Deel 21
Lief dagboek.
Ik had het gevoel dat ik samen met mijn moeder was overleden, die avond, en het was volledig mijn schuld. Als ik mijn kamer niet uitgevlucht was, was het niet gebeurd. Als ik die tatoeage niet had laten zetten, was het niet gebeurd. Als ik Bill nooit ontmoet had, was het niet gebeurd. Ik had zoveel dingen fout gedaan.
Plots stond me iets bij van zo verschrikkelijk lang geleden, leek het. Ik had God in een grijs verleden op mijn moeder gezworen dat ik mijn leven zou beteren, nog voordat ik wat met Georg kreeg, in een steegje toen ik ingesloten was door een jongen die me wat aan wilde doen. Ik had gebeden om te ontsnappen, gezworen op mijn moeder dat als hij me daar levend liet wegkomen, ik mijn leven zou beteren. Daarna had ik Bill pijn gedaan door Georg. Ik had in mijn arm gesneden. Ik had Georg pijn gedaan door Bill. Ik had mijn moeder dingen verzwegen en ik had, nog wel het ergst, besloten niet meer te geloven. Ik was zo stom geweest.
Anders dan ik verwacht had, kon ik niet met Albert thuis blijven wonen. Hoge pieten ergens in Berlijn besloten dat ik naar mijn vader moest. Naar Japan. De pijn was ondragelijk. God had me niet alleen mijn moeder afgenomen, maar nam me ook Bill af, en Fleur, en Julia. Het voelde alsof er iets geamputeerd zou gaan worden, alsof ik een lichaamsdeel zou moeten missen. Ik hield van mama. Ik hield van Bill. Ik hield van mijn vriendinnen. Ik vroeg me af waarom, verdomme, wáárom me dat alles werd afgenomen. Natuurlijk wist ik het antwoord, diep van binnen, maar ik kon er met mijn hoofd niet bij. Waarom ik? Waarom niet iemand anders?
De eerste dag na het ongeluk kon ik het dode gevoel niet meer aan. Ik wilde weten of ik nog leefde, liep naar de badkamer en vond een scheermesje van Albert. Ik voelde iets euforisch toen ik bloed zag opwellen uit de wond evenwijdig aan mijn litteken. Ik leefde nog.
Die dag kwamen Fleur en Julia langs om me te condoleren en te troosten. Ik huilde bij hen uit en vertelde dat ik me zo rot voelde over alles wat er gebeurd was. Fleur vertelde me dat ik er niets aan kon doen, dat het de wet van de natuur was dat iedereen een keer zou gaan, maar ik wist natuurlijk dat het anders was. De natuur was niet de grootste macht, maar God, diegene die mij alles afnam wat me lief was.
De dag daarna zou mijn vader komen. Ik had Bill gevraagd om me daarin bij te staan en ook omdat ik mijn vader wilde laten zien dat ik iemand had waarvan ik hield, dat hij het niet kon maken om me weg te halen. Hij belde aan om iets na twee uur en ik liep trillend naar de deur. Bill volgde me en hield mijn hand vast achter mijn rug toen ik mijn hand op de deurklink legde en de deur open trok. Daar stond mijn vader, klein, Japans en grijs. Heel even was het moment ongemakkelijk omdat we beide geen idee hadden hoe we elkaar moesten begroeten. Toen stak ik stijf mijn hand uit, die hij kort schudde.
“Maren,” zei ik stroef en trillend, me afvragend waarom ik me in godsnaam aan hem voorstelde. Ik was verdomme zijn dochter.
“Koji,” zei hij terug, met een scheve grijns, en hij condoleerde me. Ik stapte opzij en liet hem binnen alvorens de deur te sluiten en stelde hem Bill voor, erbij vermeldend dat hij mijn vriend was. Ik zag het gezicht van mijn vader min of meer oplichten, alsof hij het leuk vond om te zien dat zijn dochter een godheid als vriend had, maar ook alsof hij het leuk vond om me van hem weg te halen, op de één of andere manier. Ik kon hem niet doorgronden.
