Deel 18
Lief dagboek,
Vandaag hebben mijn moeder en Bill kennis gemaakt, voor het eerst. Ik was volgens mij zenuwachtiger dan Bill was omdat ik best veel waarde hecht aan wat mijn moeder van hem vindt en zo, maar gelukkig is alles goed gegaan, ook al snap ik niet dat mijn moeder het lef heeft om Bill met Albert te vergelijken.
De hele middag hebben we heerlijke vriendje-vriendinnetje dingen gedaan, heerlijk romantisch en gezellig en toen heb ik hem hét gevraagd. God, nu lijkt het net alsof ik hem ten huwelijk gevraagd heb, hè? Nou ja, volgens mij vond ik dit enger dan iemand ten huwelijk vragen, eerlijk gezegd, maar nu heb ik tenminste wel antwoord op de vraag of hij van me houdt.
En ik heb nog iets geleerd vandaag. God bestaat niet.
Het zou zacht uitgedrukt zijn als ik zou zeggen dat ik doodzenuwachtig was, maar ik ken er geen overtreffende trap voor. Ik was zo ongelofelijk bang voor het oordeel van mijn moeder, bang dat ze hem totaal niet leuk zou vinden of – nog erger – dat ze hem zou haten. Ik was zelfs bang dat ze me zou verbieden om met hem om te gaan, hoewel ik zeker wist dat ze dat nooit zou doen. Hoezeer mijn moeder mijn vriendje niet zou mogen, ze zou me nooit verbieden om hem te zien. Al sinds ik jong was, had ze me verteld dat ik moest leren van mijn eigen fouten. Maar toch. Ik zou het niet leuk vinden als mijn moeder Bill niet mocht, of andersom. Als Bill en ik nog lang samen zouden blijven – iets dat hoog op mijn verlanglijstje en de planning stond – dan hadden ze samen nog een lange weg te gaan.
Vrijdagnacht, toen ik stiekem nog met Bill gebeld had, merkte ik dat zijn bui al redelijk over was. Hij was niet chagrijnig meer, hoogstens wat neerslachtig, maar hij verzekerde me dat dat de volgende dag echt weer weg zou zijn. Dat was namelijk altijd zo.
Ik vertelde hem dat mijn moeder het oké vond als blij bleef slapen (“Als hij maar niets doet wat jij niet wil,” had ze op een toon gezegd alsof ze hem zou afmaken als hij dat wel deed. Ik geloof niet dat ze doorhad dat er niets meer was dat ik níét met Bill zou willen doen) en dat we dus tot laat weg konden blijven als we daar behoefte aan hadden. Ik vroeg hem nogmaals of hij álsjeblieft mijn schooltas niet wilde vergeten mee te nemen. Hij zei dat Tom daar inderdaad iets over gezegd had en dat hij de hartjes in mijn agenda leuk vond.
Op zaterdagmorgen stond ik stijf van de zenuwen. Ik douchte me, waste drie keer mijn haar en maakte me zo zorgvuldig op dat je haast zou denken dat ik een kerstdiner had bij de Paus en ik had maar geen idee waarom. Bill en mijn moeder waren beide personen die mijn zwakste momenten hadden meebeleefd, en uitgerekend voor hen plakte ik een masker van make-up op mijn gezicht. Waarom was een raadsel, maar iedere willekeurige psycholoog zou vast gezegd hebben dat het was om mezelf een houding te geven.
Mijn moeder deed de hele dag alsof ze niets merkte van mijn zenuwachtigheid, maar natuurlijk had ze het door. Zelfs de beste vriendin van de dochter van de oma van mijn achternicht uit Japan zou nog kunnen zeggen dat ik in ieder geval niet kalm was, te oordelen naar het telkens werpen van blikken in de spiegel en het constant checken van mijn telefoon, min of meer verwachtend dat hij af zou bellen, zoals een laffe jongen zou doen.
Maar dat deed hij niet. Bill stond om precies half twee voor de deur, met mijn schooltas op zijn rug en nog een ander in zijn hand waarop mijn eerste reactie ‘je zou toch maar een nachtje blijven?’ was. Hij gaf geen reactie op mijn opmerking maar drukte zijn lippen kort op die van mij voordat hij binnen kwam en de tassen liet vallen. Toen hij zijn jas uittrok, zag ik dat hij zijn Satan Knows You’re A Poser-shirt aan had, iets dat mijn moeder zeer waarschijnlijk zou bestempelen als ‘wel acceptabel’ en daarna verder zou gaan met hopen op een betere aanstaande echtgenoot voor haar dochter. Ach, het mocht niet baten. Ik wist toch wel dat ik mijn hele verdere leven met Bill door wilde brengen. Helaas zijn willen en krijgen twee verschillende dingen.
Ik nam Bill mee naar de woonkamer. Mijn moeder kwam aanlopen vanuit de keuken met een theedoek waarmee ze haar handen afdroogde alvorens Bill een hand te geven.
“Isabel Meyer,” stelde ze zichzelf voor.
“Bill,” antwoordde hij. “Kaulitz.”
Mijn moeder glimlachte en screende hem van top tot teen voordat ze hem vroeg of hij iets wilde drinken. Hij bestelde een cola terwijl ik me de ogen uit mijn kop schaamde omdat mijn moeder hem zo ongegeneerd bekeken had, maar hij scheen nergens last van te hebben.
