Deel 7
Lief dagboek,
De CD van de jongens is bijna klaar en over twee weken vertrekken ze al op tournee. Ik mis hen al als ik eraan denk, en dan vooral Bill, stiekem. Natuurlijk zijn de uitjes zo eens in de maand heerlijk, maar dat komt vooral omdat hij erbij is. We bellen heel erg vaak in de plaats van dat hij sms’jes stuurt en dan bedoel ik niet gesprekjes van drie minuten. Drie uur is een getal dat niet sporadisch voorkomt.
Misschien ben ik wel verliefd, een klein beetje, dat probeert Julia me in ieder geval was te maken. Soms weet ik niet precies het verschil tussen liefde en lust en dat zijn de gevoelens die ik heb als ik naar Bill kijk. Ik heb geen idee of het de lust is die me naar hem toe trekt, de liefde of een mengeling daarvan en daar worstel ik een beetje mee. Ik vind het oneerlijk om met zijn liefde te spelen als het bij mij puur om de lust gaat, maar als ik hiermee stop, kom ik er misschien later achter dat ik verliefd op hem ben en dan ben ik te laat. Het is nogal stormachtig, in mijn hoofd.
Enfin: de kriebels voor Bill worden steeds erger en ik hoop dat ik na vandaag (we gaan uit mijn zijn zevenen) kan zeggen dat ik stapelverliefd op hem ben, want dat wil ik graag. Hij verdient het om liefde te krijgen.
Inmiddels werden de wekelijkse tienminuten-gesprekken tussen Bill en mijzelf dagelijkse drie-uurs-conversaties die we voortzetten tot diep in de nacht. Dat had als vervelend gevolg dat ik af en toe als een lijk op school verscheen, op het randje tussen slapen en waken, wat me veel gezeur van Fleur en Julia opleverde. Zoals Fleur en ik eerst tegen Julia geklaagd hadden over haar slechte cijfers, zo gingen ze toen tegen mij tekeer. We wilden met zijn drieën over naar het volgende jaar en als er één zou blijven zitten, dan deden we dat allemaal.
In één van die nachtelijke telefoongesprekken vertelde ik Bill over de situatie met mijn vader. Ik sprak hem zo vaak – hetzij telefonisch – dat ik de tijd rijp vond om hem over mijn thuissituatie te vertellen en hoewel het niet uit mezelf kwam (Bill had gevraagd of ‘mijn ouders’ nooit wakker werden van ons gebel), vertelde ik hem erover en dat was een grote stap voor me. Ik haatte het om met mensen over mijn vader te praten en deed dat dus ook niet veel, maar Bill was niet zomaar ‘een iemand’ voor me en dus ging het met hem gemakkelijker. Hij ving het goed op, vertelde me verhalen over de dingen die hij had doorgemaakt toen zijn ouders gingen scheiden en vertelde over het nummer dat hij toen geschreven had. Het zou nummer negen op het album zijn.
Op de een of andere manier voelde ik dat ik echt op Bill kon steunen als ik het moeilijk had. Hij praatte makkelijk en wist me het gevoel te geven dat ik een gelijke was en niet zomaar een meisje dat hij graag sprak. Ik wist wel dat hij me leuk vond, maar had geen idee hoe leuk en stiekem wilde ik dat heel graag weten. Misschien betekende ik wel minder voor hem dan hij voor mij deed en eigenlijk zou dat wel heel hard bij me aankomen, besefte ik me. Misschien gaf ik wel meer om Bill dan ik mezelf deed geloven.
We planden dat we weer eens uit zouden gaan, met de hele groep. Bill wilde eigenlijk liever iets met zijn tweetjes gaan doen maar ik was bang dat iemand zoals Nathalia ons zou zien. Dan zouden de roddels zich al gauw door de regio verspreiden en dat had ik liever niet, zeker niet als de geplande doorbraak van Tokio Hotel zou komen. Dan zou ik achtervolgd worden door zijn fans en in elkaar geslagen worden door mensen die het me niet gunden en meer van dat soort dingen. Gelukkig begreep hij dat ik daar niet op zat te wachten.
Zo kwam het dat Julia, Fleur en ik op zaterdagavond naar de bushalte liepen met als simpele reden dat Georg ons niet op kon halen omdat zijn auto aan gort lag nadat hij er te hard mee over een verkeersdrempel was gereden. Ik had voor die avond een spijkerbroek aangetrokken, met allstars en een leuk, rood en zwart gestreept shirtje met lange mouwen en een V-hals. Ik moest moeite doen niet te lachen om de twee meiden naast me, waarvan er één een rokje aan had en de ander een hemdje met slechts een doorzichtig geval er overheen. Ik was het levende bewijs dat je er best leuk uit kon zien zonder daarvoor te hoeven bevriezen.
Toen we de hoek omgelopen waren, zagen we dat de bus er al stond en we zetten het op een rennen. De chauffeur drukte het gaspedaal al in om weg te rijden, maar was bereid te remmen toen hij Julia’s rokje zag. Ik mocht hem al meteen niet.
We stapten in, Julia als eerste en we lieten onze strippenkaarten afstempelen. Ik wierp de buschauffeur een hatelijke blik toe toen ik zag hoe hij een blik op Julia’s benen wierp en liep snel door naar achteren. Bill en Tom zaten al in de bus, op stoelen achter elkaar zodat er plek voor mij was naast die eerstgenoemde. Julia was bij Tom op schoot gekropen en dus kon Fleur naast hen zitten als ze dat durfde.
Ik liet mezelf naast Bill zakken en kreeg een zachte kus op mijn lippen gedrukt. Meteen voelde ik hoe de vlinders in mijn buik begonnen te racen en ik genoot van dat gevoel terwijl ik mijn hoofd op zijn schouder liet rusten en naar buiten keek. Het was inktzwart, aardedonker, zodat de ruiten stuk voor stuk leken op gigantische spiegels.
“Je moet er maar niet teveel waarde aan hechten als Georg opeens een lullige opmerking naar me maakt, hoor,” hoorde ik Bill opeens zacht zeggen zodat de mensen achter ons hem niet konden horen en ik lichtte mijn hoofd op.
