklijn en kwam uiteindelijk uit in zijn nek, waar ik mijn lippen tegen zijn huid drukte, me aan hem vastklampte en mijn hoofd tegen zijn schouder liet rusten.
“Dat is best toevallig,” fluisterde hij op een gegeven moment terwijl hij met de sluiting van mijn beha speelde. “Want ik heb het voor jou geschreven…”
Verbaasd tilde ik mijn hoofd op en keek hem aan.
“Serieus?” vroeg ik hem.
Hij knikte
“Toen je zeg maar net met Georg samen was, toen ik je miste,” zei hij. “Toen zou ik daadwerkelijk alles gedaan hebben om bij je te kunnen zijn…”
De trieste toon waarop hij dat zei, alsof hij zich het gevoel nog kon herinneren, maakte dat mijn hart brak en de tranen bijna in mijn ogen sprongen. Ik had hem pijn gedaan, gekrenkt en door het slijk gehaald, en toch kreeg ik nog een kans om alles goed te maken. Ik zou er alles voor doen om voor altijd bij hem te blijven.
Ik rolde me half bovenop hem en zoende hem intens. Ik voelde hoe zijn tong over mijn lippen kwam en ik kon het niet laten zo’n geluidje in mijn keel te maken. Ik genoot van hem, van de manier waarop hij me altijd weer in vuur en vlam zette. Ik had het gevoel dat ik niet meer zonder hem kon, voor de rest van mijn leven. Dat we voor elkaar gemaakt waren, dat we twee puzzelstukjes waren die precies in elkaar pasten.
“Ik hou van je,” fluisterde ik zachtjes toen we elkaar weer losgelaten hadden en buiten adem waren.
Hij antwoordde niet.
Een aantal dagen later had ik met Bill afgesproken dat ik naar zijn huis toe zou komen. Vanuit school ging ik direct naar de bushalte (met een kersverse strippenkaart) waar ik vrijwel meteen in kon stappen. De bus zat vol met scholieren van buiten de stad en dus moest ik de eerste kilometers staan, als een sardientje in blik.
Halverwege, toen er net een paar plekjes vrij gekomen waren, kreeg ik een sms’je van mijn moeder waarin stond dat ik Bill moest vragen om eens langs te komen. Ik verwijderde het berichtje en nam me voor om het hem dan toch maar eens te vragen, ook al was ik bang voor haar reactie op het Bill-is-een-beroemdheid-aspect. Dan zou ze me in ieder geval nooit meer vragen om hem te ontmoeten en dan was ik van dát gezeur in ieder geval af.
De bus stroomde langzaam leeg, tot alleen twee oude vrouwtjes, een jongen met volgepiercete oren en ik er nog in zaten. Ik stapte uit zodra ik in Loitsche was en liep naar het huis van mijn – ik vond dat ik het na een maand wel mocht zeggen – vriend. Hij had aangeboden me op te komen halen, maar dat had ik afgewezen omdat ik toen wel wist hoe ik moest lopen.
Bij het huis aangekomen, belde ik aan en wachtte tot er open gedaan werd. Tot mijn verbazing was dat Tom, die normaal gesproken als een lui varken op de bank lag om te treuren over Julia en zijn wandaden te overdenken.
“Oh, Maren, hoi!” zei hij toen hij me zag. “Je komt voor Bill zeker?”
Ik knikte en liep langs hem heen naar binnen toen hij duidelijk maakte dat ik binnen mocht komen. Ik legde mijn schooltas neer en deed mijn schoenen uit terwijl Tom de deur weer sloot.
“Nou, veel succes dan,” zei hij, en hij knikte naar boven. “Meneer is alleen nog maar beneden geweest om een fles cola te pakken en mij af te blaffen omdat er alleen maar Light was. Hij heeft één van zijn buien, geloof ik… Ik zou je kunnen adviseren om ver bij hem uit de buurt te blijven, zoals iedereen dat doet als hij zo’n dag heeft, maar je bent toch al hier, dus,” hij mepte me op mijn schouder, “succes.”