We gingen naast elkaar op de bank zitten, op respectabele afstand van elkaar, hand in hand. Mijn moeder gaf ons beide cola en ging met haar kop thee in de stoel zitten waarin ik gezeten had toen ik Albert voor het eerst ontmoet had. Toen in die stoel had ik me een soort aanhangsel zonder nut gevoeld, op de bank voelde ik me alsof ik verhoord ging worden door de officier van justitie himself. Beide gevallen ervoer ik niet als bijster prettig.
Mam vroeg Bill hoe we elkaar ontmoet hadden (“Maren wilde er niets over zeggen,” probeerde ze grappig te zijn) en hij begon uitgebreid en gezellig te ratelen over die ene keer in Magdeburg, toen we nummers uitgewisseld hadden na het eerste concert dat Autumn Leaves ooit gegeven had en hoe we daarna met beide groepen vaak wat waren gaan doen, dat mijn nummer toen ooit bij Georg terecht was gekomen, dat we elkaar maanden niet gesproken hadden toen ik iets met Georg kreeg en hoe we elkaar weer hadden gevonden bij het Open Podium van dit jaar.
“Nu snap ik waarom ze me niets wilde vertellen,” zei mijn moeder met een samenzweerderige blik op mij terwijl ze in haar thee blies. “Ik loop ongeveer een jaar achter, geloof ik.”
Bill richtte eveneens zijn blik op mij en kneep lichtjes in mijn hand. Hij zei met een glimlach dat hij het op dat moment gelukkig iets minder druk had met ‘de band en alles’ en dat we dus gelukkig een kans hadden om iets op te bouwen samen. Ik vond dat klinken alsof we gingen trouwen, maar vond het prachtig dat hij het zo zei. Het was precies zoals ik het voelde.
“Je zit in een band?” vroeg mijn moeder opeens geïnteresseerd.
“Heeft ze daar niets over verteld?” vroeg hij zich hardop af, verbaasd en misschien ook een tikje beledigd. Mijn moeder wilde net beginnen met het schudden van haar hoofd toen haar gezicht opeens opklaarde alsof ze een Albert-moment (zo noemde ik de ik-heb-een-medicijn-tegen-aids-uitgevonden-uitbarstingen) had en ze prikte met haar vinger in Bills richting, met een grote lach op haar gezicht.
“Nu zie ik het pas!” riep ze uit, haar best doende om niet hysterisch te gaan gillen omdat ze eens een keer iets doorhad. “Jij bent die jongen van Maren haar poster, maar nu heb je ander haar!”
Meteen kreeg ik zo’n nu-wil-ik-met-mijn-hand-tegen-mijn-voorhoofd-slaan-moment. Ze haalde mijn poster erbij. Ik had het al gênant gevonden om aan mijn eerste vriendje toe te geven dat ik een pasfoto van hem op mijn nachtkastje had staan, dus je kunt je wel voorstellen hoe ik het vond dat mijn moeder vertelde dat ik een poster van levensgroot formaat had hangen.
“Poster?” herhaalde Bill verbaasd en hij ving mijn blik.
“Ik heb één poster van jullie hangen,” verduidelijkte ik met een rood aangelopen hoofd. “Uit mijn Georg-tijd, toen jullie net op tour waren en ik jullie zo miste.”
“Echt waar?” vroeg hij vrolijk. Van zijn bui van de dag ervoor was helemaal niets meer te merken: hij was helemaal opgeklaard en toen ik knikte, knuffelde hij me even heel stevig, zeggend dat hij dat echt heel schattig vond.
“En jij zei dat je geen foto’s had!” riep mijn moeder verontwaardigd uit. “Je hebt mappen vol van ze!”
“Mappen?” vroeg Bill nieuwsgierig, op dezelfde toon als waarop hij al eerder naar het verhaal achter de poster gevraagd had.
“Zelfde verhaal,” zei ik met een rood hoofd om maar van het gezeur af te zijn. Ik hoopte dat ik die morgen de deur van mijn kast dicht had gedaan, zodat hij niet ook nog eens vragen over mijn collectie videobanden kon gaan stellen. Ik zou me doodschamen als hij wist dat ik al hun momenten op televisie had vastgelegd, bewaard en verzameld.
Daarna viel er een stilte waarin ik langzaam mijn sinaasappelsap opdronk en met mijn vingers over de rug van Bills hand streek. Ik voelde hoe zijn vingers zich verstrengelden met die van mij en hoe hij met zijn nagels in mijn hand prikte, heel wat zachter dan hoe hij de dag daarvoor in Toms arm gegrepen had.
“Kan ik hier ergens naar de WC?” vroeg Bill op een gegeven moment, met zijn vinger in de lucht rondjes draaiend alsof dat een soort van toilet-radar was.
“In de gang, eerste deur links,” zei mijn moeder.
Bill stond op, liet mijn hand los en verdween door de deuropening. Zodra de deur achter hem was dichtgevallen, kon ik me niet meer inhouden. Ik vroeg mijn moeder heel nieuwsgierig wat ze van hem vond, al zou een ander het als ‘overspannen’ omschrijven.
“Wat?” zei mijn moeder alsof ze me niet verstaan had.