“Hoezo niet?” vroeg ik met een fronsrimpel in mijn voorhoofd.
Hij haalde zijn schouders op en keek naar buiten.
“Ik weet niet,” zei hij. “Hij doet gewoon heel lullig tegen me, maar ik weet niet echt waarom. Ik snap het ook niet, weet je wel, ik heb geen idee wat ik fout heb gedaan. We hebben nog nooit ruzie gehad binnen de band, en dat vlak voor het uitbrengen van de eerste single…”
Zijn stem klonk zo gekweld dat ik er knuffelneigingen van kreeg, maar in plaats daarvan drukte ik een klein kusje op zijn wang en liet toen mijn hoofd weer op zijn schouder rusten.
“Hij draait wel bij, toch?” vroeg ik daarna. “Voor zover ik Georg ken, blijft hij nooit lang boos…”
Hij gaf geen antwoord en bleef stil voor de rest van de busreis, maar het was geen ongemakkelijke stilte. We hadden gewoon verder niets meer te bespreken omdat alles al gezegd was aan de telefoon en dus behoorde de stilte er te zijn. Het feit dat we samen waren, was genoeg.
Na een onbepaalde tijd stopte de bus en moesten we uitstappen. Na een elleboogstoot van Fleur lieten Julia en Tom elkaar los en konden we uitstappen zonder bang te zijn dat zij zouden blijven zitten en er pas bij de eindhalte achter zouden komen dat wij al honderd kilometer geleden uitgestapt waren. Zodra we buiten stonden, kwamen de twee overige jongens op ons af lopen en werden we enthousiast door hen begroet. Zodra Fleur en Gustav dicht genoeg bij elkaar waren, haakten ze hun armen in elkaar en begonnen als gekken te leuteren over dingen die me niet interesseerden. Georg was nors en had een neppe glimlach op zijn gezicht geplakt, die hij schonk aan iedereen die naar hem lachte. Hij negeerde Bill zowat en schonk hem een hatelijke blik toen hij hem op een normale toon begroette. Ik snapte maar niet waarom hij zo deed.
“En, Georg, hoeveel meisjes heb je deze week weer verslonden?” riep Tom joviaal uit terwijl hij Georg hard tussen zijn schouderbladen mepte. Deze lachte hard en ongemeend en mompelde iets als ‘niets-wat-jij-hoeft-te-weten’. Ik vroeg me af of dat betekende dat het er vijftig waren of dat hij al een week droog stond.
We liepen weer naar het zelfde café als de vorige keer, maar daar kwam ik pas achter toen we er daadwerkelijk voor stonden. We kwamen dat keer van een andere kant en ik kende Magdeburg eigenlijk vrij slecht. Natuurlijk had ik er wel eens gelopen, maar in het donker zagen alle straatjes er anders uit en was alles zo onherkenbaar.
Eenmaal binnen wurmden we ons weer in een slinger door de lachende, pratende en drinkende mensen heen. De mensen die een jas bij zich hadden, hingen hem op en we gingen naar de bar, waar ik het eerste rondje gaf. Ik wist dat het er anders niet meer van zou komen omdat ik het óf zou vergeten, óf er vandoor zou zijn gegaan met Bill.
Toen iedereen voorzien was van een biertje en ik een paar euro over de bar geschoven had, liepen we naar een tafeltje waarrond een paar barkrukken stonden. Bill, Georg en ik gingen zitten, Fleur liep luid pratend met Gustav de dansvloer op en Tom en Julia vluchtten een donker hoekje in zo gauw ze dachten dat niemand ze zou missen. Ik knoopte een gesprek aan met Georg in een poging hem wat minder chagrijnig te krijgen en vreemd genoeg lukte dat me nog ook: hij glimlachte écht en lachte warm naar me terwijl hij vol overgave sprak. Ons gesprek over de invloed van Amerika op Europa leek hem op te beuren en daarom ging ik er maar mee door, ondanks dat ik het gevoel had dat ik op Fleur begon te lijken. Ik bedoel – het was zaterdagavond, ik zat in een café met een biertje in mijn hand en ik praatte over zaken die ertoe déden.
Naast me zat Bill met een hand op mijn dijbeen zwijgzaam het gesprek tussen Georg en mij te volgen. Hij voegde niets toe aan het gesprek, noch zette hij een rem op me. Het leek net alsof alleen ik wist dat hij er was en dat Georg hem niet kon zien, alsof Bill onzichtbaar was en dat kwam natuurlijk ook door het feit dat Georg hem nog steeds staalhard negeerde. Hij zat er gewoon bij, als een stille beschermengel die altijd bij me zou zijn, maar ik wist dat dat niet zo was en dat dat ook nooit het geval zou zijn. Dat dacht ik toen in ieder geval.
Even later zag ik Julia de dansvloer oplopen. Daarachter kwam Tom, die Bill in gebarentaal duidelijk maakte dat hij ergens heen ging en toen ook Georg opstond om eventjes naar de WC te gaan, bleven Bill en ik alleen achter. Meteen was de stilte die er hing anders: meer geladen, maar niet per se onprettig. Het voelde alsof we het stiekem deden of zoiets en daarom voelde ik me opgelaten en hyper en ik wiebelde heen en weer op mijn kruk.
“Wil je nog iets drinken?” vroeg Bill op een gegeven moment terwijl hij zijn blik in die van mij verankerde. Even was ik te verlamd om iets te zeggen, en dat alleen door de blik die hij me toewierp, maar toen knikte ik ja en werd ik gedwongen zijn hand los te laten toen hij naar de bar liep. Ik keek hem na en bedacht me dat het best wel eens zou kunnen dat hij de drank niet eens mee zou krijgen omdat hij nog geen zestien was, maar wonder boven wonder kwam bij later weer terug met twee drankjes in zijn handen. Ik sloeg het mijne in één teug achterover, hij volgde mijn voorbeeld.
