Deel 22


Lief dagboek,

Vandaag was de eerste dag van een reeks vreselijke dagen die me nog te wachten staan zodra ik in Japan ben. Morgen vertrek ik al en dan moet ik alles en iedereen hier achterlaten. Ik haat God. Ik snap niet dat iemand die zo goed en vergevingsgezind zou moeten zijn (dat is in ieder geval zoals mama het me altijd geleefd heeft) zo wreed en genadeloos is. Ik heb niet heel veel fout gedaan, toch? Er zijn miljoenen mensen die niet in God geloven, waarom ben ik dan juist de pineut? Om die stomme deal, gemaakt in een waas van adrenaline en angst? Ik kan me niet voorstellen dat iemand dat kan doen. Ik kan me niet voorstellen dat ik door zo’n stomme fout alles moet gaan missen wat ik liefheb. Dat kan niet waar zijn.



Ik was het eerst wakker van iedereen, stond op, zocht mijn zwarte spijkerbroek en een zwart shirt op in mijn kast en ging naar de badkamer. Ik douchte me tot mijn huid gloeide door het boenen en het warme water en droogde me af met een zachte handdoek die binnen korte tijd volledig naar vanille rook. Langzaam kleedde ik me aan, bracht ik mijn make-up zorgvuldig op en föhnde mijn haar in model. Alles moest perfect zijn die dag.
Ik hoorde iemand op de deur van de badkamer kloppen, maar ik negeerde het omdat ik het alleen wilde doen, het moment even alleen met die kutgod delen, zodat hij kon zien hoe hij me kapot had gemaakt. Ik voerde een monoloog in mijn hoofd, voor hem bestemd en ik hoopte dat hij het kon horen, daar, ver weg, waar ik spoedig ook zou zijn.
Toen ik tevreden was, ruimde ik al mijn rotzooi op en liep naar beneden, naar de keuken. Ik sloeg geen acht op Bill, die in een boxershort en een T-shirt aan de keukentafel een boterham zat te verorberen en pakte een bord uit het kastje boven de gootsteen. Ik besmeerde een oude en harde boterham die ik uit een kapotte plastic zak gehaald had met wat boter en belegde hem met plakjes kaas alvorens er een hap van te nemen. Het smaakte naar niets en dus gooide ik hem meteen weer in de prullenbak waarna ik een glas met water vulde, naar het potje kalmeringspillen op het aanrecht greep en er twee uit schudde. Ik speelde met het idee om de hele inhoud van het potje in te nemen, op de bank te gaan liggen en te wachten tot ik dood zou gaan, maar uiteindelijk zette ik het potje gewoon weer terug. Het was de tijd er nog niet voor.
Bill kwam achter me staan en legde zijn handen op mijn heupen toen ik mijn hoofd in mijn nek wierp en de twee pillen in hun geheel doorslikte. Ik liet mijn hoofd achterover op zijn schouder leunen en sloot mijn ogen terwijl zijn handen een stukje naar boven gleden en bleven rusten op de plek waar mijn tatoeage zat. Ik ging op mijn tenen staan, draaide me om en drukte de ster tegen die van hem, wat me een heel erg warm gevoel gaf, alsof ik me zo aan hem plakte en zo onafscheidelijk van hem werd. Hij drukte een warme kus op mijn lippen, heel teder en zacht en ik voelde mijn lichaam reageren op die aanraking. Ik zou voor eeuwig naar hem blijven hunkeren, slechts hunkeren, niets meer. We zouden elkaar verliezen.
Mijn vingers gleden naar het slotje van mijn ketting, wat ik lospeuterde met mijn zwartgelakte nagels en ik drukte het in zijn hand zonder het contact met zijn lippen te verbreken. Meteen trok hij zijn hoofd terug en keek naar wat hij in zijn hand had.
“Ik heb ooit met mijn nichtje afgesproken dat we onze kettingen zouden geven aan degene van wie we echt hielden,” zei ik zacht.
Hij keek op van zijn hand en boorde zijn ogen in die van mij.
“Ik weet het,” antwoordde hij hees, en hij wendde zijn ogen weer af. “Dankjewel...”
Een kort moment bleven we beide ongemakkelijk staan, onze ogen diep in die van de ander geboord. Ik wilde dat hij zou zeggen dat hij van me hield. Ik wilde dat. Maar hij deed het niet.