Mijn vader schudde Bills hand kort. Ik zag dat Bill zijn blik ontweek en ik nam hen mee naar de woonkamer, waar ik mijn vader de stoel wees en hem vroeg of hij iets wilde drinken. Gelukkig sloeg hij het af, want ik wist dat ik gegarandeerd alles uit mijn handen zou laten vallen. Ik ging naast Bill op de bank zitten en voelde hoe hij zijn arm om me heen sloeg, me tegen zich aantrok en me een kus op mijn kruin gaf. Ik keek hem aan en zag de verdrietige blik in zijn ogen, de natte waas, alsof hij zo in huilen uit kon barsten. Hij wendde zijn blik af en keek naar de puntige neuzen van zijn leren, zwarte laarzen.
Mijn vader begon met vragen hoe lang we al bij elkaar waren en Bill antwoordde met ‘bijna vijf maanden’ nog voordat ik mijn mond had open gedaan. Mijn vader glimlachte en concludeerde dat het dus nog pril was.
‘Minder pril dan ónze relatie,’ wilde ik hatelijk zeggen. ‘Lang genoeg om te weten dat ik voor altijd bij hem wil blijven.’ Maar ik zei het niet. Ik wist dat ik zou gaan huilen als ik dat deed. Het kwam mijn strot niet uit. In plaats daarvan pakte ik Bills hand vast, kneep er zachtjes in en ik keek omhoog zodat ik kon zien dat hij mijn vader voor de eerste keer aankeek en triest zijn hoofd schudde.
Er viel een ongemakkelijke stilte waarin ik mijn uiterste best moest doen om niet in tranen uit te barsten. Ik moest bij mijn vader gaan wonen. De man die mama zo intens gehaat had. De man die ons constant was vergeten geld te sturen. De man die ons bedrogen had. De man die ons aan ons lot had overgelaten. Mijn vader. Dat zou mam nooit gewild hebben. Ze wist hoeveel ik van Bill hield en wat ik allemaal wel niet wilde doen om bij hem te blijven.
“Is er nog hulp nodig bij de begrafenis?” vroeg mijn vader opeens.
Ik keek op, knipperde de natte waas voor mijn ogen weg en schudde mijn hoofd.
“Nee,” zei ik schor. “Albert regelt alles.”
Met een fronsrimpel in zijn voorhoofd vroeg hij wie Albert was. Ik opende mijn mond om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid uit en dus klapte ik hem maar weer dicht.
“Isabels vriend,” antwoordde Bill voor me.
Bij het horen van de naam van mijn moeder hield ik het niet meer. De tranen begonnen te rollen, eerst langzaam, maar daarna begonnen mijn schouders te schokken. Ik begroef mijn hoofd in mijn handen, leunde voorover en begon met gierende uithalen te janken alsof ik een klein kind was. Mama was weg. Albert zou mama’s spullen wegdoen en ons huis, óns huis, gewoon verkopen zodra ik in de auto naar Japan zat. Ik kon nooit meer sorry zeggen voor die ene ruzie, nooit meer zeggen hoeveel ik van haar hield en dat allemaal door die stomme deal, met die klotegod die het op aarde altijd maar voor het zeggen heeft en alles kan doen wat hij wil. Ik was machteloos en kon niets doen om het lot dat me aangewezen was af te weren. Ik moest het maar aanvaarden, accepteren, maar dat kon ik niet.
Ik voelde hoe Bill zijn handen op mijn middel legde en mij tegen zich aantrok. Ik bleef doorhuilen, hard en zonder uitzicht op een einde. Hij wiegde me heen en weer, begroef zijn neus in mijn haar en zong zachtjes Durch den Monsun voor me, wat op mij hetzelfde effect had als een slaapliedje op een baby. Langzaamaan werd het huilen minder en schrok ik van de zwarte vlek die ik op zijn shirt gemaakt had. Ik keek naar hem op, me totaal onbewust van hoe vreselijk ik er wel niet uitgezien moet hebben, maar hij maakte met een glimlachje duidelijk dat het niet uitmaakte.
Ik veegde mijn ogen droog en bood mijn vader schor mijn excuses aan. Hij zei dat het niet gaf.