“Kom op,” zei hij nadat hij zijn glas met een tik op tafel had gezet terwijl hij met zijn hoofd in de andere richting van de ruimte knikte. “Laten we daarheen gaan.”
Ik knikte weer, liet me van de kruk afglijden, pakte zijn hand zachtjes vast en liet me door hem meeloodsen. Onderweg zag ik Fleur lachend met Gustav op de dansvloer, Julia die daarnaast uit haar dak stond te gaan en Georg die met een jongen stond te praten die hij blijkbaar kende. Ik botste haast tegen Bill op toen die stilstond, maar wist nog net af te remmen voordat het puntje van mijn neus zijn rug raakte. Ik rook een heerlijke geur van wasmiddel dat me deed denken aan mijn shampoo. Vanille.
Ik draaide me een kwartslag en liet mezelf tegen de muur aanleunen zodat ik de mensen aan de bar, de mensen op de dansvloer en de mensen die in en uit kwamen lopen kon bestuderen. En ik bestudeerde Bill. Vreemd genoeg kon ik nooit genoeg van dat beeld krijgen. Ik wilde het graag op mijn netvlies gebrand hebben, maar vreemd genoeg wiste ik het steeds weer uit door te knipperen. Bill bekeek mij ook, merkte ik toen mijn blik zijn gezicht bereikte. Ik had eerst het idee dat hij in mijn décolleté stond te staren, maar toen hij vroeg wat de hanger aan mijn ketting voorstelde, wist ik dat het niet zo was. Ik legde hem uit dat het een hanger was waarin een rijstkorrel zat waarop mijn naam geschreven was. Hij vond het mooi, zei hij, en hij pakte de hanger vast om mijn naam te lezen, of het in ieder geval te proberen. Daarbij kwam zijn gezicht steeds dichter bij het mijne en ik moest moeite doen om mijn verlangen me niet te laten overmeesteren.
Plotseling hield de muziek op met spelen, viel het licht uit en hoorde ik een paar wanhopige kreten. Opeens was het aardedonker, binnen en buiten, en kon ik het niet nalaten om te glimlachen toen mijn oren begonnen te suizen omdat de harde muziek opeens verdwenen was. Het was net als in een hele clichématige film en we weten allemaal wat er tussen jongens en meisjes gebeurt als het licht plotseling uitvalt, niet waar?
Op het moment dat ik dat dacht, voelde ik Bills vingertop zachtjes over mijn neus strijken en vervolgens op mijn lippen terecht komen. Ik creëerde een kleine ruimte tussen mijn lippen en een nanoseconde daarna voelde ik Bills mond op die van mij, heerlijk zacht en warm en in mijn hoofd barstte een strijd los toen ik zijn tong tegen mijn lippen voelde duwen. De strijd verstomde meteen toen ik hem toeliet en ik kwam in een soort van extase toen ik voelde dat hij een tongpiercing had. Bill was duidelijk een beginner, heel duidelijk zelfs, maar hij was totaal niet slecht. Hij was zelfs de beste die ik ooit gehad had. Met wat oefening zou hij een soort van wereldkampioen kunnen worden, bedacht ik me, en ik zou hem die oefening maar wat graag willen geven. Meteen toen ik die laatste gedachte in me op was gekomen, schudde ik hem weer van me af. Ik wilde toch niets met Bill, ik vond hem alleen maar een beetje leuk.
Toen hij de zoen verbrak, voelde ik opeens koude lucht op mijn lippen en ik voelde me opeens leeg, onvolledig, alsof hij een deel van me was geworden in die paar korte seconden en opeens bedacht ik me dat ik misschien toch wel verliefd was. Misschien wel heel erg.
Later die avond kwam Julia weer op me af met zo’n grijns die onheil voorspelde, maar anders dan die keer op de toiletten had ze Fleur bij zich. Meteen toen ik haar in het oog kreeg, liet ik Bills hand los en stopte hem in mijn broekzak zodat hij hem niet opnieuw kon pakken. De elektriciteit werkte weer, dus de muziek klonk weer hard uit de boxen en Julia moest heel dicht bij mijn oor komen om zich verstaanbaar te maken.
“Kom mee naar buiten!” gilde ze zo hard dat mijn trommelvlies er zeer van deed.
“Waarom?” vroeg ik haar, doen alsof ik de onschuld zelve was, maar ik wist dat dat niet zou helpen. Julia was onontkoombaar.
“Daarom,” zei ze. “Kom nou mee!”
Ze greep mijn hand vast om me mee naar buiten te trekken en ik kreeg opnieuw het gevoel dat ze mijn moeder was. Ik schonk Bill nog een laatste glimlach als in ‘ik ga mijn einde tegemoet’ en genoot van de blik die hij me daarna toewierp. ‘Het komt wel goed,’ leek hij te willen zeggen.
Buiten was het koel, maar al veel minder koud dan de eerste keer dat we met zijn allen uit waren geweest. Het leek koud omdat het binnen vele malen warmer was, maar zo gauw ik me had aangepast aan de temperatuur, had ik het totaal niet koud meer.
“Vertel!”
“Heb je gezoend?”
Ik glimlachte toen ze met die twee korte uitroepen mijn verwachtingen waar maakten. Natuurlijk ging het hier weer over, want waar zou het anders over hebben moeten gaan? Ze beschouwden het Zoent-Maren-Bill-Vandaag-Nog-gedoe op het moment als het belangrijkste dat er in de wereld gaande was, oorlogen inclusief.
“Hoezo?” vroeg ik met een brede grijns op mijn gezicht die ik niet had kunnen onderdrukken.
“Daarom,” zei Fleur kort.
Ik kon het gewoon opbiechten, maar ik kon hun nieuwsgierigheid ook in mijn voordeel gebruiken. Ze hingen aan mijn lippen en ik wist dat ze ver zouden gaan om te weten te komen of ik met Bill gezoend had. Desnoods zou Julia Bill zelf zoenen om te proeven of daar nog een stukje Maren rondhing, maar zo ver zou ik het maar niet laten komen. Bill was zo ongeveer officieel een beetje van mij. Van mij alleen.