Hij pakte de uiteinden van de ketting vast en maakte oogcontact met me terwijl hij de ketting om zijn hals hing. Ik voelde hoe mijn onderlip trilde, maar wist niet of het te zien was en ik wendde mijn ogen van zijn gezicht af toen hij zijn handen weer op mijn heupen legde om naar de hanger te kijken. Ik zag mijn naam prijken op het korreltje binnenin en voelde het branden achter mijn ogen bij het besef dat enkel mijn naam bij hem zou blijven en dat de rest waarschijnlijk weg zou lekken, totdat hij besloot de ketting niet meer te dragen en ik helemaal verdween.
Ik liep van hem weg, vechtend tegen wat tranen die achter mijn ogen prikten en ik liep de trap op naar boven. Van achter de deur van mijn slaapkamer klonk gemompel van mensen die zeer waarschijnlijk nog maar net wakker waren, maar daar ging ik niet heen. Ik liep één deur verder en ging naar de kamer van mijn moeder.

Hij was nog precies hetzelfde als altijd: groot houten tweepersoonsbed, dito kledingkast en een grote spiegel aan de muur. Precies zo’n zelfde spiegel als ik twee dagen daarvoor had stukgegooid tegen de vloer van mijn eigen slaapkamer.
Ik dook onder het bed en pakte er een grote koffer onder vandaan, die ik open op het grote bed legde. Daarna liep ik naar haar kledingkast, die ik opentrok en ik ging door de kleding die ooit van mijn moeder geweest was. Twee dagen daarna zou Albert alles komen ophalen en dan zou het de lichamen van andere vrouwen sieren, vrouwen die mijn moeder niet waren en dat idee deed me zeer, al wist ik dat ik niets anders met de kleding aan kon vangen.
Ik had mijn moeder niet meer gezien. Had het niet gewild ook. Ik wilde haar herinneren als de mooie, vrolijke vrouw die ik gekend had, niet als een bleek lijk. Ik wilde dat ze levend bleef in mijn herinnering. De dode vrouw was mijn moeder niet.
Ik zocht mijn moeders favoriete shirt op en legde die op de bodem van mijn koffer. Ze zou nooit gewild hebben dat Albert dat verkocht, dat wist ik zeker, en dus zou ik het meenemen naar Japan. Ik klapte de koffer weer dicht en sleurde het ding mee naar mijn kamer, waar ik zonder acht op mijn kletsende vrienden te slaan de koffer op mijn bed smeet en de deuren van mijn kledingkast open trok. Op de automatische piloot haalde ik de stapeltjes kleding uit mijn kast en propte alles in de koffer, die binnen no time propvol zat.
“Maren,” zei Julia zacht, en ze stond op. “Doe rustig.”
Ik had totaal niet door dat ik onrustig was of zoiets, vond het raar dat ze zei dat ik moest kalmeren en ging dus onverstoord door met het verplaatsen van kleding, schuddend met mijn hoofd. Alleen mijn cupidoshirt liet ik liggen, met schoon ondergoed en sokken, zodat ik dat de volgende dag aan kon trekken als ik afscheid zou nemen van alles in Duitsland. Van iedereen van wie ik hield.
Het ging totaal langs me heen dat Gustav en Georg opstonden en mijn kamer uitliepen, zodat ik alleen achterbleef met mijn vriendinnen. Even later hoorde ik dat iemand de douche aanzette, maar ik negeerde alles dat om me heen gebeurde en ging verder met inpakken zonder me ergens aan te storen. Ik pakte de spullen in die op mijn nachtkastje lagen, alles dat op mijn bureau lag en ik ging door alle troep die ik in de afgelopen jaren verzameld had. Gelukkig was dat niet al te veel. Het schoot door me heen dat het eigenlijk nutteloos was: in Japan, of misschien in de auto al, zou ik er toch een eind aan maken. Zonder Bill was ik leeg, een huls, een mens zonder hart of ziel. Ik kon niet leven zonder hem.
Ik vond een zakmes in één van de laden van mijn bureau en stak het in mijn broekzak. Misschien zou het nog wel van pas komen.