“Wat vind je van hem?” vroeg ik daarom maar door. Ik had de tijd niet om te zeggen dat ik ze me heus wel verstaan had en dat ik het niet leuk vond dat ze me zo jende, want Bill was een jongetje en mijn ervaring met jongetjes en WC’s was dat die twee nooit echt lang in elkaars gezelschap verkeerden.
“Ik vind hem leuk,” zei ze. Ik keek haar twee seconden lang aan, toen wendde ze haar hoofd af en begon te grinniken.
“Wat?” vroeg ik verhit en beledigd omdat ik dacht dat ze in mijn gezicht stond te liegen.
“Niets,” grinnikte ze. “Ik vind het gewoon zo grappig dat jij Albert zo’n vrouwelijk mannetje vindt terwijl jij een vriendje hebt dat precies dezelfde trekjes heeft. Zo moeder, zo dochter!”
Heel veel tijd om over die opmerking na te denken had ik niet, want Bill kwam weer binnen en begon meteen te praten over dat hij het interieur van de WC zo leuk vond, met dat zwart-wit. Mijn moeder wierp me een veelbetekenende grijns toe alsof dat typisch vrouwelijk was en vertelde Bill dat ik het had uitgekozen toen ik drie jaar oud was en dat ze er daarom van overtuigd was dat ik later iets met binnenhuisarchitectuur zou gaan doen. Dat was een verhaal dat ook ik voor het eerst hoorde.
’s Middags gingen Bill en ik fietsen. Ik wilde met hem naar het bos waar ik ook met Georg geweest was, gewoon omdat ik het een ultiem romantisch plekje vond en het was met de fiets beter te bereiken dan met de bus.
Vandaar dat we rond drie uur de deur uit gingen (Bill had een fiets van mijn moeder geleend), met onze jassen onder onze snelbinders gebonden (omdat mijn moeder niet wilde dat we kou zouden vatten als het laat zou worden) en een assortiment broodjes dat ze had klaargemaakt na Bill gevraagd te hebben of hij niet heel toevallig ook vegetarisch was. Ik had hard gelachen en mijn moeder had niet begrepen waarom tot ik haar vertelde dat Bill op tour niet veel anders had gegeten dan Big Macs (“Maar de blaadjes sla en de augurk en de komkommer die erop zitten zijn toch best voedzaam?” had hij zichzelf nog geprobeerd te verdedigen) en dat zijn dieet op dat moment ook vrijwel alleen uit vlees bestond.
Het was niet heel erg ver fietsen, maar lang genoeg voor Bill om te zeuren over zijn conditie. Ik maakte een grapje over zijn gezonde voeding en sprintte daarna snel vooruit. Zoals ik min of meer verwacht had, kwam hij met een rotgang achter me aan en zodoende waren we er al gauw.
We troffen het nogal met het weer, bedacht ik me toen we onze fietsen op de daarvoor bestemde plek parkeerden, op slot zetten en onze jassen en broodjes onder de snelbinders vandaan haalden. Het was warm, maar niet zo warm dat de mussen dood van het dak vielen en de lucht was prachtig blauw. Het was net zo’n dag als de laatste keer dat ik door het bos gelopen had, samen met Georg, maar dan beter.
“Hier is toch geen paparazzi hè?” vroeg Bill zich hardop af. Ik keek hem aan alsof hij een idioot was, denkend dat er überhaupt nog andere mensen kwamen dan wij zelf. Voor zover ik wist, was het bos altijd uitgestorven en was dat altijd zo geweest. Geheel ten onrechte, want ik vond het één van de mooiste plekken die ik kende.
“Bill,” stelde ik hem lachend gerust. “Het zou me niet verbazen als er hier niemand meer geweest is sinds de laatste keer dat ik hier was, dus de kans dat hier fotografen op de loer liggen, lijkt me kleiner dan nul procent…”
“Oké,” zei hij zacht. “Maar niet schrikken als er opeens een fotograaf uit de bosjes rolt en niet boos worden als we volgende week samen in een roddelblad staan. Ik word tegenwoordig praktisch al lastig gevallen als ik in bad mijn nagels aan het lakken ben, dus ik kan ze overal verwachten…”
Ik pakte zijn hand vast en trok hem mee het pad op. Onder het bladerdak was het heerlijk koel en de lichtval was er prachtig. Bill en ik baadden in een helder groen licht dat de romantische sfeer alleen maar verbeterde en ten goede kwam. We wierpen telkens blikken in elkaars richting, maar we hapten nog niet toe. Ik wilde hem zo graag zoenen, in dat helder groene licht, tussen de bomen en omringd door die heerlijke geur van gras en blad maar ik wist me – wonder boven wonder – in te houden. Er bouwde zich een soort spanning op die zich later wel zou loslaten en ik wist dat hoe langer je je verzette tegen het loslaten van die spanning, hoe intenser het moment suprème zou zijn.
De gehele weg naar het midden van het bos toe, kwamen we niemand tegen. Het was doodstil om ons heen, zelfs de bladeren ruisten niet. Ik vond het heerlijk, die stilte, omdat het dan leek alsof we alleen op de wereld waren en dat niemand ons kon storen. Het was stil als op de maan.