“Val je op Gustav?” vroeg ik aan Fleur, die daarna meteen een verbaasde blik in haar ogen kreeg.
“Hoezo?” vroeg deze, en ik zag hoe Julia net zo breed grijnsde als ik alsof ze daar zelf ook al een paar keer naar gevraagd had maar toen geen antwoord gekregen had.
“Daarom,” zei ik net zo simpel als zij het had gedaan.
Meteen daarna schudde ze lang haar hoofd en net op het moment dat ik wilde vragen of dat een ‘nee’ was op de vraag of dat het betekende dat ze geen antwoord op de vraag wilde geven, trok ze haar mond open.
“Nee,” verduidelijkte ze. “Gustav is echt een hele goede vriend en ik vind hem heel aardig en zo, maar ik moet er niet aan denken om – je weet wel – en ik geloof dat dat van zijn kant ook niet zo is maar dat moet je hém maar vragen.”
Ik was even stil na die stroom van woorden en probeerde nog een spoor van leugenachtigheid in haar ogen te ontdekken voordat ik me naar Julia toewendde omdat ik zag dat ze de waarheid sprak, jammer genoeg.
“Ben je – zeg maar – all the way gegaan met Tom?” vroeg ik haar.
Ik had geen idee waarom ik dat vroeg, want eigenlijk wilde ik het helemaal niet weten, maar met die simpele vraag toverde ik een immens grote grijns op haar gezicht en meteen wenste ik dat ik het niet gevraagd had.
“Nóg niet!” zei ze met ongekende vrolijkheid, en vreemd genoeg viel dat antwoord me mee. Ik had het gevoel dat ik nogal snel ging op Bill-gebied, maar het was algemeen bekend dat Julia nog sneller ging als het op jongens aankwam. Vandaar dat het altijd uit ging na een week of twee omdat ze dan de zogenaamde huwelijksdip terecht gekomen waren.
Daarna was het weer even stil omdat Fleur en ik slechts knikten. Mijn hand gleed naar mijn hals, waar de rijstkorrel-ketting hing, zoals hij daar altijd al gehangen had. Ik had hem ooit van mijn nichtje gehad, van Mirre, toen ik haar die vorige zomer had opgezocht. We hadden allebei zo’n ketting laten maken op de markt en ik was eraan gehecht geraakt omdat hij me aan haar deed herinneren.
“Heb je nou met hem gezoend?” vroeg Julia na die korte stilte opdringerig en ongeduldig. Ik kon het niet nalaten te lachen om hoe ze deed. Het was Julia ten top, zo vervelend zenuwachtig en zwaaiend met haar armen omdat ze zo wanhopig graag een antwoord wilde.
“Ja, ik heb met hem gezoend,” zei ik, proberend om niet heel erg trots te glimlachen.
“Is hij goed?” vroeg Fleur met een grijns.
Ik knikte en toen kon ik die glimlach niet meer tegenhouden. Hij kliefde mijn gezicht zowat door midden en ik drukte mijn handen plat tegen mijn wangen omdat het zo’n zeer ging doen.
“Cool,” zei Julia toen. “Weet je – jullie passen heel goed bij elkaar.”
Ik grijnsde breed en wist dat ze ergens misschien wel gelijk had. Aan de andere kant was ik nog maar net vijftien jaar oud en zouden er nog miljoenen jongens zijn die ik kon gaan ontmoeten. Voor hem gold dat natuurlijk ook, maar dan andersom. Misschien trouwde ik met Bill, misschien zou ik dertig kinderen met hem krijgen en die stuk voor stuk een perfecte naam geven, maar de kans dat het een ander zou zijn, was zo’n drie miljoen keer groter.
Toen de andere meiden weer naar binnen gingen, had ik de keuze om mee te gaan, terug naar Bill, of om nog even buiten te blijven. Ik besloot dat laatste te doen, omdat ik gewoon eventjes wilde nadenken over Bill, over mezelf, over een combinatie van die twee, over dingen die ertoe deden, over dingen die er niet toe deden en nog veel meer. Ik wilde gewoon eventjes nadenken en daar moest ik alleen voor zijn.
Ik liep weg van het café, dezelfde weg die Bill en ik de keer daarvoor ook gelopen hadden en net als die keer was ik niet bang, al was ik dat keer alleen. Of nee, alleen was ik niet, want met de wind ben je in principe nooit alleen en ik had mijn gedachten bij me. Ik propte mijn handen diep in mijn broekzakken en bestudeerde mijn oude schoenen terwijl ik doorliep over de door schaduw beschilderde straten, mijn gedachten de vrije loop latend.
Was ik verliefd op Bill? Wat betekende ik voor hem? Hield hij van mij? Was het voor hem puur lust of was het liefde? Wat betekende dit hele gedoe eigenlijk allemaal voor mij? Zou het hem uitmaken als ik voor de lust zou gaan? Zou ik zijn hart breken en op zijn ziel trappen als ik niet kon zeggen dat ik verliefd op hem was? Zou ik boos en verdrietig zijn als hij zei dat hij me alleen voor de lust gebruikt had? Zou ik me gebruikt voelen of zou ik het oké vinden? Waarom zou ik me gebruikt voelen door hem als ik hem misschien op hetzelfde moment ook gebruikte? Was dat niet het eigen-schuld-dikke-bult-principe? Alle dingen die ik ooit beloofd had, zoals dat ik nooit zou zoenen met een jongen waar ik niet verliefd op was, waren dat loze beloften geweest? Kon ik zeggen dat ik van hem hield? Kon ik zeggen dat ik best mijn hele leven bij hem kon blijven? Wat betekende ‘houden van’ eigenlijk precies? Mocht je alleen zeggen dat je van iemand hield als je een liefdesrelatie met diegene had, of mocht je het ook zeggen als je vrienden was? Hield ik van Bill als een geliefde of hield ik van hem als vriend? Hield ik überhaupt wel van hem?
Voor alle vragen gold het zelfde antwoord. ‘Ik weet het niet’. Het grappige is eigenlijk dat ik op dat moment nog geen idee had van de grote rol die ‘houden van’ nog in mijn leven zou gaan spelen, als ik ouder zou zijn.