“Maren,” hoorde ik één van mijn vriendinnen weer zeggen. Ik schudde mijn hoofd (waarin ik een licht gevoel kreeg alsof ik teveel gedronken had of een nacht niet geslapen had) opnieuw en greep een aantal pennen bij elkaar die ik in de koffer smeet. Ik kreeg mee hoe Julia de kamer verliet, met Fleur achter zich aan en ik hoorde hen naar beneden lopen. Onverstoord liep ik door naar mijn boekenplank, waar ik de beste exemplaren uit zocht en ze in mijn koffer smeet. Hetzelfde deed ik met mijn CD’s.
Even daarna hoorde ik drie paar voetstappen de trap weer opdenderen en niet veel later zwaaide de deur van mijn kamer open. Bill fluisterde mijn naam maar ik deed net alsof ik het niet hoorde en ik weerde zijn hand af toen hij me bij mijn schouder wilde pakken.
“Laat me dit alsjeblieft even doen,” zei ik kalm en direct stond ik versteld van de werking van de kalmeringsmiddelen. Onder normale omstandigheden zou ik in tranen zijn uitgebarsten bij de blik in zijn ogen, maar ik bleef dodelijk rustig.
“Laat me alsjeblieft niet alleen,” zei Bill met een sterke trilling in zijn stem. Hij slikte wat tranen weg en zette zijn armen elk aan een kant van mij tegen de muur, zodat ik ingesloten was. Ik keek met een verdwaasd hoofd in zijn ogen en hief mijn kin een beetje op, waarop hij reageerde door zijn lippen zacht op die van mij te leggen. Ik sloeg mijn armen om zijn nek, de plaats waar zijn snijwonden zorgvuldig vermijdend en opende mijn mond een beetje. Meteen voelde ik hoe zijn tong contact maakte met de mijne en hoe hij traag mijn mond verkende. Ik dacht terug aan onze eerste zoen, aan hoe onschuldig en groen we toen nog waren geweest en hoeveel er sindsdien gebeurd was. Ik zou alles kwijtraken.
“Ik wil met je mee naar Japan,” zei hij zacht. “De band kan me niets schelen, Maren, ik wil bij jou blijven. Ik-”
Hou van je, dacht ik uit alle macht. Ik hou van je. Zeg het.
“Het kan niet. Dit is je droom, Bill,” zei ik na een korte stilte waarna ik de conclusie getrokken had dat er geen ‘ik hou van je’ zou komen. “Maak hem waar.”
Meteen vroeg ik me af waarom ik hem in Godsnaam overhaalde om in Duitsland te blijven, waarom ik niet voor mijn eigen geluk koos maar voor het zijne. Ik wist dat Bill achter moest blijven omdat dat beter voor hem zou zijn. Hij moest beroemd zijn en doen waar hij goed in was. Hij moest verder, ook al was dat zonder mij. Er lag hem een leven in het verschiet waar de gemiddelde burger een moord voor zou doen en ik wilde dat hij die kans niet zou laten schieten omdat hij toevallig verliefd op me was. Hij moest gelukkig worden, ook al was dat zonder mij.
“Jij bent mijn droom,” zei hij zacht. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe Julia uit de deuropening verdween en Fleur daar alleen achterliet. Ze leek mijlenver van Bill en mij verwijderd. “Ik wil dat je bij me blijft, Maren. Ik-”
Hou van je. Ik hou van je. Alsjeblieft, God, bad ik, laat het hem zeggen.
Ik liet me via de muur naar beneden zakken toen het angstvallig stil bleef, zonder mijn blik van hem af te wenden. Hij knielde voor me neer en pakte mijn hand vast terwijl mijn vingers naar zijn hals reikten, waar mijn kettinkje om hing. Ik hield van hem, maar hij hield niet van mij en dat deed me zeer. Ik vroeg me af hoe iets dat zo mooi zou moeten zijn, een mens zo kon vernietigen – want dat was hoe ik me voelde. Ik voelde me kapot getrapt, vernietigd, verdelgd.
“Je moet hier blijven,” zei ik met een hese ondertoon in mijn stem. “Dat is het beste voor je. Je moet zingen, optreden en iemand vinden waarvan je houdt. Zolang je maar blijft onthouden dat er iemand in Japan is die van jou houdt, oké?”
