Deel 23


Lief dagboek,

Dit is de laatste bladzijde die beschreven zal worden: morgen ben ik er niet meer. Ik wil nog even zeggen dat ik het altijd fijn vond om te schrijven en dat er tenminste één iemand was aan wie ik alles kwijt kon. Jij.
Het leven wordt me gewoon te zwaar nu. Ik kan niet leven zonder Bill, niet hier, maar zeker niet daar in Japan. Ik hoop maar dat hij nooit te weten zal komen dat ik dood ben, want ik ben bang dat hij me achterna komt. Bill moet door. Bill moet iemand vinden van wie hij houdt en tegen wie hij dat zal zeggen. Ik heb nu al een hekel aan degene die dat zal zijn maar als Bill er gelukkig van wordt, dan zal ik lachend op hem neerkijken vanuit de hemel.
Tot nooit meer.

Maren.



Zodra Fleur en Julia de volgende morgen vertrokken waren om hun spullen thuis te brengen, ging ik verder met het inpakken van mijn koffer. Nadat ik mijn kamer was doorgegaan, keek ik in de woonkamer of ik daaruit nog iets nodig zou hebben. Ik vond een paar CD’s en sieraden die zich daar door de jaren heen verspreid hadden en stopte ze in mijn koffer. Daarna nam ik een korte douche en ik stopte mijn vanilleshampoo in mijn koffer. Die hadden ze vast niet in Japan.
Ik deed mijn cupidoshirt aan boven mijn zwarte spijkerbroek, waarin ik het zakmes voelde zitten. Nog een uur of vijf. Dan was het gedaan met Maren Meyer, het meisje dat haar eigen leven verwoest had door een deal te sluiten met God, door iets te zweren op haar moeder.
Met een verdrietig gevoel in mijn onderbuik deed ik mijn make-up in mijn koffer en ritste hem dicht. Ik zou het waarschijnlijk toch niet droog houden die dag, dus ik had niets op mijn gezicht gedaan. Waarschijnlijk zou ik het er al weer afhuilen voordat het er eenmaal helemaal op zat.
Toen ik opstond van de vloer en me omdraaide om naar beneden een boterham te gaan eten, schrok ik op toen ik Bill in de deuropening zag staan, met ongestyled haar en een gigantische zonnebrik op zijn neus om zijn onopgemaakte ogen te verbergen. Hij droeg hetzelfde shirt als ik en ik liet mijn ogen ongegeneerd over zijn slanke lichaam gaan terwijl ik mijn mond opende om iets te zeggen, maar er kwam geen geluid uit.
Hij liep langzaam naar me toe en sloeg zijn armen om mijn middel, mijn heupen masserend met zijn duimen. Ik zette zijn zonnebril af en legde hem op mijn lege bureau zodat ik zag dat zijn ogen rood en gezwollen waren, verstrengelde mijn vingers met zijn haar en trok zijn hoofd een stukje naar achteren, zodat ik met mijn lippen de zachte huid van zijn nek kon strelen, wat hem kippenvel bezorgde.
Ik voelde hoe zijn handen de zoom van mijn T-shirt vastgrepen en hief mijn armen gewillig op om het hem gemakkelijk te maken. Hij trok me tegen zich aan toen de stof op de grond gevallen was en hij speelde met de bandjes van mijn beha, liet ze tergend langzaam naar beneden glijden. De tranen gleden over zijn wangen, bevochtigden mijn hals toen hij zijn hoofd in mijn nek begroef en niet lang daarna voelde ik hoe er een traan uit mijn ooghoek ontsnapte.
Ik trok ook zijn shirt uit en liet tegen beter weten in mijn handen naar zijn broek glijden. Hij boorde zijn blik diep in die van mij en trok me op bed zodra zijn broek op zijn enkels lag en hij er zo uit kon stappen. Mijn hart werd verscheurd tussen mijn verlangen en mijn verstand: ik wist dat het me kapot zou maken omdat ik wist dat het de allerlaatste keer zou zijn, maar ik hunkerde zo naar hem. Mijn verlangen naar hem won het zodra hij het sluitinkje op mijn rug in één simpele beweging had open gemaakt en met zijn vingertoppen over de zijkanten van mijn lichaam streek tot hij bij de band van mijn spijkerbroek kwam. Ik hielp hem bij het uittrekken van mijn broek en haakte mijn vingers achter het elastiek van zijn boxer, die ik uiteindelijk uittrok.