Plots viel het me op dat ik geen idee had waar ik was. Magdeburg was sowieso heel anders in het donker, maar ik stond volgens mij ergens in een buitenwijk die ik niet kende en ik had geen idee waar het café eigenlijk was. Ik was de weg kwijtgeraakt tussen mijn vragen, maar nu ook in een stad. Hoe ironisch.
Ik draaide me om, om de tegenovergestelde richting uit te lopen in de overtuiging dat ik dan de weg wel weer terug zou vinden, maar toen zag ik opeens hoe drie jongens op me af kwamen lopen en toen werd ik opeens, heel opeens, doodsbang. Ik heb geen idee waar dat gevoel vandaan kwam, maar opeens werd ik overspoeld met angst en het gevoel dat het foute boel was.
Ik bleef als verlamd staan terwijl ik het liefst door zou willen lopen of wegrennen, maar ik bleef slechts staan terwijl met de angst ook nog heel veel gedachten meekwamen. Hoe vaak had mijn moeder me wel niet gewaarschuwd om niet in mijn eentje in het donker door de straten te gaan zwerven? Hoe vaak hoorde je wel niet verhalen over meisjes die verkracht waren door een hele groep jongens tegelijk? En waarom, wáárom gebeurde mij zoiets weer? Waarom was ik opeens gedropt in een vreselijk verhaal waarin alle clichés mij overkwamen? Het zou echt finaal fout gaan. Ik zou bij het vluchten vast een been breken, waarna ik inderdaad drievoudig verkracht zou worden, daarna vermoord worden en in een vuilnisbak gedumpt worden alsof ik afval was. Als er een God zou bestaan, zoals mijn moeder dat zo vastberaden claimde, dan mocht hij best in actie komen voor al die keren dat ik in de problemen had gezeten en géén beroep op hem had gedaan.
Ik probeerde mezelf van het feit te overtuigen dat het gewoon drie jongens waren die daar toevallig ook liepen, maar ik geloofde mezelf niet. Het slechte gevoel dat ik bij het zien van de drie jongens kreeg, was intenser dan welke emotie ik ooit gevoeld had, sterker dan liefde, vreugde, verdriet en woede. De angst die ik voelde, was onbeschrijfelijk.
Aarzelend zette ik een stapje achteruit toen ik hen steeds dichterbij zag komen. In het weke licht van de flikkerende lantaarnpaal op de hoek van de straat kon ik hun gezichten vrij goed zien: glinsterende ogen die me in hun kaalgeschoren hoofden opnamen. Ik voelde me alsof ik ingesloten was door een roedel wolven die al een week geen eten meer gehad hadden en dat ik een jong hertje was dat stond te trillen op haar benen en het ene rampscenario na het andere voor zich zag.
Op dat moment begon ik met iets dat op bidden leek. Ik had mijn handen niet gevouwen, noch mijn ogen gesloten, maar ik begon wanhopig te smeken dat het moment alsjeblieft van een clichématig drama een sprookje mocht worden waarop prins Bill me zou komen redden op een wit paard. Ik beloofde hem mijn leven te beteren als hij Bill zou laten komen.
Toen ik het gezicht van de middelste jongen bekeek, zo’n tien meter van mij verwijderd, schrok ik van de blik in zijn ogen. Hij glimlachte zijn scheve tanden bloot en trok zijn capuchon iets verder over zijn hoofd heen zodat hij er breder en angstaanjagender uit zag dan de jongens die naast hem liepen. Ik vroeg me af wanneer God me zou komen helpen.
Ik besloot, roekeloos als ik nu eenmaal ben, als een gek te gaan rennen, wetend dat ik in het nadeel was omdat ik beschikte over korte beentjes, een nogal slechte conditie en bovendien geen idee had waar naartoe te rennen. Dat bedacht ik me echter pas toen ik al aan het vluchten was en dus kon ik niet meer stoppen omdat ik dan de kans had gepakt te worden. Achter hoorde ik echter de rennende voeten van een groepje jongens, waardoor een gevoel van angst zich meester van me maakte: ze hadden het dus toch op mij gemunt. Ik moest door blijven rennen, dacht er niet eens aan te stoppen. Ik sloeg ergens af, racete als een gek een kruispunt over waarbij ik bijna onder een auto terecht kwam, hoopte dat die auto me te hulp zou schieten als de drie jongens hem ook rennend zouden passeren, sloeg weer af en remde toen ik merkte dat ik in een doodlopende straat stond.
Een doodlopende straat.
Direct zonk de moed me in de schoenen en wist ik dat God me niet zou komen helpen. Hij had me aan mijn lot overgelaten omdat ik toevallig niet voor iedere maaltijd gebeden had of dat ik niet vijf keer per dag richting het oosten bad – of wacht, dat was een andere religie. Ik deed in mijn hoop nog één wanhopige uitroep, zwoer op mijn moeder dat ik mijn leven zou beteren als hij me liet ontkomen, dat ik dan een goede christen zou worden en iedere zondag naar de kerk zou gaan, voor iedere maaltijd zou bidden en meer van dat soort dingen.
Heel onverwacht voelde ik een klamme hand zich stevig om mijn pols sluiten. Ik draaide me met een ruk om en keek in de donkere ogen van de kale jongen, die zijn tanden bloot lachte. De geur die ik rook, was onmiskenbaar die van alcohol.
Hij duwde me met mijn schouders zo hard tegen een muur aan dat de lucht uit mijn longen geperst werd. Eventjes werd het zwart voor mijn ogen, toen ik met de achterkant van mijn hoofd in contact gebracht werd met de bakstenen wand. Toen de sterretjes voor mijn ogen wegtrokken, viel het me op dat hij alleen was en dus de andere jongens was kwijtgeraakt, ergens halverwege.
