Deel 20
Lief dagboek,
Het is eindelijk zomervakantie, eindelijk heb ik vrijheid. De school gaat pas ergens in september weer open, dus zou ik twee volle maanden met Bill hebben als hij niet door heel Duitsland en de rest van Europa reed in een zwart tourbusje. Vandaar dus dat ik geen twee volle maanden met hem heb, maar slechts een paar dagen.
Bill wilde zijn tatoeage-plan doorzetten en had daarover nog niets tegen zijn moeder gezegd. Hij was het ook niet van plan. Toen ik hem pas aan de telefoon had, heb ik hem gevraagd hoe hij het zou vinden als ik dezelfde tattoo zou nemen en dat vond hij een geweldig plan. Het is ergens in Augustus gebeurd, in de studio waar de jongens op dat moment aan het opnemen waren en ik was dodelijk zenuwachtig. Ik had mijn moeder al eens voorzichtig gevraagd wat ze ervan vond, maar haar reactie was niet zo positief en dus heb ik het ook stiekem gedaan, wat tegen mijn principes in was, maar voor Bill doe ik alles.
Nu ik die tatoeage heb, heb ik het gevoel dat we echt bij elkaar horen, dat we nooit meer uit elkaar zullen gaan en dat we elkaar altijd weer terug zullen vinden, ongeacht hoeveel we ook zullen veranderen door de jaren heen. Ik hou van hem.
Ik had seks gehad met de mooiste jongen van de hele wereld. Dat zinnetje spoelde ik telkens terug in mijn hoofd, die laatste weken voor de zomervakantie. Het voelde geweldig dat ik die ene stap genomen had en dat ik zo mogelijk nóg dichter bij hem stond. Telkens als we vreeën, voelde ik hoe we elkaar weer beter aanvoelden dan de keer daarvoor, hoe we steeds beter samen naar een hoogtepunt toewerkten en hoe ik me daarna nog meer met hem versmolten voelde. Die momenten hoefden van mij nooit meer te eindigen. Ik kon me het niet voorstellen dat er zoveel mensen waren die na een jaar of tien met hun partner in een seksuele dip te zitten kwamen en dat er dan stellen waren die het nog maar drie keer per jaar deden. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat het me ooit zou gaan vervelen, in ieder geval niet zolang het met Bill was.
Ik zag Bill weinig vanwege de tour en dus begon ik de zomervakantie in mijn eentje. De eerste week rustte ik lekker uit en pas de week erop ging ik dingen ondernemen met Fleur en Julia. We bakten taarten, gingen naar de bioscoop en gingen vaak uit, waarbij Julia nogal vaak jongens versierde en Fleur en ik lachend aan de kant bleven staan, óf verwonderd omdat het een halfgod was óf lachend omdat we ons afvroegen hoe ze het in haar hoofd haalde om met zo’n lelijke Duitse boer te zoenen. Fleur werd vaak ten dans gevraagd maar dat sloeg ze altijd af, zó vaak zelfs dat ik haar op een bepaald moment bijna wilde dwingen om alsjeblieft op een verzoek in te gaan. Ze glimlachte dan sereen en zei dat ze het niet wilde.
Maar op een gegeven moment kwam het er dan toch van: Julia en ik waren net naar het toilet geweest om onze lipgloss goed te doen toen we Fleur bij terugkomst aan de nek van een best wel knappe jongen zagen hangen en laten we één ding duidelijk stellen: ze waren níét aan het praten. We zagen haar de hele avond niet meer terug, waardoor ik me weer zorgen ging maken om het feit of ze niet ergens verkracht werd of zoiets, maar ik had er vertrouwen in dat ze dan zelf wel van zich af zou slaan. Ik was immers haar moeder niet.
Op een dag kreeg ik een plan, een idee dat ik persoonlijk geweldig vond. Ik hoefde er niet lang over na te denken om te weten dat ik er totaal zeker van was dat ik er geen spijt van zou krijgen en ik belde Bill meteen op nadat het in mijn gedachten was gekomen. Toen ik zijn voicemail kreeg, sprak ik in dat ik graag dezelfde tatoeage wilde laten zetten als hij, ongeacht wat voor motiefje hij zou nemen en nog geen uur later belde hij me terug met de mededeling dat hij het een geweldig idee vond. Ik was apetrots.
Ik had veel logeerpartijtjes bij Fleur en Julia, en soms ook bij mij. Af en toe werd ik er doodmoe van om telkens mijn litteken te verbergen (ik had me ook al een aantal keer verzet tegen hun zwembad-plannen met de lamlendige smoes dat ik niet van zwemmen hield) en het was bovendien te heet om in de zomer in een pyjama met lange mouwen te slapen, vooral omdat het zo’n vijfendertig graden was, met uitschieters richting de veertig. De meiden verklaarden me voor gek, maar zochten er volgens mij niets achter. Ik geloof eigenlijk niet dat ze er ooit van geweten hebben, tenzij Bill het ze verteld heeft, maar dat geloof ik niet.
Tijdens één van die bloedhete dagen nam Tokio Hotel een clip op in Berlijn en ik was uitgenodigd om te komen kijken, samen met Fleur en Julia. Julia zei het echter af bij gebrek aan behoefte om Tom te zien, waarin ik haar groot gelijk gaf, en dus ging ik alleen met Fleur. Haar moeder wilde ons brengen onder voorwaarde dat mijn moeder ons op zou halen, wat ik in een wip regelde en dus zaten Fleur en ik op die bewuste dag op de achterbank van de oude audi, zij in een hemdje, ik in een shirt met mouwen om mijn litteken te bedekken. Het was bloedheet, zo’n achtendertig graden en dus zweette ik me kapot. Fleur vroeg me keer op keer of ik het niet warm had en dat ik best iets van haar had mogen lenen, maar ik loog keer op keer dat dat niet zo was, met een rood hoofd van de hitte, hopend dat ik geen zweetplekken had.
Op een gegeven moment stonden we in een lange stoet auto’s die duidelijk ook naar Berlijn gingen en toen we merkten dat het verkeer in de wijk Friedrichshain totaal vast stond, besloten Fleur en ik om uit te stappen en de rest van de afstand lopend af te leggen. Al gauw bevonden we ons tussen gillende fangirls met zwart gelakte nagels, gillend alsof de aarde verging. Ik zag meisjes met spandoeken, meisjes zonder shirtjes en ook meisjes die teksten als ‘Bill, neuk me’ in hun decolleté geschreven hadden. Telkens als ik er zo één tegenkwam, kon ik niet anders dan grijnzen omdat ik het zo grappig vond dat ik niet zulke teksten op mijn lichaam had hoeven schrijven om het voor elkaar te krijgen én dat ik waarschijnlijk gelyncht zou worden als de fans doorkregen dat het meisje dat Bill ontmaagd had, zich in hun midden bevond.
Alle ogen waren op het dak van de oude bioscoop gericht, waar de jongens binnen minder dan een uur op te zien zouden zijn. Het gigantische drumstel van Gustav stond al opgesteld en er werd telkens gegild als er een geluidsman of iemand anders over het dak liep omdat ze dachten dat het dan wel eens zou kunnen beginnen. Fleur en ik keken elkaar steeds grijnzend aan en ik wist zeker dat we telkens hetzelfde dachten op die momenten: de meisjes om ons heen zouden een moord doen voor de telefoonnummers van de jongens, zouden een moord doen om in onze plaats te staan en we voelden ons ontzettend bevoordeeld.
Het gegil werd nog erger toen de jongens begonnen met de opnamen en het deed me deugd te zien dat Bill de longen uit zijn lijf playbackte. Ik zong de tekst van het nummer net zo hard mee als de rest van de gillende meute zodat ze zouden denken dat ik net zo’n erge fan was als zij en ik liet me meenemen door hun enthousiasme. Ik vond het ook een geweldig nummer, net als zij, maar om een andere reden: Bill had ooit gezegd dat het nummer hem zo aan mij deed denken.
Op een gegeven moment begon er een meisje in een hemdje met een diep décolleté tegen Fleur en mij te praten. Ze vroeg onder andere hoe lang we al fan waren (“We waren er aan het begin al bij,” antwoordden we) en wie we het leukst vonden (“Bill,” zei ik heel snel, terwijl Fleur deed alsof ze heel hard moest nadenken voordat ze uiteindelijk Gustavs naam noemde). Toen het meisje uiteindelijk haar vriendinnen terugvond, een Tokio Hotel-logo met merkstift op haar voorhoofd liet tekenen en aan haar pols weggetrokken werd, zei ze ons gedag en liep verder naar voren, mij en Fleur grijnzend om haar onwetendheid achterlatend.
Na een lange tijd, toen er al heel wat meer meisjes zonder shirtje rondliepen (ik bedacht me dat Tom dat – ondanks zijn verdriet om Julia – geweldig zou vinden), verdwenen de jongens van het dak van de bioscoop en besloten Fleur en ik dat het tijd was om backstage te gaan. Het duurde een tijdje voor we ons een weg gebaand hadden door de mensenmassa, maar uiteindelijk kwamen we er toch. Nog voordat we iets hadden kunnen zeggen over connecties binnen de band, zeiden de bewakers ons te herkennen van foto’s en we moesten even wachten voor we naar binnen mochten omdat ze nog een clip aan het opnemen waren. Uiteindelijk kwam hun manager zeggen dat de jongens graag wilden dat we kwamen kijken en mochten we doorlopen.
Het was voor ons een verrassing dat er nog meer meisjes binnen waren: ze stonden opgesteld tegen de muur, allemaal met een monddoek voor en het was de bedoeling dat de band tussen die twee rijen door zou lopen. Bij Toms gitaarsolo moesten de meisjes een soort van krankzinnige meute nabootsen (iets dat hen heel goed afging) en moesten de band opslokken, hen proberen te grijpen en aan het eind moesten de bandleden verzinken tussen de fans. Ik keek knarsetandend toe hoe zo’n honderd meisjes aan mijn vriendje zaten. Het nummer vond ik trouwens best oké: het was rustig en kalm aan het begin, maar heerlijk hysterisch aan het eind terwijl het toch die lome sfeer behield – de sfeer die op dat moment ook buiten hing, door de zinderende hitte.