Ik vroeg hem of ik echt met hem mee moest, omdat we er beide op achteruit zouden gaan, maar hij antwoordde dat we het fijn zouden hebben met zijn tweetjes, dat ik de taal gemakkelijk zou kunnen leren omdat er zoveel andere kinderen in de buurt woonden en dat ik Japan prachtig zou vinden. Ik was verschrikkelijk kwaad op hem, want hoe kon hij in godsnaam denken dat ik gelukkig zou kunnen worden aan de andere kant van de wereld, zonder mijn vrienden en zonder Bill?
Er viel een lange stilte waarin ik me losmaakte van Bill in de poging een sterke indruk te maken, maar ik wist al van tevoren dat dat me niet zou lukken. Ik was kapot.
“Nu moet ik gaan,” zei mijn vader op een gegeven moment, een blik op zijn horloge werpend, toen de stilte hem waarschijnlijk iets te bedrukkend werd. “Ik moet me op tijd inchecken in het hotel…”
Hij stond op, Bill en ik volgden zijn voorbeeld en hij boog voor ons zoals japanners dat doen. Ik bleef koppig rechtop staan, maar Bill boog ook voor hem, wat bij mijn vader een kleine glimlach losmaakte. Hij verdween door de deur van de woonkamer en ik besefte me dat het netjes geweest was als ik hem had uitgelaten, maar hij had tenslotte de deur ook kunnen vinden toen hij mij en mama samen achtergelaten had. Dan zou hij er dat keer ook geen moeite mee hebben.
Later die dag (Bill was nog steeds bij me) kwam Albert langs om wat dingen met me te regelen voor de begrafenis. Ik voelde me vreselijk schuldig toen ik zag hoe kapot hij ervan was dat mam overleden was, dat het allemaal mijn schuld was dat hij zich zo rot voelde en zo. Ik was er de hele tijd niet zo bij omdat dat gevoel de hele tijd in mijn maag ronddraaide, me telkens herinnerend aan wat voor een stomme trut ik wel niet was geweest om een deal met God te sluiten. Dat zou iedereen verloren hebben.
Hij zei dat hij kalmeringsmiddelen had gekregen van de dokter en dat ze hem hielpen de dag door te komen. Omdat hij nog een potje had, vroeg hij me of ik ze misschien ook nodig had, voor als ik het niet meer trok of zoiets en ik nam ze van hem aan, hoewel ik aanvoelde dat Bill het liever niet wilde hebben. Ik besloot ze te bewaren voor de begrafenis, omdat ik dacht dat ik ze dan het meest nodig zou hebben. Voor de rest zou ik me er wel doorheen kunnen slepen met Julia, Fleur en vooral Bill. Ik had geen pillen nodig. Nog niet.
Zodra Albert weg was, vond Bill dat het tijd was om wat te eten, iets anders dan het oude brood dat ik al dagen at. Hij vond een pak spaghetti en een pot tomatensaus en maakte in een kwartier heerlijke pasta die we zwijgend aan de keukentafel opaten. Hij zat op de stoel van mijn moeder en ik herinnerde me steeds de gesprekken die we door de jaren heen aan die tafel gevoerd hadden. Ik had mijn hand om haar sleutelbos geklemd, die nog naast haar placemat gelegen had, zo hard dat de punten in mijn handpalmen boorden en ik at mijn spaghetti met natte wangen van de tranen.
Na drie happen kon ik al niet meer, doordat de prop in mijn maag een te grote ruimte innam en mijn vork telkens tegen mijn tanden klapperde doordat ik onophoudelijk trilde. Ik liet de sleutelbos los, schoof mijn stoel naar achteren en stond op om naar mijn kamer te gaan, want op dat moment wilde ik alleen maar liggen en slapen en niets meer voelen van alles wat me overkomen was. Ik wankelde naar de deur, waar Bill me ondersteunde toen ik bijna door mijn knieën zakte en samen liepen we de trap op: ik voetje voor voetje voorop en hij achter me zodat hij me op kon vangen als ik zou vallen.
Eenmaal in mijn kamer bleef ik staan en ik draaide me om toen ik hoorde hoe Bill de deur sloot. De tranen liepen ook bij hem over zijn wangen, maakten zijn gezicht zwart en vlekkerig en zijn ogen rood. Zijn onderlip trilde lichtjes en hij beet erop om meer tranen binnen te houden zodra ik had gezien dat hij huilde. Mijn hart kon het niet aan om hem te zien huilen omdat het hem nog kleiner en teerder maakte dan dat hij al was. Ik kon het niet aan om de mensen van wie ik hield gebroken te zien. Ik sloeg mijn armen om zijn nek en trok hem tegen me aan.