Ik knikte en bedankte hem voor die geestelijke voorbereiding.
Toen ik de trap op liep, merkte ik dat Tom in de gang bleef staan en me onderaan de trap nakeek. Ik draaide me om en trok een vragend gezicht.
“Om je op te vangen,” verduidelijkte hij, “als hij straks hard gromt en brult en je van de trap af duwt.”
Hij spreidde zijn armen waardoor hij er – met behulp van zijn T-shirt maatje XXL – uit zag als een groot vangnet. Ik grinnikte en vervolgde mijn weg naar boven.
Bills kamer was donker. Toen mijn ogen zich aan het duister hadden aangepast, zag ik dat Bill onder de dekens opgekruld lag, als een kat. Ik liep naar hem toe en sloeg de dekens van zijn hoofd weg.
Ik dacht eerst dat hij sliep, zo rustig als hij ademhaalde en met zijn onopgemaakte ogen. Hij zag er ongelooflijk teer uit zo, alsof hij altijd een masker droeg en hij dat toen had afgezet. Onder zijn ogen merkte ik – toen ik naast hem neerknielde – het spoor van een opgedroogde traan op. Toen ik hem op zijn wang kuste, proefde ik het zout.
“Maren?” mompelde hij plotseling. Het klonk heel teer en zielig, alsof hij totaal gebroken was en ik ging met mijn vingertoppen zachtjes over de huid van zijn bleke wang. Ik volgde het spoor van zijn zachte en ronde kaaklijn, datgene dat hem zo verschrikkelijk lief maakte, en legde uiteindelijk het topje van mijn wijsvinger op het midden van zijn onderlip.
“Ik ben het,” fluisterde ik zachtjes, en pakte zijn hand.
“Kom bij me,” zei hij terug, en hij schoof langzaam een beetje op. Toen ik me niet verroerde, opende hij zijn ogen half en gaf een kneepje in mijn hand. Ik zag hoe er opnieuw een traan over zijn wang druppelde toen hij zijn ogen weer sloot en zich op zijn rug draaide, een uitnodigend lege plaats naast hem vrijlatend. Zijn hand lag levenloos in de mijne.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik hem terwijl ik mijn lippen tegen de rug van zijn prachtige, zachte hand drukte. Ik vond het verschrikkelijk moeilijk hem zo te zien, zo gebroken en nog kleiner en teerder dan hij normaal gesproken al was.
“Kom bij me,” herhaalde hij zo zacht en fluisterend dat ik het bijna niet kon horen. “Alsjeblieft…”
Dat laatste klonk zo lief en smekend en wanhopig dat ik niet wist hóé snel ik bij hem in bed moest springen om weer zo dicht bij hem te zijn, om hem vast te houden en hem te troosten. Het was in die relatief korte tijd dat we samen waren een verslaving geworden om bij hem te zijn, zo dicht mogelijk, zodat ik hem kon proeven en ruiken en hij al mijn zintuigen kon bedwelmen. Bill was beter dan welke drug dan ook.
Toen ik eenmaal bij hem onder de dekens gekropen was, klampte hij zich wanhopig aan me vast, alsof ik zijn laatste redding was. Hij begroef zijn hoofd diep in mijn nek, die hij bevochtigde door veel tranen te laten gaan. Ik probeerde hem te troosten door zijn naakte rug te strelen en lieve woordjes te fluisteren, door hem zachtjes heen en weer te wiegen en te zeggen dat alles oké was, dat ik van hem hield en dat ik net zolang zou blijven als hij wilde dat ik bleef.
Ik liet hem zijn gang gaan toen hij mijn shirt uittrok en hij zijn lichaam tegen het mijne duwde. Hij rilde zacht en kippenvel verspreidde zich over zijn hele lichaam.
“Je bent koud,” zei hij schor.
Ik zweeg en ging met mijn hand door zijn haar. Ik voelde hoe kwetsbaar hij was, met alleen een boxershort aan, zonder make-up en met zijn haar ongestyled. Hij had zijn masker voor mij laten vallen en dat beschouwde ik als iets heel groots.