Toen het voorbij was, werden de meisjes allemaal weer naar buiten gestuurd, nog voordat ze een handtekening of een foto hadden kunnen bemachtigen en wanneer de laatste eenmaal uit het zicht verdwenen was, vloog ik Bill om de hals en snoof zijn geur op, zoals ik dat altijd deed. Hij was warm van de zon en de inspanning en ik leefde helemaal op toen hij me innig zoende. Ik glimlachte tegen zijn lippen en liet alles voor de rest aan me voorbij gaan: ik merkte niet hoe blij Fleur was om Gustav weer te zien en had al helemaal niet door hoezeer Tom baalde dat Julia er niet bij was. Ook Georgs blikken bleven onopgemerkt.
“Ik heb je gemist!” riep ik blij uit, en ik bekeek hem van top tot teen alsof ik hem al een jaar niet gezien had. “Je haar wordt echt te lang nu,” concludeerde ik na mijn hand er één keer doorheen gehaald te hebben. Hij grijnsde alleen maar en nam me eventjes apart na de andere jongens en de andere mensen die bij de band hoorden gezegd te hebben dat hij even weg was. We zochten een donker hoekje op waar geen fans, geen crewmensen en geen bandleden waren en hij drukte snel een kus op mijn lippen voordat hij ter zake kwam.
“Luister,” zei hij. “Ik weet nog niet heel veel over die tatoeage, qua tijd en plaats en datum en dat soort dingen, maar dat bel ik wel door. Ik heb al wel een motiefje, kijk…”
Hij haalde een papiertje uit zijn kontzak en vouwde het open voordat hij het aan me gaf: er stond een ster op, of eerder gezegd, drie sterren in elkaar, net zoals op het shirt dat hij ooit voor me had uitgekozen in de Magdeburg-winkel. Mijn moeder zou me ongeveer vermoorden als ik met dat ding op mijn lichaam thuiskwam, ongeacht hoe groot het zou worden, maar dat moest dan maar. Het werd tijd dat ik ging doen wat ik zelf wilde, mijn eigen plan trok, net als Bill deed, en dat ik me ging afzetten van mijn moeder. Of ja, niet dat ik me ging afzetten, want dat wilde ik niet, maar ik was zo’n moederskindje en ik moest wel op eigen benen kunnen staan als ik zou gaan studeren. Ik moest me van haar losweken.
“Vind je hem mooi?” vroeg hij. “Ik zat te twijfelen tussen die ster en een skull, maar het lijkt me leuker om een ster te hebben. Ook omdat jij hem dan ook hebt, weet je, dan kunnen we zeggen dat – nou ja, je weet dat jij mijn ster bent…”
Ik glimlachte vertederd toen hij dat zei, omdat hij dat precies zo gezegd had toen ik het shirt met de sterren erop aangehad had en gewoon omdat het zo ontiegelijk lief was. Ik pakte zijn warme hand, die naast zijn lange lichaam hing en ik ging op mijn tenen staan om hem een kus op de lippen te drukken omdat ik in woorden niet uit kon leggen wat ik op dat moment voelde. Met die kus hoopte ik hem dat ongeveer duidelijk te maken.
“Je gaat toch nog mee, of niet?” vroeg hij nog. “Je hebt je toch niet bedacht?”
Ik schudde gauw mijn hoofd, want natuurlijk zou ik het door willen zetten.
“Natuurlijk doe ik het,” antwoordde ik daarom. “Ik vind het een geweldig plan, dat weet je.”
Hij grijnsde breed.
“Mooi zo,” zei hij. “Ik vind het zo gaaf dat we dit gaan doen!”
Met die woorden trok hij me dicht tegen zich aan. Ik genoot van het gevoel dat dat teweeg bracht, dat geborgen gevoel, dat gevoel van liefde, het gevoel dat hij van me hield, ook al wisten we beide niet zeker of dat zo was. Ik was me er heel erg van bewust dat Bill me kon maken of breken met een paar simpele woorden als ‘ik hou van je’ of ‘ik hou niet van je’ en dat maakte dat ik me ontzettend afhankelijk van hem voelde, ook al deed ik mijn best dat niet te zijn. Ik had genoeg films gezien waarin de hoofdpersoon kapot ging wanneer haar vriend of man zei dat hij toch eigenlijk niet van haar hield en die mensen belandden altijd in de prostitutie of in de drugswereld. Ik wilde niet kapot gaan op die manier. Ik wilde waardig ten onder gaan.
Terwijl ik daar zo stond, in zijn armen, in dat donkere hoekje, zijn geur opsnuivend en alles in mijn herinnering graverend, besefte ik me dat ik niet waardig ten onder kon gaan. Ik zou gillen en krijsen, vloeken en tieren en huilen en het drong met een schok tot me door dat als ik Bill kwijt zou raken, dat ik dan zou sterven, hetzij uit verdriet of door eigen toedoen.
Een week of vijf later kon ik niet in slaap komen. Naast me lag Bill, rustig en sereen, zonder enig spoortje make-up op zijn gezicht. Hij had zich op zijn zij gedraaid zodat ik zonder gêne naar zijn gelaat kon kijken en dat deed ik dan ook. Hij was volledig ontspannen en zacht, naakt en teer en geliefd. Bemind. Door mij.
Vanaf dat ik me zo overduidelijk gerealiseerd had dat ik nergens was zonder Bill, dat ik dood was zonder hem, probeerde ik wel eens om van hem af te kicken. Telkens als ik dan dacht dat het best zou lukken zonder hem, en dat was dan meestal als ik hem al een week of twee niet meer gesproken had, dan kwam hij terug en bracht hij alle gevoelens van eerder weer terug. Ik was verloren zonder hem en me daar ook volledig van bewust.
Ik had de oordopjes van mijn MP3-speler in mijn oor gestopt om slaperig te worden en ik voelde al dat het hielp. Mijn oogleden werden steeds zwaarder toen ik me bedacht dat ik helemaal niet zonder Bill kon, dat hij een deel van me was geworden en dat ik dood zou bloeden als hij het uit zou maken. Letterlijk. Er was niemand die aan Bill kon tippen, niemand die beter bij me paste dan hij deed en waarschijnlijk zou ik me dan net zo gaan gedragen als die vrouw in die film van de vorige dag had gedaan: ik zou hem stalken tot in de eeuwigheid en al zijn vriendinnen bedreigen en vermoorden. Ik zou totaal flippen en hem uiteindelijk vermoorden in zijn slaap door zijn huis in de fik te steken en naast hem in bed te kruipen zodat we samen opgegeten konden worden door de naderende vlammen.
Je begrijpt vast dat dat hele rare gedachten waren voor een meisje van zestien terwijl op dat moment de vriend in kwestie nog rustig naast haar lag te slapen maar ik kon niet beloven dat het niet zou gebeuren als ik hem niet meer bij me had. Dan was mijn leven waardeloos.
Ik hield Bills hand vast en voelde dat hij bij me was, ook al kon ik hem niet zien. Ik zag slechts de weg die voor ons lag, in het donker, en ik wist dat ik richting de horizon zou moeten lopen, samen met hem, maar ik kon me niet bewegen.
Hij zette een stap vooruit en liet mijn hand los. Ik stak mijn hand uit, mijn vingers reikend voor hetgeen me net ontglipt was en ik voelde dat hij glimlachte, al zag ik nog steeds zijn gezicht niet. Hij keek om en wenkte me om met hem mee te gaan, stak zijn hand naar me uit en ik probeerde die van mij in die van hem te leggen, maar hij lag buiten mijn bereik.
Toen hij begon te rennen, wilde ik een stap naar voren doen en toen viel ik naar beneden door een ruimte die zo nauw was dat ik bang was dat ik mijn hoofd zou stoten. Ik keek naar boven, naar waar ik vandaan gekomen was en ik zag zijn gezicht.
Het moment daarna was opeens heel anders: ik viel niet meer, maar was ook niet neergekomen. De sfeer was heel anders, minder dan een droom, meer als een visioen of iets dat al eerder in mijn leven gebeurd was. Ik zat in de auto, achter het stuur en ik was furieus. Ik reed snel, veel harder dan mocht en ik zag hoe mijn nagels zich in het stuur boorden.
Daarna begon ik weer te vallen en ik raakte een zachte vloer toen ik neerkwam en ik zag een hemelsblauwe lucht toen ik mijn ogen opende. Meteen ging ik rechtop zitten en ik zag dat ik op een open plek zat, omgeven door bomen en vol met papieren bloemen met bloedspetters. Toen ik beter keek, zag ik dat het papier van de bloemen rekeningen waren.
Ik hoorde mijn naam, keek op en zag Bill. Hij droeg wit en had vleugels.
Ik sprong op en liep naar hem toe, maar hij liep steeds verder weg. Ik hoorde zijn schaterlach over de open plek schallen, echoën tegen de bomen en de strakke lucht boven ons en ik begon te rennen toen hij tussen de bomen verdween.
Onder het bladerdak zag ik hoe zijn kleding langzaam zwart werd en ik bleef rennen, mijn hand naar hem uitgestoken en zijn lach nog nagalmend in mijn oren. De bomen schoten langs me heen en ik zag licht aan het eind van de tunnel. Het was ontzettend fel me en ik kneep mijn ogen zo dicht mogelijk omdat ik hem niet meer kon zien.
Ik sloeg mijn handen voor mijn ogen toen het zonlicht me verblindde en toen mijn ogen gewend waren, zag ik hem staan. Hij had een trieste glimlach op zijn gezicht en stak zijn hand naar me uit, die ik vastpakte. Toen ik naar beneden keek, zag ik een onmetelijke diepte en hij kneep in mijn hand ter bemoediging.
Plots zat ik weer in de auto, achter een invaliden-autootje dat zo langzaam reed dat ik hem in wilde halen omdat ik haast had. Ik slingerde het stuur naar links en zag te laat de vrachtauto die recht op me af kwam. Ik wilde nog uitwijken maar besefte dat het te laat was en ik trok mijn handen weg van het stuur om mijn gezicht te beschermen.
Ik gilde toen we samen vielen.
