Vooraf
Anders dan hij altijd gezegd had, hadden we nooit een betere band gekregen, mijn vader en ik. Voornamelijk had dat aan mij gelegen, want ik wilde dat ook niet en had me uit alle macht afgezet tegen alle vriendelijke pogingen die hij ondernomen had om nader tot mij te komen, om een hechtere band te krijgen. Hij had me al één keer laten zitten en dat zou me nooit meer gebeuren.
Zodra ik de kans had gekregen, was ik uit huis vertrokken, in november van 2007, toen ik net achttien geworden was en ik mijn spaargeld van mijn rekening had kunnen halen. Ik was naar Tokyo vertrokken, de verschrikkelijkste plek in dit land omdat het Japan ten top was en ik alles aan Japan gehaat had: de taal, de kleding, de normen en waarden, het eten, de mensen en vooral mijn vader. Dat ik naar Tokyo verhuisd was, was puur als stok achter de deur: als ik me daar gevestigd had, zou ik in ieder geval hard werken om geld te sparen voor een ticket naar huis en zou ik daar niet al te lang blijven rondhangen.
Het afscheid met mijn vader was niet emotioneel geweest. Ik had hem gewoon vaarwel gezegd zonder hem te omhelzen of wat dan ook en had hem de rug toegekeerd. Ik denk dat het hem zo wel duidelijk werd dat hij gefaald had als vader en dat ik gefaald had als dochter, maar dat ik daar genoegen mee nam. Mijn gitaar, die ik ooit van hem gekregen had, had ik daar laten liggen bij wijze van aanwijzing dat ik mijn vader niet meer nodig had. Hij zou het wel begrijpen.
In Tokyo aangekomen, na een lange busreis waarin een meisje me vreemd had aangekeken omdat ik bruine boterhammen met hagelslag at uit een plastic zakje, kon ik eindelijk uitstappen. Toen ik de buitenlucht op mijn gezicht voelde, had ik meteen het gevoel dat alles er anders was: de lucht was niet fris, maar doorweekt met uitlaatgassen en ik kreeg hoofdpijn bij het zien van alle neonreclames. Ja, het was Tokyo op en top. Ik haatte het daar en daar was ik blij om.
Ik was in een taxi gestapt en was op zoek gegaan naar een motel om in te logeren totdat ik genoeg geld gespaard zou hebben om naar huis te kunnen vertrekken. Het staat me nog goed bij dat de chauffeur een goedbedoeld praatje tegen me begon, in het Japans omdat ik als halfbloed redelijk Japans uit zag, maar ik sprak de taal niet goed. In mijn laatste jaar op school had ik wel wat Japans geleerd, maar thuis had ik altijd hardnekkig in mijn moedertaal gesproken omdat ik me uit alle macht niet had willen aanpassen aan alles dat ‘nieuw’ was.
Toen we eenmaal bij het motel aangekomen waren was ik zo geschrokken van het enorme bedrag op de meter dat ik enthousiast was gaan praten en het was me gelukt om hem met een hele lieve glimlach een deel van het bedrag te laten schieten. Ik was tenslotte niet in Tokyo om mijn spaargeld op te maken, maar om wat te sparen zodat ik er gauw weer weg zou kunnen.
Ik had in mijn beste Japans ingecheckt en had een kamertje voor een week gehuurd. Voorlopig was dat genoeg en ik kon het altijd nog verlengen, had de receptioniste me verteld. Ik had mijn tas mee naar de lift gesleept, die totaal niet geschikt was voor claustrofobische mensen en ik had op het knopje met de afgebladderde 4 gedrukt, waarna hij schokkend in beweging was gekomen en rammelend naar boven was gegaan. Hoewel ik niet claustrofobisch was, was ik als de dood geweest dat de lift zou vallen en ik had me voorgenomen voortaan maar de trap te nemen.
Die beslissing kwam ook tot stand door de spiegel die in de lift gehangen had, die ik genegeerd had door naar mijn voeten te kijken. Ik had een hekel aan spiegels gekregen sinds de laatste keer dat ik er één van de muur kapot gesmeten had en ik vermeed ze zo vaak ik kon. Ik gebruikte geen make-up meer en mijn haar droeg ik altijd op een manier die lekker simpel was, zodat ik nooit een spiegel nodig had. Winkelen deed ik niet meer sinds ik zo abrupt van mijn grote liefde gescheiden was want er was niemand meer waarvoor ik er goed uit hoefde te zien. Bovendien ik had geen behoefte aan nieuwe kleding: er was slechts één shirt dat ik vaak droeg en dat was blauw met een witte print erop. Cupido. Ons Cupidoshirt. Voor de rest was alles zwart en paste alles me nog. Ik had nergens meer behoefte aan, behalve aan zijn liefde die de leegte binnenin me op kon vullen.
Ik had met de sleutel in mijn hand gespeeld terwijl de lift tot stilstand gekomen was en de deuren open gegleden waren zodat ik de gang in kon stappen. Er had een geur gehangen die op die van behangplaksel leek en dat had de armoedige uitstraling van het donkerrode tapijt – waar gouden en groene ruiten op geborduurd stonden - versterkt. Ik had het meteen al verschrikkelijk gevonden, maar dat was wederom een reden geweest om hard te werken zodat ik zo gauw mogelijk weer kon vertrekken.
Mijn kamer had nummer 5 gedragen en was al net zo armoedig geweest als de rest van het motel: ik had meteen geweten waarom het zo goedkoop geweest was. De gordijnen waren niet wit meer, maar geel door de vele malen dat er in de kamer gerookt was en dat was te ruiken ook. Het bed was té zacht om lekker op te kunnen liggen en het vloerkleed was tot op de draad versleten.
Chagrijnig had ik mijn tas op de vloer gegooid en had ik mijn jas uitgetrokken, die ik op het scheef hangende haakje op de deur gehangen had. Daarna was ik begonnen met het uitpakken van mijn tas om mezelf maar vast te installeren, wat geen kwaad had gekund omdat ik dan die avond misschien nog even de stad in kon op zoek naar werk.
In de badkamer had tot mijn grote spijt een grote spiegel gehangen, maar dat had ik al verwacht en ik had er handdoeken voor gedrapeerd zodat ik mezelf niet aan hoefde te kijken. Daarna was ik teruggegaan naar de slaapkamer en had daar mijn kleding in de daarvoor bestemde gammele kast gelegd na het stof van de planken geveegd te hebben. Ik had het dagboek dat onderop had gelegen onder het bed gegooid.
Nooit meer wilde ik aan vroeger denken.
Ik had mijn ogen gesloten en mijn gedachten laten afdwalen naar het boekje dat ik die dag alweer twee keer in mijn handen gehad had. Het deed mijn gedachten afdwalen naar vroeger, wat goed was omdat ik er telkens aan herinnerd had willen worden wat voor een leven ik daar achter had moeten laten en wat voor leven ik daar weer wilde hebben. Vroeger was alles zo mooi geweest en ik wist dat ik pas weer écht gelukkig zou kunnen zijn als ik dat leven weer terug had, met alle personen erbij die ik lief had.
Ik moest weg uit Tokyo, weg uit Japan.
Nog diezelfde avond had ik besloten de stad in te gaan op zoek naar werk. Het was inmiddels donker (het begon al winter te worden) en ik had mijn jas strak dichtgetrokken om de snijdende wind weg te houden, maar het had me toch verkleumd. Het was veel kouder geweest dan ik verwacht had, maar dat had me op dat moment niet zo gedeerd.
Met ferme passen was ik door de buitenwijk gestapt, op weg naar de drukkere delen van de stad. Ik had mijn angsten al lang geleden van me afgegooid, want natuurlijk had ik geweten dat het gevaarlijk was in de buitenwijken van Tokyo, maar ik had niets meer te verliezen. Ik had mijn lot kunnen aanvaarden als ik een mes in mijn rug zou krijgen, want ik wist inmiddels al wel dat God een hekel aan me had en dan zou ik hem sarcastisch kunnen bedanken voor het kutleven dat hij me gegeven had.
Ik had Tokyo vanuit de grond van mijn hart gehaat, al vanaf de eerste dag dat ik daar was, en niet alleen omdat het mijn thuis niet was. Het was de droom van mijn grote liefde geweest om er rond te lopen, niet die van mij en ironisch genoeg had het geleken alsof onze toekomsten zich verwisseld hadden, alsof onze dromen uitgekomen waren voor de ander. Ik had in Tokyo rondgelopen en hij had door Europa getourd met zijn band om daarna weer altijd veilig thuis te komen, terug bij zijn vrienden en de andere mensen van wie hij hield.
Ik had de gedachte van me afgeschud en was rustig doorgelopen terwijl ik wat etalages bezichtigd had. Bij ieder café of restaurant even naar binnen gekeken had of het me beviel, maar de Mac Donalds had ik telkens overgeslagen: een baan als hamburger-omdraaister was niet iets wat ik ambieerde.
Op een gegeven moment had ik ergens een papier achter een raam zien hangen waarop in het Engels om personeel gevraagd werd en dus had ik aangenomen dat ze best buitenlanders aan wilden nemen. Omdat het tentje er best gezellig uit zag, was ik naar binnen gelopen en had mijn jas opgehangen om vervolgens aan het Japanse meisje achter de bar te vragen of ik de bedrijfsleider (ik had even moeten graven naar het Japanse woord voor ‘bedrijfsleider’) even mocht spreken. Toen ze zich omgedraaid had, had ik mijn donkerblauwe shirt even recht getrokken en had me beseft dat het er vreemd uit zou zien dat ik een shirt met korte mouwen aan had terwijl het winter was. Het had me echter niets uitgemaakt: het feit dat ik wist dat hij een zelfde exemplaar bezat, maakte dat ik het gevoel had dat ik nog een beetje met hem verbonden was. De gedachte daaraan maakte me warm.
Een poosje later was ze teruggekomen met een man die twee keer zo groot was als zij, zowel in de lengte als in de breedte, maar hij had een heel vriendelijk gezicht gehad. Hij had zich voorgesteld als Porter Terence, en hij had heel westers mijn hand geschud. Heel zachtjes had ik mijn naam gemompeld en daarna had ik gauw mijn hand weer teruggetrokken. Er was maar één iemand wiens hand ik vast had willen houden en die persoon was op dat moment heel ver van mij verwijderd.
Hij had me meegenomen naar een tafeltje achterin, de door verschillende kleuren verlichte ruimte die vol had gezeten met mensen rond de twintig, dertig jaar oud: studenten. We gingen zitten en hij had zijn lichtblauwe polo rechtgetrokken en me in gebrekkig Japans gevraagd of ik voor de baan was gekomen. Met een glimlach had ik hem gezegd dat hij beter in het Engels tegen me kon praten omdat dat bij mij beter ontwikkeld was dan mijn Japans en dat dat bij hem vast ook zo was. Meteen had ik mijn mond weer dichtgeklapt, bang dat hij het als een belediging op zou vatten, maar gelukkig had hij het gezien als iets puur onschuldigs, precies zoals ik het bedoeld had.