Op een gegeven moment liet hij me los en veegde zijn ogen droog.
“Sorry,” fluisterde hij.
Ik streelde de huid van zijn schouder en glimlachte terwijl ik zijn haar achter zijn oor veegde.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik zacht.
Hij haalde zijn schouders op en legde zijn hand op mijn schouder, waarna hij hem naar beneden liet glijden en uiteindelijk, mijn behabandje meenemend, zijn vingers op mijn litteken legde.
“Gewoon niets,” zei hij zonder me aan te kijken. “Ik heb gewoon wel eens dagen dat ik niets wil, dat niets lukt en dat ik gewoon niet meer weet waarom ik besta. Tegenwoordig blijf ik op die dagen maar in bed en dan laat iedereen me met rust, gelukkig…”
De huid van mijn litteken begon te branden onder zijn blik en aanraking. Ik voelde me heel erg ongemakkelijk, bekeken en gegeneerd als hij dat deed, maar ik besloot er op dat moment geen aandacht aan te schenken. Hij was degene om wie het draaide, niet ik.
“Wil je dat ik ga?” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd, me nog steeds niet aankijkend. Daarna nestelde hij zich tegen me aan, sloeg zijn armen om me heen en speelde met de sluiting van mij beha. Ik plukte zijn vingers daar weg en verplaatste zijn handen naar mijn heupen, waar hij ze liet liggen. Even later drukte ik mijn lippen op die van hem, proberend om al zijn ellende over te nemen, of in ieder geval voor een deel. Meteen na dat eerste, zachte moment, draaide hij zich zo dat hij bovenop mij kwam te liggen. Zijn tong glipte over mijn lippen en beroerde me zachtjes. Ik vond het opvallend dat Bill anders zoende dan normaal, door zijn andere emoties. Het voelde breekbaar en voorzichtig, langzaam en aftastend, net zoals de eerste keer dat ik hem gezoend had. Hij had opeens weer zo weinig zelfvertrouwen.
Ik ging met mijn handen over zijn borst, verder naar zijn buik en heupen en steeds verder naar beneden, tot ik het randje van zijn boxer voelde. Daar stopte ik. Ik draaide om, zodat ik bovenop hem kwam te liggen en zag dat er weer tranen over zijn gezicht liepen, alsof hij het niet kon tegenhouden. Hij schokte ook niet, jammerde niet, zijn stem klonk niet trillerig, hij huilde alleen. Het was net alsof er een kraan aanstond en hij hem niet kon dichtdraaien.
“Heb je al iets gegeten vandaag?” vroeg ik hem, en ik rolde van hem af.
Hij schudde zijn hoofd en mompelde iets dat klonk als ‘geen honger’.
“Je moet wat eten,” concludeerde ik, en ik maakte me los van hem om mijn shirt van de vloer te vissen en het aan te trekken. Toen ik uit bed wilde stappen, greep hij opeens mijn pols vast en trok me terug op bed. Ik moest nog bekomen van de schrik toen hij me nog dichterbij trok en zijn lippen op die van mij drukte, wat minder zacht dan ik van hem gewend was. Daarna keek hij me aan op een manier die ik als niets anders dan smekend kon omschrijven, smekend om bij hem te blijven. Ik ging met mijn vingers zacht over zijn borstkas en stond op.
“Ik ben zo terug,” fluisterde ik.
Ik zei vragend Toms naam toen ik in de woonkamer stond en hij keek op van de televisie, waar een paar bikinimeisjes heupwiegend om een gespierde neger heen dansten en stond daarna op. Hij stond meteen op om te vragen hoe het met zijn broer ging en zette midden in die beweging de televisie uit zodat we ongestoord konden praten. Ik antwoordde hem dat het niet zo goed met hem ging maar dat ik natuurlijk niet wist hoe een doorsnee bui-dag eruit zag.
“Maar ik wilde je eigenlijk vragen of je misschien ergens brood of zoiets hebt liggen,” zei ik op een gegeven moment. “Iets dat hij kan eten. Hij verhongert daar boven.”