Het deed me dodelijk pijn om die woorden te zeggen maar ik hield het volledig droog, hoewel ik de tranen wel achter mijn ogen voelde prikken. Ik meende wat ik zei. Ik wilde dat Bill gelukkig werd, ook al was dat zonder mij. Al zou ik nooit meer gelukkig worden zonder hem, dat betekende niet dat ik hem zo’n zelfde lot toewenste. Bill moest verder leven, van ieder moment genieten en mij vergeten. Of nee – niet vergeten. Hij moest me naar de achtergrond verdringen.
Hij schudde zijn hoofd, beet op zijn lip om zijn tranen binnen te houden en hij ademde trillend in.
“Kan ik niet,” antwoordde hij. “Wil ik niet. Ik wil niet zonder jou!”
“Maar je moet,” fluisterde ik zacht. De tranen brandden heviger, maar ik wilde niet huilen. Ik wilde niet dat mijn make-up uit zou lopen en dat ik als een monster op de begrafenis aan zou komen. Ik hoorde Fleur snikken.
“We hebben die tatoeage,” riep hij wanhopig uit, met rode ogen. “We zijn verbonden! We hebben zoveel gemeen! Jij bent het enige meisje waarmee ik ooit naar bed ben geweest! Dan kun je niet zomaar weggooien, toch?”
“We gooien het niet weg,” antwoordde ik kalm, de trilling in mijn stem onder controle houdend, waarvan ik wist dat het me alleen lukte vanwege de pillen. Zonder die medicijnen zou ik nooit zo kalm kunnen zijn, want ik vond het vreselijk om hem achter te laten. Ik huilde van binnen, maar kon niet van buiten huilen. “Misschien is het ook maar beter zo. Ik word nu liever keihard gebroken op deze manier, met de wetenschap dat ik van je hou dan dat we er over een jaar achter komen dat we niet bij elkaar passen.”
“Maar dat zal nooit gebeuren,” huilde hij.
Ik wist dat hij gelijk had.

Iets voor twee uur liepen Bill en ik naar beneden. Hij was inmiddels gedoucht, opgemaakt en aangekleed en van de emoties van een uur eerder was niets meer te merken.
In de woonkamer zaten alle vrienden televisie te kijken, maar ze zetten hem gauw uit toen wij beneden kwamen en keken allemaal bezorgd op. Ik liet een klein glimlachje zien ten teken dat het goed ging en liep door naar de keuken, waar ik nog drie pillen innam. Daarna ging ik weer terug. Iedereen was in het zwart gekleed: zelfs Toms pet was aangepast op de gelegenheid. Georg zat in mijn moeder haar stoel en het was duidelijk dat hij gehuild had. Gustav en Fleur hadden zich in het hoekje van de ene bank genesteld, dicht tegen elkaar aan, zoals ik het fijn vond om ze te zien. Op de andere bank zaten Tom en Julia. Merkwaardig genoeg had Tom zijn hand op Julia’s bovenbeen gelegd en ik geloof dat zij net deed alsof ze het niet voelde.
“Wij gaan vast,” zei ik zacht en hees. “Wil jij alsjeblieft afsluiten, Julia?”
“Natuurlijk,” antwoordde ze zacht. Ik dacht te zien dat ze iets naar Tom toe leunde, maar dat kon nu eenmaal niet en dus schoof ik het af op de medicijnen. Ik voelde hoe ze mijn hoofd heerlijk duf maakten en me alles in een waas mee lieten maken, alsof ik in een droom leefde. Die werkelijkheid was minder erg dan de echte waarheid.
Bill en ik liepen naar buiten, beide zonder jas, want het was best warm die dag. Perfect weer voor mams begrafenis. De zon brandde in mijn nek terwijl we naar de schuur liepen en ik bedacht me pas iets best belangrijks toen ik zag dat de plek naast de schuur leeg was.
“Ik heb mijn fiets bij de bushalte laten staan toen ik naar het ziekenhuis ging,” zei ik, en keek op naar Bill. “Albert heeft me thuisgebracht toen mam – ik heb hem niet op slot gedaan.”
Hij antwoordde dat de laatste keer dat hij bij de bushalte was, er geen fiets gestaan had en dus moesten we op mijn moeders fiets. Ik liep naar het schuurtje, trok de deur met een krakend geluid open en haalde de fiets van onder het stof vandaan. De laatste keer dat hij gebruikt was, was toen Bill en ik samen naar het bos gefietst hadden, op de dag waarop ik hem gevraagd had of hij van me hield en ik dat onverbiddelijke antwoord gekregen had, dat hij enkel ‘ik hou van je’ zou zeggen als hij voor de volle honderd procent zeker van zijn zaak zou zijn.