“Laten we samen wegrennen,” fluisterde hij zacht en schor. “Tot ergens achter het einde van de wereld. Dan blijven we daar zitten terwijl alles achter ons afbreekt en we gaan nooit meer weg.”
Van dat toekomstbeeld moest ik even naar adem happen en het kostte me moeite om mijn tranen binnen te houden toen ik zei dat dat onmogelijk was, maar dat hij er een nummer over zou moeten schrijven. Hij beloofde dat.
Ik hield zijn hoofd tussen mijn handen en liet ze afzakken naar zijn nek om ze uiteindelijk op zijn schouders te laten rusten. Heel even maar zag ik dat zijn gezicht vertrok van de pijn, maar heel kort. Als ik met mijn ogen geknipperd zou hebben, zou ik het niet eens gezien hebben. Meteen kreeg ik het gevoel dat mijn adem werd afgeknepen en alsof de tijd werd stilgezet en ik bad tot God dat het niet waar was.
Ik pakte traag de zoom van zijn shirt op en trok het over zijn hoofd heen zonder mijn ogen van zijn gezicht af te wenden. Toen ik de stof op de grond had laten vallen, liet ik mijn ogen over zijn lichaam dwalen en ik voelde de tranen over mijn gezicht rollen toen ik twee verse snijwonden in zijn sleutelbeen zag. Ik hapte naar lucht en legde mijn hoofd op zijn schouder, liet mijn tranen op de wonden vallen alsof ik hoopte dat ik ze daardoor zou kunnen genezen, maar ze bleven net zo rood als ze waren.
“Ik-” stamelde hij, zoekend naar woorden, met zijn nagels drukkend in de huid van mijn heupen. “Ik voelde me zo-”
“Dood,” maakte ik zijn zin af zonder enige emotie in mijn stem door te laten klinken en zonder mijn hoofd van zijn schouder op te tillen. Toen ik dat uiteindelijk toch deed, stroopte ik de mouw van mijn longsleeveshirt op en liet hem de wond in mijn arm zien. Een scherpe adem ontsnapte hem.
“Ik wil je niet -” fluisterde hij met een gebroken stem, trillend als een rietje.
Plotseling knapte er iets in me. Het gevoel dat het oneerlijk was, dat alles mij weer moest overkomen door een stomme beslissing die ik gemaakt had, een stomme deal die voor eens en voor altijd de rest van mijn leven zou bepalen. Het zou me voor eeuwig blijven achtervolgen, wat ik ook zou doen, waar ik ook zou gaan, besefte ik me.
Ik maakte me los, los van hem en schreeuwde het uit van pijn en verdriet. Het leek alsof mijn binnenste in brand stond. Bill. Niet Bill. Niet hem ook. Ik trok mijn spiegel van de muur en smeet hem op de grond, zodat hij in duizenden stukjes brak en ik hoopte dat de scherven me geluk zouden brengen, meer geluk dan Bill me had geschonken.
Ik keek naar de lange, magere jongen, die niet bewogen had. We huilden beide hard maar geluidloos en ik wist dat het bij hem net zo brandde als bij mij. Als ik de moed had, zou ik zelfs mijn vader vermoorden om bij Bill te kunnen blijven, maar dan kwam ik in de gevangenis en was ik nog steeds niet bij hem. Het was een verloren zaak.
Ik dook op de berg scherven, pakte er één uit en rende naar de deur. Bill was echter sneller en pakte me aan één arm beet, zodat ik met een klap, met mijn rug tegen de deur aan knalde. Ik ademde zwaar en hij kon niet voorkomen dat ik met het glas een streep van bloed naast die andere twee trok, razendsnel. Hij vloekte en huilde en hij liet zich tegen me aanzakken, zijn hoofd in mijn nek verbergend. Mijn ademhaling werd langzaam rustiger en de adrenaline verdween uit mijn bloed, door de nieuwe wond. Ik had er nu drie: één voor Georg, één voor mama en één voor Bill. In Japan zou ik nog een vierde maken, in mijn pols. Voor God.