Hij had een brede grijns op zijn ronde gezicht dat werd omlijst door blond haar geplakt en begon te vertellen over zijn zoon. Blijkbaar was die totaal geïntegreerd in de Japanse samenleving en sprak die nooit meer Engels. Hij had met zijn hoofd in de richting van een lange en tengere jongen met lang en piekerig haar geknikt, wie met een dienblad vol cocktails naar een tafel vol Japanners liep. Ik had even verdwaasd met mijn ogen geknipperd toen zijn gezicht me aan iemand had doen denken, maar ik had het al gauw van me af geschud. Toen ik Porter weer had aangekeken, had ik gezien dat hij breed grijnsde en toen hij me zei dat Liam al bezet was, had ik me beseft op wat voor manier ik naar hem gekeken moest hebben. Ik wilde nog zeggen dat ik niets in zijn zoon zag, maar ik had de kans niet meer gekregen.
Daarna had hij een opgevouwen A4-tje uit de borstzak van zijn polo gehaald en een pen gepakt waar geen dop meer op had gezeten. Hij had me naar mijn naam gevraagd en ik had hem die opnieuw gegeven maar bracht er een kleine wijziging in aan toen bleek dat hij mijn naam niet kon uitspreken. Ik had hem gezegd dat hij er maar Maureen van moest maken en ik spelde mijn achternaam. Maureen Meyer paste wel bij mijn nieuwe identiteit, vond ik. Een ander leven, een andere naam. Undercover.
Hij had me naar nog meer dingen gevraagd, zoals mijn telefoonnummer en hoeveel dagen per week ik wilde werken. Ik had alle dagen opgegeven, gezegd dat hij me mocht bellen wanneer hij maar wilde en dat ik er geen bezwaar tegen had om zestien uur per dag te werken. Aan de blik in zijn ogen had ik gezien dat hij zich sterk had afgevraagd of er niet toevallig iets verschrikkelijk mis wat met mij, maar hij had het gewoon opgeschreven en had gezegd dat ik de volgende dag al kon beginnen. Ik had toegestemd en had een heel griezelig Japans jurkje met een schortje dat mijn werktenue was: ik had mijn walging haast niet kunnen verbergen, maar ik had er goed mijn best voor gedaan en ik geloof niet dat Porter ooit door heeft gehad dat ik het een vreselijk ding vond.
Hij had me naar de deur gebracht en me als een echte Amerikaanse gentleman in mijn jas geholpen. Toen zijn zoon langs was gelopen, had hij naar zijn vader geknikt en hadden onze blikken elkaar heel kort gekruist, in een kort moment waarin zijn ijsblauwe ogen me bevroren hadden en hadden doen rillen van binnenuit. Hij had een herinnering levend gemaakt en had me sterk doen hunkeren naar het verleden, ondanks het feit dat zijn ogen blauw waren en niet bruin, wat goed was geweest omdat ik dan des te meer herinnerd werd aan het feit dat ik terug naar huis wilde.
Ik had met mijn ogen geknipperd en mijn blik van Liam Terence losgescheurd toen ik de deur achter me dicht had laten vallen na mijn hand nog bij wijze van groet opgestoken te hebben naar Porter. Ik had mijn jas stevig om me heen geslagen en was teruggegaan naar mijn motel. Mijn Tokyo Motel.
De volgende morgen had ik lang uitgeslapen en was gebroken opgestaan waarna ik een koude douche genomen had, mijn verschrikkelijke zwarte jurkje met het gestippelde schortje had aangetrokken en een aangebrand croissantje gegeten had in een ijskoude ontbijtzaal. Ik zou om twee uur bij het café moeten zijn, dus was ik om half twee vertrokken zodat ik tijd genoeg zou hebben om de weg terug te vinden als ik zou verdwalen. Gewapend met een paraplu tegen de regen en eventueel om mannen te slaan als ze hun blik te lang op mijn korte benen zouden laten rusten (het jurkje was dan wel niet hoerig, maar wel heel erg kort) had ik door de straten van Tokyo gelopen, die volledig natgeregend waren die nacht. Ik had er niet van kunnen slapen.
Ik was echter niet verdwaald en dus was ik te vroeg op mijn werk. Zodoende had ik nog even een praatje kunnen houden met Porter voordat hij Liam riep om me wegwijs te maken achter de bar. Liam woonde boven het café, had ik me toen al bedacht, want hij kwam het café binnen via een trap achter de bar die naar boven ging. Hij had een zwarte broek en een zwart overhemd gedragen, met een gestippelde das en hij had zich daarin vast meer op zijn gemak gevoeld dan ik in dat. Hij was op me af gekomen en had me – anders dan zijn vader – met zo’n Japanse buiging begroet.
Hij had zich officieel voorgesteld als Liam terwijl hij tegen het aanrecht was gaan leunen en me van top tot teen bekeek. Ik had bij hem precies hetzelfde gedaan en voelde daarbij weer een steek van het verleden, iets dat me nogmaals gemotiveerd had om Japan te laten voor wat het was en terug naar huis te gaan. Ik had Liam een jaar of twintig geschat, misschien iets ouder maar zeker niet jonger en ik vond dat hij net zo bijdehand deed als hij eruit zag. Overduidelijk was geweest dat zijn vader gelijk gehad had: Liam was totaal geïntegreerd, te oordelen naar hoe hij zijn haar gedragen had en de sieraden die hij gedragen had en alle andere dingen die me aan een zeker iemand deden denken.
Porter was naar de personeelsruimte verdwenen na me nog een keer succes gewenst te hebben. Zijn zoon had vriendelijk naar me gegrijnsd, waarbij zijn ogen prettig hadden geglinsterd en hij had me verteld hoe het espresso-apparaat werkte, hoe de biertap in elkaar zat en hoeveel ijsklontjes er in welk drankje moesten. Ik had alles zo goed mogelijk geprobeerd te onthouden, maar niet alles was blijven hangen en zo kwam het dat ik die middag nog heel vaak had moeten vragen hoe alles ook al weer werkte. Gelukkig was dat niet hinderlijk omdat het toch niet zo druk was.
Nadat Liam me de koelkast had laten zien, kwam het meisje dat de dag daarvoor achter de bar gestaan had dezelfde trap af als waar Liam vanaf gekomen was, in een jurkje dat net zo mini was als het mijne. Bij haar was het echter het geval dat hij bijna tot haar knieën kwam omdat ze kleiner was dan ik. Ze had zich voorgesteld als Sakura, maar kreeg daarbij meteen de mededeling dat ik haar Sa moest noemen omdat de rest van haar vrienden en kennisen dat ook deed. Toen Liam haar een kus op haar mond gegeven had, leek het me duidelijk dat zij De Vriendin was waarover Porter me de dag van tevoren had verteld.
De hele dag was het rustig gebleven, waardoor had ik de kans om Sa en Liam te leren kennen en mijn draai te vinden in het werk. Tijdens die dag kwam ik te weten dat de twee al sinds april 2006 samen waren (ik had even moeten slikken bij die datum) en dat Liam net zijn eenentwintigste verjaardag gevierd had. Ik had voornamelijk veel over hen gevraagd zodat ik niets hoefde te vertellen over mezelf en bovendien vond ik het altijd boeiender om over anderen te horen dan om over mezelf te vertellen. Ik vond mezelf niet bijster interessant.
Na sluitingstijd, toen Sa, Liam en ik nog een drankje dronken terwijl het café voor de rest al donker en uitgestorven was, vroeg Sa vanuit het niets waar ik vandaan kwam. Ik had mijn cocktail bijna uit mijn handen laten vallen toen al mijn alarmbellen waren gaan rinkelen en ik recht overeind geschoten was. Alarmfase rood.
Ik had hen natuurlijk het hele verhaal kunnen vertellen, alles wat me in het verleden overkomen was en waarom ik op het moment in Japan was, maar dan hadden we daar om drie uur nog gezeten en bovendien beschouwde ik het verhaal als iets dat privé was, iets dat ik niet aan iedereen kwijt wilde. Hoewel ik Liam en Sa best aardig gevonden had, was het nog niet de tijd geweest om zomaar alles te vertellen wat me op het hart lag. Het verhaal was mijn ziel en die had ik niet bloot willen leggen. Nog niet, in ieder geval.
Ik had haar schouderophalend gevraagd waarom ze dat vroeg terwijl de vraag door mijn hoofd bleef dwalen. Liam zei dat hij een accent in mijn Japans hoorde dat hij benieuwd was waar ik vandaan kwam, maar ik zweeg en gaf geen antwoord. Sa had me daarop gevraagd wat ik in Japan deed, op een vriendelijke toon terwijl ze zich naast me op een barkruk had laten zakken en me zo tussen hen insloot. Ik zat in de val en had me heel erg opgelaten gevoeld, bang dat ik dingen zou zeggen die ik niet kwijt wilde.
Ik had gezegd dat het er niet toe deed en dat ik me meer bezig hield met de vraag hoe ik er weer weg kwam. Ik had mijn glas rondgedraaid na er nog een grote slok uit genomen te hebben en zette het weer op de bar. De blikken die Liam en Sa om beurten naar me wierpen, had ik ontweken en ik had me geërgerd aan het feit dat ze ook elkaar aankeken alsof ik een klein kind was dat iets stouts gedaan had en dat niet wilde opbiechten. Voor het eerst in een heleboel jaren die ik niet meer telde, had ik me gevoeld alsof ik twee ouders had in plaats van geen.
Ik had abrupt gezegd dat ik er niet over wilde praten en dat ik het ooit nog wel zou vertellen, maar niet op dat moment. Daar hadden ze vrede mee, te oordelen naar hun knikkende hoofden en de glimlachjes die ze me toegeworpen hadden.
Ik had eraan toegevoegd dat ik achttien jaar oud was, maar had geen idee waarom ik dat deed. Waarschijnlijk om hen te laten weten dat ik geen kind meer was maar een volwassen persoon en dat ik geen ouders meer nodig had, geen mensen die me verzorgden en vertroetelden. Ik was iemand die op eigen benen stond en dat ook kon. Min of meer. Want natuurlijk had ik iemand nodig, alleen waren dat niet de twee personen die naast me zaten. Ik had iemand nodig waarvan ik zielsveel hield, iemand die tegenwoordig onbereikbaar voor me was door de afstand die er tussen ons geschapen was. Ik leefde maar een half leven zonder hem en was vastbesloten dat leven weer terug te krijgen zodat ik Japan achter me kon laten en het uit mijn geheugen kon wissen alsof het nooit gebeurd was. Dan zou ik kunnen zeggen dat we altijd bij elkaar geweest waren en zou ik nooit meer aan die verschrikkelijke tijd hoeven denken. Wissen en vergeten. Voor altijd.