Aan het eind van de bomenrijen waartussen we liepen, straalde een wit licht ons tegemoet, alsof het de hemelpoort was. Ik glimlachte bij die gedachte en rende er naar toe, Bill meenemend in mijn sprint. Ik probeerde zo hard te rennen als ik kon, zodat mijn longen gingen gieren en mijn milt prikte als een gek. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen, maar ik vond het een heerlijk gevoel. Ik liet Bills hand los toen hij me niet meer bijhield en deed er nog een schepje bovenop. Ik ging zo snel dat ik bang was dat ik over mijn voeten zou struikelen, zo snel dat ik het gevoel had dat als ik mijn armen zou uitstrekken als vleugels, de wind me op zou tillen en me mee zou nemen naar boven. Ik voelde me merkwaardig vrij.
Toen ik me bij het meer op het gras liet vallen, trok er een gevoel van euforie door me heen. Ik hijgde en had het gevoel dat mijn hart uit mijn borstkas wilde springen. Áls er al paparazzi rondliep, dan zouden ze ons kunnen vinden door heel aandachtig te luisteren: ik had het gevoel dat mijn hartslag aan de andere kant van de wereld te horen was.
Al gauw hoorde ik hoe Bill naast me neerplofte, ook hijgend. Ik keek naast me en zag hoe hij zich op zijn buik rolde en me aankeek, met een jagende ademhaling.
“Dat was lekker,” zei hij met veel valse lucht, op de manier waarop hij zong. Hij schoof zich wat dichter naar me toe en bracht zijn hoofd dicht bij het mijne zonder onze lippen contact te laten maken. Ik moest het beest in me echt beheersen, want eigenlijk had ik zin om hem bij zijn nek te grijpen en hem intens, lang en warm te zoenen, maar ik deed het niet. Daar had ik al mijn wilskracht voor nodig, dat wel, maar ik deed het niet en daar was ik trots op.
Opeens bedacht ik me hoe verrekte moeilijk het wel niet moest zijn om geen seks voor het huwelijk te hebben. Ik had geen idee van wat er dan wel en niet mocht en wist het fijne er niet van, maar ik wist wel dat ik nooit met Bill kon wachten totdat we getrouwd waren. Bovendien wilde hij niet trouwen.
“Ik heb het warm,” zuchtte ik, en ik raakte kort met mijn neus de zijne aan. Ik voelde hem met een schokje iets dichterbij komen, als in een reflex, maar hij wist zichzelf op tijd te corrigeren. Ik grijnsde en liet mezelf weer met een plofje in het zachte gras vallen en ik voelde hoe mijn zwarte haar zich als een waaier om min hoofd rangschikte.
“Weet je absoluut en voor honderd procent zeker dat er écht écht écht geen paparazzi is?” vroeg hij me nogmaals.
“Ja, voor honderd procent,” antwoordde ik. “Hoezo?”
Hij keek even achterom naar het meer waar we naast lagen en keek toen glimlachend naar mij, met een ondeugende schittering in zijn ogen.
“Nou,” begon hij. “Als je het dan toch zo warm hebt: laten we gaan zwemmen.”
Mijn eerste reactie op dat voorstel was een volmondig ‘ja’. Mijn tweede was dat ik geen zwemkleding aan had.
“Nou en,” zei hij schouderophalend. “Je hebt toch ondergoed aan?”
Ik knikte.
“Nou dan,” was zijn simpele antwoord. “Ik ben je vriendje en er is voor de rest toch niemand – dat heb je zelf gezegd – dus wat maakt het uit? Ik zal je-”
De rest van de zin ging volledig langs me heen omdat ik dacht dat ik zojuist gehoord had dat hij zei dat hij mijn vriendje was. Dat betekende dat er een grotere kans was dat hij van me hield en dat vond ik niet slecht – helemáál niet slecht.
Ik knikte en krabbelde overeind. Ik keek eerst toe hoe hij zijn shirt uittrok voordat ik dat zelf ook deed. Toen ik het shirt op de andere spulletjes (broodjes, jassen) gooide, zag ik hoe hij zijn broek uittrok en zo een zwarte, strakke boxer onthulde, die laag op zijn heupen zat. Man, ik had het niet meer. Ik móést hem zoenen, en wel meteen. Ik verzette me met heel mijn wezen tegen die verschrikkelijke behoefte en dat was écht, geloof me, écht ontzettend moeilijk.
Ook ik trok mijn broek uit – ik viel nog bijna om doordat ik met mijn voet in de pijp bleef steken – en ik liep zijn richting uit. Voordat ik hem eenmaal had kunnen aanraken, pakte hij mijn hand vast en trok me mee naar het water.
Het was nog verrassend koud, omdat het nog maar mei was en ik voelde kippenvel over mijn huid kruipen toen ik tot mijn knieën in het water stond. Bill stond al verder in het water, tot aan zijn middel, en ik werd verscheurd door een dilemma: aan de ene kant wilde ik ontzettend graag naar hem toe, aan de andere kant wilde ik het alleen maar weer zo snel mogelijk warm hebben.
Bill liet zich dapper tot zijn nek in het water zakken zodat zijn haar en make-up intact bleven en hij draaide zich om naar mij. De blik die hij me toewierp, maakte dat mijn tweede optie als sneeuw voor de zon verdween: ik liep naar hem toe en liet me ook in het water zakken.