Toen hij zich bovenop me rolde en me diep en innig zoende, voelde ik hoe mijn huid die van hem raakte. Ster op ster, huid op huid. Geen paparazzi, geen andere mensen, alleen wij samen. Ik voelde dat we naar elkaar verlangden en wierp hem een blik toe waaruit hij opmaakte dat hij niet langer meer moest wachten.
Ik sloot mijn ogen toen hij zachtjes in me kwam en voelde direct hoe we versmolten tot één persoon. Onze adem vermengde zich met elkaar en het vocht op onze gezichten deed dat ook toen hij nog even snel zijn lippen op de mijne drukte en daarna langzaam begon te bewegen met zijn heupen. Hij huilde nog steeds, zonder geluid, net als ik.
Ik keek door zijn ogen en zag zijn ziel. Ik zag dat hij van binnen gebroken was, net zo kapot was als ik, dat zijn ziel brandde. Ik slikte de brok die in mijn keel kwam weg, probeerde het althans, maar het lukte me niet. Ik zou Bill nooit meer voelen, nooit meer horen, nooit meer proeven en nooit meer ruiken. Ik zou alleen op hem neer kunnen kijken vanuit heel ver daar boven, verder van hem verwijderd dan mogelijk was.
Ik probeerde me op Bill te concentreren, maar dat ging gewoon niet. Ik kon alleen maar denken aan dat ik hem nooit meer zo dicht bij me zou hebben, nooit meer op die manier met hem samen zou zijn en eigenlijk wilde ik hem alleen maar vasthouden. Ik voelde hoe Bill zich terugtrok zonder het af te maken en ik kneep mijn ogen dicht om de tranen er niet uit te laten. Ik voelde hoe hij naast me kwam liggen en ik draaide me naar hem toe zodat ik mijn hoofd in het holletje tussen zijn nek en sleutelbeen kon begraven. Hij sloeg zijn armen om me heen en hield me steviger vast dan hij ooit gedaan had.

Om twee uur zou mijn vader me op komen halen en dus kleedden Bill en ik ons om half twee aan, zodat ik de laatste dingen nog even in mijn koffer kon stoppen. Hij hielp me zwijgend en huilend en hij ontweek mijn blik alsof hij bang was dat ik iets in zijn ogen zou zien, alsof ik dan ergens achter zou komen waarvan hij niet wilde dat ik het zag. Ik denk dat hij niet wilde dat ik wist dat hij zwak was op dat moment.
Fleur kwam binnen door middel van de sleutel onder de bloempot en hielp ons de zware koffer van de trap te dragen zonder de muren te beschadigen. Ik had het hengsel van mijn gitaartas over mijn schouders geslagen en had mistroostig bedacht dat ik het ding waarschijnlijk nooit meer aan zou raken. Mijn ogen ontmoetten die van Fleur een paar keer en ik beantwoordde haar trieste blik met een glimlach die bemoedigend zou moeten zijn, maar ik denk niet dat ik erg geloofwaardig overkwam. We sleepten mijn koffer naar buiten en ik sloot de deur af. De sleutel legde ik onder de bloempot zodat Albert hem zou kunnen vinden en toen ik me omdraaide, zag ik dat Julia aan kwam fietsen, met Tom achterop. Ze liet haar fiets vallen, geen acht slaand op Tom die nog achterop zat, en ze liep naar ons toe om me om de hals te vliegen. Ik begon zacht te huilen toen ze luid jammerde dat ze het zo verschrikkelijk vond en keek over haar schouder naar de onbeweeglijke Bill voordat ik mijn gezicht in haar rode haar begroef, mijn hart gebroken.