Tom schudde zijn hoofd en liep langs me heen naar de keuken. Ik volgde hem en toen ik in de keuken aan kwam, zag ik hoe Tom alle kastjes doorspitte op zoek naar iets eetbaars. Op een gegeven moment pakte hij een kant-en-klare cheeseburger, haalde die uit de verpakking, legde hem op een bordje en stopte het geheel in de magnetron. Hij leunde tegen het aanrecht, met zijn armen gespreid en hij bestudeerde zijn schoenen.
“Eh,” stamelde ik. “Heeft hij niet iets voedzamers nodig?”
Tom schudde zijn hoofd op zo’n manier alsof hij er alles vanaf wist, alsof hij de situatie totaal onder controle had terwijl het juist een situatie was die niet onder controle viel te krijgen.
“De enige manier om Bill blij te krijgen, is met een cheeseburger of iets anders ongezonds, geloof me…” zei hij, met dezelfde betweterigheid in zijn stem als hij uitstraalde. Ik ging naast hem staan, tegen het aanrecht, en sloeg mijn armen over elkaar. Samen met Tom bestudeerde ik de vloer.
“Hoe gaat het met Julia?” vroeg hij, en hij keek me aan. Het viel me op dat zijn ogen hetzelfde waren als die van Bill (dat was ook eigenlijk vrij logisch) als hij geen make-up op had, zoals die dag. Onder al die verschillendheden, waren ze eigenlijk hetzelfde.
“Goed,” antwoordde ik schouderophalend, wat de waarheid was. Het ging ook goed met Julia: ze was zo ongeveer over hem heen en ze leefde haar leven zoals ze het altijd al geleefd had. Ik had bewondering voor haar kracht, vond het knap hoe ze in haar eentje haar hart had weten te lijmen. Ze was de sterkste persoon die ik kende op de hele wereld, dat moge duidelijk zijn. “En met jou?”
Hij wendde zijn blik af naar zijn schoenen en er ik zag hoe hij zijn mondhoek optrok als in een triest gebaar van zelfmedelijden. Ik had ook kunnen zwijgen, maar ik had de behoefte gevoeld hem te confronteren met zijn gevoelens – hij leek vaak zo iemand die zijn emoties niet onder ogen durfde te komen en ik wenste dat ik dat patroon wat bij hem kon doorbreken. Zelfs iemand met dreadlocks en te grote kleding had gevoel.
“Het gaat wel, ja,” antwoordde hij schoorvoetend, nog steeds met zijn blik op de grond gericht. Ik gaf er niet om dat hij me niet aankeek – hij hoefde zijn gevoel niet met mij te delen, als hij het maar met zichzelf deelde. Dan was mijn doel bereikt.
“Houd je niet meer van haar?” vroeg ik daarop. Het was niet zo dat ik me daar bijster voor interesseerde, maar ik wilde dat hij er zelf eens over na ging denken, dat hij zichzelf voor zijn eigen gevoelens zou gaan interesseren. Misschien zou dat hem helpen een beter mens te worden en te stoppen met zijn one-night-stands, die overduidelijk voortkwamen uit zijn onbegrip jegens de liefde.
Ik kreeg geen antwoord, want de magnetron maakte een piepend geluidje, waarna Tom het deurtje open maakte en de cheeseburger eruit haalde. Ik wilde het bordje overpakken maar hij maakte me duidelijk dat hij wel even mee zou gaan en dus liep ik achter hem aan naar boven.
Bill lag nog precies zo als ik hem achtergelaten had; zijn hoofd onder de dekens en zijn armen en benen gespreid. De hand waarmee hij me had willen tegenhouden, bungelde over de rand. Tom liep naar hem toe en trok met één beweging de dekens van het bed af, om ze aan de andere kant van de kamer neer te gooien, zodat Bill hem niet terug kon pakken. Niet dat het nodig was: Bil bleef liggen alsof hij dood was.