Eerst was het zo koud dat ik klappertandde als een gek, maar na een poosje raakte ik eraan gewend en toen was het veel minder erg. We zwommen naar het midden van het meer en bleven daar rondjes zwemmen. Ik probeerde hem meerdere malen kopje onder te duwen, maar hij was pijlsnel in het water en dus staakte ik na een poosje mijn pogingen. Na een kwartier rondgezwommen te hebben, stelde ik voor om weer uit het water te gaan. We zwommen terug naar de kant en ik voelde meteen hoe het zonnetje mijn huid verwarmde, liet me weer in het gras vallen en Bill deed precies het zelfde.
Ik liet de zon het water van mijn lichaam verdampen omdat we geen handdoeken hadden om ons mee af te drogen. Bill lag naast me in het gras, binnen mijn bereik, maar ik zocht geen lichaamscontact. Ik voelde zijn aanwezigheid alsof er een straalkacheltje op mijn zij gericht stond, zo warm en aanwezig maar toch ook onbereikbaar. Ik hield mezelf in, probeerde mijn aandacht te richten op iets anders maar dat was onmogelijk met een Godheid naast me.
Plotseling voelde ik hoe hij zich bovenop me rolde, nog heerlijk vochtig en warm van het water en de zon. Hij drukte zijn mond warm op die van mij en ik voelde me direct verdoofd toen hij dat deed: ik had me zo lang in moeten houden en dus was het net alsof ik een klap kreeg. Zijn haarpunten kriebelden mijn gezicht en hals zachtjes, wat het hele gevoel nog intenser maakte.
Ik opende mijn mond toen hij zachtjes met zijn tong tegen mijn lippen duwde en beantwoordde de heerlijk diepe zoen die hij me gaf. Toen ik hem eenmaal had, was ik niet meer te stuiten. Ik had Bill, op één van de stilste plekjes van de hele wereld, in zijn ondergoed. We waren zo dicht bij, niets kon me ervan weerhouden om me gewoon aan hem over te geven, om een stap te nemen die voor ons beide nieuw was. Niets.
Terwijl we omrolden, zodat ik bovenop lag, begon ik te denken aan het feit of ik hier klaar voor was. Als puntje bij paaltje kwam, zou ik me dan ook aan hem overgeven? Het leek zo simpel, zo klein, maar was dat niet te kort door de bocht? Aan Bill zou het in ieder geval niet liggen. Hij was er al een jaar lang klaar voor.
Ik schrok toen we opeens weer omrolden en ik opeens weer met mijn rug op het gras lag. Bill had de zoen verbroken en keek me aan, leunend op zijn armen, zijn hoofd opeens weer ver van me verwijderd. Hij ademde zwaar en snel en ik merkte dat ik dat ook deed.
Hij liet zich zakken en kwam naast me liggen, nam me in zijn armen en streelde mijn haar zachtjes. Opeens was alles weer rustig en ik snapte niet waarom.
“Je hoeft niets,” fluisterde hij in mijn oor. “Ik wacht tot jij er klaar voor bent.”
Mijn eerste reactie was een grote, verbaasde stilte. Hoe kon Bill weten dat ik er nog niet klaar voor was als ik dat zelf niet eens wist? Ik vroeg me af of hij misschien mijn gedachten kon lezen, of hij gedachten kon lezen waarvan ik niet eens wist dat ik ze had en meer van dat soort dingen die alleen een God kon. Misschien was het God wel die Bill verteld had dat ik er nog niet klaar voor was en dat hij moest wachten en God zou wel weten wat goed voor me was. Hij was alwetend en had het beste voor met iedereen.
Ik was zo naïef.
We kleedden ons pas weer aan toen het begon af te koelen buiten en we honger kregen. Ik krabbelde overeind, liep naar de hoop kleding die een paar meter van ons vandaan lag en trok mijn broek eruit. Terwijl ik hem aantrok, voelde ik een onaangenaam prikkend gevoel op mijn arm, waar mijn litteken zat. Ik keek op en zag dat Bill zijn blik erop gericht had. Snel trok ik mijn shirt aan. Ik was helemaal vergeten dat ik het ding had, omdat ik helemaal was opgegaan in Bill.
Toen ik er zeker van was dat mijn arm op de goede plek bedekt was, pakte ik onze spullen op, liep terug naar Bill en dumpte de berg kleding bovenop hem. Ik ging naast hem in het gras zitten met de zak broodjes en pakte er eentje uit, die ik half in mijn mond propte. Daarna trok ik mijn shirtje recht en liet mezelf achterover op het gras vallen, met mijn ene hand achter mijn hoofd en in de ander mijn voedsel voor die avond.
Ik bestudeerde Bill aandachtig toen hij zich aankleedde, hoewel ik het leuker vond om naar hem te kijken als hij zijn kleren úít trok. Zelfs vanaf de grond kon ik zien dat hij kippenvel had, maar hij bedekte het al gauw met zijn T-shirt. Daarna kwam hij weer naast me liggen, ook met een broodje in zijn mond, dat hij zwijgzaam in twee happen op at. Niet veel later voelde ik hoe hij zich tegen me aan vleide en met zijn hand mijn onderbuik kriebelde.