Ik ging met mijn handen over Bills rug en liet ze uiteindelijk op zijn wonden rusten. Ik liet een traan rollen en vervloekte God omdat hij behalve het feit dat ik Bill pijn deed, hij hem zichzelf ook pijn liet doen. Ik was verschrikkelijk kwaad en vroeg me af waarom. Waarom Bill? Waarom de mooiste jongen van de hele fucking wereld?
Toen ik de dag daarna wakker werd, was de gebroken spiegel weg en alle sporen van mijn uitbarsting van de vorige dag waren uitgeveegd, behalve de wond. Die zat er nog. Toen ik met mijn hand naar mijn arm ging om te kijken of de dag daarvoor misschien een droom geweest was, voelde ik dat ik verbonden was, waarschijnlijk door Bill. Ik had de kleding van de vorige dag nog aan en mijn gezicht trok helemaal door de verdampte tranen, die sporten van zout en make-up op mijn gezicht hadden achtergelaten. Bill lag vredig naast me, met een zwart gezicht, rustig slapend. Ik keek op mijn klok en zag dat het vijf uur in de morgen was.
Een uur lang bleef ik naar Bills gezicht staren, me bedenkend dat het wel eens de laatste keer kon zijn dat ik dat kon doen. Ik moest hem achterlaten in Duitsland en alleen verder, hoewel ik wist dat ik dat niet kon. Bill was een deel van mijn hart geworden en men kan nou eenmaal niet leven met een half hart. Ik wilde verder met hem óf helemaal niet.
Op een gegeven moment begon Bill zacht te kreunen en veel te draaien. Zijn gezicht was gefronst alsof hij een nachtmerrie had en hij fluisterde verwoed woorden die ik niet goed kon verstaan. Ik probeerde hem te kalmeren door mijn armen om hem heen te slaan en zacht met mijn lippen over zijn huid te strijken, maar het hielp niet. Toen ik mijn hand op zijn voorhoofd legde, voelde ik dat die bloedheet was.
Ik stapte uit bed en liep naar de badkamer om een nat washandje te halen zodat ik zijn voorhoofd koel zou kunnen houden en hij misschien iets zou kalmeren. Van een stapel schone washandjes in de kast die mijn moeder en ik drie jaar geleden uitgezocht hadden, pakte ik de bovenste en liep ik naar de wasbak toe, waar ik me rot schrok toen ik mezelf in de spiegel zag: ik leek totaal niet meer op wie ik ooit geweest was. Mijn ogen waren dik, mijn huid grauw en vies van de uitgelopen make-up en mijn haar zat raar. Met een ander washandje boende ik mijn gezicht zodat het in ieder geval schoon was, maar de grauwe ondertoon kreeg ik met geen mogelijkheid weg. Toen ik ook een spoortje geronnen bloed uit mijn nek gepoetst had, maakte ik Bill’s washandje vochtig en nam het mee naar mijn slaapkamer.
Ik kroop bij Bill in bed en draaide hem op zijn rug, wat me meer moeite kostte dan ik voorheen gedacht had. Hij kreunde zacht toen ik zijn voorhoofd depte en ik volgde met mijn ogen een druppel die over zijn gezicht naar beneden rolde en op zijn volle onderlip bleef liggen. Zijn tong glipte even kort naar buiten en de druppel was verdwenen. Ik glimlachte zachtjes en kreeg weer tranen in mijn ogen, die ik verwoed weg knipperde. Ik wilde niet meer huilen.
Plots hoorde ik zachtjes mijn naam en zag ik dat hij zijn ogen half geopend had. Ik suste hem zachtjes en zei hem dat hij rustig moest doen, dat hij ziek was, de tranen nog steeds brandend achter mijn ogen. Hij keek zo zielig, zo hulpeloos uit zijn ogen en ik voelde het verlangen bij hem te blijven tot in de oneindigheid, maar dat kon niet.
“Ik wil niet verder met de band, Maren,” zei hij zacht. “Niet zonder jou…”
Ik knipperde met mijn ogen en probeerde een antwoord te vinden op die opmerking, wat niet ging omdat er allerlei emoties door mijn hoofd flitsten, allemaal gedachten en flashbacks en nog meer dingen en daardoor werd het denken me onmogelijk gemaakt.