“Wil jij alsjeblieft fietsen?” vroeg ik zo gauw de fiets buiten stond. “Ik kan niet – je weet wel, met die pillen. Ik heb een kop vol watten.”
Terwijl hij de fiets van me overnam en zijn lange been over de stang heen zwaaide, zei hij dat dat voor zich sprak omdat hij de man in het gezelschap was. Ik glimlachte en dacht aan wat mijn moeder ooit gezegd had over vrouwelijke mannen terwijl ik op de bagagedrager ging zitten en mijn ene arm om Bills smalle middel legde. Ik liet mijn hoofd tegen zijn rug leunen, op dat plekje waar zijn ruggengraat te voelen was, en rook zijn lichaamsgeur door de zwarte stof van zijn blouse heen. Ik voelde mezelf wat verder wegzakken in een soort waas die waarschijnlijk veroorzaakt werd door de kalmeringsmiddelen. Ik zou niet weten waardoor anders.
Gelukkig had Bill geen hulp nodig bij het vinden van de kerk, want die had ik hem niet kunnen geven omdat ik totaal verdwaasd was. Om precies twee uur waren we er en Bill nam me mee naar een zij-ingang waardoor we in een klein kamertje terecht kwamen, waar mijn vader en Albert al waren. Albert had ook overduidelijk een aantal kalmeringsmiddelen geslikt, dat kon ik zien aan de manier waarop hij zo glazig uit zijn ogen keek en ik wilde hem graag vasthouden, op de één of andere manier, om te zeggen dat het me zo ontzettend veel speet. Mijn moeders kist stond in het midden van de kamer, zo aanwezig dat ik hem niet kon negeren.
Mijn vader, die van geen enkele emotie last leek te hebben, boog voor mij en Bill en we bogen beide voor hem terug. Ik was mijn koppigheid totaal kwijt op dat moment: het was mijn lot, dat moest ik maar aanvaarden. Het was mijn eigen schuld dat ik met hem mee moest en dat ik niet bij Bill kon blijven, hoe oneerlijk dat ook leek te zijn.
Ik zakte neer op Bills schoot, die op een stoel naast Albert was gaan zitten en liet mijn hoofd op zijn schouder leunen. Ik controleerde of ik hem geen pijn deed door even naar zijn gezicht te kijken, maar dat liet uit niets merken dat ik op een wond lag en dus bleef ik zo liggen. Al gauw hoorden we dat er mensen de kerk in kwamen lopen, want er klonk zacht geroezemoes en ik hoorde het geschuifel van voeten van achter de deur waarvan ik wist dat die naar de grote ruimte leidde. Ik bedacht dat alles anders zou kunnen zijn geweest als ik het afgelopen jaar een aantal keer in die kerk geweest zou zijn, dat ik mijn moeder dan had kunnen sparen, dat ik Albert daarmee uit de vernieling gehouden zou kunnen hebben en dat ik dan zelf ook een heel wat andere toekomst tegemoet gegaan zou zijn.
Niet lang daarna werden we door de dominee opgehaald en mochten we de kerk betreden. Mijn vader liet eerst mij en Bill gaan, daarna Albert en hijzelf sloot de deur achter ons. Ik keek gauw de kerk rond en zag dat het best druk was. Al mijn oud-klasgenoten waren er: ze namen de drie kerkbanken achter Tom, Julia, Fleur, Gustav en Georg in beslag en ik was blij dat ze er waren. Naast Georg zag ik tot mijn verbazing Nathalia zitten, die ik voor mijn gevoel al een miljoen jaar niet meer gezien had. Aan de andere kant zaten wat collega’s van mijn moeder, twee vriendinnen van haar en mijn tante Eva en oom Arne, uit Nederland. Tussen hen in zaten mijn nichtjes Elin en Mirre. Mirre stond direct op toen ik haar in het oog kreeg en liep de kerkbank uit. Tante Eva probeerde haar nog aan de zoom van haar trui vast te pakken, maar ze was te laat. En plein publique omhelsde mijn nichtje me stevig.