Ik was opgestaan en had mijn rokje naar beneden getrokken na een hand door mijn naar vanille geurende haar gehaald te hebben en ik meldde dat ik haar huis moest omdat ik anders op straat zou moeten slapen. Bij de kapstok had ik mijn jas aangetrokken, mijn paraplu gepakt en toen ik me terug omdraaide naar Sa en Liam, zag ik dat die laatste was opgestaan en ook naar zijn jas greep, die over de trapleuning gedrapeerd lag. Hij had gezegd dat hij me wel even zou brengen terwijl hij zijn jas over zijn schouders drapeerde en dicht ritste tot onder zijn kin. Ik had mijn hoofd geschud en gezegd dat het niet nodig was omdat het niet zo ver van het café af lag, maar hij had met een knik op mijn jurkje tegengeworpen dat het ’s avonds niet veilig was in de buitenwijken. Eerst had ik even getwijfeld, bang dat ik hem niet kon vertrouwen, maar het idee dat ik toch niets te verliezen had, sleepte me toch over de drempel. Wat was het verschil tussen verkracht worden op straat en verkracht worden in de auto? Het was misschien wat kouder buiten, maar voor de rest waren de risico’s het zelfde. Ik had geglimlacht en was achter hem aan gelopen toen hij zijn autosleutels uit zijn jaszak viste en de achterdeur uit liep na Sa nog een kus op haar wang gegeven te hebben. Ik had haar gedag gezegd en sloot de deur achter me.
Liams auto was groot, had grote wielen en was overduidelijk óf door zijn vader betaald, óf hij had er een jaar voor op water en brood geleefd, maar ik gokte op het eerste. Met een druk op de sleutel was de auto van het slot gesprongen en hij had als een echte gentleman de deur voor me opengehouden toen ik in wilde stappen. Hij was net als zijn vader.
Ik had me in de stoel genesteld en had meteen het verlangen gevoeld om onderuit te zakken en mijn knieën tegen het handschoenenkastje te plaatsen. Feit was echter dat ik een kort jurkje aanhad en dat ik bij een tamelijk onbekende in de auto zat, dus ik had het uit mijn hoofd gelaten. In plaats daarvan had ik heel politiek correct mijn gordel omgedaan en had snel de zonneklep omhoog geklapt toen ik mijn ogen in het spiegeltje had gezien. Meteen had ik me opgelaten gevoeld en sloeg ik mijn armen over elkaar bij wijze van zelfbescherming toen ook Liam instapte en de sleutels in het contact stopte. Meteen was de radio aangesprongen, waarop muziek te horen was geweest die ik niet kende en ook niet had willen kennen: het was Japans, hyper en vervelend en dat was alles waar ik niets mee te maken had willen hebben. Ik wilde terug. Ik wilde naar huis.
Liam had me gevraagd in welk motel ik ondergedoken zat en ik had zo goed mogelijk geprobeerd het hem uit te leggen. Na nog geen vijf minuten had hij me ongeschonden en wel afgezet bij de ingang, waarna ik hem gedag gezegd had en ik had hem gevraagd wanneer hij weer moest werken. We zouden elkaar de volgende dag weer zien, bleek, en hij glimlachte terwijl hij met een hoofdbeweging het haar uit zijn gezicht gooide, op de manier waarop ik dat vroeger altijd gedaan had. Nu hing het daar gewoon te hangen en ik moest lachen hoewel het eigenlijk vrij triest was geweest: ik kon het verleden niet laten gaan en daarom verslonsde ik mezelf maar. Hoe triest was dat?
De weken daarna was ik steeds meer bevriend geraakt met Sa en Liam. Omdat we allemaal vrijwel iedere dag werkten, uitzonderingen daar gelaten, hadden we heel veel tijd met elkaar doorgebracht. Af en toe gingen we na het werken nog wel eens even de stad in, waarbij we ons eerst omkleedden omdat Sa en ik het beide nooit hadden zien zitten om zo kort gerokt het centrum in te gaan. De eerste paar keren had ik nog een spijkerbroek van Sa geleend, maar na een poosje nam ik gewoon mijn eigen kleding mee en had ik alles daar laten slingeren. Vandaar dat ze al gauw gevraagd hadden of ik misschien niet bij hen wilde intrekken. Ze woonden met zijn tweetjes in een ruimte die voor drie personen bedoeld was en ik kon daar prima wonen. Aangezien ik hen al gauw nadat ik hen ontmoet had, had uitgelegd dat ik enkel voor het geld in Tokyo was en weg zou gaan zodra dat kon, wilden ze me de ruimte gratis aanbieden omdat het hen ook niets kostte. Het was namelijk van Porter: Liam woonde er omdat hij later de zaak zou overnemen en zo kon wennen aan zijn ‘toekomstige bestaan’, zoals hij dat altijd verwoordde. Ik maakte daar altijd van dat hij gewoon een verwend vaderskindje was en had hem daar altijd heerlijk mee kunnen treiteren.
Ik had niet lang hoeven twijfelen voordat ik toestemde: Liam en Sa waren vrienden van me geworden en hoewel we nog niet op het punt waren dat ik ze ooit mijn verleden zou vertellen, kwamen we wel steeds meer in de buurt daarvan. Bovendien was het een gratis leefruimte en dat betekende dat ik meer geld overhield om te sparen en dús sneller naar huis zou kunnen. Daar nog bovenop woonde ik dan zo dicht bij mijn werk dat ik niet meer door de buitenwijken zou hoeven te lopen en ik zou nooit meer terug hoeven naar dat smerige motel. Het was een win-win-win situatie en dus was de keuze gauw gemaakt.
Langzamerhand was het idee om terug naar huis te gaan een beetje naar de achtergrond verdwenen. Natuurlijk bleef het daar en bleef ik ook sparen, maar de haast die ik er eerst bij gehad had, verdween min of meer. Ik had het prima naar mijn zin met mijn twee nieuwe vrienden en stiekem was Tokyo me ook meer gaan bevallen. Ik had het niet erg meer gevonden om daar te zijn en dus was de drang om terug te gaan naar waar ik vandaan kwam ook steeds kleiner geworden. Ik had mijn oude vrienden gemist, want daar hadden Sa en Liam zeker niet aan kunnen tippen en ik had de liefde van vroeger gemist, maar ik had besloten genoegen te nemen met alles dat ik kon krijgen en niet meer te streven naar het onhaalbare. Mijn grote liefde was onhaalbaar.
De tweede kerstmis die ik in Japan gevierd had, was een leuke. Had ik het jaar daarvoor nog met mijn vader temidden van een ongemakkelijke stilte cadeautjes uit zitten pakken, dat jaar zat ik samen met Liam en Sa onder een rijkversierde kerstboom en was het geweldig gezellig geweest. We hadden elkaar voornamelijk cadeautjes gegeven die iedereen leuk zou vinden: CD-bonnen, luchtjes, douchegel en meer van dat soort algemene dingen, maar van Sa had ik een dagboek gekregen en daar werd ik even stil van. Was het bedoeld als een soort van stille hint naar mij toe, dat ik hen nog altijd iets te vertellen had over vroeger, dat ik nog altijd iets te vertellen had of was het gewoon een aardigheidje geweest?
Ik had besloten te glimlachen en te doen alsof ik de stille hint niet begrepen had. Ik had haar bedankt met een glimlach en een knuffel en had haar beloofd erin te beginnen zodra ik thuis zou zijn, zodat ik het haar op kon sturen. Ze had terug geglimlacht zonder iets te zeggen en we hadden beide weer naar Liam gekeken zodra die zich op de berg cadeautjes gestort had om er één van zichzelf uit te zoeken.
Kerst was voorbij gegaan en het werd nieuwjaar, waarbij ik stomdronken geworden was en mezelf afgevraagd had wat ik nog in Japan deed. Ik had genoeg geld gespaard en kon terug naar huis, maar ik had me beseft dat ik bang was voor wat ik daar aan zou treffen. Misschien had hij wel een nieuwe vriendin en ging ik in principe mijn dood tegemoet als ik terug zou gaan. Misschien zaten mijn vrienden niet meer op me te wachten en was ik al vervangen door iemand anders waardoor ik op straat zou belanden omdat ik niemand had om bij te logeren. Ik was bang dat ik nergens meer geaccepteerd zou worden nu ik eenmaal weg was geweest en dat maakte me ontzettend bang. In Japan was mijn leven min of meer stabiel geworden en ik was bang alles weer in de war te schoppen zodra ik er weer een grote verandering doorheen joeg. Ik vroeg me af of mijn leven ooit nog zou kunnen worden wat het ooit geweest was.
Ik vroeg me af of zijn leven er nog net zo uitzag als vroeger, of hij nog net zo succesvol was als eerst of misschien nog succesvoller en hoe het in het algemeen met hem ging nadat we uit elkaar gehaald waren. Had hij zijn leven makkelijk kunnen oppakken of was het hem net zo slecht vergaan als ik? Misschien had hij inmiddels zelfmoord gepleegd en had ik daar niets over gehoord. Misschien was het mislukt met de band en woonde hij in een kartonnen doos onder een viaduct, drugs dealend om te overleven. Misschien was hij een seriemoordenaar geworden, doorgedraaid nadat hij mij verloren was. En misschien had hij zijn geluk gevonden in een ander, iemand die mij niet was maar best door kon gaan voor een vervanger. Misschien was hij gelukkiger zonder mij.
Al die vragen, het maakte me gek. Ik had gedacht dat ik voor het eerst wat rust gevonden had na mijn vader achtergelaten te hebben in Yokohama, maar het werd enkel erger nu ik daadwerkelijk naar huis kón.
De eerste weken, wat zeg ik, máánden in Japan waren verschrikkelijk geweest. Ik had met niemand willen communiceren, niet naar school gewild, niet naar buiten gewild en ik had dagenlang huilend in bed gelegen om maar te vergeten. Ik heb geen idee of ik depressief geweest ben want ik weet de definiëring daar niet precies van, maar feit was dat ik me niet bepaald prettig gevoeld had en dat ik leed aan verschrikkelijke heimwee. Mijn leven was ronduit een hel geweest toen mijn vader me telkens geprobeerd had te helpen, een band met me wilde opbouwen en me een leven in zijn land wilde geven, maar ik had me verzet als een stomme puber en wilde alleen maar naar mama en naar huis, waar ik mensen had die op me wachtten.
Daarna was ik rustiger geworden en had ik mijn eerste stappen in het Japanse leven gezet. Ik deed soms boodschappen, ging naar school toe en leerde de taal min of meer spreken hoewel ik weigerde hem te gebruiken als dat niet nodig was. Ik hield expres mijn westerse accent, mijn westerse gewoonten opdat ik niet zou vergeten waar ik vandaan kwam en me niet zou verliezen in mijn gemis, in het verlangen te vergeten.