“Omdat ik me zo dood voelde en ik wilde controleren of ik nog wel leefde,” zei ik in één adem, als een antwoord, zonder dat hij me iets gevraagd had. Vreemd genoeg begreep hij precies waar ik het over had en hij keek me aan met een begrijpende blik in zijn ogen waardoor ik me direct begrepen voelde, alsof hij zelf precies hetzelfde gevoel gehad had en hij zei me dat hem dat aan het zinnetje ‘you bleed just to know you’re alive’ deed denken. Ik glimlachte.
Toen het eenmaal donker was, telde ik de sterren. Het waren er onmetelijk veel en ik moest keer op keer opnieuw beginnen, maar het gaf me het gevoel dat ik nietig was en vreemd genoeg vond ik dat fijn. Niemand kon mij wijsmaken dat we door stom toeval op aarde waren, als een slim soort dier zonder doel, de aarde vernietigend door dingen uit te vinden die alleen goed waren om onszelf in stand te houden. Niemand kon me wijs maken dat wij de enige nadenkende wezens in het universum waren. Er moest meer zijn. Dat kon niet anders. Wij waren nietig. De aarde was nietig. De vraag die ik Bill wilde stellen, viel een miljoen keer in het niet bij alles wat er om ons heen was. Het staren naar de hemel hielp me dat te beseffen. Het gaf me de moed die ik nodig had om dit te doen.
“Bill,” vroeg ik helder en zachtjes.
“Ja?” klonk het naast me. Ik probeerde de brok in mijn keel weg te slikken en besloot het maar gewoon te vragen. Het vraagstuk ‘wat heb je te verliezen’ verwierp ik al gauw, want het antwoord daarop maakte me nog veel meer onzeker. Ik had alles te verliezen. Bill was mijn alles.
“Hou je van me?” vroeg ik in één adem.
Het bleef stil naast me, te lang dan naar mijn gevoel goed was. Ik had alle hoop al laten vervliegen en kreeg al een brok in mijn keel toen hij uiteindelijk toch antwoord gaf.
“Waarom vraag je dat?” vroeg hij zachtjes. Ik voelde dat zijn hand die van mij zocht en hem tenslotte ook vond. Tranen prikten achter mijn ogen toen zijn hand die van mij omklemde, maar ik liet ze niet gaan. De brok ik mijn keel zat er permanent: ik kreeg hem niet meer weggeslikt.
“Omdat ik het wel zeg, maar jij niet.”
Ik merkte dat mijn stem heser was dan normaal, maar Bill merkte het niet. Of hij deed alsof hij het niet merkte. Hij draaide zijn hoofd een kwartslag en ik deed dat ook, zodat we oogcontact konden maken. Ik hoopte dat hij door het donker niet zag dat mijn ogen vochtig waren en niet zou komen met lieve woordjes waardoor ik als een klein kind zou gaan janken, om vervolgens mijn vraag in te trekken met als conclusie dat ik een trut was om aan zijn liefde te twijfelen en dat hij heus wel van me hield. Nee, ik wilde een antwoord.
“Je weet dat ik je ontzettend lief en leuk vind en dat ik al meer dan een jaar gek op je ben hè?” vroeg Bill ter controle. Ik knikte.
“Ja,” zei ik trillend. “Maar ik weet niet of je van me houdt en dat wil ik graag weten…”
Hij was stil, zocht naar woorden. Ik bleef naar dezelfde plek kijken toen hij zijn gezicht afwendde en naar de lucht keek. Ik kon eeuwen naar hem staren, millennia lang. Alsjeblieft, God, bad ik. Laat hem van me houden. Alsjeblieft.
“Goed, luister,” zei hij op een gegeven moment, en hij keek me weer aan. “Het is misschien wat moeilijk uit te leggen en het klinkt ontzettend ouderwets, maar het zij zo…”
“Vertel maar,” drong ik aan. Ik wilde alles horen.
Hij kneep zijn ogen even dicht en opende ze toen weer. Ik beet op de binnenkant van mijn lip toen ik die hazelnootbruine ogen in het donker zag schitteren, zo mooi als ze waren. Ze keken recht door me heen, maakten dat ik me naakt voelde. Soms gaf hij me het gevoel dat ik doorzichtig was, maar dat alleen hij me kon zien.
“Aan het eind van mijn leven wil ik niet zo iemand zijn die tegen vijfentwintig meisjes gezegd heeft dat ik van ze hou,” begon hij. “Als ik het zeg, meen ik het ook. Net zoals bij seks, eigenlijk: als ik met iemand naar bed ga, dan betekent het ook iets. Het kan zijn dat ik er uiteindelijk achter kom dat ik van je hou, Maren, want ik wil je echt niet kwijt. Ik weet alleen niet of ik je nóóit meer kwijt wil en dat maakt het verschil…”
Ik zweeg en knipperde met mijn ogen, waardoor er een traan begon te rollen. Hij wist dus niet zeker of hij zijn hele leven met me wilde doorbrengen, maar het zou kunnen dat hij er gewoon nog niet achter was, dat hij tóch van me hield, ergens, diep in zijn hart. Dat zou ook pas kunnen zijn als het al lang te laat was, maar ik besloot me maar vast te klampen aan dat ijle stukje hoop.
“Snap je het?” vroeg hij. “Ik wil niet dat het zijn waarde verliest. Ik wil er geen spijt van krijgen. Eigenlijk is het mijn vervanging van een huwelijk… In plaats van een vrouw het jawoord te geven, zeg ik dat ik van haar houd.”