Snel begon ik opnieuw met God te onderhandelen, in mijn hoofd. Ik wist dat het gevaarlijk was om deals te sluiten met dingen waarvan je niet zeker weet hoe machtig ze zijn, maar ik zag geen andere uitweg. Het was dat of sterven. Ik beloofde plechtig te doen wat ik hem al eerder voorgesteld had en voegde er nog een paar dingen aan toe: behalve naar de kerk te gaan en te bidden voor het eten, beloofde ik hem nooit meer te vloeken, geen seks voor het huwelijk te hebben, respect te hebben voor iedereen in mijn omgeving en alle andere dingen waarvan ik wist dat ze in de bijbel stonden.
Ik rilde over mijn hele lichaam toen hij zijn hand naar zijn jaszak liet glijden en opeens voelde ik iets in mijn binnenste dat riep dat ik, áls ik wilde overleven, op dat moment actie moest ondernemen. Ik denk dat het God was, of in ieder geval iets dat van boven kwam.
Ik pakte zijn schouders, rechtte mijn rug, draaide hem om en ramde hem keihard met zijn hoofd tegen de muur. Ik zette het op een lopen, zo hard als ik kon en vlak voordat ik de hoek om rende, wierp ik nog een blik achterom. De jongen lag ineengezakt tegen de muur en dat maakte dat ik vreemd genoeg wilde stoppen om te kijken hoe het met hem ging, maar zo gek was ik nou ook weer niet en ik bleef rennen. Alsjeblieft, dacht ik, laat hem niet dood zijn. Dan zou ik een moordenaar zijn en meteen al gezondigd hebben.
Ik rende door straten die ik niet kende, stopte zelfs niet met rennen toen mijn milt ging branden en mijn longen uit elkaar dreigden te klappen. De hele weg heb ik gehuild, waardoor mijn blik vertroebelde, ik dingen zag die er niet waren en dingen over het hoofd zag die er wel waren. In gedachten bedankte ik God, die me gered had van iets heel erg gruwelijks en ik bedankte ook mijn moeder omdat ze me geleerd had dat als ik het moeilijk had, ik moest bidden en dat het dan allemaal wel goed zou komen.
Op dat moment was ik alweer vergeten dat ik op mijn moeder gezworen had dat ik mijn leven zou beteren en me aan de bijbel zou houden alsof ik nooit anders gedaan had.
Gierend ademhalend en mijn gezicht nat van de tranen die over mijn wangen rolden, duwde ik de deur van het café open. Ik liet hem achter me dichtvallen en bleef eventjes stil staan, niet wetend wat te doen en toen ik een aantal mensen nogal vreemd naar me zag kijken, veegde ik mijn ogen af met een stukje mouw. Daarna liep ik verder naar achteren, wrong me door de menigte heen, helemaal in mijn eentje. Het was me nooit opgevallen hoe verstikkend een mensenmassa kon zijn, maar alles was beter dan de gapende leegte daar buiten, waar ergens een jongen ineengezakt tegen een muur lag, misschien wel dood.
Achterin stond Georg met Tom te praten - van de meiden, Gustav en Bill was geen spoor. Georg glimlachte naar me toen hij mij in het oog kreeg, maar zijn gezichtsuitdrukking veranderde toen hij mijn behuilde gezicht zag. Georg liep met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht op me af en Tom maakte snel dat hij wegkwam. Op dat moment kon dat me niet schelen: ik had geen behoefte aan begrip van Tom. Ik wilde Bill.
“Gaat het wel?” vroeg hij zo zacht als mogelijk was om boven de muziek uit te komen terwijl hij een arm om mijn schouders sloeg en me in mijn ogen probeerde te kijken. Ik schudde mijn hoofd, mijn ogen op de grond gericht en verwoed proberend de tranen weg te knipperen. Toen ik daar zo stond, veilig en wel, drong het tot me door dat het niet veel gescheeld had of ík had daar in elkaar gezakt in dat steegje gelegen, moedeloos alleen.
Hij wilde me mee naar buiten nemen, maar dat wilde ik niet. Ik was bang dat ik die jongen weer tegen zou komen en dat hij alsnog zou doen wat hij aanvankelijk in de zin gehad had, ook al was Georg bij me. Toen ik jammerde dat ik niet naar buiten wilde, zag ik een blik in zijn ogen die in iedere andere situatie kalmerend zou zijn, maar dat keer werkte het niet.
“Er gebeurt echt niets – ik ben toch bij je?” zei hij heel neutraal, niet alsof ik gek was en juist die neutraliteit maakte dat ik kalmeerde. Ik veegde gauw mijn tranen weg, rechtte mijn rug en keek hem aan terwijl ik kort knikte met mijn hoofd. Daarna schonk hij me een soort van glimlachje, bemoedigend om hem een antwoord te geven.
“Ik ga wel mee,” zei ik met een sterk vibrato in mijn stem dat ik probeerde onder controle te houden omdat ik anders weer zou gaan huilen. Het beeld van mezelf, vermoord en verkracht in een afvalcontainer, bleef me teisteren en zorgde dat ik rilde alsof het vroor.
“Kom op dan,” zei hij, en hij pakte mijn hand. Ik vond het vreemd dat opeens iemand anders dan Bill of Julia mijn hand pakte omdat ik dat op de één of andere manier niet meer gewend was. Georgs hand was veel ruwer dan die van Bill en Julia, veel mannelijker en krachtiger, als die van de vader die ik nooit gehad had.
Na een halve minuut stonden we buiten en vertelde ik Georg het hele verhaal. Na die monoloog was er geen make-up meer op mijn ogen te vinden omdat ik mijn relaas telkens moest onderbreken als ik niets meer uit mijn keel kreeg door het huilen. Ik probeerde het tegen te houden maar dat kon ik niet hoewel ik me op de één of andere manier heel geborgen voelde. Georg hield de hele tijd mijn rechterhand vast en bleef me aankijken alsof hij er echt om gaf wat er met me gebeurd was. Hij spoorde me aan als ik niet meer uit mijn woorden kwam en gaf me bemoedigende kneepjes in mijn hand als de brok in mijn keel te groot werd.