“Bill,” zei Tom, en hij ging op de rand van het bed zitten. “Eten.”
Bill bromde iets onverstaanbaars en hij draaide zich met zijn rug naar Tom toe, zijn benen opgetrokken. Hij had het koud en ik wilde hem warm maken, maar iets in mijn hoofd zei dat ik niet moest onderbreken. Tom wist vast wel hoe hij dit op moest lossen: hij had het immers al vele malen vaker meegemaakt en toen was Bill altijd beter geworden.
“Waar is Maren?” hoorde ik Bill opeens duidelijk zeggen. Ik kreeg de impuls om naar hem toe te gaan, om hem in mijn armen te nemen en te zeggen dat ik bij hem was, dat alles goed was en ik zette al min of meer onbewust een stap naar voren. Tom maakte met een simpele handbeweging duidelijk dat ik moest blijven staan waar ik stond. Hij zei zijn broer dat ik er was, maar dat ik pas naar hem toe zou komen als hij zijn cheeseburger opgegeten had. Meteen voelde ik een steek in mijn maag: dat was chantage. Het kostte me moeite om te blijven staan waar ik was, maar ik besefte me dat het nodig was. Bill moest eten, Bill moest blij worden en volgens Tom werd hij dat van eten. Volgens mij werd hij blij van míj.
“Donder op, Tom,” zei hij vermoeid, in een klaaglijke zucht. “Ik wil niet eten, ik wil Maren!”
Mijn hart brak. Het feit dat hij om me riep, dat hij me bij hem wilde en dat ik dat niet mocht van Tom, dat vond ik hartverscheurend. Ik wilde Bill in mijn armen houden, ik wilde hem laten uithuilen en hem steunen, bij hem blijven totdat die vreselijke dag weer over was.
“Je mág haar ook, maar pas als je gegeten hebt!” zei hij. “Toch, Maren?”
Hij keek mijn richting uit en hield zijn hoofd schuin, net zoals Bill altijd deed als hij op antwoord wachtte. Ik kon slechts knikken, iets dat Bill natuurlijk niet zou zien.
“Ik wil geen eten,” herhaalde Bill, nu op wat hardere toon.
“Bill, alsjeblíéft!” zei Tom harder. “Eet!”
Hij legde zijn hand op Bills schouder, maar die schudde hem af. Daarna probeerde Tom hem om te draaien en toen schoot Bill woest overeind, waardoor Tom achteruit schrok.
“Laat me Godverdomme met rúst!” schreeuwde hij door de kamer. Onbewust dook ik een beetje in elkaar, bang voor wat er komen ging. En daar had ik alle reden toe.
“Zeg, als je zó begint,” schoot Tom nu ook uit. “Dan zoek je het verdomme maar uit! Wij zijn hier niet om jou te dienen of zoiets, we willen je alleen maar hélpen! Maar jij ligt hier de hele dag zíélig te zijn en te janken als een puberale twaalfjarige die niets wil en niets doet! Je fucking vriendín is hier en jij bent niet bereid om die strontchagrijnige bui even opzij te zetten omdat zij er is! Denk je verdomme dat je God bent, Bill?”
Ja, dacht ik. Hij was God.
Bills gezicht verstrakte zich, hij veranderde van God in de Duivel. Ik schrok van de helse blik in zijn ogen toen hij Tom duister aankeek maar hij scheen er niet bang van te worden, in ieder geval niet zoals ik dat deed. Bill had zijn masker laten vallen, maar ik wist niet of ik blij moest zijn met wat ik zag, met hoe hij soms ook kon zijn.
“Tom,” probeerde hij zijn stem in toom te houden, maar hij trilde van agressie. “Je wéét dat je me op dit soort momenten met rust moet laten. Doe dat ook.”
Tom bleef bewegingsloos zitten.
“Ik wil alleen maar helpen, Bill, begrijp dat nou eens. Maren is hier voor Bill, niet voor dat ding dat je nu bent.”
“Donder op.”
“Ik blijf hier.”
“Donder gódverdomme op!”
“Ik blijf hier.”