Toen ik besloot dat ik terug naar huis wilde, had het allemaal zo simpel geleken: geld verdienen, een ticket kopen en teruggaan naar waar ik vandaan kwam. Natuurlijk had ik geweten dat de tijd niet stil had gestaan en dat de mensen thuis doorgeleefd hadden, dat er dingen veranderd waren, maar ik had er niet bij willen stilstaan. Ik had niet willen beseffen dat mensen konden leven zonder mij, had min of meer gedacht dat ze stil zouden staan in hun ontwikkeling wanneer ik aan de andere kant van de wereld verbleef en dat ik me gewoon weer in hun leven zou kunnen mengen zodra ik terug was. Dat was natuurlijk belachelijk. Er wachtte daar een leven op me, maar het zou even duren voordat ik mijn plek gevonden had en mijn draai gevonden zou hebben in het leven daar en ik wist niet of ik dat wel aandurfde.
Wekenlang was ik blijven denken aan thuis, aan hoe ikzelf veranderd was en hoezeer mijn vrienden thuis veranderd zouden zijn. Misschien konden we het wel helemaal niet meer met elkaar vinden na alle ellende die we met elkaar doorgemaakt hadden. Misschien was mijn liefde over zodra ik hem opnieuw zou zien, zou omhelzen of misschien kon ik mezelf niet meer openstellen voor hem uit angst hem opnieuw te verliezen. Ik was erachter gekomen dat ik getekend was door mijn verleden en dat de personen die ik achtergelaten had dat ook wel moesten zijn, dat kón niet anders en dat maakte me bang. Misschien zou ik daar nog ongelukkiger worden dan in Japan.
Ik geloof niet dat Sa en Liam iets door hebben gehad van wat er in mijn hoofd speelde, van het gevecht dat daar aan de gang was en daar was ik blij om. Ze hadden nog steeds geen idee waar ik vandaan gekomen was, waar ik naartoe wilde en dat wilde ik nog wel even zou houden. Ooit zou ik het hen vertellen, als ik op het punt stond om weg te gaan omdat het dan toch niets meer uitmaakte. Als ik weg zou gaan, zou het er niet meer toe doen wat ze van me dachten. Dan zou ik mijn sporen in Japan uitwissen en alleen nog maar een geest in de herinnering van Sa, Liam en Porter zijn naarmate de tijd verstreek.
Op een avond had Liam me erop gewezen dat ik mijn cupidoshirt zo vaak droeg. We hadden voor de televisie gezeten: hij met een sigaret en een biertje, ik verdiept in een Japans tijdschrift dat ik van Sa geleend had, proberend wat woorden te lezen, maar het was me niet al te goed afgegaan. Ik had geknikt als antwoord op zijn vraag zonder mijn ogen van het artikel over Neanderthalers af te wenden, maar stopte wel met lezen omdat al mijn sensoren op scherp stonden: Liam had zich op gevaarlijk gebied bevonden.
Ik had hem verteld dat het iets van vroeger was en had geprobeerd mijn aandacht weer op de tekst te richten, maar dat lukte me niet meer. Hij vroeg opnieuw waar ik vandaan kwam, zijn vraag van een aantal weken geleden herhalend en proberend mijn blik te vangen, maar ik had niet toegegeven. Mijn blik had ik strak op het artikel gericht en ik had met mijn ogen bewogen zodat het leek alsof ik las hoewel dat niet het geval was. Het was ook een manier geweest om tijd te rekken, tijd om over een antwoord na te denken.
Net zoals op mijn eerste werkavond had ik hem gevraagd waarom hij dat vroeg en hij antwoordde opnieuw dat ik een licht accent had. Ik had gezwegen. Omdat Sa er dat keer niet was geweest om te vragen wat ik in Japan deed, werd ik gedwongen een antwoord te geven. Met een zucht had ik het tijdschrift gesloten en het op tafel gegooid om daarna diep in mijn stoel weg te zakken en na te denken over een antwoord. Ik zou hem alles kunnen vertellen, maar ik had het er nog steeds de tijd niet voor gevonden. Was het er ooit de tijd wel voor? Zou ik ooit klaar zijn om mijn nieuwe vrienden alles over mijn oude vrienden te vertellen? Zou ik ooit klaar zijn om mijn ziel bloot te leggen en mensen me te laten leren kennen?
Ik had hem gevraagd waarom hij dat eigenlijk allemaal wilde weten en hij had enkel zijn schouders opgehaald en zijn blonde haar uit zijn spitse gezicht geschud. Zijn verfijning was mooi geweest, maar niet zo mooi als die van de persoon waarvan ik hield. Liam had me nog steeds aan hem doen denken, deed dat telkens weer.
Hij had me alles behalve beschuldigend gezegd dat hij het recht had om me te leren kennen, na al die weken dat ik al bij hen in huis woonde. Hij zei dat het hem niet uitmaakte en dat ik me niet beledigd moest voelen, maar dat hij gewoon benieuwd was naar met wie hij samenwerkte en met wie hij kerst gevierd had en met wie hij nou eigenlijk samenwoonde. Ik had slechts langzaam en loom geknikt en me beseft dat hij gelijk had, maar hij zei met een glimlach dat ik het niet hoefde te vertellen als ik dat niet wilde.
Nogmaals had ik mijn gedachten de revue laten passeren om te zien of er misschien geen kleine dingetjes waren die een hoop duidelijk zouden maken over wie ik was, maar niets zouden vertellen over wat ik had meegemaakt. Uiteindelijk had ik hem middenin een zin onderbroken met het feitje dat ik uit Duitsland kwam en dat had voor een ongemakkelijke stilte gezorgd omdat ik wachtte op hoe hij zou reageren en hij nog geen idee had wat te zeggen omdat mijn woorden zo onverwacht uit mijn mond waren gekomen. Het had me verbaasd dat ik hem had laten zwijgen. Hij had slechts geknikt en weer terug naar de televisie gekeken toen ik mijn tijdschrift had teruggepakt en het opensloeg op een willekeurige plek zonder het te lezen. Mijn gedachten hadden door mijn hoofd geracet, bedenkend wat Liam op dat moment zou kunnen denken.
Ik had besloten Liam verder te negeren en liet mijn gedachten afdwalen naar het verleden en de toekomst die daarmee samen zou moeten hangen. Ik moest terug, maar wanneer? Had ik daar de moed voor? Het sparen van mijn geld was sneller gegaan dan ik gedacht had en ik had de kans, maar waarom greep ik hem niet? Natuurlijk had ik geweten dat mijn angst teleurgesteld te worden een hele grote rol speelde, maar dan nog had ik een reden om terug naar huis te gaan. Daar spraken de mensen mijn taal, daar wilde ik een opleiding volgen en daar wilde ik werk vinden. Niet alleen mijn verleden lag daar, maar ook mijn toekomst en die lag daar ook als de mensen van wie ik hield me niet meer nodig hadden. Waarom was ik dan toch bang geweest?
Ik had nog geen seconde écht geleefd in Japan. Zodra ik in het land was aangekomen, had ik eerst alleen maar gehuild, maar na verloop van tijd had ik mezelf op de automatische piloot gezet en was zo doorgeleefd, totaal leeg. Ik was min of meer hersendood.
Liam had mijn gedachtestroom onderbroken door te zeggen dat ik mijn tijdschrift misschien andersom moest houden. Toen ik opgekeken had, had ik gezien dat hij uitbeeldde hoe hij een blad omdraaide en toen ik een blik op de plaatjes geworpen had, (de letters zagen er voor mij op z’n kop precies het zelfde uit als wanneer je ze op de correcte manier hield) zag ik inderdaad dat ik het blad omgekeerd hield. Ik had het blad omgedraaid en dook er dieper in zodat ik Liams grijns niet meer aan hoefde te zien. Ik had het altijd al vervelend gevonden als mensen me doorhadden, als ze dwars door me heen keken en me het gevoel gaven dat ik dom en naïef was. Dat was omdat ik wilde dat er maar één iemand was die me echt kende en diegene woonde niet in Tokyo. Niet eens in de buurt.
Op een gegeven moment had Liam gevraagd waarom ik niet terug naar huis ging en had hij de televisie uitgezet waardoor er een stilte viel die nog minder prettig was dan de vorige. De lucht had getinteld van anticipatie en de vraag was tussen ons in blijven hangen omdat ik hem niet wilde beantwoorden totdat ik er wat meer over nagedacht had.
Waarom ging ik niet naar huis? Toch die angst? Ja, ik was bang, doodsbang zelfs, dat niemand daar meer op me zou zitten wachten, maar er was meer dan alleen dat. Misschien moest ik maar niet alleen aan de nabije toekomst denken (een toekomst waarin ik óf met open armen ontvangen zou worden óf verstoten zou worden) maar ook aan de toekomst die nog verder weg lag. Ik had een opleiding nodig. En een baan. Ik wilde mijn moeder af en toe kunnen bezoeken en dat kon niet zolang ik op een eiland in het midden van de oceaan bleef zitten. In Japan was niets voor mij.
Uiteindelijk had ik mijn schouders opgehaald zonder mijn ogen van het blad af te halen. Hij zei me dat ik er het geld voor had. Meteen had ik me heel bedreigd gevoeld: hij ging het uit me trekken, dat had ik zeker geweten. Hij had alles willen weten, alles over mijn verleden, maar ik wilde het hem niet vertellen. Als ik dat al zou doen, dan zou het uit vrije wil zijn en niet onder druk van Liam Terrence of Sakura Hui. Nooit van mijn hele leven. Ik deed niet aan dingen vertellen onder dwang, hoe licht of zwaar die dwang ook was. Ik was het persoon dat dingen wilde regelen op haar eigen manier, die dingen wilde doen volgens haar eigen schema en ik zou daar niet vanaf wijken, zeker niet als iemand het uit me wilde trekken.
Ik had het blad dichtgeslagen en was razendsnel opgestaan waardoor mijn hoofd lichtjes begon te tollen en ik was richting de deur van mijn slaapkamer gestampt, die aan de andere kant van de woonkamer lag. Liam schreeuwde een luid ‘waarom’, met zijn handen in de lucht, maar ik had hem niet uit laten spreken door te roepen dat het de tijd nog niet was, waarna hij me vroeg waarvoor precies niet; om terug te gaan of om hen alles te vertellen. Ik sloeg de deur van mijn kamer dicht nadat ik hard riep dat het voor beide gevallen gold.