“Doe niet zo gek,” zei ik uiteindelijk met een brok in mijn keel. “Je redde het ook toen ik wat met Georg had.”
Ik ging met mijn vingertoppen over zijn verhitte gezicht, dat zo zacht aanvoelde en ik streek een paar donkere plukken haar uit zijn gezicht. Hij klampte zich aan me vast alsof ik zijn laatste redding was en ik voelde dat hij onophoudelijk trilde, bang voor wat er komen ging.
“Alleen omdat ik wist dat jij er was, thuis,” snikte hij haperend, en ik zag hoe er een traan uit zijn ooghoek druppelde. Ik hield hem stevig vast, voelde zijn schouders schokken van het huilen en ik begroef mijn hoofd in zijn nek, huilde met hem mee, proberend geen geluid te maken. Mijn Bill bleef in Duitsland, ik moest weg. We moesten afscheid nemen, over twee dagen al. Ik raakte hem kwijt, net als mijn moeder.
Ik werd een poosje later wakker zonder dat ik in de gaten had gehad dat ik in slaap gevallen was. Even lag ik me af te vragen vaardoor ik zo plotseling wakker was geworden toen ik de deurbel hoorde. Meteen zat ik rechtop, controleerde even of Bill al wakker was, maar hij lag nog vredig te slapen, met een volledig ontspannen uitdrukking op zijn gezicht en dus stond ik in mijn eentje op. Ik controleerde nog even of het verband om mijn arm niet opviel en liep toen naar beneden.
Ik moest de sleutel eerst even pakken, dus liep ik gauw door naar de woonkamer en vond daar mijn moeders sleutelbos op precies dezelfde plaats als waar ik hem de vorige dag achtergelaten had. Daarna liep ik terug naar de hal, stak de sleutel in het slot, draaide hem om en trok de deur open. Ik knipperde met mijn ogen toen ik een grote groep mensen zag staan: Fleur, Julia, Tom, Gustav en Georg, compleet met tassen, luchtbedden en alles wat nodig was voor een slaapfeest.
“Hoi,” zei ik perplex, mijn hoofd om het hoekje van de deur gestoken.
“Hé,” zei Fleur met een trieste glimlach. “Eh – het ziet er misschien wat raar uit, met al die slaapzakken en zo, maar we willen je graag bijstaan voor morgen. We slepen je er allemaal doorheen en we blijven de hele nacht bij je - behalve als je dat niet wilt, natuurlijk…”
Ik moest de informatie even verwerken, glimlachte toen en deed een stapje achteruit toen ik de deur verder open deed om hen één voor één binnen te laten. Ik gebaarde hen om de bagage in de gang te dumpen en stil door te lopen naar de woonkamer en zei dat dat was omdat Bill een beetje ziekjes was en ik hem de rust gunde die hij nodig had.
We verzamelden ons op de twee bankjes in de woonkamer, Georg ging op de stoel zitten. Er werd niet gedold, zoals gewoonlijk, maar de sfeer was onaangenaam plechtig, alsof de begrafenis die dag al was. Ik vond het heel lief van hen dat ze rekening met me hielden, breekbaar als ik was op dat moment. Ik ging op de leuning van de stoel zitten, van de stoel waarin mijn moeder ooit gezeten had toen ze Bill voor het eerst ontmoet had en ik luisterde naar de stilte.
Ik vond het fijn dat al mijn vrienden samen waren, dat ze er waren die dag, om me te steunen als ik dat nodig zou hebben en kreeg tranen in mijn ogen bij het besef dat dat de laatste keer zou zijn dat we met zijn allen samen waren, in één ruimte. Het zou verschrikkelijk zwaar worden zonder hen, als ik in mijn eentje in Japan zat en zij mij moesten missen. Met tranen in mijn ogen vertelde ik dat het maar beter was als we geen contact hielden omdat het te duur was en dat ik toch wel terug zou komen als ze maar op me zouden wachten. Dat laatste gedeelte van de zin verdween echter in een snik toen ik me bedacht dat ik niet terug zou komen omdat ik mezelf waarschijnlijk al van kant gemaakt zou hebben voordat ik daar eenmaal was. Georg trok me van de leuning af, op zijn schoot. Zijn omhelzing was warm en stevig en hoewel ik wist dat Bill er niet gelukkig mee zou zijn als hij ervan wist, liet ik het toe, gewoon omdat ik het nodig had.