Bill sprong op van zijn bed en trok Tom aan zijn armen overeind, waarbij het bordje met de cheeseburger op de grond viel. Van een afstandje zag ik hoe Bills nagels Toms vlees doorboorden, hoe Bill hem met een rotgang richting de deur dreef en hem er met een klap tegenaan duwde. Ik schrok me lam en bedacht me, echt een verkeerd moment voor zo’n gedachte, dat Tom gelukkig een dread-airbag had en hij zijn hoofd dus niet bezeerd had. Het viel me op hoe verschillend ze opeens waren; Bill zo naakt en Tom met zijn gigantische kleding aan en dat het vreemd was dat Bill het was die Tom bevlogen had en niet andersom. Ik wist niet dat Bill dat in zich had.
Waren God en de Duivel niet misschien dezelfde persoon?
“Ga – verdomme – mijn – kamer – uit,” siste Bill hem toe, hun gezichten nog geen vijf centimeter van elkaar verwijderd. Ik keek toe alsof ik een standbeeld was, niet in staat te bewegen, verlamd door angst en verbazing dat dit onder mijn neus gebeurde. Zo kende ik hen niet.
Tom duwde Bill van zich af, die daarbij achteruit wankelde.
“Je zoekt het maar uit,” zei Tom, en hij trok de deur open om hem met een klap weer dicht te gooien toen hij door de deuropening gestapt was. Bill bukte om het bordje op te pakken (de cheeseburger lag enkele meters verder) en gooide het met een klap tegen de deur aan. Het brak in duizend scherven en viel als regen en stof op de grond.
Toen ik mijn hand naar mijn gezicht bracht, voelde ik dat mijn wangen nat waren. Ik stond te huilen, en had het niet eens door gehad.
Bill liet zich op de rand van het bed zakken, schudde zijn hoofd met lege ogen en begroef zijn hoofd in zijn handen. Met een schokje belandde ik terug in de werkelijkheid, herinnerde ik dat ik me kon bewegen en kon spreken en dat ik een mens was. Ik wierp en snelle blik op het gebroken bord en toen op Bill, die nog steeds met zijn gezicht in zijn handen zat, met zijn ellebogen op zijn knieën leunend.
“Ik – eh,” stamelde ik met een stem die haperde en trilde van schrik. “Ik ga wel even een bezem halen om het op te-”
“Nee,” onderbrak Bill me schor. Toen ik naar hem keek, zag ik dat hij zijn hand naar mij uitgestrekt had. Ik legde mijn hand twijfelend in de zijne, die meteen dichtklapte als een vleesetende plant en hij trok me langzaam naar zich toe om me op schoot te trekken. Hij legde zijn arm om mijn heup, met zijn andere legde hij mijn hoofd op zijn schouder. Ik huilde zachtjes, geluidloos, net zoals hij die dag al zo vaak had gedaan. Opeens liet ik de schrik los en dat uitte zich in tranen die langzaam over mijn wangen biggelden, stroompjes over mijn wangen trok. Hij streek ze teder weg met zijn duim en drukte een kleine kus op mijn wang om me te kalmeren.
“Het spijt me zo,” fluisterde hij zachtjes. “Het was echt niet de bedoeling om -”
“Het geeft niet,” onderbrak ik hem, hoewel het wel gaf. Ik had het gevoel dat ik voortaan heel anders naar Bill zou kijken, met andere ogen, maar ik hield toch nog van hem. Ook al had hij af en toe van die buien, hij bleef mijn Bill. Mijn grote liefde.
Het was niet zo dat ik twijfelde aan het feit dat Bill verliefd op me was, integendeel zelfs. Ik wist dat hij me beminde, dat hij me liefhad en dat hij net als ik hoopte dat we nog lang bij elkaar zouden blijven, maar het zat me dwars dat hij nooit zei dat hij van me hield. Ik wilde dat hij van me hield, ik wilde dat hij dat zei. Ik wilde kunnen zeggen dat we van elkaar hielden, niet alleen dat ik van hém hield. Ik wilde graag dat mijn gevoel wederzijds was.