“Ik heb je gemist,” zei ze in krakkemikkig Duits, waardoor ik wonderbaarlijk genoeg begon te glimlachen. Ik was zo dol op de manier waarop ze haar best voor me deed, de manier waarop ze me op mijn gemak probeerde te laten voelen hoewel ik natuurlijk verre van dat gevoel zat. Haar omhelzing maakte me warm en nog veel soezeriger dan ik al was.
“Ik ben zo blij dat je er bent,” zei ik in brak Nederlands terug.
Ze liet me los en nam me helemaal in zich op voordat ze Bill in het oog kreeg. Ik zag hoe ze haar ogen onbeschaamd over zijn magere en lange lichaam liet glijden en ze uiteindelijk op de rijstkorrelketting liet rusten.
“Ah,” zei ze met een glimlach, en ze richtte haar ogen weer op mij terwijl ze haar hand naar haar eigen ketting liet glijden en de hanger even stevig vasthield alsof ze bang was dat hij eraf zou vallen als ze hem los liet. “Dus jij hebt hem al gevonden…”

De dienst ging volledig aan me voorbij. De kalmeringsmiddelen deden hun werk goed en maakten mijn hoofd wazig alsof ik droomde, zodat alles gewoon aan me voorbij ging zonder dat ik iets in me opnam. Ik hoorde de stem van de dominee, die een toespraak over mama hield alsof hij haar persoonlijk gekend had, maar alle woorden gingen het ene oor in en het andere weer uit. Mijn ogen waren constant op de foto van mijn moeder gericht, die op de kist stond. Daarin lag mijn mama, vredig en voor eeuwig slapend, haar leven genomen door iemand die ik niet had kunnen beïnvloeden. God ging zijn eigen weg, sloot deals met mensen die door hun paniek niet eens beseften over wát ze dachten en verwoestte vervolgens hun levens. Ik haatte hem zo ontzettend.
Ik hoorde dat mijn moeders muziek gespeeld werd, maar ik luisterde er niet naar. Bill pakte mijn hand vast en speelde met een ring om mijn ringvinger, Mirre had haar hoofd op mijn schouder gelegd. Ik was volledig ontspannen op dat moment, opeens, wat misschien toch wel door het spelen van de muziek kwam en staarde naar mijn knieën toen ik een traan op mijn hand voelde vallen. Toen ik naast me keek, zag ik dat Bill zijn wang schoonveegde met zijn mouw en zijn trillende lippen bevochtigde. Ik pakte zijn hand en kneep er zacht in.
Voordat ik het wist, moesten we opstaan en konden we naar buiten. Een paar mannen in pak namen de kist van mijn moeder mee en legden haar in een grote zwarte auto, die begon te rijden zo gauw iedereen buiten was. Ik liep met Bill en Albert achter de auto, daarachter mijn vader, oom, tante en nichtjes, gevolgd door mijn vrienden, mama’s vrienden en mijn klasgenoten. Mijn hand lag in die van Bill, voor één van de laatste paar keren.
Tergend langzaam liepen we naar de begraafplaats toe, als een lange slinger door het centrum. De kerkklokken luidden en ik probeerde te tellen hoe vaak om te zorgen dat ik ergens op geconcentreerd was, zodat de tranen binnen bleven, maar ik raakte de tel kwijt. Ik voelde hoe er zich een brok in mijn keel vormde. De pillen konden mijn hoofd wel verdoven, maar niet de emoties die ik voelde. Die bleven even sterk, vreemd genoeg.
Op de begraafplaats legden dezelfde mannen als even daarvoor mama’s kist op een soort van ijzeren frame, terwijl iedereen zich om die plaats heen verzamelde. Er werden nog wat woorden gesproken, maar ik luisterde niet. Mijn ogen waren op de diepte onder de kist gericht, waar mijn moeder binnen een uur in zou zakken. Mama. Wat moest ik zonder haar? Ik wist niet eens of Koji wel kon koken, of hij de was kon opvouwen of dat soort dingen. Misschien dacht hij wel dat ik zijn sloofje zou worden, dat ik zijn eten zou klaarmaken, zijn was zou strijken en opvouwen, zijn huis schoon zou houden, zijn hielen zou likken en misschien zou ik wel nooit meer buiten komen. Misschien verwachtte hij zelfs wel dat ik hem ‘papa’ zou noemen.