Natuurlijk had ik meteen al spijt gehad van mijn gedrag die dag. Liam hield me scherp in de gaten sinds hij wist dat ik emotioneel gek werd als hij me naar mijn verleden vroeg en ik verdacht hem ervan Sa ook ingelicht te hebben. Ik had me altijd en overal in de gaten gehouden gevoeld, ontzettend gecontroleerd en dat maakte dat ik er weer over na begon te denken om weg te gaan. Misschien moest ik het risico om een figuurlijke klap in mijn gezicht te krijgen als alles anders was veranderd was maar gewoon nemen.
Ik werkte daarom harder en vaker om mijn spaarpotje nog wat te spekken zodat ik wat geld had om te overleven als niet alles ging zoals gepland. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat ik de eerste paar dagen wel bij Julia terecht kon, of bij Fleur, maar dat ging natuurlijk niet als ze niet op mij zaten te wachten. Bovendien had ik niet alleen geld nodig gehad voor een ticket, maar ook voor een plaats om te wonen en eten om niet te sterven van de kou en de honger. Hoewel ik al geld genoeg had, had ik mezelf steeds voorgehouden dat dat niet zo was om maar niet te hoeven vertrekken en alles weer op zijn kop te zetten.
In die tijd had ik mijn dagboek vaak in mijn handen gehad en had ik vaak met het sleuteltje gespeeld dat aan een kettinkje aan mijn nek bungelde. Ik had steeds de neiging gehad om het te lezen, om weer te ervaren wat ik miste zolang ik in Japan bleef, maar ik was bang dat het teveel pijn zou doen en dat het des te harder aan zou komen als het nooit meer het zelfde zou worden als vroeger zodra ik eenmaal thuis was.
Het was na een middagje shoppen met Sa dat mijn leven totaal een andere wending kreeg. Met tassen vol kleding en andere rommel, waren we met zere kuiten van het lopen weer in Liams auto gestapt en waren we naar een buitenwijk gereden waar Sa een gezellig restaurantje wist waar we iets zouden eten. Het was een westers restaurantje, had ze me gezegd, en ze had het speciaal voor mij geboekt.
Ik had van dat soort dagjes met Sa gehouden. Als Liam eens een keertje in een aardige bui geweest was en er niemand in het café was, schopte hij mij en Sa er na de ochtend uit met de boodschap iets gezelligs te gaan doen en dat deden we maar al te graag. Vaak was dat winkelen, maar we waren ook al een keer samen naar een beauty resort geweest (wat ze vast gedaan had omdat ik nog steeds geen make-up droeg en me bewust moest worden van mijn zogenaamde vrouwelijkheid) en we waren ook een keer voor de lol gaan bowlen (wat waarschijnlijk was omdat ze wilde dat ik eindelijk eens een leuke jongen zou ontmoeten. Het was duidelijk dat ze geen idee had van wat zich in mijn verleden had afgespeeld.)
Tijdens het eten hadden we heel gezellig gepraat. Zij had verteld over hoe ze Liam ontmoet had en over hoe ze elkaar eerst zó vreselijk gehaat hadden dat ze hem ooit een klap in zijn gezicht gegeven had. Pas toen ze van een wederzijdse vriend vrede hadden moeten sluiten, was het wat beter gegaan en langzaamaan waren ze vrienden geworden. Later, toen Sa bij hem in het café was komen werken, waren ze verliefd geworden. Op een avondje uit hadden de twee elkaar gezoend en toen waren ze nooit meer uit elkaar gegaan. Het verhaal raakte me diep, want het herinnerde me eraan dat een relatie ook zo goed kon gaan en dat het bij mij anders gegaan was, door mijn eigen stomme schuld. Dat laatste was nog het ergst: dat het mijn eigen schuld was.
Ik, daarentegen, had gepraat over hoe mooi het weer was en hoe fijn het was dat het eindelijk weer voorjaar werd – inhoudsloze dingen waaraan niet te merken was wie ik was en waardoor ik geen vragen op zou roepen. Ik had al weken over niets gepraat.
Na het eten had we beide apart afgerekend en waren we teruggelopen naar de auto, die Sa op het parkeerterrein gezet had. Met een klikje op de sleutel – heel wat minder patserig dan dat Liam had gedaan de eerste keer dat hij me thuisbracht – waren de portieren van het slot gesprongen en konden we instappen. Ik was onderuit gezakt en had mijn knieën tegen het handschoenenkastje geduwd terwijl Sa ook instapte, de sleutel in het contact stak en deze omdraaide. De motor begon te brommen, de lichten waren aan gesprongen en de radio begon te spelen.
Daarmee was het begonnen.
Eerst was er muziek op de radio geweest, maar toen het nummer afgelopen was, nam een presentator het woord. Hij had Engels gesproken en Sa’s gestoorde (en bovendien gevaarlijke) dansje op een hyperactief en tevens Japans liedje verstoord waardoor ze meteen geïrriteerd haar hand uitstak naar de knop om een andere zender te zoeken, maar ik had haar hand weggeslagen toen ik een bekend woord hoorde.
Tokio Hotel.
Meteen had ze me gevraagd waarom ik haar geslagen had, maar ik had haar met één enkele handbeweging tot stilte gemaand en richtte al mijn aandacht op hetgeen dat op de radio gezegd werd. Ik had razendsnel omgeschakeld van Japans naar Engels en geprobeerd zo goed en zo kwaad als het ging te volgen wat hij zei. Ik werd daarbij ijskoud van binnen en het voelde alsof mijn keel werd dichtgeknepen omdat dit zo onwerkelijk was. Het kon niet, toch?
De presentator had een heel praatje gehouden over Tokio Hotel, over hoe ze bekend geworden waren in Duitsland, hoe hun succes zich had uitgespreid naarmate de jaren verstreken waren en meer van dat soort algemeenheden waar iedere fan alles al van wist. Ik was zo benieuwd geweest of het hen eindelijk gelukt was om ook in Japan bekend te worden en vroeg me af of ze er ook op het punt van doorbreken stonden toen de presentator verteld had dat ze hen in de studio hadden. Ik was tot op mijn botten bevroren en kreeg geen lucht meer.
Het moment daarna had ik hem horen spreken, mijn grote liefde, met een stem die grauwer was geweest dan vroeger maar nog steeds zo mooi en fragiel, ergens. Ik had de tranen achter mijn ogen voelen prikken en had vergeten te luisteren naar wat hij vertelde omdat ik het fijner vond om naar de klanken van zijn stem te luisteren dan naar de woorden die hij sprak. Hij was zo ver weg geweest, maar het voelde alsof hij heel dicht bij me was. Hij was in Japan, maar zelfs dat was nog te ver weg voor mij. Ik had hem willen vasthouden, hem willen kunnen voelen en ruiken, aanraken en de hele wereld met hem over reizen. Ik had een toekomst met hem gewild, ongeacht waar dat zou zijn. Ook al zou het in Soedan zijn, in een plaggenhut waar de vliegen tien keer zo talrijk zouden zijn als de mensen, dan nog zou ik gelukkig zijn omdat ik met hém was.
Ik had gevoeld hoe mijn wangen nat geworden waren en dat Sa de auto aan de kant van de weg had gezet om me zachtjes vast te houden en mijn wangen droog te vegen. Ik had gewaardeerd dat ze dat deed, ook al had ze geen idee waarom ik huilde en ik was dankbaar tegen haar aan gekropen terwijl ik naar de radio was blijven luisteren, naar zijn stem. Na al die tijd was het als een medicijn gekomen dat alle pijn had doen vervagen, had doen verdwijnen en het voelde zo heerlijk om eindelijk eens een keer niets te voelen.
Alle jongens waren aan het woord gekomen, ze hadden gelachen en me naar hen laten verlangen. Ik wilde zo graag terug naar het verleden, zeker nu ik hen zo kon horen, alsof ze bij me in de auto waren geweest. Ik had me opeens heel erg buitengesloten gevoeld omdat ik niet mee had kunnen lachen met de grappen die ze maakten, omdat ik niet bij hen was geweest.
Toen de presentator had medegedeeld dat de jongens binnenkort een concert zouden geven in Tokyo, had ik zeker geweten dat ik daarheen moest gaan. Ook al zou hij me niet meer terug willen, ook al had hij een leven gekregen na mij en hield hij van iemand anders, dan nog had ik hem willen zien en het was een kans geweest die ik waarschijnlijk nooit meer zou krijgen.
Ik had tegen Sa gezegd dat ik erheen moest toen het interview ten einde liep en ik had me los geworsteld uit de innige omhelzing waarin we gezeten hadden. Mijn ogen droog vegend had ik gezien dat ze naar me glimlachte en ik had me beseft dat ze een echte vriendin was geworden, dat het zonde zou zijn als ik haar nooit meer terug zou zien zodra ik weer thuis zou zijn. Ik had twee levens gehad en ik moest kiezen, maar de keuze was voor mij niet moeilijk geweest. Ik had geweten waar mijn toekomst lag.
Ze had me gevraagd of het iets van vroeger was terwijl ze de auto weer gestart had en de weg opgereden was. Ik had geknikt en aan mijn nagels gepulkt terwijl ik geprobeerd had de stemmen op de radio te volgen, maar ik had me geen wijs gekund uit de woorden. Natuurlijk kon ik Engels, maar alleen als ik volledig geconcentreerd was en dat was me toen een beetje moeilijk afgegaan. Ik had strak gestaan van de spanning en had me gevoeld alsof ik zweefde. Aan een zijden draadje.
Ik had haar gevraagd of ze even langs de ticketverkoop wilde rijden terwijl ik mijn hoofd tegen de hoofdsteun had laten leunen en vanuit mijn ooghoeken naar haar keek. Ze gaf geen antwoord, maar toen ze een andere weg in was geslagen dan de weg die naar huis leidde, wist ik dat ze op mijn voorstel was ingegaan.
Ik had op de radio gehoord hoe de presentator had willen afsluiten, maar er volgde een korte worsteling en degene die ik het meest miste van alle vier de jongens, had gevraagd of hij nog even iets mocht vragen, in het Duits, omdat hij iemand zocht. Toen die Duitse klanken mijn hoororgaan hadden bereikt, had ik mijn ogen gesloten en twee tranen over mijn wangen laten rollen toen ik me beseft had dat hij me wilde zien.
“Als je dit hoort: ik hou van je.”
Dat zinnetje had zoveel verschillende emoties bij me losgemaakt op dat moment: verdriet, vreugde, hoop en allemaal dingen die ik geen naam zou kunnen geven. Het was bijzonder om die woorden uit zijn mond te horen, wist ik, en ik wist dat ze voor mij bedoeld waren. Hij had mij net zo graag willen zien als ik hem en dat maakte dat ik huilde van geluk. Hij had woord gehouden.