Tom liep met me mee naar de bushalte, wrijvend over de arm waarin vijf halve maantjes stonden. Bills nagels. Hij had hem echt te grazen genomen.
“Die eikel…” mopperde Tom terwijl hij voor de honderdste keer zijn bovenarm bestudeerde. “Ik hoop van harte dat het morgen over is… Er valt echt niet met hem te leven als hij zo doet…”
Ik schopte een kiezelsteentje weg, dat tegen een auto ketste en vertelde hem dat ik hetzelfde hoopte omdat hij kennis zou gaan moeten maken met mijn moeder. Tom keek me aan vanonder de rand van zijn pet en vroeg me of dat echt waar was, want Bill had er niet over verteld.
“Ja,” antwoordde ik. “Als het goed is wel. Waarschijnlijk blijft hij ook slapen, maar dat moet ik wel eerst aan mijn moeder vragen en zo… We zullen wel zien.” Ik glimlachte schuin en stopte mijn handen wat dieper in de zakken van mijn spijkerbroek. Ik voelde dat ik mijn strippenkaart nog had, net als mijn oogpotlood en lipgloss en –
“Oh, kut,” zei ik op een gegeven moment, en bleef stil staan. Tom stopte een meter verderop, draaide zich om en hield zijn hoofd vragend schuin. “Ik ben mijn schooltas vergeten…”
Tom haalde zijn schouders op.
“Nou en,” zei hij. “Ik vraag wel aan Bill of hij hem morgen meeneemt, als hij weer aanspreekbaar is. Het is morgen toch zaterdag, dan heb je hem niet nodig. En als we nu teruggaan, dan mis je je bus en krijg je hoogstwaarschijnlijk gezeik met je moeder.”
Ik knikte en liep met hem mee. Het was niet dat ik van plan was om huiswerk te maken of zo, maar stiekem was ik er nogal aan gehecht en ik was bang dat de jongens hem zouden doorzoeken en dan mijn agenda te vinden, waarin ongeveer duizend hartjes met de naam ‘Bill’ erin stonden. Die afgang wilde ik mezelf graag besparen.
Na even zwijgzaam naast elkaar gelopen te hebben, waren we uiteindelijk bij de bushalte aangekomen. Ik keek op het bordje waar de tijden op stonden en daarna op mijn horloge: nog vier minuten, ongeveer.
“Trouwens,” hoorde ik Tom achter me zeggen. Ik keerde de tijdentabel de rug toe. “Sorry dat je zag dat we ruzie maakten. We maken nooit ruzie, Bill en ik, serieus nooit. Ik kan er gewoon niet tegen als hij – nou ja, het was ook omdat jij er was en zo, dan vind ik het gewoon niet eerlijk tegenover jou als hij zich dan op jou afreageert en ik wilde – nou, ja-”
“Ik snap je wel,” glimlachte ik.
“Ja, nou,” stamelde hij door. “Ik wilde gewoon niet dat je zou denken dat hij niet meer verliefd op je was of zoiets, want dat is hij namelijk wel…”
Ik was stil en keek naar de grond, geen idee hebbend van wat ik kon zeggen. Ik vroeg me af of Tom enig idee had of Bill van me hield, of hij het daar wel eens met hem over gehad had, of Tom alles afwist van wat Bill en ik in die weken dat we samen waren ondernomen hadden. Ik bloosde bij die gedachte maar vroeg me meteen daarna af of het heel erg zou zijn als hij er vanaf wist. Hij was met Julia nog veel verder gegaan.
“Weet jij-” begon ik, maar ik kapte mijn zin direct af om hem te hervormen. “Houdt Bill van mij?”
Hij keek weer schuin op, van onder zijn klep. Hij glimlachte schuin, zoals ik hem miljoenen keren op televisie had zien doen, zoals hij op veel foto’s lachte en zoals ik hem vaak naar Julia had zien lachen. Het was zo’n sarcastisch lachje dat je echt kon kleineren als je dacht dat je een domme vraag gesteld had. Ik zou me gekleineerd moeten voelen, maar dat deed ik niet. Ik wilde gewoon graag weten of Bill van me hield en of daar nou een stomme vraag om moest stellen of niet: ik wilde het weten.