“Kom, geef me een knuffel,” zei hij toen ik klaar was. Wat onwennig sloeg ik mijn armen om hem heen en liet me tegen hem aandrukken. Hoewel hij Bill niet was en hij nou niet de eerste de beste geweest was aan wie ik mijn verhaal kwijt had gewild, was het fijn om me weer veilig te voelen en ik stopte met rillen zodra ik zijn lichaamswarmte voelde.
“Waar is Bill?” vroeg ik hem terwijl ik hem los liet en ik sloeg meteen mijn armen om mezelf heen om mezelf te verwarmen. Ik richtte mijn ogen op de vloer en wiebelde van het ene been op het ander.
“Wil je naar Bill?” vroeg hij me. Ik hoorde de teleurstelling in zijn stem niet omdat ik te druk bezig was met mezelf en veegde mijn gezicht schoon totdat ik zeker wist dat er geen zwarte strepen meer op zaten. “Wil je niet liever naar huis?” voegde hij daar nog aan toe.
Ik deed mijn mond open om iets te zeggen, maar er schoot me niets te binnen en dus sloot ik hem weer. Ik had geen idee of ik naar huis wilde, of ik het idee van mijn warme en veilige bed verkoos boven het idee Bill nog eventjes te spreken.
“Ik -” bracht ik uiteindelijk uit, maar kwam niet verder dan dat kleine woordje. De gedachten namen gewoon even de overhand en maakten dat ik niets kon zeggen.
“Ik kan je wel thuisbrengen, als je wil?” stelde hij voor.
Weer opende ik mijn mond om iets te zeggen, maar mijn hoofd kwam niet met suggesties om iets te zeggen. Ik vond het griezelig dat mijn hoofd nu opeens aanvoelde alsof het vol zaagsel zat en ik niet meer kon nadenken. Eventjes vroeg ik me af of ik misschien hersenletsel had opgelopen door die klap tegen de muur, maar toen er toch woorden over mijn lippen kwamen, kon ik dat idee meteen wegwerpen.
“Je hebt geen auto,” fluisterde ik, maar dat leek hem niet te deren. Hij haalde nonchalant zijn schouders op en keek naar me met een gezicht alsof hij op een klif stond en ik het landschap was dat onder hem lag. Aan zijn ogen te zien, was ik prachtig.
“Ik leen die van mijn moeder wel,” antwoordde hij zonder met zijn ogen te knipperen.
“Maak je haar dan niet wakker?”
Hij haalde zijn schouders op en gaf me nog een klein kneepje in mijn rechterhand, die hij weer vastgepakt had zodra ik klaar was met het afvegen van mijn ogen.
“Die wordt toch nooit wakker,” antwoordde hij. “En de sleutels liggen beneden.”
Ik knikte zwijgzaam, nog steeds naar de grond starend.
“Kom op dan,” zei hij, en hij nam me mee het donker in.
Eenmaal bij Georg thuis, wat langer lopen was dan ik verwacht had, liet hij me in mijn eentje buiten wachten terwijl hij zelf naar binnen ging op zoek naar de autosleutels. Ik situeerde me tegen de muur aan, in de schaduw, en negeerde de angst die in mijn buik borrelde, ieder plekje in het donker afspeurend met mijn ogen. Ik was doodmoe.
Nog geen minuut later kwam Georg alweer naar buiten en aan het klingelende geluid hoorde ik dat hij de sleutels gevonden had. Ik liet de adem die ik ongemerkt had ingehouden los en beantwoordde zijn glimlach door mijn mondhoeken een klein stukje op te trekken.
Met een klik haalde hij de auto van het slot, waarna ik het portier van de bijrijderplaats open kon trekken en zijn oude wrak in kon stappen. Ik was me ervan bewust dat ik ooit wel eens eleganter een auto was ingestapt, maar op dat moment deed het er niet toe: ik wilde naar huis, op bed gaan liggen en alles vergeten dat me die avond overkomen was. Het was gebeurd, zand erover, ik was nog in leven.
Georg stapte naast mij in op het moment dat ik mijn veiligheidsgordel omdeed, stak de sleutel in het contact, draaide hem om en drukte het gaspedaal in. Het viel me op dat hij zijn gordel niet omhad en wilde daar eerst iets van zeggen maar op het moment dat ik mijn mond open deed, besloot ik dat het er niet toe deed. Hij kon goed rijden, dus we zouden toch geen ongeluk krijgen.
We reden de oprit af, de duisternis van Magdeburg in. We konden niet verder kijken dan tot waar de koplampen de weg beschenen maar toen we Magdeburg uitreden, verlichtten lantaarnpalen en lichten van tientallen andere auto’s de weg voor ons. Al die tijd zat ik stil en onderuit gezakt naast Georg, die zijn handen losjes op het stuur had liggen en zijn ogen strak op de weg gericht hield. Mijn angst begon te zakken en plaats te maken voor een gevoel dat ik niet kan uitleggen of benoemen. Ik voelde me veilig en voelde ergens ook een spoortje trots omdat ik in mijn eentje ontsnapt was van een aantal jongens. Enkel de angst dat ik de kale jongen vermoord zou hebben, bleef aan me klagen en de rest sijpelde uit mijn lichaam. Ik was in goede handen.
Het was een bekende weg waar we over reden, maar in het oranje licht leek hij opeens vreemd en anders. Ik had het gevoel dat er vanavond iets in mij veranderd was: ik had met Bill gezoend, was achtervolgd door een bende jongens waarvan ik er één met zijn kop tegen de muur geramd had en ik was ontsnapt. God had me gered, had mijn gebeden verhoord.
“Ga je zo nog terug? Naar het café?” vroeg ik om de stilte enigszins te onderbreken. Georg bleef even stil zitten, alsof hij niets gehoord had en ik wilde net mijn mond opendoen om mijn vraag te herhalen toen hij antwoord gaf.
“Ik denk het wel,” bromde hij. “Het is nog maar half 2.”
De norse toon in zijn stem zou me normaal hebben laten dichtklappen omdat ik bang was ruzie te krijgen, maar die keer was dat absoluut niet het geval. Ik had al zoveel levensingrijpends gedaan die avond dat een woordenwisseling of ruzie met Georg me weinig uit zou maken. Ik zou er niet van wakker liggen.