Met een klap belandde ik terug in de werkelijkheid en ik moest me inhouden niet te gillen. Ik ademde jagend, gierend en toen ik voelde dat Bill wakker was en me tegen hem aandrukte, begon ik hard te huilen. Niet zacht en zwijgzaam, maar met gierende uithalen die ik dempte door mijn tanden in zijn sleutelbeen te zetten. Hij sloeg zijn armen om me heen en liet uit niets merken dat het hem zeer deed, waar ik blij om was omdat ik vreesde dat ik niet meer los zou kunnen laten.
Ik probeerde de droom weer terug te halen en besefte me dat ik gedroomd had dat ik hem los liet, dat hij wegliep zonder mij en ik bedacht me wat het kon betekenen. Moest ik hem soms loslaten, ergens in de toekomst? Zou hij verder gaan zonder mij en mij achterlaten in het donker, op een weg die ik niet durfde te bewandelen? Zou ik in een put vallen en op een gegeven moment weer met hem in contact komen waarna hij weer weg zou lopen en ik hem uiteindelijk opnieuw zou vinden en we samen de sprong zouden wagen?
En dat in die auto, waar had dat mee te maken? Dat leek net echt, alsof het me echt gebeurd was of me ooit zou overkomen en dat maakte me ontzettend bang. Ik had geen idee waar het op sloeg, kon er ook geen wijs uit en schoof het maar aan de kant terwijl ik weer indommelde, liggend in Bills armen die me stevig vasthielden en dat altijd zouden hebben blijven doen als ik in het verleden niet zo stom geweest was.
Bill liet van zich horen op de avond dat Albert mij en mijn moeder mee uit eten had genomen om te vieren dat hij promotie had gemaakt tot decaan op de middelbare school waarop hij werkte. Het kon me weinig schelen maar ik vond het wel leuk voor hem en een bord lekker en duur eten dat we zelf niet hoefden te maken en betalen was natuurlijk nooit weg.
Albert had speciaal voor mij een restaurant uitgezocht waar de vegetarische gerechten goed te eten waren, iets waar ik hem enorm dankbaar om was omdat ik al veel te vaak met lange tanden mijn voedsel had moeten weg eten. Anders vond ik het zo zielig vond voor mijn moeder, omdat het toch betaald moest worden. Maar enfin, omdat hij speciaal voor mij een goed restaurant gezocht had, had ik speciaal voor hem mijn mooiste kleren aangetrokken. Dat wil zeggen: mijn cupidoshirt, waaraan ik zo gehecht was.
Hij belde net op het moment dat Albert en mijn moeder even helemaal in elkaar opgingen en gaf mij zo een reden om weg te vluchten. Begrijp me niet verkeerd, ik vond het leuk dat ze verliefd waren en zo, maar ik voelde me dan vaak zo’n aanhangsel, zo op-de-verkeerde-plaats-zijnde en dat soort dingen en dus kwam zijn telefoontje op het gewenste moment.
Ik excuseerde me, iets wat ze volgens mij niet eens merkten en liep richting de bar, waar het rustig was en ik dus ongestoord kon bellen. Nog even controleerde ik of ze me niet toevallig nakeken, maar ze gingen helemaal in elkaar op.
“Met Maren,” fluisterde ik gedempt toen ik opnam. “Sorry, ik kan niet heel lang praten want-”
“Hoi! Waarom praat je zo zacht?”
“- ik zit op het moment in een restaurant.”
Het was even stil aan de andere kant van de lijn en ik vroeg me af of hij me wel gehoord had toen hij het woord weer overnam.
“Aha, goed,” antwoordde hij vrolijk. “Ik heb het adres en zo. Heb je ergens een servetje of zoiets, waar je op kunt schrijven? En een pen?”
Ik keek om me heen en zag een houdertje met bierviltjes op de bar staan. Een pen was nergens te bekennen.
“Wacht, dan vraag ik het even aan iemand,” antwoordde ik en nadat hij ‘oké’ gezegd had, legde ik mijn hand over de hoorn. Ik schoot een blonde ober aan en vroeg of ik even zijn pen mocht lenen, wat mocht. Hij gaf me de pen die hij in zijn borstzakje had zitten en ik legde de hoorn weer tegen mijn oor.
“Ben ik weer,” zei ik terwijl ik een bierviltje uit een houder pakte.
“Oké,” antwoordde hij. “Heb je iets om mee te schrijven?”
“Ja,” bevestigde ik, en ik maakte de pen schrijfklaar door met de achterkant op de bar te drukken. Bill noemde een adres dat ik vluchtig opschreef, met een scheef oog op mijn moeder en Albert. Ze merkten volgens mij niet eens dat ik was opgestaan, wat goed was. Zodra ik het adres volledig had, stopte ik het bierviltje in de kontzak van mijn spijkerbroek en controleerde nogmaals of iemand het gezien had. Toen dat niet het geval bleek, legde ik de pen terug op de bar en zei ik de blonde jongen zonder woorden dat ik het ding niet meer nodig had.
“Gaat het daar gebeuren?” vroeg ik Bill.
“Ja,” antwoordde hij. “Wij kunnen je alleen niet komen ophalen omdat we vanuit een andere stad – ik weet niet welke – komen en eerst een paar nummers opnieuw moeten opnemen en zo, maar ik denk dat je het wel kunt vinden op Internet, of je vraagt ouderwets de weg. Ben je bang?”
Ik schudde mijn hoofd. Het drong niet tot me door dat hij dat niet zou zien.
“Nee,” antwoordde ik. “Niet bang. Wel zenuwachtig.”
Ik hoorde aan een klein geluidje dat hij maakte dat hij glimlachte en toen ik dat zo ongeveer voor me zag, hoe hij in een hotel in een enorme stad waarvan hij zelf niet eens wist welke het was op zijn bed lag om mij te bellen, kreeg ik zelf ook een grijns op mijn gezicht. Ik werd er enorm blij van dat hij zijn kostbare tijd vrijmaakte om mij te bellen.
“Ik ben wél bang,” zei Bill na dat glimlachende geluidje. “Voor wat mijn moeder gaat zeggen en zo, hoe boos ze precies gaat worden, dat soort kleine dingetjes. Maar ik weet wel voor honderd procent zeker dat ik er geen spijt van ga krijgen. Jij?”
“Ik ook niet,” zei ik met alle zekerheid. Van alles wat ik met Bill deed, was ik honderd procent zeker, dus ook van het tatoeage-plan. Ik kon niet ontkennen dat ik als de dood was voor de reactie van mijn moeder, maar daar zou ik me later wel zorgen om gaan maken.
“Mooi zo,” zei hij, waarschijnlijk met een glimlach op zijn gezicht. Toen ik vroeg hoe laat ik er precies moest zijn, antwoordde hij dat ik, als ik van half twee uit zou gaan, precies op tijd zou komen en daarna moest ik ophangen omdat Albert en mijn moeder me anders zouden gaan missen en ze misschien achterdochtig zouden worden.
“Is goed,” antwoordde hij. “Prettige avond nog.”
“Jij ook,” zei ik terug. “En veel succes vanavond!”
Ik hoorde hoe hij ophing en bleef met een leeg gevoel achter dat mijn hele binnenste opvulde, voor mijn gevoel. We zouden samen een tatoeage laten zetten, iets dat ons permanent en voor altijd aan elkaar zou binden, iets dat in principe nog officiëler was dan het uitwisselen van trouwringen, maar hij kon nog steeds niet met zekerheid zeggen dat hij van me hield. Teleurgesteld propte ik mijn telefoon weer terug in mijn broekzak, controleerde of het bierviltje nog in mijn kontzak zat en ik ging terug naar de tafel, waar mijn moeder en Albert elkaar nog steeds hapjes van elkaar gerechten voerden. Ze keken op toen ik weer aan tafel kwam zitten.
“Wie was dat?” vroeg mijn moeder en ze draaide haar lichaam geïnteresseerd mijn kant uit terwijl Albert zijn volle vork nog ergens in de lucht had hangen.
“Bill,” antwoordde ik. Ik hield niet van liegen en dus was ik blij dat ze nog geen ingewikkelde vragen stelde. Helaas dacht Albert daar anders over en hij vroeg waaróm Bill dan wel gebeld had, waarna hij de vork maar in zijn eigen mond schoof.
“Om te zeggen dat hij van me hield,” antwoordde ik schouderophalend. Dat was zo ongeveer de allergrootste leugen die ik ooit verteld had. Gelukkig slikten de twee volwassenen het als zoete koek en gingen ze gauw verder met lief doen tegen elkaar, zodat ik vrijwel ongezien het bierviltje uit mijn zak kon halen en het in mijn tas kon stoppen door simpelweg te doen alsof ik mijn telefoon zocht. Ik bedacht me nog dat God me waarschijnlijk zou straffen als hij zou zien wat voor een bedriegster ik was, hoezeer ik loog, maar ik schoof dat direct uit mijn hoofd omdat ik er nog steeds van overtuigd was dat hij niet kon bestaan. Een God zou er voor me geweest zijn, telkens als ik boven een zijden draadje boven een afgrond bungelde, net zoals toen met dat houden van en hij zou een vangnet gespannen hebben om me op te vangen als ik zou vallen, zoals toen Georg was vreemd gegaan en ik mezelf verminkt had. God zou ervoor gezorgd hebben dat ik zacht terecht gekomen was, maar dat had hij nooit gedaan.
Een aantal dagen later zat ik in mijn eentje in de trein. Ik keek naar buiten, zag hoe de omgeving snel voorbij flitste, te snel om ook maar iets in mijn geheugen vast te leggen. Ik voelde de zenuwen kriebelen in mijn buik, als een vulkaan die op uitbarsten stond, waar de lava onder de aarde kookte en borrelde, klaar om een weg naar boven te vinden. Ik had ontzettend de neiging om aan mijn nagels te gaan kluiven, maar deed het niet omdat ik wist dat Bill het lelijk vond.