“Ben je daar nog niet achter?” vroeg hij.
Ik schudde mijn hoofd.
“Kijk – ik weet wel dat hij verliefd op me is, maar – ik bedoel-”
“Hij zegt het nooit?”
“Precies!” riep ik uit. “En ik dacht – jij bent zijn tweelingbroer en jullie delen vast heel veel gevoelens en zo en – dus – ja… Ik dacht dat jij het misschien wel zou weten?”
Hij grijnsde weer zo sarcastisch. Nu voelde ik me wel gekleineerd en dom en naïef en blond. Hoewel ik niet blond was en dat ook nooit zou zijn. Maar goed.
“Dat is typisch Bill hè?” zei hij, schuddend met zijn hoofd.
“Hoezo?” vroeg ik.
We keken beide op toen we de bus de straat in hoorden rijden. Ik besefte me dat ik niet veel tijd meer had om iets uit hem los te krijgen, dus keek ik hem indringend aan en herhaalde mijn vraag.
“Nou,” antwoordde hij. “Gewoon, niet zeggen wat hij precies voelt en zo.”
“Maar houdt hij van me?”
Hij glimlachte gemeen en sinister. Hij wist het, maar ging het niet zeggen en dat maakte dat ik zin had om hem zijn nek om te draaien. We zagen beide dat de bus eraan kwam en hij wist dat ik stond te popelen om een antwoord te krijgen, dus jende hij me.
De bus stopte en opende sissend zijn deur. Ik was de enige bij de halte en werd dus geacht in te stappen, maar ik bleef staan en probeerde nogmaals iets van Tom los te krijgen.
“Zeg het dan!” dwong ik hem. Ik moest het weten. Ik zou geen oog dicht doen anders, die nacht en ik wilde graag slapen omdat ik anders minstens net zo chagrijnig zou zijn op mijn dag met Bill als hij díé dag was geweest. Hij glimlachte weer zo, op die vervelende manier. Ik keek om, naar de open deur van de bus en probeerde het nogmaals van hem los te krijgen, maar hij bleef alleen maar grijnzen en vervelend doen alsof hij heel hard aan het nadenken was.
“Meisje,” zei de buschauffeur aardig doch dwingend. “Stap je nog in?”
Ik knikte snel en wendde me weer tot Tom, hem smekend me álsjeblieft een antwoord te geven, maar hij gaf geen krimp. Op dat moment haatte ik hem echt. Hij grijnsde irritant, niets zeggend en vervelend. Ik deed al een stap richting de bus omdat de chauffeur heel erg ongeduldig begon te worden en ik niet wilde dat hij weg zou rijden zonder mij erin. Tom moest me een antwoord geven. Dat moest.
Ik zette mijn ene voet al in de bus, zodat hij niet weg kon rijden maar ik Tom nog wel steeds aan kon kijken, smekend om een antwoord. Langzaam, stapje voor stapje, liep ik verder de bus in. Ik stempelde strippen af en keek nog één keer achterom, waar Tom nog steeds breed stond te grijnzen. Ik wierp hem een dodelijke blik toe en wilde al naar achter lopen toen ik opeens zijn stem hoorde, heel snel voordat de deur sissend dicht ging.
“Geef hem gewoon wat tijd, dat heeft hij altijd nodig.”
Even stond ik stil, denkend over wat mijn oren zojuist bereikt had. Bill had tijd nodig. Bill had tijd nodig om te zeggen dat hij van me hield. Oké, dat klonk zo fout nog niet. Het was dus niet zo dat hij niet van me hield, hij zei het alleen niet. Volgens Tom. Was Tom een betrouwbare bron?
Toen ik bijna omviel omdat de bus snel optrok, besloot ik gauw dat ik het hem snel zelf zou vragen. Misschien de volgende dag al wel.