“Ben je boos?” vroeg ik daarom, met een vrolijke ondertoon in mijn stem. Ik was vreemd genoeg heel opgewekt opeens en dat was waarschijnlijk omdat de angst was verdwenen. De adrenaline was het enige dat achtergebleven was en die kriebelde in mijn buik en maakte een heerlijk blij gevoel bij me los.
Meteen keek hij me aan, de frons in zijn voorhoofd was volledig vervaagd. Zo zonder fronsrimpel was het net alsof hij heel geschrokken keek, als een konijn in een paar koplampen voordat hij aangereden zou worden en ik vond het heel schattig.
“Nee,” zei hij, nu een stuk vriendelijker, en richtte zijn ogen weer op de weg. “Ik dacht alleen na…”
Dat antwoord nam ik voor lief en ik zakte nog wat verder onderuit, mijn knieën tegen het handschoenenkastje, zodat ik net het stukje boven de horizon nog door de voorruit kon zien. Het zou oneerlijk geweest zijn als hij boos zou zijn geweest, want hij had me zelf aangeboden me thuis te brengen, vond ik.
“Of ja, ik ben wel boos,” verbeterde hij zichzelf zonder zijn ogen van het wegdek af te wenden. “Op die jongens. Niet op jou. Hoewel het niet verstandig is om midden in de nacht door de buitenwijken van Magdeburg te lopen, maar dat weet je nu waarschijnlijk ook wel… Je moet nog veel leren…”
Ik stootte een kort lachje uit.
“Die les was dan wel bijna mijn laatste geweest.”
Georg antwoordde niet, maar ik kon zien dat hij me wel degelijk gehoord had. Er speelde een soort glimlachje rond zijn lippen, maar ik kon niet uitleggen wat voor glimlach het was. Samenzwerend, sereen, begrijpend? Ik had geen idee.
Voordat ik het wist, stonden we stil voor mijn huis, het huis waarin mijn moeder lag te slapen en nog niets wist van wat me overkomen was. En ze zou het nooit te weten komen ook. Dan had ik de kans dat ik de jongens meteen een slechte naam zou bezorgen omdat ze zogenaamd niet goed voor me gezorgd hadden, nog voordat ze ze ooit ontmoet had. Het was beter als ze van niets wist.
“Durf je alleen of zal ik met je meelopen?” vroeg hij me, en toen klapte ik dicht. Het was nog geen tien meter door het donker en Georg zou binnen een seconde bij me zijn mócht er iets gebeuren, maar toch vond ik het ergens wel griezelig, opeens. Aan de andere kant wilde ik niet de indruk wekken dat ik een watje was, want ik had tenslotte wel in mijn eentje door de buitenwijken van Magdeburg gelopen. Het blije en onbezorgde gevoel verdween plotsklaps en liet een leegte over die meteen weer volliep met angst. Ik opende mijn mond om iets te zeggen, maar had geen idee wat ik moest antwoorden.
“Ik loop wel even met je mee,” zei hij uiteindelijk met een glimlach en verbrak zo de stilte om ons heen. Hij opende het portier, waarna ik meteen de koude wind op mijn gezicht voelde weerkaatsen en ook ik opende het portier nadat ik mijn gordel had losgemaakt. Toen ik uitstapte, stond Georg al naast me en hij begeleide me naar de voordeur, waar ik even bleef staan om in mijn broekzakken naar mijn sleutel te zoeken.
“Wil je de jongens de groeten van me doen en tegen Fleur en Julia zeggen dat ik al thuis ben?”
Hij knikte heel begripvol op het moment dat ik mijn sleutel vond tussen mijn lippenbalsem en mijn telefoon.
“Natuurlijk,” antwoordde hij. “Mag ik ook vertellen waarom?”
Ik knikte en wendde mijn ogen van hem af om mijn sleutel in het slot te steken, nog zonder hem om te draaien. Daarna keek ik hem weer aan en stak mijn handen in mijn jaszakken, waar mijn vingers speelden met het kapotte armbandje dat er nog altijd in zat.
“Heel erg bedankt dat je er voor me was en zo en voor het thuisbrengen en-”
“Geen moeite,” onderbrak hij me met een bescheiden glimlach. “Je mag me bellen als je – je weet wel, bang bent of zo, of wil praten. Goed?”
Ik wilde beginnen met knikken, maar stopte halverwege die beweging.
“Maar ik heb je nummer niet,” zei ik met half opgetrokken wenkbrauwen, kauwend op de binnenkant van mijn lip en mijn hand al op de deurklink. Ik begreep eventjes niet waar hij het idee dat ik zijn nummer al had vandaan gehaald had, want ik belde of sms’te hem immers nooit en had ook nog nooit een sms’je van hem ontvangen, noch was ik ooit door hem gebeld.
“Jawel,” zei hij vastbesloten.
Ik schudde mijn hoofd en pakte mijn telefoon uit mijn broekzak om te controleren of ik me misschien niet vergiste. Ons oogcontact verbak ik pas toen ik in mijn telefoonboek de letter ‘G’ in moest toetsen om te zien of zijn naam er misschien toch wel tussenstond, maar die stond er niet.
“Je hebt hem echt!” riep Georg gedempt uit, maar ik schudde mijn hoofd weer en drukte een paar knopjes in waarna er op mijn schermpje de naam ‘Georg’ verscheen. Ik drukte op enter en kwam bij het deel waar ik een nummer in moest voeren.
“Wat is je nummer?” vroeg ik hem, nog steeds geen oogcontact makend.
Toen hij een nummer van tien cijfers noemde, had ik het gevoel dat ik bevroor van binnen en ik hief mijn hoofd op naar Georg met een angstige blik in mijn ogen. Hoe konden de dingen in een tijdsbestek van een paar uur zó veel veranderen, vroeg ik me af, misselijk van de gevoelens die door elkaar liepen.
Het nummer stond al in mijn telefoon, maar niet onder Georgs naam.