Op een gegeven moment stapte ik uit en vroeg iemand op het station of hij me kon vertellen waar de straat-die-op-mijn-bierviltje-stond lag. Hij gaf me een uitgebreide routebeschrijving waarvan ik besloot de eerste drie zinnen te onthouden en het op die plaats nog eens te vragen. Na dat zo een aantal keer gedaan te hebben, kwam ik aan op de plek van bestemming. Toen ik aan iemand daar vroeg waar ik Bill kon vinden, bleek dat ze me al verwacht hadden en ze brachten me naar een kamertje achterin waar niemand was behalve Bill en de tattoo-man, die al bezig was met Bill. Hij lag shirtloos op een tafel en de man die al met zijn gereedschap in de weer was, keek kort op toen ik binnen kwam. Ik legde mijn tas neer op een stoel die vlak bij de deur stond en besloot eens voorzichtig bij Bill te gaan kijken.
Mijn lieve, schattige Bill deed zijn uiterste best om niet te gillen, maar aan de andere kant zag ik dat hij dat wel heel graag wilde. Hij had me al eerder verteld dat hij als de dood was voor de pijn die het zou gaan doen omdat de tatoeage in zijn nek ook niet bepaald pijnloos was geweest, maar hij twijfelde er niet aan om zijn plan door te zetten en dus deed ik dat ook niet.
Ik zei niets en ging naast hem zitten na een stoel gepakt te hebben. Ik nam zijn hand in die van mij, ziend hoe hij op zijn tanden moest bijten om ook maar enig geluid binnen te houden. Zijn hand trok soms samen in een reflex om te knijpen, maar hij hield dapper vol en spaarde mijn hand. Ik was trots op hem.
Na anderhalf uur was het klaar. Nog voordat Bill kon zien hoe het eruit zag, plakte de tattoo-man er een gaasje overheen en nodigde mij met weinig woorden uit om op zijn plek te gaan liggen. Toen Bill opstond, gaf ik hem een korte kus en voelde meteen de zenuwen door mijn lijf gieren toen ik op de tafel ging liggen, die nog warm was van Bill. Ik besloot mijn shirt aan te houden in verband met mijn litteken en trok het gewoon hoog op, zodat de man ruimte had om te werken. Bill trok zijn shirt weer aan en ging daarna naast me zitten, pakte mijn hand al vast toen er nog niets gebeurde en keek geïnteresseerd mee toen ik de tattoo-man vertelde waar ik de ster wilde hebben: links onder mijn navel, aan de andere kant als waar Bill hem had. Ik had dat zo bedacht omdat dan als we op elkaar lagen, de sterren ook op elkaar lagen. Het had niet echt een verdere betekenis of zo, ik vond het gewoon wel grappig.
Bijna twee uur van helse pijn volgden, uren waarin ik zo hard op mijn tanden beet dat mijn kaken er zeer van gingen doen, heel veel oogcontact maakte met Bill om me te blijven herinneren waarvoor ik het ook alweer deed en ik kneep zijn hand fijn. Maar hij klaagde niet. Ik hield zoveel van hem.
Ook ik kreeg niet de kans om te zien hoe het geworden was: nog voordat ik eenmaal doorhad dat het klaar was, plakte hij er een ding overheen. Ik ging met mijn vingers over het gaas en voelde dat de huid eronder geïrriteerd voelde, alsof het een grote schaafwond was. Gauw schoof ik mijn shirtje weer omlaag en toen ik overeind kwam, zag ik hoe Bill de man wat geld in zijn handen duwde, twee tubes met een onbekende substantie kreeg en hem uitliet.
“Hier,” zei hij, en hij duwde de zalf in mijn hand. “Dat moet je erop smeren en zo… Je moet de gebruiksaanwijzing maar even lezen… Ik geloof dat het dezelfde is als die ene die ik de vorige keer had, met die in mijn nek…”
Hij legde zijn hand in zijn nek terwijl ik van de tafel afsprong en naar mijn tas liep, waar ik de tube in propte en naar mijn portemonnee zocht. Voordat ik naar de trein gegaan was, na mijn moeder verteld te hebben dat ik bij Bill ging slapen (waar overigens geen woord van gelogen was) had ik geld gepind om de tatoeage te kunnen betalen. Ik vroeg hem hoeveel hij van me kreeg terwijl ik mijn portemonnee open ritste en controleerde hoeveel ik bij me had. Het moest ruim voldoende zijn, maar hij zei dat hij niets van me wilde hebben en dat antwoord had ik al min of meer verwacht.
“Mooi niet,” zei ik daarom. “Honderd?”
“Niets,” herhaalde hij.
“Doe niet zo idioot,” zei ik. “Hier.”
Ik stak het briefje van honderd euro naar hem uit, maar hij weigerde het aan te pakken. Hij sloeg zijn armen over elkaar heen, liet me gewoon staan alsof ik een kapstok was en zei dat hij het niet wilde hebben, waarna we in een welles-nietes strijd uitbarstten die hij uiteindelijk eindigde door te zeggen dat ik het alvast als een verjaardagscadeautje moest zien.
“Ik ben pas in november jarig. Doe niet zo idioot,” zei ik, en ik liep op hem af om zijn hand te grijpen en het papiergeld erin te drukken maar koppig genoeg als hij was, liet hij het vallen. Ik raapte het weer op en stopte het nijdig in zijn broekzak, kwaad op mezelf omdat we beide zo verdomde koppig waren en we elkaar nooit onze zin zouden geven. Hij grijnsde.
We verlieten de ruimte en gingen naar waar Tom, Georg en Gustav aan het opnemen waren. Bill kwam achter me staan, sloeg zijn armen om me heen en ging met zijn vingers over het gaasje op mijn buik. Het brandde een beetje.
“Ze nemen nieuwe, lagere versies op,” verklaarde hij. “Om uit te brengen in Frankrijk en Engeland. We willen graag doorbreken in de grotere landen, weet je…”
Hij legde zijn kin op mijn schouder en wiegde me zachtjes heen en weer. Ik wilde graag zeggen hoe blij ik was dat we het gedaan hadden, dat we samen die tatoeage hadden laten zetten en dat ik zo blij was dat we zo ongeveer permanent met elkaar verbonden waren, maar het was er niet echt het moment voor.
“Moet je ze ook nog inzingen?” vroeg ik ter vervanging, want daar zou ik maar wat graag bij willen zijn. Zien hoe Bill zijn longen uit zijn lijf zong, leek me vreemd genoeg het toppunt van romantiek omdat hij dan totaal zichzelf was, zijn masker afzette en dus – in mijn ogen – zijn zwakte toonde. Ik bedacht me dat ik nog nooit een concert bezocht had en nam me voor om op drie september te gaan: de laatste keer.
“Nee, niet vandaag in ieder geval. Dat komt allemaal nog.” Hij begroef zijn hoofd in mijn hals en streek met zijn lippen over mijn huid. Ik voelde zijn vingers opnieuw over het gaas gaan en hij draaide me om, legde zijn voorhoofd tegen het mijne en streek met het puntje van zijn neus over die van mij. “Ik vind het echt geweldig dat je dit met me wilde doen…”
Ik glimlachte, blij dat hij het zei en niet ik en ik voelde hoe hij zijn mond op mijn lippen duwde. Ik kantelde mijn hoofd wat verder en opende mijn mond een klein beetje, waarna onze tongen vrijwel direct contact maakten en we verwikkelden onszelf in een warm gevecht dat geen van ons beide ooit zou winnen. Toen we onze hoofden weer terug trokken, legde ik mijn neus tegen die van hem en grijnsde.
We keken beide op toen we een deur open hoorden gaan en de drie overige bandleden naar buiten kwamen. Ik begroette hen alle drie kort en voelde een steek in mijn buik toen ik bij het zien van Tom aan Julia dacht, die jongens aan de lopende band versleet. Hij vroeg aan niemand in het bijzonder of we het wilden laten zien en dus trokken Bill en ik beide ons shirt op. Ik negeerde Georgs blik.
“Gaaf,” concludeerde Gustav toen we het gaasje er even vanaf haalden zodat we het zelf ook voor het eerst konden bekijken en hij bukte om het van dichterbij te kunnen bekijken. “Echt identiek. Net alsof jullie getrouwd zijn.”
Hij zei het zo onschuldig dat ik ervan moest glimlachen. Wat Bills reactie was, weet ik nog steeds niet omdat ik niet durfde te kijken.
Wat ik minder grappig vond, was dat Georg de tatoeage van heel dichtbij kwam bewonderen – en dan bedoel ik ook echt van héél dichtbij. Als hij zijn tong uit zou steken, kon hij mijn huid proeven en ik kreeg kippenvel van zijn hete adem. Ik hield hem nauwlettend in de gaten zodat ik mijn knie omhoog kon stoten als hij iets zou doen dat niet gewenst was en toen ik door mijn wimpers schuin omhoog keek, zag ik aan Bills gezicht dat hij de basgitarist graag een opdonder zou willen verkopen. Hij hield het echter netjes en vroeg of hij alsjeblieft wat meer afstand zou willen nemen.
“Maar ik doe toch niets!” was Georgs verdediging, maar na nog een dodelijke blik van Bill stond hij toch op, na nog heel uitdagend met het topje van zijn neus naast mijn navel gestreken te hebben en hij beende terug naar de opnameruimte, waar hij begon met het opruimen van zijn basgitaar. Ik plakte gauw het gaasje terug, waardoor ik niet kon voorkomen dat Bill als een razende achter Georg aan ging en ik het pas merkte toen de deur met een klap dicht sloeg. Door het raam zag ik hem tieren en uit zijn naad gaan terwijl Georg aanvankelijk nog rustig bleef, maar dat veranderde toen Bill hem een duw gaf.
“Verdomme,” fluisterde ik en ik liep in de richting van de deur. Het mocht een rotstreek van Georg geweest zijn, maar ik zou het niet de reden van een ruzie laten worden.
Toen ik de deur open trok, viel het geluid als een golf over me heen. Ik moest even bijkomen en probeerde me toen, staand in de deuropening, verstaanbaar te maken. Het was niet te verstaan wat ze zeiden, ik ving soms een paar dingen op als ‘dit pik ik verdomme niet’ en ‘doe niet zo fucking bekrompen’ maar voor de rest was het een onverstaanbare brij woorden. Nadat ik na een aantal keer hard Bills naam geroepen te hebben nog geen reactie gekregen te hebben en Georg aanstalten maakte Bill te slaan, stapte ik naar binnen en trok hard aan de deur, zodat deze hard dicht klapte. Beide jongens keken op.