Er viel een stilte waarin ik de tranen in mijn ogen terugvocht met het idee dat ik sterk moest zijn. Mijn gedachten gingen uit naar het potje kalmeringsmiddelen op het aanrecht, waar Bill me er de avond van tevoren één gegeven had voordat ik in slaap gevallen was, en ik kreeg het idee dat ik het misschien wel nodig zou hebben die dag. De gehele tijd bleef de stilte om ons heen zweven als een deken die ons niet warm kon maken.
“Ik vind het echt héél erg klote dat je weg moet,” zei Tom uiteindelijk om die stilte te verbreken. Voordat ik mijn blik ophief, veegde ik mijn onopgemaakte ogen droog met de rug van mijn hand. Het moment voordat Tom die simpele zin had uitgesproken, had ik gedacht dat ik de tranen wel weer onder controle had kunnen houden, maar de toon in zijn stem maakte dat ze weer terug in mijn ogen sprongen, alsof ze nooit weg geweest waren.
Toen ik opkeek, zag ik dat Julia haar hoofd in Fleurs nek begraven had en dat Fleur zacht haar rug streelde, zelf ook geluidloze tranen huilend. Gustav verliet de ene bank om naast Fleur neer te zakken en haar op zijn beurt in zijn armen nam, Tom op de andere bank alleen achterlatend. Mijn ogen ontmoetten die van hem even, in een kort moment vol zachtheid. Ik zag hoe hij langzaam met zijn ogen knipperde en daarna wendde hij zijn blik af.
Toen ik opstond om bij Bill te gaan kijken, zei ik hen dat ze drinken mochten pakken als ze daar zin in hadden en dat we hun spullen later wel naar boven zouden brengen, wat heel krap zou worden. Toch stond me dat niet tegen, want dan had ik mijn zes vrienden tenminste allemaal op nog geen twaalf vierkante meter en waren ze dicht bij me. Dat was wat ik nodig had.
Ik liet mijn vrienden achter in de woonkamer en sloop de trap op, naar boven. Toen ik mijn slaapkamer binnen stapte, lag Bill nog altijd vredig te slapen, zijn naakte bovenlichaam boven de dekens. Bij het zicht op de twee rode strepen in zijn sleutelbeen, slikte ik en ik bedacht me dat het belachelijk was wat we onszelf aandeden, wat God ons aandeed en dat in mijn leven de regel van die ene filosoof eigenlijk niet klopte. ‘Ik denk, dus ik ben’. Bij mij was het ‘ik bloed, dus ik ben,’ hoe ironisch ook.
“Bill,” fluisterde ik zachtjes in een poging hem wakker te maken en ik liet me op de rand van het bed zakken. Ik rolde hem op zijn rug en ging met mijn vingers over zijn gezicht. Hij bewoog, kreunde licht en opende zijn ogen half. Ik glimlachte sereen.
“Je broer is er, met Georg, Gustav, Julia en Fleur. Ze blijven slapen en het leek me goed om hun spullen alvast boven te leggen dus-” ik knikte naar zijn schouder, “misschien is het verstandig om even een shirt aan te trekken.”
Hij knikte kort, pakte me vast aan mijn arm en trok me zachtjes naar hem toe. Er schoot een felle pijn door mijn arm heen toen hij met zijn duim op mijn wond drukte, wat waarschijnlijk aan mijn gezicht te zien was want hij liet me gauw los en bood zijn excuses aan. Daarna drukte ik zacht mijn lippen op de zijne. Ik bleef hem even aankijken toen ik het contact tussen onze lippen verbroken had, mijn hoofd dicht bij het zijne zodat onze ademhaling vermengde en heel zachtjes vroeg ik hem hoe het met hem ging.
“Iets beter,” antwoordde hij, al net zo zachtjes fluisterend als ik. “Als ze me vanavond laten slapen, ben ik morgen weer helemaal de oude.”
Ik glimlachte.