Sa had me gevraagd of ik wilde dat ze mee zou gaan, maar ik had gezegd dat het beter was van niet, dat ik het zelf moest doen. Dat was ook zo. Als Sa mee zou gaan, zou ze er ten eerste niets aan gevonden hebben omdat ze niet van dat soort muziek hield en bovendien had ik graag willen proberen na de show backstage te komen. Daarbij zou een metgezel niet makkelijk zijn. Ze zou waarschijnlijk de hele tijd moeilijke vragen gesteld hebben, wat we er in godsnaam deden en wat er zo bijzonder aan was en waarom ik had moeten huilen toen ik hoorde dat ze in Tokyo zouden spelen. Uiteindelijk zou ik waarschijnlijk boos geworden zijn omdat ze me mateloos geïrriteerd had en ik wilde geen ruzie met Sa. Het zou beter zijn als ik alleen ging.
Het had me eerst duidelijk geleken dat de boodschap voor mij bedoeld was, maar naarmate de dagen verstreken waren, was ik daaraan gaan twijfelen. Er konden op dat moment wel een miljoen mensen zijn van wie hij hield, ik had namelijk geen idee in wat voor mate hij zijn principes opzij gezet had nadat we uit elkaar gehaald waren, maar voor mij was duidelijk geweest dat ik toch naar dat concert wilde, hoe dan ook, gewoon om te kijken hoeveel beter ze geworden waren sinds de laatste keer dat ik hen gehoord had en ik had ook graag willen zien in wat voor zin híj veranderd was.
Sa had opeens verdacht veel bij me rond gehangen, alsof ze verwacht had dat ik opeens, vanuit het niets, mijn ziel bloot zou leggen en haar alles zou vertellen wat ze maar wilde weten. Ik geloof dat ze goed aangevoeld had dat mijn vertrek dichter en dichter bij kwam, dat ze daar zekerder van was geweest dan ik ervan geweest was. Ook al had het duidelijk geleken dat de boodschap voor mij bedoeld was geweest, toch had ik de angst gehad dat ik met nog tien meisjes in de backstage ruimte zou staan en dat hij mij voorbij zou lopen.
Jammer genoeg was Tokio Hotel ook al aardig bekend geraakt in Japan en omdat ik zo laat geweest was, waren de kaartjes al op en zat ik dus zonder. Direct was ik op zoek gegaan naar andere kaartjes, maar die waren vrijwel nergens meer te koop voor een prijs die betaalbaar was en dat frustreerde me ontzettend: mijn grote liefde was in Tokyo, hij kwam optreden en had mij (waarschijnlijk) gevraagd hem te komen opzoeken, maar ik kon er niet naar toe. Ik had de kans om naar huis te gaan, maar dat werd me afgenomen door een paar duizend hysterisch gillende meisjes die helemaal niets met de hele band te maken hadden.
Drie dagen voor het concert zou zijn, had ik Sa’s fiets geleend en besloten de plaats waar het optreden plek zou vinden te gaan bekijken om te zien of er misschien andere mogelijkheden zouden zijn om hem te weerzien. Ik was erachter gekomen dat er aan de achterkant een vrijwel onbereikbare deur zat, waar je alleen kon komen door óf vijf kilometer om te rijden óf door door de prikkelbosjes te lopen. Ik was door de doornstruiken gegaan en vrijwel meteen tot de conclusie gekomen dat er geen enkele gek zou zijn, hoe Tokio-Hotel-geobsedeerd ook, die door dat woud zou gaan lopen. Dat maakte dus dat ik daar alleen zou zijn. Waarschijnlijk wist ook niemand van die achterdeur.
Toen ik de avond van tevoren samen met Liam had staan afwassen terwijl Sa de slaapkamers aan het stofzuigen was, voelde ik telkens hoe zijn blik in mijn richting getrokken werd waardoor ik zin had om hem in zijn gezicht te meppen en te zeggen dat hij zich met de borden bezig moest houden en niet met mij, maar ik had het netjes gehouden en had gezwegen.
Op een gegeven moment had hij gevraagd of ik zenuwachtig was. Ik had het een stomme vraag gevonden want ja, natuurlijk was ik zenuwachtig. De volgende dag zou ik weer oog in oog kunnen staan met mijn grote liefde, tenminste, als ik de kans zou krijgen en misschien zouden we wel weer bij elkaar komen, maar daar durfde ik zelfs nog niet van te dromen en dus had ik die gedachte snel mijn hoofd weer uit geschopt. Het was maar beter als ik nergens op rekende, want dan zou de klap wat minder hard aankomen als niet alles zou gaan zoals ik gehoopt had. De kans dat alles van een leien dakje ging, was aanzienlijk veel kleiner geweest en dat maakte dat ik inderdaad zenuwachtig was geweest. Heel erg zenuwachtig. Daarom had ik ook maar geknikt, want ik had inmiddels geweten dat Liam zo’n grote mensenkennis had dat het geen zin had gehad om te liegen. Hij kwam overal achter.
Hij had me gevraagd of het te maken had met het concert terwijl hij het derde bord dat ik had afgewassen aanpakte en ik had opnieuw geknikt. Daarna had hij gevraagd wie ze nou eigenlijk waren, waarom ik zo geobsedeerd werd door het verleden en meer van dat soort vragen waar ik geen antwoord op wilde geven. Ik had een gigantische scène getrapt toen hij had gedaan alsof ik één of ander gestoord persoon was: op de één of andere manier had zijn reactie me verschrikkelijk boos gemaakt. Hoe durfde hij om voor mij te bepalen wanneer het moment was wanneer ik hem alles zou vertellen? Hoe kon hij verwachten dat ik hem onder druk zou vertellen wat me dwars zat terwijl hij wist dat ik er een hekel aan had om gepusht te worden? Op zulke momenten had ik Liam zo intens gehaat dat ik hem het liefst zou wurgen en dat zou hij weten ook.
Uiteindelijk had hij me gekrenkt door me te zeggen dat ik misschien maar eens meer moest vertellen omdat ik anders ook de vrienden die ik op dat moment had kwijt zou raken, net zoals mijn vrienden uit Het Verleden, zoals hij dat zo spottend gezegd had. Ik had mijn mond geopend om furieus iets terug te schreeuwen maar toen ik tranen achter mijn ogen had voelen prikken, had ik hem weer dicht geklapt en me teruggedraaid naar het aanrecht. Ik had mijn ogen neergeslagen en de afwasborstel weer uit het hete sop gevist om verder te gaan met afwassen terwijl de gedachten door mijn hoofd raasden alsof het raketten waren. Met de rug van mijn hand had ik mijn wang droog geveegd.
Opeens had ik gevoeld hoe erg ik thuis miste, toen Liam begonnen was over mijn vriendinnen. Fleur en Julia. De jongens. Zelfs mijn school miste ik, mijn leraren, mijn oud-klasgenoten, zelfs Nathalia. Ik had met heel mijn hart gehoopt dat ik hem de volgende dag weer zou zien en dat zou blijken dat hij nog van me hield, zodat ik naar huis kon zonder me daar nog zorgen over te maken. Ik had gewild dat alles weer zou worden als vroeger, zonder zorgen en met geluk.
Liam had zijn excuses aan willen bieden, maar ik had hem middenin zijn zin onderbroken en gelogen dat het niet gaf.
De volgende avond had hij me afgezet bij het concertzaaltje omdat hij niet gewild had dat ik in mijn eentje in het donker door een buitenwijk zou lopen. Buiten was het inmiddels al stil en leeg geweest omdat het optreden al in volle gang was. Ik had Liam gedag gezegd door hem een kus op zijn wang te geven en sloeg het portier hard achter me dicht nadat ik uitgestapt was. Mijn cupidoshirt recht trekkend was ik de straat over gerend, waardoor mijn pasgewassen haar wapperde en ik de bekende geur van vanille geroken had. Zodra ik gezien had dat Liam’s auto verdwenen was, was ik door de doornstruiken naar de achterkant gegaan, mijn gezicht werend tegen de doorns. Ik had klanken opgevangen, maar dat waren slechts onbekende geluiden: niets herkenbaars, niets dat ik herkende uit het verleden.
Achter was het inderdaad nog leeg geweest en ik had verwacht dat dat wel zo zou blijven. Niemand zou zo gek zijn om door een woud van prikkelbosjes naar de achteruitgang te lopen als het nog niet eens duidelijk was dát ze inderdaad door die deur naar buiten zouden komen. Mits één van de muzikanten een lang verloren grote liefde was geweest, dan mocht het.
Uren had ik daar voor mijn gevoel gezeten, mijn jas dicht om me heen geslagen om de kou te weren en op een gegeven moment uit verveling de sterren tellend. Het had me herinnerd aan die keer dat we samen onder de sterrenhemel gelegen hadden, in het bos dat altijd uitgestorven was. Ik had onwillekeurig een glimlach op mijn gezicht gekregen toen ik me herinnerde hoe klein de wereld was als je naar de hemel keek.
Op een gegeven moment had ik allemaal tumult gehoord voor het gebouw, waardoor het me duidelijk werd dat het concert afgelopen was en ik hoopte uit alle macht dat er geen mensen naar achter zouden komen om mijn plannen te verstoren. Misschien had ik zelfs wel gebeden zonder dat ik er erg in had gehad. Gelukkig waren de stemmen voor het gebouw gebleven, waardoor ik me sterk was gaan afvragen of ik wel op de goede plek zat. Straks zat ik hier te verkleumen voor niets en gingen ze gewoon door de voordeur. In dat geval zou ik het wel horen aan het gekrijs, had ik me bedacht, en dus was ik gewoon blijven zitten.
Ik had weer naar de hemel gestaard en me bedacht dat het moment van weerzien dichterbij kwam. Telkens kreeg ik de neiging om op te staan en weg te lopen, maar ik was blijven zitten waar ik gezeten had omdat ik wist dat ik daar onmetelijk veel spijt van zou krijgen. Hoe zenuwachtig ik ook geweest was, hoe bang ik ook geweest was dat ik niet degene was die bij bedoeld had of dat hij me misschien niet zou herkennen, ik had geweten dat ik daar had moeten blijven zitten.
Ik was overeind geschoten toen opeens de deurklink naar beneden was gegaan en hij krakend opengezwaaid was. Tranen had ik in mijn ogen gekregen toen mijn ogen die ontmoetten van niet diegene die ik het liefst had willen zien, maar iemand die ook veel emoties bij me los maakte. Zijn sluike, bruine haar hing over zijn schouders terwijl hij een sigaret in zijn mond wilde steken, maar hij was midden in die beweging gestopt toen hij me herkende. Vol verbazing had hij mijn naam uitgesproken en ik was langzaam opgestaan. Hij was naar me toegelopen, had me tegen zich aangedrukt en vanaf dat moment had ik mijn tranen gewoon laten stromen, overgenomen door emoties. Hoe moest het dan wel niet zijn als ik oog in oog met mijn grote liefde zou staan, had ik me bedacht.