“Bill,” zei ik kalm, en ik deed drie stappen in zijn richting, met uitgestoken hand in de hoop dat hij hem vast zou pakken en Georg zou laten voor wat hij was. “Het is oké.”
Bills gezicht vertrok opnieuw van woede en hij balde zijn vuisten toen hij zich omkeerde naar Georg, die zich meteen klaarmaakte om eventuele klappen op te vangen. Snel liep ik naar hem toe, greep zijn polsen vast en draaide hem naar me toe. Ik schrok van de uitdrukking op zijn gelaat, dat net zoveel agressie uitstraalde als die keer dat hij een bord tegen de deur kapot gegooid had. Ik vroeg me opnieuw af of God en de duivel misschien dezelfde persoon waren.
“Het is oké,” herhaalde ik kalm, en ik bracht mijn hand naar zijn gezicht in een poging de boze plooien eruit te strijken. Hij ademde zwaar, maar werd wat rustiger van mijn aanrakingen. Ik wierp een blik door het raam, waar Tom en Gustav stonden te kijken en ik glimlachte naar hen, waardoor ik mijn greep om Bills polsen even vergat. Ik schrok me dan ook een ongeluk toen hij zich los trok en zich met een brul bovenop Georg stortte, roepend dat het ‘fucking níét oké was’. Ik gilde en stond als verstijfd, aan de grond genageld, niet in staat me te bewegen. De deur achter me ging open, sloeg weer dicht en nog geen vijf seconden later hadden Gustav en Tom de jongens uit elkaar gehaald. Mijn hart bonkte in mijn keel en ik had tranen in mijn ogen van de schrik.
“Nu ben ik het zát,” spuwde Tom woedend. “Het moet eens fucking kláár zijn tussen jullie.”
Een poosje later zaten we met zijn allen in de tourbus: Georg op de voorste bank met een zakdoek op een wond in zijn nek die Bill met zijn nagels gemaakt had en daarnaast Tom, die met een kwaad gezicht naar zijn iPod zat te luisteren. Achter Tom zat Bill, met net zo’n zakdoek als Georg om zijn bloedneus te stelpen en achter Georg zat Gustav uit het raam te kijken. Daartussenin zat ik, als een opgefokte kip die heroïne toegediend had gekregen. Je zult me vast geloven als ik zeg dat het hartstikke gezellig was.
Ik was blij toen we er eindelijk uit mochten in Loitsche, zo blij zelfs dat het me geen zak uitmaakte dat het regende. Bill zei alleen Gustav gedag, stapte uit en pakte zijn tassen uit de achterbak, met één hand omdat hij de zakdoek nog om zijn neus geklemd had. Tom en ik zeiden netjes iedereen gedag en pakten ook onze spullen, zwaaiden zelfs nog even toen het busje de straat weer uit reed in tegenstelling tot Bill, die nijdig naar de deur beende en op de bel duwde.
Daarna ging alles vrij snel. Zijn moeder deed open en vroeg iets over de bebloede zakdoek, waarop hij antwoordde dat hij een opstootje met een vriend gehad had en hij liep langs haar heen, zette zijn tassen in de gang en liep door naar de woonkamer. Tom gaf zijn moeder een kus op de wang, zei hallo, liep door, zette zijn tassen naast die van zijn broer en maakte zo ruimte voor mij.
“Hoi, Maren,” zei Simone. “Leuk dat je er bent.”
Ik glimlachte, me afvragend of ze het nog wel net zo leuk zou vinden dat ik er was als ze Bills tatoeage ontdekt had, zette mijn tas neer en liep achter Tom aan naar de woonkamer. Bill kwam net terug uit de keuken met drie glazen en een fles cassis en zette ze met een klap op tafel alvorens een glas voor zichzelf in te schenken en met een nijdig gezicht op de bank neer te ploffen, de fles verder latend voor wat die was. Ik ging naast hem zitten, op een afstandje, met een rotgevoel in mijn maag. Hij was boos. Op mij, waarschijnlijk, want ik had Georg al meteen een opdonder moeten verkopen en had dat niet gedaan.
Tom pakte een glas en schonk ook voor zichzelf in. De spanning hing zinderend in de lucht en ik wilde hem zo graag verbreken maar ik had geen idee hoe. Er was nog niet doorheen te komen met een cirkelzaag.
“Mam, ik moet je iets laten zien – kijk!” zei Bill terwijl hij opstond en haar naar de keuken volgde. Halverwege stopte ze en ze draaide zich op haar hakken om terwijl hij zonder verder iets te zeggen zijn shirt optrok en het gaasje voor de helft verwijderde. Toen brak de hel los. Zijn moeder ging totaal uit haar dak, vroeg waarom hij het in godsnaam gedaan had en riep dingen waarvan ik tranen in mijn ogen kreeg. Ik stond op en wilde naar hem toe lopen, maar Tom greep me bij mijn pols vast.
“Oh God!” riep Simone uit toen ze haar blik op mijn buik had laten vallen. “Heb je het haar ook laten doen?” Ze wees naar mij – mijn shirtje was een beetje opgekropen en zo was de onderkant van het gaasje net zichtbaar.
“Het was vrije wil!”
“Het is ver-min-king, Bill!”
“Ik vind het mooi!”
“Ik ben je moeder en ik vind het lélijk!”
Ik voelde hoe Tom aan mijn arm trok en me meenam naar de gang, wat ik maar toeliet. Toen hij de deur sloot, klonk het geluid van Bill en Simone wat gedempter, maar nog steeds kon ik woord voor woord verstaan wat er geschreeuwd werd.
“Ga maar vast douchen,” stelde Tom voor, met een flauwe glimlach op het gezicht dat onmetelijk veel op dat van Bill leek als je het van dichtbij bekeek. “Ik denk niet dat je dit allemaal wil horen en zo… wacht op zijn kamer, ik probeer hem wel te redden.”
Ik knikte, met net zo’n flauwe glimlach, en ik pakte mijn tas op om de trap op te lopen, wat nogal wankelend ging door het gewicht aan mijn schouder. Toen ik bijna boven was, keek ik om en zag dat Tom nog beneden stond om te controleren of ik wel echt naar boven ging, wat me deed denken aan de keer dat hij als een vangnet beneden was blijven staan op de dag dat Bill een bui gehad had. Ik glimlachte nogmaals bij het terugdenken aan die herinnering en klom verder naar boven, waar ik mijn tas in Bills kamer deponeerde en mijn ondergoed en toiletspullen eruit pakte. Toen ik dertig seconden later het slot van de badkamerdeur omdraaide, hoorde ik hoe Tom de woonkamer weer in ging.
Ik kleedde me uit en draaide de warme kraan open. Voordat ik onder de straal stapte, haalde ik het gaasje van mijn onderbuik en bewonderde het motief dat erop stond. Ik had er absoluut geen spijt van, maar na Simone zo tekeer hebben zien gaan, vond ik het tijd om me zorgen te gaan maken over mijn eigen moeder.
Ik stapte in de douchecabine na het gaasje weer opgeplakt te hebben en maakte mijn haar nat om het daarna te wassen met mijn vanilleshampoo. Ik deed mijn best om mijn gezicht droog te houden omdat anders de zwarte make-up overal zat en ik had er ervaring mee dat het vreselijk lang duurde voordat een willekeurig gezicht mascara- eyeliner- en oogschaduwvrij was.
Toen ik naar de zeep reikte, hoorde ik voetstappen de trap op komen en halt houden op de gang. Ik waste me snel en draaide de kraan uit om daarna een handdoek te pakken. Toen ik uit de douchecabine stapte, hoorde ik de stemmen op de gang vrij duidelijk.
“- moet gewoon van andermans vriendin af blijven,” hoorde ik Bill zeggen, met een furieuze ondertoon in zijn stem waardoor duidelijk werd dat hij nogal wat adrenaline in zijn lichaam had zitten. Ik probeerde het geluid te negeren en begon mezelf driftig af te drogen, maar op een gegeven moment praatten ze zo hard dat ik bijna gedwóngen werd om te luisteren.
“Maar dan hoef je er toch niet meteen bovenop te duiken?” zei Tom terug. “Gebruik je verstand man! Ze maakte er zelf toch geen probleem van?”
“Dat hoeft nog niet te zeggen dat ík er niet om geef!”
“Maar Bill!” riep Tom gedempt. “Ik ga niet toekijken hoe die ruzie de band uit elkaar drijft. Serieus: zorg maar gewoon dat het weer goed komt tussen jullie! Vandaag of morgen kapt Georg ermee en dan zijn we verder van huis dan nu. Ik ben het zat!”
Er viel een stilte en ze praatten verder op een toon zo zacht dat ik het niet kon verstaan. Ik droogde me gauw verder af en trok mijn ondergoed aan, waarna ik het gaasje er definitief afhaalde zodat ik er zalf op zou kunnen smeren en er een schoon gaasje overheen kon doen. De ster op mijn heup was duidelijk te zien en ik glimlachte bij het idee dat Bill er net zo één had.
“Jezus, Bill,” klonk het opeens harder. “Het is maar een méíd!”
Ik verstijfde totaal toen er een doffe blonk tegen de deur klonk, alsof één van de jongens er tegenaan geduwd werd.
“Dat neem je terug,” hoorde ik Bill met zijn tanden op elkaar zeggen, op een toon alsof hij maar wát graag zou gaan slaan, maar Tom zei niets. Er klonk het geluid van een korte worsteling en daarna het dichtslaan van Toms slaapkamerdeur. Niet veel later hoorde ik de andere deur dichtslaan en het was stil totdat Tom zijn muziek aanzette.
Ik opende de deur van de douche en liep naar Bills kamer, waar hij net bezig was zijn keiharde gitaarmuziek aan te zetten, met een gezicht dat strak stond van woede. Hij sloeg geen acht op me toen ik bij mijn tas bukte, daar de tube zalf uithaalde en er wat van op de tatoeage wreef voordat ik er een schoon gaasje op plakte en een gazen nachtjapon-ding aantrok. Ik borstelde gauw mijn haar uit en ging daarbij op de rand van het bed zitten, een schuin oog op Bill werpend. Hij keek op en liep naar me toe zonder iets te zeggen, ging achter me zitten zodat ik tussen zijn benen zat en pakte de borstel van me over. Met trage slagen borstelde hij mijn haar terwijl ik me probeerde te ontspannen, mijn blik op de grond gericht.