Bovendien haalde hij me niet alleen van mijn vrienden weg, maar hij zorgde er ook voor dat ik nooit mama’s graf kon bezoeken. Of ja, dat was ook niet nodig. Zodra we de grens over waren, zou ik naar haar toegaan, naar de hemel. Ik ging God eens hard op zijn bek slaan en hem de pijn laten voelen die hij mij had aangedaan. Als hij verstandig was, zou hij me naar de hel sturen. De matennaaier.
Ik stopte mijn gedachtestroom toen ik iets zouts proefde. Toen ik mijn hand naar mijn gezicht bracht, merkte ik dat mijn wangen nat waren. Verwoed wreef ik ze droog, tot ik er zeker van was dat er geen zwarte sporen meer op zaten en ik liet Bill mijn blik vangen. Ik wilde hem zoenen, overal aanraken, maar niet op dat moment, niet voor het graf van mijn moeder. Ik voelde het mes in mijn broekzak in mijn been prikken en deed mijn mond open om iets te zeggen maar ik sloot hem weer toen ik meer zout proefde. Hij kneep zachtjes in mijn hand.
Ik slikte toen ze de kist langzaam in het diepe gat lieten zakken en bleef even staan toen de andere mensen begonnen te lopen en om beurten rozen op de kist gooiden. Het liefst zou ik mezelf in het gat gooien, bedacht ik me terwijl ik daar stond, hand in hand met iemand die ik moest achterlaten. Bill trok me zachtjes mee, weg van het graf, zijn arm om mijn middel terwijl ik onafgebroken rilde. Het was 22 graden.
Ik voelde blikken in mijn rug branden toen ik naar de grond keek, verwoed proberend mijn tranen binnen te houden door mijn ogen heel wijd open te houden en hard mijn kaken op elkaar te klemmen. Het deed zeer. Vreselijk veel zeer. Ik wilde bij Albert blijven. Bij Bill. Bij mama.
We gingen een gebouw in waar schalen vol cake en koekjes stonden en meisjes met paardenstaarten koffie schonken. Ik liep met Bill in mijn kielzog achter Albert aan, die voorin de ruimte ging staan en we schudden de handen van tientallen mensen die ons met tranen in hun ogen condoleerden. De helft van hen kende ik niet, ze kwamen me niet eens bekend voor, maar ze zeiden allemaal dat mijn moeder zo’n lieve vrouw geweest was en dat het zo zonde was dat ze al zo jong had moeten sterven alsof ik dat niet wist, alsof ze me een schuldgevoel aan wilden praten omdat ik niet huilde. Ze gaven me het gevoel dat ik er niet om gaf, hoewel dat verre van waar was.
Als laatste in de rij kwamen Fleur, Julia, Nathalia, Tom, Georg en Gustav, die me allemaal om beurten een stevige knuffel gaven en me bemoedigend aankeken. Ik glimlachte terug alsof het heel goed met me ging en zo, maar eigenlijk werd ik verteerd van binnen. Al die mensen kwamen voor mama, niet voor mij. Ze hadden geen idee dat ik ook mijn dood tegemoet ging. Ik vroeg me af of het op mijn begrafenis net zo druk zou zijn, of al die mensen net zo hard om mij zouden huilen als om mijn moeder, of mijn dood ervoor zou zorgen dat er weer een ander zelfmoord zou plegen.
Ik liet mijn ogen naar Bill glijden, die al die tijd mijn hand nog niet had losgelaten en vroeg me af of hij achter me aan zou komen als ik zou sterven. Van mijn kant was dat al als vanzelfsprekend: natuurlijk zou ik met hem meegaan als hij de aarde moest verlaten. Natuurlijk. Ik hoorde bij hem. We waren één.
Opeens kwam er een zieke gedachte in me op die ik het daglicht niet eens wilde laten aanschouwen. Als Bill en ik gescheiden zouden worden, dan moesten we misschien maar samen zelfmoord plegen. Dan konden we samen zijn. Ik kreeg tranen in mijn ogen bij het denken van die woorden en hapte naar adem terwijl ik ze gauw wegduwde. Bill kneep in mijn hand toen hij het zag en plots verdween het duffe gevoel uit mijn hoofd. De werkelijkheid kwam keihard boven drijven. Mama was dood. God had haar leven weggenomen. Ik zou God vermoorden zo gauw ik in de hemel zou komen.