Hij had me mee naar binnen gesleurd en tegelijkertijd allerlei vragen gesteld die langs me heen gedreven waren. Ik had niets meer gevoeld en gehoord door de nervositeit, de verwachting en de angst die nog steeds in mijn lichaam zat, bang dat er in de kleedkamer een ander meisje op zijn schoot zou zitten en die angst bleef zelfs toen het zinnetje ‘we hebben zo lang op je gewacht’ mijn onderbewustzijn bereikte.
Ik was zo bang geweest.
We hadden door een lange gang gelopen waarin lampen hingen die me aan een spookhuis deden denken en ik kan me nog goed herinneren hoe koud ik het gehad had. Of dat door de zenuwen kwam of niet, daar had ik geen idee van, maar ik verlangde naar warmte, naar zíjn warmte en ik wist dat het moment dat mijn leven zou bepalen snel dichterbij kwam. Als er een ander meisje zou zijn, zou het afgelopen met me zijn en als hij op mij gewacht had, dan zou er een nieuw begin komen.
Ik zag een man voorbij lopen die ik herkende als David Jost en ik zag hoe hij verbaasd opgekeken had toen hij me herkende, té verbaasd om me te groeten. Ik had hem met open mond aangestaard en had gevoeld hoe de zoute tranen op mijn gezicht waren opgedroogd terwijl ik nog steeds aan mijn hand werd meegenomen naar ergens waarvan ik niet wist waar. Ik had nog niet geweten of ik mijn dood of mijn leven tegemoet ging. Mijn sterfdag of mijn wedergeboorte.
Ik was naar ergens ver in het gebouw geleid, de schemerige gangen door en op een gegeven moment waren we voor een deur gestopt. Het was door me heen geschoten dat het toch niet zo makkelijk kon zijn om mijn toekomst te bepalen. Gewoon die deur door en dan zou ik weten hoe de rest van mijn leven eruit zou komen te zien.
Hij had me gezegd dat ik niet moest schrikken (ik had me nog afgevraagd waarvoor dan wel niet), de deur open gedaan en me zachtjes naar binnen geduwd, zijn ene hand op mijn rug en de ander nog op de deurklink. Ik had mijn ogen door de kleedkamer laten glijden en daar de drie overige personen gezien: twee zittend op stoelen met blikjes energiedrank in hun handen en een derde (ik voelde een schok door mijn lichaam gaan) die midden in de ruimte stond en zich omdraaide zodra hij de deur dicht hoorde vallen.
Ik had vergeten adem te halen toen mijn ogen die van hem ontmoet hadden. Ik wist niet meer hoe ik moest luisteren, hoe ik moest lopen, hoe ik moest bewegen en alle andere dingen die ik normaal gesproken automatisch deed, kon ik opeens niet meer. Het moment was zo verschrikkelijk magisch geweest, voor mijn gevoel, zo overladen met emoties dat er enkel een pijnlijke stilte was gevallen. Zo gauw we weer tegenover elkaar gestaan hadden, had de rest van de band de kleedkamer verlaten en hadden ons zo alleen gelaten. We waren weer samen, na al die tijd.
Ik had hem willen aanraken, hem willen omhelzen, mijn lippen op die van hem willen drukken, maar op de één of andere manier voelde hij weer vreemd voor me en dus had het me ongepast geleken. Hij had zwarte kringen rond zijn ogen, was magerder dan ooit en er was meer aan hem veranderd dan alleen zijn piekerige haar, dat korter was. Bovendien kon ik me nog steeds niet bewegen, totaal verlamd als ik was geweest. Het enige dat ik geregistreerd had, was dat hij hetzelfde shirt droeg als ik en mijn hand reikte uit naar de ketting die om zijn nek hing. Mijn ketting.
Hij had mijn naam gefluisterd en de bevroren tranen op mijn wangen waren weer ontdooid zodra er nieuwe overheen liepen. Ik had hem zoveel willen zeggen, hoezeer ik hem gemist had, hoeveel ik van hem hield en meer dingen die ik buiten allemaal nog in mijn hoofd gerepeteerd had, maar ik was alles vergeten toen het erop aan kwam. Er had zich een prop in mijn keel gevormd waardoor ik niets had kunnen zeggen, hoe graag ik dat ook gewild had, maar aan de andere kant maakte het ook niets uit. We wisten beide wat de ander dacht. Ik hield van hem, hij hield van mij. Dat was logisch. Het was nooit anders geweest.
Hij had mijn hand gepakt. Hij had heel simpel mijn hand gepakt en toch had het me de adem ontnomen, me naar lucht laten happen, enkel en alleen omdat ik zijn warmte voelde. Ik had zijn warme huid gevoeld, na al die tijd, en ik had op dat moment alleen maar meer van hem gewild. We waren voorbestemd voor elkaar, dat was wel duidelijk geworden nadat we elkaar weer teruggevonden hadden. Misschien had God medelijden met me gekregen en had hij me weer gelukkig willen maken, ik had het niet geweten, maar feit was dat ik me opeens weer heel gelukkig gevoeld had, na een jaar van leegte en zwaar verdriet.
Ik had gezien hoe de tranen uit zijn ogen druppelden, hoe ze helder over zijn gezicht gerold waren en uiteindelijk op de grond uit elkaar gespat waren, net zoals onze droom een jaar geleden had gedaan. Ik had mijn hand omhoog gebracht naar zijn wang, waar een grauwe zweem van een stoppelbaard op lag en ik had hem heel licht aangeraakt, alsof ik bang was dat mijn hand door hem heen zou vallen, alsof ik bang was dat hij maar een visioen was. Toen hij me echter tegen zich aangedrukt had en ik zijn overweldigende geur geroken had, wist ik dat het echt was. Ik had gehuild, verschrikkelijk hard gehuild en ik had ook zijn schouders voelen schokken. We waren neergezakt op de grond en ik was dicht tegen hem aangekropen, doodsbang dat hij weg zou gaan en dat ik hem opnieuw zou verliezen, maar hij bleef bij me. Hij had in mijn oor gefluisterd dat hij nooit meer weg zou gaan, dat hij nooit meer ergens heen zou gaan zonder mij en dat we voor eeuwig samen zouden zijn.
Ik had het me nog niet beseft. Hoe had ik een maand eerder nog niet kunnen weten dat ik op dat moment weer herenigd zou zijn met iemand die ik als mijn wederhelft beschouwde? Het was allemaal zo snel gegaan en dat maakte het geheel nog vreemder. We waren weer samen. Ik kon naar huis toe, naar mijn moeder en naar mijn vriendinnen en ik zou bij hem blijven, voor altijd.
Ik heb geen idee hoe lang we daar gezeten hadden, maar na een tijdje was ik gekalmeerd. Op een gegeven moment had ik de rest van de band horen terugkomen, maar ik had het niet gezien omdat ik mijn gezicht in zijn T-shirt begraven had en langzaam de geur had opgesnoven die – anders dan hij – nog precies het zelfde was geweest. Hij had met zijn vingers door mijn haar gestreken, zoals hij dat vroeger ook zo vaak gedaan had en ik had me volledig kalm gevoeld na al die maanden van wilde storm in mijn hoofd. Ik had heerlijk in de luwte gelegen, samen met hem.
Ik kan nog steeds niet onder woorden brengen wat ik voelde op dat moment. Ik had het gevoel dat ik droomde, dat het allemaal niet echt was en ik was als de dood geweest dat ik wakker zou worden in mijn bed, met tranen in mijn ogen en dat hij dan niet bij me zou zijn. Als dat een droom was geweest, dan zou ik voor eeuwig hebben willen blijven slapen.
Na een onbepaalde tijd werd er gezegd dat we er vandoor moesten omdat ze het gebouw zouden gaan afsluiten en hij had me gevraagd of ik met hem mee wilde gaan. Direct had ik mijn hoofd geschud en gezegd dat ik naar huis moest omdat mijn huisgenoten anders bezorgd om me zouden worden, wat waar was. We hadden afgesproken dat hij de volgende dag naar het café zou komen om – ja, ik weet niet waarom – en daarna was hij opgestaan. Hij had mij aan mijn handen opgetrokken waardoor ik min of meer tegen hem aan viel en hij had zijn handen op mijn heupen gelegd. Toen hij met zijn duimen over de ster op mijn linkerheup ging en fluisterde dat hij van me hield, met tranen in zijn ogen, wist ik zeker dat ik hem terug had.
De volgende morgen was ik opgestaan met het gevoel dat alles een droom geweest was. Opeens leek alles zo sprookjesachtig, zo onwerkelijk dat het me duidelijk leek dat het gewoon niet waar geweest was. Ik had het idee dat hij om twee uur in het café zou staan maar van me af geschud en had gewoon mijn werktenue aangetrokken. Sa had aan het ontbijt gelukkig geen moeilijke vragen over de vorige avond gesteld, maar ze had me een aantal veelbetekenende blikken toegeworpen die ik genegeerd had. Ik had geen zin in moeilijkheden.
De vorige avond had Liam me opgehaald zodra ik hem gebeld had of hij me op had willen komen halen. Ik had onzekerheid in de ogen van mijn grote liefde gezien toen hij Liam in het oog gekregen had, had gezien dat hij zich afvroeg of hij mijn vriend was, maar toch had hij heel zacht zijn lippen op die van mij gedrukt en toen was ik gestorven. Op dat moment. Ik had het gevoel gehad dat ik uit mijn lichaam getreden was en dat ik hoog boven alle andere dingen gezweefd had, niets voelend. Toen onze lippen elkaar weer scheidden, had ik weer geleefd, met vernieuwde kracht.
Om twaalf uur was ik begonnen met werken na mijn haar in een staart gebonden te hebben en ik had totaal geen acht op de klok geslagen, die langzaam verder getikt was. Vandaar ook dat het een totale verrassing voor me was dat ik hem op een gegeven moment had zien binnen lopen en dat ik verlamd raakte terwijl ik een flesje cola in een glas leeg schonk. Ik was pas weer wakker geschrokken toen er cola over mijn hand gegutst was en ik had mezelf in stilte vervloekt terwijl ik op zoek ging naar een handdoek en hij naar de bar gelopen was.
We hadden niets tegen elkaar gezegd, elkaar alleen maar aangekeken, maar dat was ook genoeg. Sa moet de chemie tussen ons gevoeld hebben, want ze was naar me toegekomen en me gezegd (in het Japans, zodat hij ons niet kon verstaan) dat ik de rest van de dag vrij mocht nemen. Ik had meteen mijn spullen neergelegd en had Sa genegeerd toen ze gevraagd had of hij iemand van vroeger was. Het was er nog steeds de tijd niet voor geweest.