Na een tijdje legde hij de borstel weg en sloeg een arm om mijn buik heen. Ik schokte zachtjes toen hij zijn arm over het gaas bewoog en het pijnlijk begon te branden en hij drukte zijn lippen in mijn hals na mijn haar daar weggestreken te hebben. Ik legde mijn hoofd in mijn nek en liet een golf kippenvel me overspoelen toen hij mijn huid streelde met zijn vingertoppen.
“Sorry voor vandaag,” fluisterde hij in mijn oor.
“Het geeft al niet meer,” zei ik zacht terug. Ik kon niet anders dan hem vergeven.
Ik voelde hoe hij zijn shirt uittrok en hoe hij zich achterover op bed liet vallen. Ik draaide me om en zag hoe ook hij zijn gaasje verwisselde en zalf op zijn tatoeage smeerde. Hij was precies hetzelfde als die van mij.
“Nu zijn we verbonden,” fluisterde ik toen ik me naast hem liet vallen en hem diep in de ogen keek. Hij pakte mijn hand en verstrengelde onze vingers.
“Tot in de eeuwigheid,” zei hij terug.
Ik lachte, sloot mijn ogen en fluisterde dat ik van hem hield, maar er kwam opnieuw geen respons.
De dag daarna had Bill één van zijn welbekende buien en kwam hij zijn bed niet uit. Hij zei nogmaals dat het hem speet van de dag ervoor, met zwijgende tranen op zijn gezicht die ik teder weg kuste. We vreeën die dag traag en langzaam, volledig geconcentreerd en ik vond het heerlijk toen hij op zijn lip beet en zijn hoofd in zijn nek wierp. Daar kickte ik op, het was mijn drug, het maakte me dat ik me geweldig machtig voelde.
Om twee uur vertrok ik naar de bushalte, met mijn tas over mijn schouder, na Tom nog succes gewenst te hebben met zijn broer. Simone had geïrriteerd (maar niet onaardig tegenover mij) gevraagd of het weer zo ver was en ik had triest geknikt voordat ik me geëxcuseerd had omdat ik anders de bus zou missen.
Op straat controleerde ik de inhoud van mijn broekzakken om te kijken of ik niets vergeten was: lipgloss, oogpotlood, telefoon, strippenkaart en – godverdomme – een briefje van honderd euro. Ik had geen tijd meer om terug te gaan, want ik zag dat de bus al aan kwam rijden en ik moest rennen om hem te halen. De bus reed snel naar huis, waar ik uitstapte en terug naar huis slenterde. Ik miste Bill en wilde douchen om zijn geur van me af te spoelen, want dat zorgde ervoor dat ik zo’n pijn in mijn hart kreeg. Zijn geur vergrootte het gemis. Ik had hem al zoveel tijd gegeven, precies zoals Tom me aangeraden had, maar hij wist nog steeds niet zeker of hij van me hield. En dat na vier en een halve maand. Ik was doodsbang.
Ik pakte thuis de sleutel van onder de bloempot en draaide het slot met een handige beweging open. Ik riep dat ik thuis was en liep gelijk door naar boven, om pas weer beneden te komen toen ik weer schoon was. Mijn natte haar maakte donkere plekken in mijn zwarte shirtje en het rook naar vanille – niet meer naar Bill.
Mijn moeder was bezig in de keuken en ik liep met een veilig gevoel naar haar toe. Ik ging altijd eerst douchen wanneer ik bij Bill geweest was omdat ik als de dood was dat ze zou ruiken dat ik met Bill naar bed geweest was. Ze merkte namelijk altijd alles en ik was bang dat er anders zo’n zweem om me heen zou hangen.
“Goedemiddag,” zei ik opgewekt, en ik rekte me uit om – hoe dom ook – een glas uit één van de bovenste keukenkastjes te pakken.
“Goe – Maren Meyer!”
Meteen kreeg ik door dat mezelf uitrekken om een glas te pakken niet echt één van de slimste ideeën van de week geweest was. Ik keek naar beneden en zag dat mijn shirtje was opgekropen, maar het was al te laat om het nog naar beneden te trekken. Het was niet de bedoeling dat het voor eeuwig geheim zou blijven, natuurlijk, want dat kan nou eenmaal niet met een tatoeage, maar ik had gehoopt dat ik iets meer tijd zou kunnen hebben gekregen om me te behoeden voor haar uitbarsting.
“Wat is dat?” zei ze, proberend een trilling van woede of frustratie in haar stem te onderdrukken. “Als dat ik wat ik denk dat het is…”
De dreiging die in haar stem doorklonk, maakte me doodsbang maar ik probeerde kalm te blijven en vroeg haar wat ze dacht dat het was, ook een trilling onderdrukkend, al kwam die trilling door een andere reden.
“Laat het zien,” gebood ze. Ze sloeg haar armen over elkaar en ik wierp haar een laatste behoedzame blik toe voordat ik de plak-dingetjes los peuterde en mijn moeder de ster liet zien. Toen ik weer opkeek, zag ik hoe ze snoof en al haar zelfbeheersing nodig had om kalm te blijven.
“Wanneer heb je die laten zetten?” vroeg ze snuivend.
“Gisterenmiddag,” antwoordde ik met de stem van een kerstengeltje.
“Met-”
“Bill? Ja,” maakte ik haar zin af en ik besloot meteen een heel verhaal op te hangen over ‘houden van’ en ‘verbondenheid’, hopend dat ze daaruit iets uit haar jeugd terug kon vinden dat haar zou helpen me te begrijpen, maar dat bleek niet echt zo te zijn. Kwaad was ze, ziedend, en hoewel ik de neiging had in elkaar te duiken als een klein kind, liet ik dat uit mijn hoofd: ik wilde sterk en onafhankelijk overkomen, min of meer volwassen, want dat was wat ik wilde zijn.
Ze schoot uit met haar hand en mepte me hard in mijn gezicht, waarna ik perplex stond en niets meer wist uit te brengen. Mijn moeder had me nog nooit geslagen. Nog nooit. Ik draaide me om en liep naar boven terwijl ze me nariep dat ik huisarrest had. Nog nooit in mijn hele leven had ik huisarrest gehad, nog nóóit, dus dat wil wel zeggen hoe serieus de situatie was. Ze was écht kwaad om die tatoeage, ontzettend kwaad.
Eenmaal in mijn kamer liet ik me op mijn bed vallen, met mijn dagboek en een pen die ik speciaal gereserveerd had om ermee in het dagboek te schrijven. Ik schreef in grote hanenpoten, niet in staat om de nette, kleine en sierlijke letters te produceren die normaal mijn handschrift vormden.
Ik vroeg me af of het echt wel zo erg was, die tatoeage. Ik was al meer dan een half jaar zestien en ik vond dat ik zo onderhand wel zelf mocht beslissen wat ik met mijn lichaam deed – ik bedoel, het was míjn lichaam. Het was de bedoeling dat ik een zelfstandig persoon zou worden en daar hoorde ook verantwoordelijkheid bij. Als achteraf zou blijken dat ik ontzettend veel spijt zou krijgen van het nemen van die tatoeage, dan was dat mijn eigen schuld en dan moest ik daarmee leren leven. Ik moest volwassen worden. Ik begreep best dat mijn moeder wilde voorkomen dat ik de fout in zou gaan en zo maar ze zou me zo goed moeten kennen dat ze daar niet aan hoefde te twijfelen. We woonden al jaren alleen met zijn tweetjes en in die kutperiode, toen pap er vandoor ging, toen hadden we elkaar er doorheen gesleept. Misschien groeiden we wel uit elkaar.
Ik klapte het dagboek dicht na er een heel verhaal in geschreven had, wierp een blik op mijn poster en glimlachte bij het zien van die lieve, onervaren gezichtjes. Zo jong nog, nog maar net begonnen en totaal – tja, onaangetast. Er was zoveel gebeurd in de tijd tussen de dag dat die foto gemaakt werd en de dag waarop ik toen leefde. Tom had met vijftig meisjes in bed gelegen en was zijn vriendin daardoor kwijtgeraakt. Georg had ruzie gekregen met Bill en was mij kwijtgeraakt. Gustav had Fleur, een vriendschap die al zodanig op de proef gesteld was door alle touren en dat soort dingen dat we zeker wisten dat ze nooit meer te breken waren. En Bill, ja, moet ik het daar nog over hebben? Bill had mij. Voor altijd, als hij zou willen.
Ik stond op en haalde de poster van de wand, vouwde hem netjes op en borg hem weg, op een plekje achter de kast die – ook al ruimde je hem leeg – onverplaatsbaar was. De poster was iets uit een ver verleden, leek het, alsof het van voor mijn geboorte was. Als ik naar die poster keek, voelde ik me opeens heel oud.
Ik pakte mijn gitaar – Prins – van de grond en speelde zachtjes een nummer dat me aan vroeger herinnerde, toen alles nog oké leek te zijn: Iris. Hoewel ik het altijd een rotnummer gevonden had, was ik het in de loop der tijd gaan waarderen en het kalmeerde me, op de één of andere manier. Als ik aan vroeger dacht (niet de vroeger met mijn vader, maar de vroeger nadat het uit was gegaan met Georg) dan kreeg ik zo’n gelukkig gevoel in mijn buik en dat was het gevoel waar ik op dat moment naar zocht.
Op een gegeven moment voelde ik hoe mijn telefoon trilde en sloeg mijn hart een slag over omdat ik dacht dat het Bill wel eens zou kunnen zijn die me nodig had omdat hij zich rot voelde. Toen ik zag dat hij het niet was maar Fleur, vond ik dat heel even jammer, maar toen ik eenmaal opgenomen had, gaf ik er niet meer om. Fleur was zo enthousiast en benieuwd dat het ook totaal op mij oversloeg en ik zo ongeveer door mijn kamer heen stuiterde terwijl ik vertelde hoe pijnlijk het zetten geweest was, maar dat ik geen spijt had.