Steeds meer zoute tranen begonnen over mijn gezicht te rollen en ik zag al gauw zwarte druppels op de witte tegelvloer vallen, als inktvlekken op een laken. Ik hoopte dat ze daar voor altijd zouden blijven liggen, als een soort monument van mijn verdriet, maar ik wist dat er gauw een paardenstaartmeisje zou komen met een stukje keukenrol met extra absorberende dingen om het op te vegen.
“Ga even mee naar buiten,” fluisterde Bill in mijn oor toen hij mijn wangen droogstreek met de mouw van zijn blouse en hij sloeg zijn arm beschermend om mijn middel. Ik knikte terwijl ik een snik onderdrukte en een zwart spoor van mijn wang poetste en liep tussen de tafeltjes door achter hem aan, mijn gezicht op de vloer gericht en het beschermend met mijn hand zodat al die cake-etende mensen niet zagen dat ik huilde, maar dat was verspilde moeite.
Buiten begroef ik mijn gezicht in Bills T-shirt en huilde ik harder dan ik ooit gedaan had. Hij ging met zijn hand door mijn haar en begon zacht te zingen dat we even door de shit heen moesten, maar dat we elkaar uiteindelijk wel weer zouden vinden en dat dan alles goed zou komen. Het hele nummer was één grote leugen. We kwamen nooit meer bij elkaar. Het kwam niet goed. Na 24 uur zou ik al niet meer in leven zijn.
“Vannacht slaap ik thuis,” fluisterde hij zacht in mijn oor terwijl ik mijn hoofd nog steeds in zijn shirt begraven had. Meteen tilde ik mijn hoofd op, dat zwaar aanvoelde, en ik keek met natte ogen naar hem op, met gebroken stem fluisterend dat hij me niet alleen moest laten. Meteen legde hij zijn hand in mijn nek en liet mijn hoofd weer op zijn borst rusten, waar ik mijn ogen dichtkneep om de tranen eruit te persen, zodat ik weer leeg zou zijn van binnen.
“Je bent niet alleen vannacht,” antwoordde hij zacht. “Fleur en Julia blijven bij je…”
Ik wist daar niets vanaf, maar dat maakte me ook niet uit en ik snikte zacht, me vastklampend aan zijn rug, zijn perfecte rug. Toen ik mijn hoofd weer optilde, zag ik dat zijn ogen nat waren en ik ging met mijn vingers over zijn perfecte neus, zijn perfecte kaaklijn en ik drukte mijn lippen op zijn perfecte mond. Zijn perfectie bedwelmde me, nam me mee naar een andere wereld. Ik kon hem niet achterlaten.
Plotseling zag ik hoe Bill even gauw over mijn schouder heen keek en een verbaasde uitdrukking op zijn gezicht kreeg. Ik draaide mijn hoofd ook om en zag waar hij verbaasd over was: nog geen twintig meter verderop zat Julia op een muurtje, met een betraand gezicht. Tegenover haar stond Tom. Ze zoenden. Ik had geen idee of ik moest lachen of moest huilen op dat moment. Ik vond het verschrikkelijk fijn voor hen dat ze elkaar weer gevonden hadden, maar tegelijkertijd vond ik het vreselijk oneerlijk. Zij wel, wij niet.
“Ik eh,” stamelde ik zacht na mijn blik weer van de twee afgewend te hebben. “Ik wil even rennen.” Ik wilde even niets meer voelen, geen pijn en verdriet, alleen adrenaline en het gevoel van ultieme vrijheid dat je alleen maar kan krijgen als je keihard rent. Ik wilde me voelen alsof ik kon vliegen, voor nog één laatste keer voordat ik in de hemel zou komen.
“Nee,” zei Bill beslist. “Straks ren je onder een auto of zo, dat laat ik niet gebeuren.”
Ik glimlachte, pakte zijn hand vast en deed een klein stapje naar achteren. Hij helde zijn hoofd een stukje naar de zijkant met een doffe twinkeling in zijn ogen alsof hij me wilde vragen of ik mee ging naar binnen, maar dat wilde ik niet. Ik plaats daarvan draaide ik me vliegensvlug om en zette een snelle sprint in, richting huis. Ik voelde hoe mijn hartslag al gauw sneller werd en hoe de adrenaline door mijn aderen begon te pompen alsof het drugs was en hoe het mijn hersenen verdoofde. Ik hoorde nog hoe hij mijn naam riep, maar ik vloog al.