Er rolde ook een traan uit mijn andere oog. Bill draaide zich op zijn buik en veegde hem weg met een zachte beweging van zijn vingers. Hij glimlachte triest en ik probeerde hetzelfde te doen, zonder succes. Het deed zo’n zeer wat hij gezegd had. Ik wenste dat ik het nooit gevraagd had.
“Hé,” fluisterde hij kalmerend, en hij streek mijn pony uit mijn gezicht. “Til er niet te zwaar aan.”
“Doe ik ook niet,” loog ik. Het maakte me verrot. Stuk. Dood.
Hij verwarmde mijn mond met een zachte kus en streelde de huid van mijn hals om me rustig te krijgen. Hij veegde mijn wangen droog en keek me diep in de ogen aan. Ik trok hem weer dichter bij door mijn handen achterin zijn nek te leggen en gaf hem nog een zoen. Daarna draaide hij zich weer op zijn rug en verstrengelden onze vingers zich.
Ik bekeek de sterren en vroeg me af of er miljarden kilometers ver weg van de aarde ook verliefd meisjes waren die onzeker waren over – ja, ik had ook eigenlijk geen idee waar ik onzeker over was. Niet over Bills liefde jegens mij, in ieder geval. Hij wist gewoon niet of hij zijn hele leven met mij zou willen delen. Eigenlijk deed ik ook moeilijk om niets. Met goed geluk zouden we nog tachtig jaar leven: dat was een hele tijd. Ik wist niet eens zeker of ik het wel zo lang uit zou kunnen houden met hem. Toch twijfelde ik er niet aan of ik van hem hield: voor mijn maatstaven was dat in ieder geval wel zo. Zijn maatstaf lag gewoon iets hoger.
“Maren?” vroeg hij op een gegeven moment.
“Ja?”
“Ben jij eigenlijk nog maagd?”
Ik kreeg een flauw glimlachje op mijn gezicht toen ik doorkreeg dat hij het heel nonchalant probeerde te laten klinken, maar dat dat eigenlijk een soort van dekmantel was. Misschien was hij wel net zo onzeker geweest over het stellen van die vraag als ik over die van mij.
“Ja,” antwoordde ik. Het was nu eenmaal zo. “En jij?”
En toen zei hij iets dat mijn hart opeens weer in vuur en vlam zette, na de koude douche die het net gehad had. Hij kroop tegen me aan, legde zijn hand om mijn buik en draaide me een kwartslag, zodat we bijna met onze neuzen tegen elkaar aan lagen. Hij streek een verdwaalde pluk haar achter mijn oor en kwam nog dichterbij.
“Ja,” fluisterde hij, en hij wreef met het puntje van zijn neus tegen die van mij. “Ik wacht al een jaar op jou.”
We kwamen thuis om elf uur, wat me nog meeviel omdat het voor mijn gevoel al best lang donker was. Mijn moeder had Albert op visite: ik zag ze in de woonkamer zitten toen Bill en ik de fietsen in de schuur zetten. Ik klopte op het raam en zag dat mijn moeder opstond en naar de gang liep. Niet lang daarna deed ze de deur open en nam ze ons mee naar de woonkamer. We zeiden Albert gedag en ik stelde Bill en hem aan elkaar voor. Daarna vroeg ik Bill of hij nog wat wilde drinken, wat hij afsloeg en we gingen naar boven: ik met mijn rugzak en hij met zijn giga-tas.
Ik zei hem dat ik even ging douchen en hij glimlachte naar me terwijl hij zijn tas zo hard op mijn bed gooide dat die er bijna weer af stuiterde. Na hem een kus gegeven te hebben, ging ik douchen en zo’n vijf minuten later stond ik in mijn ondergoed en een gestippeld hemdje weer in mijn slaapkamer, geurend naar vanille. Meteen greep ik naar een borstel om mijn haar even gauw te borstelen en toen vroeg hij of ook hij mocht douchen, wat ik goedkeurde. Hij pakte een paar spullen bij elkaar en verliet na me nog een verliefde blik toegeworpen te hebben de kamer. Ik liet me op bed zakken en pakte mijn mp3-speler van het nachtkastje, waarna ik mijn favoriete liedje opzocht. Bill had het me laten horen, die keer toen hij dat pesthumeur gehad had en had me erbij verteld dat hij het altijd luisterde als hij alleen was. Sindsdien deed het me aan hem denken.
Ik hoorde de douche stromen en dacht aan de dag die achter me lag, aan wat ik allemaal beleefd had. Veel, eigenlijk, meer dan mijn hart eigenlijk aankon. Ik kon niet wachten tot ik naast Bill in bed lag, dat we lekker tegen elkaar aan konden kruipen en ik elkaars armen in slaap konden vallen. Onbewust kreeg ik een glimlach op mijn gezicht.
Een aantal momenten later hoorde ik dat de kraan werd dichtgedraaid en niet lang daarna stond Bill in zijn boxer in mijn slaapkamer, goddelijk en nog warm van het warme water. Zijn haar lag plat op zijn hoofd en hij zag er vreselijk aaibaar uit, zo zonder make-up. Nog steeds had ik het gevoel dat hij dan zijn masker liet vallen.