“Kom je hem even laten zien?” vroeg ze me op een gegeven moment, toen ik haar alles verteld had van de dag behalve het gevecht tussen Bill en Georg. Ik dacht even aan mijn moeder, die waarschijnlijk kwaad beneden zat en mijn puberale zelf gaf me aandrang om er gewoon vandoor te gaan, hoewel ik wist dat het verkeerd was.
“Ik heb huisarrest,” zei ik daarom. “Omdat ze niet zo blij was met die tattoo…”
Fleur lachte schamper en zei dat ook zij huisarrest had. Toen ik vroeg waarom, deed ze een heel verhaal uit de doeken over het feit dat ze samen met Julia uitgeweest was en ze met zijn tweetjes een jongen mee naar binnen hadden geprobeerd te smokkelen, die al net zo dronken geweest was als zij. Toen er een vaas gevallen was doordat Julia niet meer normaal had kunnen lopen, was Fleurs moeder wakker geworden en zodoende had ze de Derde Man ontdekt. Ze was furieus geweest en achteraf begreep Fleur dat ook wel, dus vond ze het logisch dat ze huisarrest had. Ik kon dat wel beamen en zei dat ik wel naar haar toe zou kunnen komen. Na haar beloofd te hebben er binnen een half uur zou zijn omdat ik niet precies wist hoe voorspoedig mijn vlucht zou verlopen, hing ik op en deed mijn telefoon terug in mijn broekzak.
Ik opende het raam en ging mijn hoofd naar buiten om te kijken hoe ver de regenpijp weg was. Ik kwam tot de conclusie dat ik dat zou kunnen redden, want hij hing nog geen halve meter van mijn raam vandaan en ik keek naar beneden om te zien waar ik uit zou komen: op het dak van het schuurtje waarnaast ik mijn fiets geparkeerd had. Het was simpelweg perfect.
Ik slingerde mijn benen uit het raam en greep de regenpijp vast, rammelde er even mee om te controleren hoe stevig hij was en besloot het er maar op te wagen. Ik zette mijn voeten tegen de muur en schoof voetje voor voetje naar beneden, als de dood dat ik zou vallen, maar na een aantal zenuwslopende momenten, stond ik toch op het dak van de schuur. Ik sprong er vanaf, proberend om uit het zicht van het raam dat op de achtertuin uitkeek te blijven, pakte mijn fiets en schopte het tuinhekje open. Mijn vluchtpoging was geslaagd.
Ik fietste naar Fleurs huis toe, de hele stad door, de adrenaline stromend door mijn lichaam. Ik wist dat het verkeerd was wat ik gedaan had, dat ik mijn moeder belazerde, maar ze mocht me gewoon niet opsluiten. Na mijn fiets in de tuin achter Fleurs huis gedeponeerd te hebben, liep ik het tuinpad op en zag dat Fleur achter de televisie zat. Zo gauw ik op het raam klopte, sprong ze op en rende als een gek naar de deur om hem van het slot te halen. Ik heb geen idee waarom de deur op slot was, maar dat boeide me ook niet.
“Laat zien!” riep Fleur al uit voordat ik eenmaal binnen was, en ze trok mijn shirt omhoog. Met mijn nagels peuterde ik de plakbandjes los en verwijderde het gaasje om haar te laten zien waar ik een aantal dagen geleden nog zo zenuwachtig om geweest was. Na hem grondig bestudeerd te hebben, zei ze, grappig genoeg, precies hetzelfde als Gustav de dag daarvoor gedaan had, dat het net leek alsof we getrouwd waren. Dat toverde een brede lach op mijn gezicht.
“Hoe lang heb je huisarrest?” vroeg ik haar terwijl ze zonder me iets te vragen een glas fanta inschonk en ze zuchtte diep en klaaglijk, een hand door haar haar halend.
“Als het aan mijn moeder ligt, mijn hele leven,” verzuchtte ze, en ze draaide haar ogen weg naar het plafond, alsof ze een zeker iemand die ik voorheen altijd met de term ‘God’ benoemd had om hulp vroeg.
“Het was maar een vaas,” antwoordde ik schouderophalend. “Daar komt ze vast wel weer overheen, ooit. Als je oud en grijs bent…”
“Zelfs dan niet,” onderbrak Fleur me met een uitdrukking op haar gezicht waaruit ik kon opmaken dat ze best wel begreep dat ze vanaf die dag een gevangene was. “Het was een erfstuk, van mijn oma.”
Ik knikte begrijpend en pakte het glas dat ze naar me uitstak aan. We proostten, sloegen het glas beide in één keer achterover, zoals bij ons de gewoonte was als we proostten en nog geen vijf seconden later stonden de twee lege glazen weer naast elkaar op het aanrecht.
“Op dat ik maar gauw uit deze gevangenis mag ontsnappen,” zei ze met een geïrriteerd gezicht, kijkend naar buiten alsof er tralies voor de ramen zaten en ze niets liever wilde dan gewoon naar buiten rennen. Helaas was Fleur iets braver dan ik en was haar moeder strenger dan die van mij, wat ervoor zorgde dat dat nu eenmaal onmogelijk was.
“Amen,” antwoordde ik.
Ik ging pas naar huis toen het donker begon te worden en Fleur moest gaan eten en was dus nog geen anderhalf uur gebleven. Het was nog lekker warm op de fiets en dus was het geen probleem dat ik geen jas aan had.
Ik fietste net door het centrum toen ik me begon te bedenken hoe ik weer terug in mijn kamer zou moeten komen. Het was geen geheim dat ik zacht uitgedrukt niet goed was in het beklimmen van dingen en dan al zéker niet als er een regenpijp bij betrokken was. Nog voordat ik iets verzonnen had, voelde ik hoe mijn telefoon afging en ik bedacht me dat dat mijn moeder moest zijn om te vragen waar ik in godsnaam uithing. Al fietsend pakte ik mijn telefoon uit mijn broekzak en zuchtte diep toen ik ‘ma belt’ op het display zag staan.
“Ja?” zei ik geïrriteerd toen ik opnam, en hoorde daarop een trillende stem mijn naam vragen. Ik kreeg een fronsrimpel in mijn voorhoofd toen ik me besefte dat het Albert was. Ik sprak vragend zijn naam uit en hij bevestigde dat hij het was.
“Waar ben je?” vroeg hij me, nog steeds trillend. Ik had het gevoel dat hij zo in huilen uit kon barsten of zoiets en de toon waarop hij sprak, zei me dat er iets vreselijk mis was. De achtergrondgeluiden beloofden ook niet veel goeds. Mijn maag trok samen.
“Op de fiets,” antwoordde ik terwijl ik een straat insloeg en vroeg hem waarom hij dat wilde weten. Zonder die vraag te beantwoorden, zei hij me dat ik af moest stappen. Ik protesteerde en vroeg hem opnieuw waarom.
“Doe het nou maar gewoon!” riep hij jammerend uit. “Alsjebliéft.”
Toen voelde ik dat het echt foute boel was. Ik wist dat Albert een dramatisch persoon was, hij was nu eenmaal op een haar na geen homo, maar volgens mij was hij toen echt in huilen uitgebarsten en dat is nu eenmaal nooit een goed teken. Ik stopte met trappen en minderde vaart door met de neuzen van mijn schoenen over de grond te slepen.
“Ik sta stil,” zei ik toen ik was afgestapt.
Hij vroeg me of ik me ergens aan vasthield en ik zei hem geïrriteerd dat dat het geval was. Ik had mijn stuur vast en dat was vast genoeg. Ik wilde weten waarvoor hij belde, want iets in me zei dat het echt niet goed was.
Hij was even stil en ik hoorde het gepiep van apparaten, aan de andere kant van de lijn. Met een schok besefte ik dat, waar hij dan ook zijn mocht, het totaal niet goed was. Ik hoorde hem snikken en voelde tranen achter prikken mijn ogen.
Toen Albert zei dat mijn moeder een ongeluk gehad had, liet ik in een schok mijn fiets los, die met een kletterend geluid op de grond viel. De mensen om me heen keken op om te zien waar het geluid vandaan gekomen was, maar ik had het gevoel dat ze alleen mijn fiets zagen en niet mij. Niemand besteedde aandacht aan me. Iedereen moest mijn geteisterde gezicht wel gezien hebben, maar niemand vroeg me wat er aan de hand was, of het wel met me ging, of ik misschien hulp nodig had of zoiets. Ik voelde me doorzichtig, koud en naakt.
Ik raapte mijn fiets weer op en stapte op terwijl ik hem wilde vragen of ze dood was, maar ik kon niet uit mijn woorden komen. Gelukkig begreep Albert me en hij zei dat dat niet het geval was, maar dat ze nog wel in levensgevaar verkeerde. Ik zag dat er een traan op de grond spetterde.
“Waar zijn jullie?” vroeg ik hem, bijtend op mijn lip om de tranen binnen te houden en toen hij zei dat hij in Magdeburg was, antwoordde ik dat ik er naartoe zou komen, waarna ik ophing, mijn telefoon in mijn broekzak stopte en omkeerde, op weg naar de bushalte. Ik sloeg geen acht op het verkeer en racete gewoon door. Het maakte me niet uit of ik geraakt zou worden door een auto of zoiets, totaal niet, want ik moest naar het ziekenhuis en ik zou er misschien zelfs nog wel sneller zijn als ik werd aangereden. Het visioen dat ik een aantal weken eerder in mijn droom gehad had, speelde in mijn gedachten. Was ik mijn moeder geweest in die droom, in die auto? Was ik kwaad op mezelf geweest om die tatoeage? Tegelijkertijd speelden er zoveel rampscenario’s door mijn hoofd dat het me duizelde toen ik bij de bushalte aankwam.
Ik smeet mijn fiets neer bij de bushalte en keek op de haltetijdentabel waardoor ik kon zien dat ik nog vijf minuten moest wachten. Weer voelde ik het verlangen om mijn nagels af te bijten, maar ik liet het en liep slechts zenuwachtig heen en weer, geen acht slaand op de mensen die bij me stonden en me vreemd aankeken, alsof ik één of andere rare ziekte had. Ik huilde niet, want daarvoor was de adrenaline in mijn bloed nog te aanwezig, maar ik moest een verwilderde uitdrukking op mijn gezicht gehad hebben. Doodsbang was ik.