Ik liet haar los toen ik een auto hoorde, verschrikt omdat ik dacht dat het mijn vader was en ik nog geen afscheid wilde nemen, maar het waren Georg en Gustav. Georg parkeerde scheef op de oprit alsof het hem niet boeide als hij zou beschadigen en Gustav stapte al uit voordat de auto goed en wel stil stond, zijn gezicht vlekkerig en zijn ogen dik en rood.
Tom plukte Julia van me af en gaf haar een zachte kus alvorens haar tegen zijn borst te drukken hij keek me verdrietig aan, wat bij mij nog meer tranen losmaakte. Zij wel en wij niet.
Georg sloot zich aan bij het gezelschap en was de eerste die naar me toe liep. Hij pakte me bij mijn schouders en legde zijn voorhoofd tegen het mijne zodat ik de natte waas zag die op zijn ogen lag.
“Pas goed op jezelf,” fluisterde hij schor, en hij trok me tegen zich aan. Mijn schouders begonnen te schokken van het huilen terwijl ik mijn al natte gezicht in zijn shirt begroef en op mijn lip beet om geen geluid te maken. Hij bewoog zijn handen zacht doch krachtig over mijn rug en fluisterde kalmerende woorden, iets dat me heel erg aan vroeger deed denken. Vroeger, toen ik Georg boven Bill verkozen had.
Ik voelde hoe Georg me losliet en zag dat dat was omdat Bill zijn hand op zijn schouder gelegd had. Hij wees op mijn vader, die naast zijn auto stond en de kofferbak al had open gemaakt. Ik had niet eens gemerkt dat hij er al was. Ik bukte om mijn koffer op te tillen en legde hem met behulp van de twee jongens in de kofferbak, die ik met zo’n klap dichtsloeg dat het leek alsof ik wilde dat de auto kapot zou gaan zodat we niet meer weg konden gaan. Natuurlijk was dat ook zo.
“Ik – eh,” zei ik trillend van emoties tegen mijn vader. “Ik neem nog even – je weet wel - afscheid…” Hij knikte en ging vast in de auto zitten. Ik draaide me om en liep recht in de armen van Gustav, die me warm omhelsde, zijn gezicht vlekkerig van de tranen. Ik snoof zijn zachte geur op en legde mijn hoofd op zijn schouder. Ik kon niet zonder Gustav. Ondanks dat ik niet veel één op één met hem gesproken had, mocht ik hem graag en was hij één van mijn beste vrienden. Zonder hem was ik niet compleet. Hij was als mijn linkerbeen. Georg was mijn rechter. Zonder die twee had ik geen poot om op te staan. En zonder Tom ook niet, trouwens.
“Pas goed op Fleur,” fluisterde ik in zijn oor. Hij zei iets onverstaanbaars dat ik maar voor een ja hield en ik drukte een kus op zijn wang alvorens Tom in mijn armen te nemen, die verschrikkelijk veel moeite deed om niet in huilen uit te barsten, macho als hij was.
“Wees alsjeblieft goed voor Juul,” zei ik zo zacht dat zij het niet kon horen. Ik zou hem vermoorden als hij haar nog eens zo behandelde als hij eerst gedaan had, of in ieder geval zorgen dat hem dan iets ergs zou overkomen. Dat kon, als ik in de hemel was. Dan had ik die macht.
“Je dacht toch niet dat ik haar zou laten schieten hè, na al die moeite?” zei hij op een toon die grappig moest zijn, maar ik vond het zielig klinken. Toen ik hem losliet, zag ik dat hij een traantje wegpinkte, doende alsof hij in zijn oog wreef. Ik vond het adorabel, dat hij deed alsof het hem niets deed, terwijl zijn lippen onophoudelijk trilden, net zoals die van zijn broer. Ik veegde gauw mijn ogen droog toen ik zag dat ik een natte plek op Toms shirt gemaakt had.
Ik nam de beide huilende meiden in mijn armen en liet mijn voorhoofd tegen dat van hen leunen, mijn schouders schokkend van het huilen. Wat was ik zonder hen? Ik kende hen al vanaf de kleuterschool, had de basisschool en bijna de hele middelbare school met het doorlopen en opeens moest ik hen achterlaten. We waren nooit langer dan drie weken uit elkaar geweest, als er iemand op vakantie moest, en dat was al met veel moeite en een groot gevoel van gemis. Hoe kon ik hen nou voor altijd alleen laten? Ik was onvolledig zonder hen, we waren altijd al bij elkaar geweest en ik wilde niet dat er een eind zou komen aan die geweldige tijd. We waren een team.