Ik zette mijn mp3-speler weer uit en schoof op om hem naast me in bed te laten stappen. Toen hij naast me lag, zuchtte ik even, kijkend naar zijn natte haar, uitgespreid over mijn kussen. Ik keek alleen maar, hield mijn handen waar ze waren en nam iedere vierkante millimeter van zijn gezicht in me op: de zachte lijnen, zijn huid, zijn prachtige neus, de moedervlek onder zijn goddelijke mond. Ik hield van hem.
“Wat luisterde je?” vroeg hij op een fluistertoon en ik voelde hoe hij zijn hand op mijn heup legde.
“Je lievelingsliedje,” antwoordde ik terwijl ik mijn ogen sloot en wat dichter tegen hem aan kroop. Ik voelde zijn huid warmte afstralen, heerlijk zacht en hij rook naar mijn shampoo. Ik gaf hem een kusje op het puntje van zijn neus en liet me wegzakken in mijn kussen.
Een hele tijd lagen we gewoon naast elkaar, keken we elkaar in de ogen en deden verder niets. De tijd leek stil te staan en dat vond ik een heerlijk gevoel, omdat het me het gevoel gaf dat ik voor altijd bij hem zou zijn en dat was wat ik het liefste wilde. Ik kon wel voor eeuwig naar hem blijven kijken en naar hem hunkeren en ik wist op dat moment al zeker dat ik hem nooit meer zou vergeten.
In een opwelling vroeg ik of hij het nooit moeilijk vond om op school rond te lopen met make-up, want hij had me ooit verteld dat hij niet echt geaccepteerd werd. Toen ik hem die vraag gesteld had, zuchtte hij diep en draaide zich op zijn rug, zijn ogen starend naar het plafond alsof daar een antwoord op stond, maar toen ik ook keek, zag ik niets.
Hij antwoordde dat hij het inderdaad moeilijk had gevonden, maar dat niets hem tegen kon houden zijn eigen ding te doen, ook al zou hij erom vermoord worden. Natuurlijk vond hij het vervelend dat hij nooit geaccepteerd was, maar hij zou zijn stijl nooit willen veranderen om – zoals hij het zelf zei, ‘normaal’ te zijn. Ik merkte hoe zijn stem halverwege zijn monoloog een beetje brak en week werd, alsof hij het allemaal herbeleefde en op dat moment verwezenlijkte ik de behoefte om hem stevig vast te houden, met mijn hoofd tegen zijn borst gedrukt.
Bill was alles wat ik mijn hele leven al zocht, waar ik mijn hele leven al behoefte aan had. Ik kon met alle zekerheid zeggen dat de afgelopen paar maanden de mooiste van mijn leven waren geweest. Bill gaf me een gevoel dat niemand anders me ooit gegeven gehad, een heerlijk gevoel dat ik niet kan benoemen. Ik had het gevoel dat hij alles voor me zou doen en dat hij altijd bij me zou blijven, dat we samen oud zouden worden, we elkaar trouw zouden blijven tot in de eeuwigheid. Ik had het gevoel dat hij van me hield hoewel ik dat niet eens zeker wist en dat frustreerde me uitermate.
Ik vroeg me af of God wel bestond. Als hij bestond, zou hij er dan niet al voor gezorgd hebben dat Bill tot een bepaald inzicht kwam? Zou God er na al die gebeden niet voor me hebben moeten zijn? Mam vertelde me vroeger altijd dat ik niet hoefde te bidden voor speelgoed omdat God alleen je diepste en meest brandende verlangens zou vervullen, als hij die belangrijk genoeg achtte. Nou, niemand zou kunnen ontkennen dat het mijn grootste wens was dat Bill van me zou houden en voor mij was dat belangrijk, ja, omdat ik anders waarschijnlijk nooit meer gelukkig zou zijn. En was het geluk van mensen niet het belangrijkste op aarde?
“Bill,” fluisterde ik zachtjes, en ik legde mijn hand ter hoogte van net onder zijn navel.
“Wat is er?” vroeg hij terwijl hij zijn hand op die van mij legde en mijn hand warm werd alsof het tussen een Bill-tosti-apparaat lag.
“Geloof je in God?”
Hij was even stil, tilde zijn hand weer op en legde hem naast zijn lichaam neer. Ik draaide me op mijn buik en liet mijn hoofd op mijn enige vrije hand rusten.
“Nee,” antwoordde hij, en hij vertelde me dat als hij zou bestaan, de wereld er allereerst heel anders uigezien had, met minder armoede en ongelijkheid en oorlog. Ik genoot van de manier waarop hij vertelde dat hij dacht dat wanneer God wél zou bestaan, hij ons eerder bij elkaar had laten komen en dat Georg dan nooit tussen ons gestaan zou hebben. Ik zweeg de hele tijd en vroeg me af of hij misschien gelijk had, dat mijn moeder me had opgescheept met het geloof in iemand die verzonnen was. De enige conclusie die ik kon trekken, was dat dat waar was. Bill zou me kunnen zeggen dat de Kerstman echt bestond en ik zou het nog geloven ook, maar ik vond zijn argumenten heel erg overtuigend en dus was het enige dat ik kon concluderen dat God een verzinsel was. Dat ik er alleen voor stond.
Ik had beter moeten weten.