Het leek een eeuwigheid te duren, die vijf minuten, hoewel hij zelfs nog te vroeg was. Ik sprong de bus in en wilde de chauffeur eigenlijk nog vragen door te rijden, maar ik kreeg zelfs geen ‘dankjewel’ uit mijn keel toen hij mijn strippen afstempelde en dus liet ik het maar zo. Ik zocht een plekje achterin op en keek uit het raam hoe de straat begon te bewegen toen de bus begon te rijden.
Ik keek constant op mijn horloge om te zien hoeveel tijd er al verstreken was tussen het moment waarop Albert me gebeld had en het moment waarop ik leefde. Ik was als de dood dat ze in de tussentijd al overleden was, mijn moeder, dat ze me alleen achterliet en dat ik in minder dan vijf minuten gebeld zou worden door Albert, waardoor ik midden in een volle bus zou gaan gillen en tieren, maar ik kon me niet voorstellen dat ze dat zou doen. Dat ze zou sterven zonder mij.
Ik lette niet op alles om me heen. Niets bestond meer, zelfs ikzelf niet. Ik was transparant, doorzichtig, onzichtbaar, als een geest. Alles ging langs me heen, door me heen, de tijd stond stil voor mij maar leek tegelijkertijd onverbiddelijk snel te lopen. Niets was meer hetzelfde. Ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan toen ik me bedacht dat ik mijn fiets niet op slot gezet had, wat natuurlijk een hele vreemde gedachte was in een situatie als die, maar ik kon er niets aan doen. Vreemde gedachten waren me inmiddels wel bekend.
Toen de bus stopte in Magdeburg, besefte ik me dat ik geen idee had waar het ziekenhuis was. Aan een voorbijganger vroeg ik de weg en hij wees hem me met een soort van angstige uitdrukking in zijn ogen, waaruit ik concludeerde dat ik er nog steeds uit zag als een monster of zoiets. Ik probeerde haar aanwijzingen zo goed mogelijk te onthouden met mijn met adrenaline volgespoten hersenen en begon te rennen na haar kort en bondig bedankt te hebben. Ik rende de straten over zonder op het verkeer te letten en zelfs toen mijn longen begonnen te branden en mijn milt pijnlijk stak, bleef ik door rennen. Ik besefte me dat ik aan het bidden was, dat ik bad dat mijn moeder op me zou wachten en ik voelde niet de behoefte om ermee te stoppen.
Het gebouw kwam al gauw in beeld, steeds dichterbij en ik rende met een rotgang over de parkeerplaats, richting de voordeur. Het meisje achter het loket vroeg ik hijgend waar mijn moeder lag, met een stem die in duizenden stukjes brak toen ik haar naam uitsprak. Geforceerd kalm gaf ze me een verdieping en ik rende al weg voordat ik het kamernummer gehoord had. Voor de lift stond een rij, en dus nam ik de trap omdat ik voelde dat alle tijd die ik besteedde kostbaar was. Het glipte me door de vingers. Ik moest naar mama.
Ik rende de trap op, zo snel als ik kon en ik drukte mijn handen tegen mijn milt toen ik bijna dubbel klapte doordat die zo pijnlijk stak. Mijn longen klapten bijna uit elkaar terwijl er nog meer rampscenario’s door mijn hoofd flitsten, maar toch rende ik door, steeds sneller, totdat ik uiteindelijk boven was, nog steeds biddend tot God. Ze kon nog niet gaan, mijn moeder, het was haar tijd nog niet. Ze had Albert. Ze had mij.
Ik vroeg aan God of het mijn schuld was dat mijn moeder daar lag, omdat ik was weggevlucht en zij me achterna gekomen was in de overtuiging dat ik bij Bill geweest was. Ze had haast gehad, was ontzettend boos geweest en de combinatie van die twee dingen, had er uiteindelijk voor gezorgd dat ze onder die vrachtwagen terecht gekomen was, net zoals in mijn droom gebeurd was. Ik beloofde God dat ik mijn tatoeage zou laten verwijderen als hij mijn moeder maar in leven liet, en dat alles terwijl ik nog steeds liep.
Ik stormde de hal van de vierde verdieping in, struikelend over mijn eigen benen en ik remde zwaar ademend af toen ik Albert in een wit kuipstoeltje zag zitten, met een lijkbleek gezicht. Hij leunde achterover, met zijn hoofd in zijn nek, had zijn ogen gesloten en zag er dood uit. Net zo dood als ik me voelde. Ik zakte neer op het stoeltje naast hem en vroeg hem trillend, nog steeds buiten adem, hoe erg het met mijn moeder was.
“Verschrikkelijk,” antwoordde hij zonder te bewegen. De doodsheid waarmee hij het zei, maakte me ontzettend bang en ik liet mijn hoofd in mijn handen zakken. De tranen die ik door de adrenaline had opgehouden, liet ik vanaf dat moment gewoon vloeien. Alle spanning vloeide uit mijn lichaam toen ik eenmaal was gaan zitten en dat zorgde dat de tranen de kans hadden om te ontsnappen.
Daar, in die ruimte achter de deur waar ik tegenover zat, lag mijn moeder. Haar leven lag in de handen van iemand die ik niet kon sturen, waar ik niet op in kon praten. Ik was totaal machteloos, kon alleen maar bidden maar ik dacht niet dat God zou willen luisteren naar iemand die zijn bestaan de afgelopen weken ontkend had. Ik wilde Bill.
Ik stond op en liep een paar meter weg van Albert, die nog steeds onbeweeglijk in de kuipstoel zat. Met een rotgevoel haalde ik mijn telefoon uit mijn broekzak, toetste ik Bills nummer in en voordat ik op ‘bellen’ drukte, veegde ik de tranen van mijn gezicht. Toen ik de telefoon tegen mijn oor legde, hoorde ik hem drie keer overgaan voordat hij op de voicemail sprong. Bill had een bui en dus nam hij zijn telefoon niet op, dat had ik moeten weten. Ik beet op mijn lip om de tranen binnen te houden omdat ik me zo machteloos voelde, maar het mocht niet baten. Ik huilde.
Ik hing weer op en scrollde mijn telefoonboek door tot ik bij het nummer van Tom kwam. Toen ik op het groene knopje drukte, voelde ik mijn wangen weer nat worden en ik bad dat Tom op zou nemen. Ik had Bill nodig.
“Met Tom?” hoorde ik op een gegeven moment aan de andere kant van de lijn. Ik liet een trillende zucht van verlichting ontsnappen, zei met wie hij sprak en smeekte hem of hij alsjeblieft Bill uit zijn bed wilde halen.
“Je wilt dat ik mijn leven riskeer?” vroeg hij ongelovig in een poging om grappig te doen, nog niet begrijpend hoe ernstig de situatie was. Ik jammerde dat het heel erg belangrijk was en dat hij moest zeggen dat Bill zo snel mogelijk naar het ziekenhuis van Magdeburg moest komen, op de vierde verdieping, omdat ik hem nodig had. Bij het woord ‘ziekenhuis’ hoorde ik hem opstaan en naar boven lopen en de toon van zijn stem was opeens helemaal anders.
“Ziekenhuis?” zei hij vragend. “Wat is er aan de hand?”
“Mijn moeder,” was het enige dat ik kon uitbrengen. Er vormde zich een gigantische brok in mijn keel die niet weg te slikken viel. Ik kneep mijn ogen dicht en liet twee tranen rollen terwijl ik hoorde hoe Tom Bills kamer in liep en zei dat hij mij aan de lijn had. Bill stopte meteen met het maken van de protesterende geluiden die ik drie seconden daarvoor nog gehoord had en ik hoorde hoe Tom herhaalde wat ik hem gezegd had. Daarna hoorde ik wat gestommel en toen Bills stem.
Toen hij mijn naam zei, brak ik. Opeens stroomden er duizenden tranen over mijn gezicht en moest ik steun zoeken tegen de muur. Er was niemand die ik op dat moment liever wilde dan Bill. Ik fluisterde zijn naam zacht tussen de tranen door.
“Ik kom er nu aan,” zei hij zacht, alsof hij niet wilde dat Tom het zou horen. “Rustig blijven, Maren. Wacht op me.”
Hij hing al op voordat ik had kunnen zeggen dat ik van hem hield en ik liet mijn telefoon op de grond vallen zonder er verder nog aandacht aan te besteden. Mijn voorhoofd liet ik tegen de muur rusten, schokkend met mijn schouders van het huilen. Ik wilde dat mama bij mij zou blijven. Ze mocht niet doodgaan. Ze moest bij ons blijven, bij Albert en mij.
Ik was stijf van de houding waarin ik stond toen er een verpleegster aan me vroeg of het wel ging, of ik niet liever wilde gaan zitten en of ik misschien iets wilde drinken. Ik schudde mijn hoofd en ging daarmee door toen ze al lang weer verdwenen was, nog steeds met tranen stromend over mijn wangen. Ik was het idee van tijd en ruimte kwijt. Op een gegeven moment wist ik niet meer waar ik was, wist ik niet meer hoe laat het was en hoe snel de tijd ging. Soms leek alles even versneld te gaan, dan weer stond de tijd stil en soms ging alles in slowmotion. Alle besef verdween in een zwart gat binnenin mij, een krater die geslagen was door het ongeluk en die alleen opgevuld kon worden door Bill. Door liefde. Door steun.
Ik had geen idee hoe lang ik al stond toen iemand me bij mijn schouders pakte, me omdraaide en tegen zich aantrok. Bill. Ik voelde de slapheid in mijn benen toeslaan toen ik zijn geur rook, toen ik zijn lichaam voelde, toen ik zijn stem kalmerende woorden hoorde spreken. Hij trok me mee, zakte naast Albert neer, die nog steeds in dezelfde houding zat en hij nam me op schoot. Ik begroef mijn hoofd in zijn nek en huilde terwijl hij met zijn vingers door mijn haar streek en kalmerend over mijn rug wreef. Ik kreeg mijn emoties wat meer onder controle toen hij heel zachtjes Durch den Monsun voor me zong.
Ik staarde naar de deur waarachter mijn moeder lag. Mama. Mijn mama.