“Ik kom je opzoeken in Japan, als het weer vakantie is,” fluisterde Fleur door haar tranen heen. “En ik neem Juul mee, toch, Juul?”
Ik voelde dat Julia met haar hoofd knikte en wilde eigenlijk zeggen dat het nutteloos was om me te komen opzoeken, maar ik deed het niet, natuurlijk. Ik zou het fijn vinden als ze me kwamen opzoeken, ook al zou ik er dan niet meer zijn.
Ik liet hen los en liep door naar Bill, die naast het open achterportier van de auto stond. Ik huilde harder bij het zien van de tranen die over zijn wangen naar beneden gleden, als druppels aan zijn kin bleven hangen en uiteindelijk als zoute regen op de grond vielen. Zijn volle onderlip trilde onophoudelijk en hij hapte naar adem zo gauw ik mijn armen om zijn nek drapeerde. Ik voelde hoe hij zijn handen op mijn heupen legde, even met zijn duim over de tatoeage ging en zijn armen daarna om mijn middel sloot. Hij tilde me op van de grond en begroef zijn hoofd in mijn nek, zijn schouders schokkend. Ik had het gevoel dat mijn hart in tweeën gespleten werd: de ene helft ging naar Japan en de andere helft bleef in Duitsland, bij Bill. Hij had mijn hart.
Ik kuste zijn heldere tranen weg en genoot van de smaak van het zout. Mijn vingers verstrengelde ik met zijn haar, dat zachtjes door mijn vingers glipte en ik drukte mijn lippen op die van hem toen hij me weer neerzette. Ik proefde meer zout toen hij zijn mond traag opende en ik zijn tong voelde, zijn tongpiercing, en ik dacht terug aan die eerste keer, toen ik daar zo van geschrokken was. Inmiddels was alles aan hem me zo bekend.
Ik klampte me vast aan zijn rug toen hij zijn hoofd terugtrok, mijn kaken op elkaar klemmend om geen film-achtige jankgeluiden te maken. Ik zag hoe er een nieuwe traan over zijn perfecte gezicht rolde, dat door imperfectie perfecte gezicht. Ondanks de overbeet en het feit dat hij meer loenste dan ooit, vond ik hem nog steeds de prachtigste persoon op de hele wereld. Alles aan hem was zo verfijnd en zacht en mooi en prachtig en perfect dat – oh, God, ik kón hem niet loslaten.
Ik deed mijn mond open om iets te zeggen, maar er schoot me niets te binnen wat ik kon zeggen en hij gaf me de gelegenheid ook niet. Hij drukte zijn vinger tegen mijn lippen en nam een trillende hap adem, sloot zijn ogen even en keek toen weer op.
“Ik-” begon hij dapper, maar de adem stokte in zijn keel. Hij sloot zijn ogen, waaruit nog twee tranen gerold kwamen en schudde zijn hoofd alvorens me tegen zich aan te drukken en alle lucht uit mijn longen te persen. Ik wilde niet weg, maar ik moest wel.
“Ik ga met je mee,” zei hij vastbeslotener dan ooit tevoren. “Ik laat je niet gaan.”
Ik schudde mijn hoofd hard, hoofdzakelijk om de verschillende gedachten die me besprongen af te weren en als bijzaak dat ik het niet met hem eens was. Bill moest blijven, de tour afmaken, een nieuw album produceren en wereldberoemd worden, samen met de andere jongens. En hij moest iemand vinden van wie hij hield. Dat wilde ik het liefst.
“Ik hou van je,” zei ik helder.
Ik zag het al als vanzelfsprekend dat ik geen antwoord kreeg.