“Mooi zo,” antwoordde ik. Het was belangrijk voor me dat Bill erbij zou zijn, de volgende dag. Ik had hem meer nodig dan ik hem ooit nodig gehad had. Ik zei hem dat ik de rest zou gaan halen en of hij zijn shirt alsjeblieft aan wilde doen. Hij knikte en liet zachtjes mijn hand los toen ik opstond en van het bed wegliep, me een triest glimlachje schenkend. Mijn hand gleed naar de rijstkorrelketting om mijn nek en ik glimlachte. Hij zou voor hem zijn.
“Slaapt ze?” hoorde ik Julia’s stem fluisterend door mijn kamer weerklinken. Nee, ik sliep niet, maar kon ook niet zeggen dat dat zo was. Ik zat tussen slapen en waken in, een grijs gebied waar ik maar in bleef zweven zonder een kant te kiezen. Het was uitermate frustrerend.
“Ja…” hoorde ik Fleur antwoorden. “En Bill ook. Gustav?”
“Mmm?”
“Die niet… To-”
“Ik vind het zo klote voor Bill,” hoorde ik Tom zeggen, nog voordat Fleur zijn hele naam had kunnen uitspreken. Er viel een akelige stilte die Julia uiteindelijk verbrak door te zeggen dat het voor mij waarschijnlijk erger was dan voor Bill omdat ik in één klap iedereen kwijt raakte en Bill hen nog had om hem te steunen in moeilijke tijden. Ik hield zoveel van haar toen ze dat zei – dat ze Bill zouden helpen met zijn allen, bedoel ik. Aan de ene kant gaf het me een rotgevoel omdat ik het afscheid met de seconde dichterbij kwam, aan de andere kant maakte het me warm omdat ik wist dat Bill bij hen in goede handen zou zijn, dat ze hem zouden steunen als hij dat nodig had.
Weer viel er een stilte. Ik wilde graag bewegen en zeggen dat ze niet zo over me moesten praten omdat ik alles kon horen, maar ik kon me niet bewegen. Ik had het angstaanjagende gevoel dat er iets geamputeerd was, of dat ik verlamd was. Gehandicapt.
“Houdt hij van haar?” vroeg Fleur, waarschijnlijk aan Tom. Ik probeerde me uit alle macht te bewegen, wilde Tom tegenhouden omdat ik het antwoord niet wilde weten. Liet mij maar gewoon onzeker zijn over mijn gevoelens, tot in de eeuwigheid, alleen zeker van wat ik zelf voelde. Het beviel me wel zo. Ik was eraan gewend geraakt. Bill hield niet van me, of hij wist het in ieder geval niet zeker. Prima. Als hij maar bij me bleef.
“Ik denk het wel,” antwoordde Tom. Ik dwong mijn lichaam uit alle macht om te bewegen, om in te grijpen maar het enige dat bewoog, waren de tranen achter mijn ogen, die zich onder mijn gesloten oogleden uit een weg naar buiten baanden. “Ik bedoel – als je ze samen ziet – ik kan me niet voorstellen dat ze zonder elkaar – ja, je weet wel! Hij praat altijd over haar en het is altijd Maren voor en Maren na en ik heb hem nog nooit zo – zo… Zo écht verliefd gezien. Ik kan me echt niet voorstellen dat die twee ooit nog uit elkaar gaan, snap je?”
“Maar hij is nog jong. Er kunnen nog zoveel andere meisjes komen waarvan hij nog meer houdt…” bromde Gustav. Ik besefte dat hij gelijk had.
“Maar hij houdt van haar?” vroeg Julia nogmaals ter verduidelijking.
“Ja,” zeiden Tom en Georg in koor. Ik huilde in stilte, nog steeds verlamd en niet in staat enig geluid te produceren, hoe graag ik dat ook zou willen.
Het moment daarna voelde ik hoe een zachte hand de tranen van mijn gezicht veegde en opeens was het verlamde gevoel verdwenen. Ik opende mijn ogen en keek recht in die van Bill. Hij streek langzaam langs mijn gezicht en maakte heel zacht sussende geluiden. Ik hapte trillend naar adem, sloot mijn ogen, klemde mijn kaken op elkaar en liet me door hem in een diepe slaap brengen, zodat ik niet meer na kon denken.