Auto’s gleden aan me voorbij, net als de bomen, gebouwen en kilometerborden langs de weg waarop ik de getallen steeds kleiner zag worden, wetend dat ik steeds verder van huis verwijderd werd. Ironisch genoeg was Durch den Monsun op de radio, een nummer dat de tranen nog sneller uit mijn ogen deed komen omdat ik wist dat het voor mij geschreven was, voor mij alleen. Ik wilde mijn vader vragen om de radio uit te zetten, maar mijn keel was zo gezwollen dat ik er geen geluid uit kreeg, zoals ik de afgelopen week wel vaker gehad had.
Ik draaide het mes rond tussen mijn vingers en wierp af en toe een blik op het van concentratie vertrokken gezicht van mijn vader, waar ik zicht op had als ik door de achteruitkijkspiegel keek. Hij zou het niet eens merken als ik het deed: ik zou gewoon mijn ogen sluiten zodat het leek alsof ik sliep en dan zou hij er pas achter komen als ik niet reageerde op zijn vragen of pas als we op het vliegveld waren. Ik nam mezelf voor om Bills beschermengeltje te worden zodra ik in de hemel was. Ik zou op zijn schouder zitten, zijn hele verdere leven, hem behoedend voor alles dat hem kwaad kon doen. Ik zou hem dingen influisteren, hem zeggen welke keuzes de juiste waren en welke niet, zou ervoor zorgen dat hij nooit zo’n zelfde fout zou maken als ik.
Ik hoorde dat mijn vader iets zei, iets goedbedoelds waarschijnlijk, maar ik negeerde het, deed net alsof ik het niet hoorde. Ik kon Bill niet vergeten, en Fleur en Julia ook niet. Ik zou nooit wennen aan Japan. Ik zou me altijd blijven afvragen of Tom en Julia nog bij elkaar waren, of Bill en Georg nog ruzie maakten en of Gustav en Fleur nog steeds vrienden waren. Ik hield van hen allemaal, ik zou ze nooit meer vergeten.
Voor de miljoenste keer in de laatste paar dagen bedacht ik wat ik had kunnen doen om het allemaal anders te laten zijn en net zoals al die voorgaande keren, kwam ik tot de conclusie dat ik gewoon had moeten doen wat ik God beloofd had. Zelfs al zou ik een aantal keer naar de kerk gegaan zijn, zelfs al zou ik soms voor het eten gebeden hebben, dan nog zou alles gebeurd zijn omdat dat niet was wat ik beloofd had. Ik had op mijn moeder gezworen iedere zondag naar de kerk te gaan, iedere maaltijd te bidden en aangezien dat onhaalbaar was, had ik het niet kunnen voorkomen. De enige manier waarop ik de toekomst er anders uit had kunnen laten zien, was die deal nooit gesloten te hebben. Dan zou ik nog bij Bill zijn, misschien.
Ik vroeg me af in hoeverre die deal mijn leven nog meer beïnvloed had, behalve dan het feit dat ik op dat moment in de auto naar het vliegveld zat en niet bij Bill was. Misschien zouden Bill en ik elkaar wel nooit meer teruggevonden hebben als ik die deal niet gesloten had, misschien zouden ze dan wel uit mijn leven verdwenen zijn vanaf het moment dat ze op tour gingen, of nog eerder. Misschien zouden Tom en Julia elkaar wel nooit gevonden hebben (want ja, ik was er van overtuigd dat ze bij elkaar hoorden) en zou de sterke vriendschap tussen Gustav en Fleur nooit ontstaan zijn.
Dat idee deed me twijfelen aan het volmondig ‘ja’ dat ik voorheen gegeven zou hebben als iemand me gevraagd had of ik de tijd terug wilde draaien. Als ik die deal niet sloot, zou ik misschien nog wel in Duitsland zijn, maar dat was dan misschien wel zonder Bill, Tom, Georg en Gustav en alle fijne dingen die ik met hen beleefd had. Ik kon me niet voorstellen hoe mijn leven eruit zou zien zonder hen en misschien wilde ik daarom de toekomst ook wel níét veranderen. Misschien was het wel beter zoals het op dat moment was.
Ik schrok op toen ik opeens een tik op het raampje naast me hoorde. Snel keek ik op en ik voelde een adrenalinestoot door mijn lichaam gaan toen ik Bill zag, hangend uit een auto die naast de onze reed. Ik zei geluidloos zijn naam en legde mijn hand tegen het raam, waar die van hem ook op lag, en ik dook naar beneden om het naar beneden te draaien.
Meteen voelde ik hoe zijn warme hand die van mij omsloot en ik begon harder te huilen zodra ik zijn gezicht zag. Hij drukte zijn lippen op mijn hand, die vochtig werd van zijn tranen. Ik dankte God uitvoerig omdat ik hem nog even bij me had, ook al zou het maar voor een minuut zijn omdat we al gauw af moesten slaan zoals het kilometerbord naast de weg zei.
Toen ik wat beter keek, zag ik dat ook Tom en Gustav in de auto zaten, beide bemoedigend glimlachend toen onze ogen elkaar ontmoetten. Georg hield zijn ogen strak op de weg gericht zodat we geen onnodige ongelukken zouden veroorzaken.
“Wacht op me,” zei Bill precies hard genoeg om boven het geluid van het verkeer uit te komen. “Ik kom je halen zodra ik de kans heb.”
Ik opende mijn mond en sloot hem weer, te verdoofd om iets te zeggen. Hij helde zijn hoofd naar de zijkant alsof hij op een antwoord wachtte, maar ik was niet in staat om te praten. De hele wereld stond stil en alles voelde zo vacuüm aan, alsof ik in elkaar gedeukt, maar tegelijkertijd ook uitgerekt werd. Uiteindelijk gaf ik hem een klein knikje en ik liet het zakmes uit mijn hand glijden en op de grond vallen.
Ik wilde hem zo graag zoenen, voor de laatste keer, zijn zoute tranen wegkussen, maar dan zou ik uit het raampje vallen en dat was niet de bedoeling – althans, niet méér. Bill zou me komen halen in Japan. Er was nog hoop.
Ik kneep in zijn hand en streelde de zachte huid. Ik zou hem nog zoveel dingen willen zeggen, dat ik op hem zou wachten tot in de eeuwigheid, dat ik voor altijd van hem zou zijn als hij dat wilde en dat ik ook best op de fiets terug wilde komen naar Duitsland, maar ik kon niets uitbrengen. Het enige waar hij ook maar enigszins een conclusie uit kon trekken, waren de tranen op mijn gezicht, maar huilen kan men om miljoenen redenen.
Al voordat ik het wist voelde ik dat mijn hand uit die van hem gleed. Ik probeerde hem nog te grijpen met mijn vingertoppen, maar al gauw was de afstand tussen ons onoverbrugbaar. Ik wilde gillen naar hem, schreeuwen van verdriet, maar ik kon alleen maar huilen terwijl ik mijn vingers zo ver mogelijk uitstrekte en de wind aan mijn haar trok. Ik keek naar zijn gezicht, dat steeds kleiner werd, mijn vingers reikend naar hetgeen dat uit mijn vingers geglipt was.
Ik hoorde hem verwoed roepen, zijn stem trillend van emoties, maar ik verstond zijn woorden. Het maakte dat mijn adem werd afgeknepen, mijn tranen stopten met rollen, mijn ogen glazig werden en dat mijn hersenen niet meer functioneerden. Ik had er niet meer op gerekend, niet na al die tijd, niet na dat opgedronken glas smirnoff, niet meer na al die al die afgebroken pogingen en al zeker niet op dat moment. Ik had er zo naar verlangd, zo vreselijk naar gehunkerd, zolang over gepeinsd en er zovaak op gehoopt dat het, nu het zo opeens kwam, een euforisch gevoel door mijn hele lichaam verspreidde. Op het moment dat ik dacht dat mijn leven afgelopen zou zijn, redde hij me door het zeggen van een klein en simpel zinnetje dat voor andere mensen simpel uit te spreken was, maar wat Bill nooit gekund had, tot op dat moment. Ik zou verder gaan met leven en wachten tot hij me zou komen halen, zoals hij beloofd had. Hij had me omhoog getakeld aan het zijden draadje waaraan ik hing, boven die grote afgrond.
Hij hield van mij.