Ik had hem mee naar boven genomen en me gauw omgekleed. Vreemd genoeg deed ik dat in zijn bijzijn en maakte het ons beide niets uit. We waren aan de ene kant weer als vreemden voor elkaar, maar aan de andere kant waren we natuurlijk een lange tijd samen geweest en hielden we nog altijd van elkaar. Het was een beetje een vreemde situatie geweest en ik had een heel dubbel gevoel gehad. Hoorden we nog bij elkaar of moesten we weer opnieuw beginnen?
Ik had gauw een spijkerbroek aangetrokken en ik kan me nog heel goed herinneren hoe hij gegrijnsd had toen ik mijn cupidoshirt over mijn tatoeage had laten zakken. Daarna had ik mijn hand in die van hem gelegd en ik had hem mee de trap af genomen voordat hij de rest van het appartement had kunnen zien. Sa wilde nog naar me toe lopen zodra we de trap af gekomen waren, maar ik was gauw naar de achterdeur gelopen en had die al achter me laten dicht vallen voordat ze me had kunnen bereiken.
De hele middag hadden we hand in hand gelopen en ik had hem vrijwel heel Tokyo laten zien. ’s Avonds had ik naar Sa gebeld dat ik niet zou komen eten omdat hij me uit eten had willen nemen en de hele tijd hadden we gepraat over vroeger. De toekomst vermeden we een beetje, had ik gemerkt en hoewel ik er graag over had willen beginnen, had ik dat op de één of andere manier niet gedurfd omdat ik bang was dat hij er niet over zou willen praten.
Na het eten, toen we beide met een ronde buik (bij wijze van spreken – hij was nog altijd broodmager) weer buiten liepen, hand in hand, had ik hem gevraagd of zijn broer en Julia nog altijd samen waren. Hij had zijn hoofd geschud en heel lang nagedacht voordat hij antwoord gaf op de vraag waarom niet. Uiteindelijk had hij verteld dat hij een tijd lang bepaalde drugs gebruikt had en op een gegeven moment zo ver was weggezakt dat zijn broer had moeten kiezen tussen hem of zijn vriendin. Hij had het vreselijk moeilijk gevonden om hen zo samen te zien, toen wij uit elkaar gehaald waren. Dat feit was zo hard bij me aangekomen dat ik het er even koud van had gekregen en ik had mijn ogen over hem heen laten glijden, mijn blik vertroebeld door opkomende tranen. Pas toen snapte ik waar die onnatuurlijke magerheid vandaan gekomen was, en die diepliggende ogen. Het liefst had ik hem vast willen pakken en hem willen omhelzen, zeggen dat alles goed zou komen omdat we weer bij elkaar waren, maar ik deed het niet en luisterde naar wat hij verder te vertellen had. Hij had gepraat op een totaal emotieloze toon, alsof het helemaal niets uitmaakte, maar natuurlijk had het iets uitgemaakt. Hij had misschien nog wel meer geleden dan ik.
Hij had, had hij verteld, net als ik dagen lang op bed gelegen nadat ik vertrokken was, geschreeuwd en gehuild en dat deed me misschien nog wel meer zeer dan het verhaal dat hij wel eens drugs gebruikte. Op een gegeven moment was hij overmatig gaan drinken en had af en toe wel eens iets geslikt of gesnoven, hij had zelfs heroïne gespoten en het was voor hem vreselijk moeilijk geweest daar vanaf te komen. Zijn broer had hem moeten smeken om af te kicken en hij had pas toegegeven toen hij tijdens een fotoshoot in elkaar gezakt was en zijn broer hem in zijn gezicht gezegd had dat hij mij niet terug zou krijgen op die manier.
Hij had in geen geval naar een afkickkliniek gewild, vertelde hij me, dus had zijn broer hen met zijn tweetjes opgesloten in een kamer waar ze langer dan een week gebleven waren. Hij had me verteld over de nachtmerries die hij had gehad, de dromen waarin hij achtervolgd werd en hoe hij dan zwetend, bibberend en ijlend wakker was geworden waarna zijn broer hem tegen zich aangetrokken had en had gezegd hoe alles weer goed zou komen.
Na een poosje stilte omdat ik geen idee had wat ik moest zeggen na al die informatie, waren we op een muurtje gaan zitten en had hij me tegen zich aangetrokken na een sigaret opgestoken te hebben. Ik had hem gevraagd of hij nog steeds wel eens gebruikte en hij had zijn volmaakte hoofd geschud. Daarna was ik heel stil geweest en had ik me geprobeerd voor te stellen hoe dat geweest zou moeten zijn, in die kamer, maar ik stopte daarmee toen ik tranen in mijn ogen had gekregen. Toen ik naar hem opgekeken had, had hij de tranen in mijn ooghoeken weggeveegd, zijn lippen op die van mij gedrukt en vanaf dat moment wist ik zeker dat het hem zou lukken om al zijn oude gewoonten te laten varen, dat het óns zou gaan lukken om ons er doorheen te slaan. We hadden elkaar weer en dat was genoeg.
Na die kus had hij me gevraagd mee naar huis te komen en ik had zonder te twijfelen ja gezegd. Hij was alles wat ik wilde, iedereen met wie ik wilde zijn en nog veel meer dan dat. Hij was de hele wereld, het universum. Hij was het leven.
We waren opgestaan en hand in hand, met onze vingers verstrengeld, waren we de ondergaande zon tegemoet gelopen, die op ons neerscheen alsof het een soort van zegen was. Ik voelde me opeens intens gelukkig en warm van binnen, wat heel welkom was na de tijd van eenzaamheid en kilte en ik kon wel huilen van geluk. Wie had ooit durven denken dat we weer bij elkaar zouden komen, zo ver van elkaar verwijderd en dat het dan nog zo goed zou klikken? Ik voelde nog steeds dezelfde vlinders als het jaar daarvoor, alsof ze er altijd waren blijven zitten maar gewoon waren gaan slapen en nu weer wakker waren geworden. Opeens was alles aan mij wakker geworden, alsof ik een jaar lang in slaap geweest was en nu weer leefde. Hij schonk me het leven.
Dit was Gods werk.
Een aantal dagen later zat ik op mijn kamer, samen met Sa en Liam, die me hielpen met het inpakken van mijn spullen. Ik had mijn werktenue zorgvuldig opgevouwen en bovenaan de trap gelegd zodat ik het mee naar beneden zou kunnen nemen en was teruggelopen naar mijn kamer om een paar tijdschriften die ik in de woonkamer gevonden had, in mijn tas te proppen. In mijn slaapkamer had ik een blik op de klok geworpen en zo gezien dat ik nog anderhalf uur de tijd had om mezelf helemaal klaar te maken.
Binnen een week was ik van mijn spiegelfobie af gekomen. Opeens had ik in de badkamer gestaan en de handdoeken die voor de spiegel gehangen hadden weg getrokken. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik geschrokken was van mezelf. Ik had lang voor de spiegel gestaan, had mezelf in al die minuten bekeken en me erover verbaasd hoezeer ik veranderd was, hoezeer ik van mezelf vervreemd was en in welke mate ik een ander persoon geworden was. Andere mensen zouden juist make-up op doen om zich achter te verschuilen, maar ik had het juist weggelaten en daar mijn masker van gemaakt.
Ik had mezelf die morgen opgemaakt en was nog even gauw naar de kapper geweest voordat ik zou beginnen met inpakken. Hij zou me komen halen om elf uur en ons vliegtuig zou een aantal uur later vertrekken. Over vierentwintig uur zou ik weer thuis zijn, terug op eigen bodem, waar ik vandaan kwam en dan zouden Sa en Liam kunnen beginnen met mij vergeten. Ik was gelukkiger dan ik ooit geweest was en dat maakte dat ze blij voor me waren dat ik weg zou gaan, ze zagen me immers liever gelukkig vertrekken dan ongelukkig in Japan blijven, maar toch zag ik dat ze het er moeilijk mee hadden. Dat was ook niet vreemd, want we hadden veel tijd met elkaar doorgebracht en ik wist zeker dat ik hen ook zou gaan missen zodra ik weer thuis was. Op dat moment had ik er nog niet zoveel last van gehad. Ik wilde zo graag naar huis toe dat ik me daar nog niet mee bezig hield.
Op een gegeven moment had Liam, terwijl hij een aantal pasgekochte CD’s in mijn tas propte, gezegd dat hij het klote vond dat ik weg moest. Vreemd genoeg deed dat me niet twijfelen aan mijn beslissing en noch deed het me rot voelen. Het had me herinnerd aan vroeger, toen een jongen met dreadlocks dat ook tegen me gezegd had en ik voelde me warm worden van binnen bij het idee dat ik gauw weer thuis zou zijn.
Ik vroeg me af hoe het thuis zou zijn. Ik had hem gevraagd hoe het met mijn vriendinnen ging en hij had gezegd dat ze me misten, nog steeds, na al die tijd. Dat had ervoor gezorgd dat ik me uitermate stom voelde dat ik niet eerder vertrokken was, want blijkbaar was mijn plek in de zogenaamde ‘oude wereld’ nog steeds bewaard gebleven en kon ik daar weer verder leven zoals ik gehoopt had. God was me goed gezind, na al die tijd.
Toen ik mijn laatste shirt had opgevouwen en het in mijn tas gelegd had, zag ik nog net dat Sa onder het bed uit kwam en met mijn dagboek zwaaide voordat ze het op mijn bed legde en vroeg wat het was. Ik had mijn ogen erop laten rusten, totaal vergeten dat ik het ding had in die paar dagen dat de toekomst opeens belangrijker was geworden dan het verleden en er was een pijnlijke stilte gevallen. Met mijn hand had ik het dunne laagje stof eraf geveegd en ik had het voor me op bed gelegd om het slotje van het kettinkje om mijn nek los te maken en het sleuteltje eraf te laten glijden. Ik had het in het slotje gestopt en de stilte om ons heen had zich opgeladen: ik had de spanning bijna kunnen horen knetteren toen ik het sleuteltje omdraaide en het slotje open klikte.
Toen ik het dagboekje had opgepakt, had opengeslagen en mijn ogen over de eerste pagina had laten glijden, sloeg ik mijn hand voor mijn mond. Het had me verbaasd hoeveel emoties het had losgemaakt om te lezen over hoe het begonnen was, maar ik vocht de tranen weg. Ik had Sa en Liam om beurten aangekeken toen ik gemerkt had dat ze me onafgebroken aankeken, hun ogen vol verwachting en ik had naar hen geknikt. De tijd was rijp.
Ik had een juiste pagina opgezocht, een traan die over mijn wang gegleden was weggeveegd en had mezelf achterover laten vallen op bed. Sa en Liam waren naast me komen liggen, ieder aan een andere kant van mij en ik had trillend ingeademd toen ik de eerste regel van een dag aan het einde van maart gelezen had. Liam streek mijn haar uit mijn gezicht en Sa hield me heel stevig vast.
Want het is niet zo dat we ons leven niet zelf kunnen bepalen en dat we afhankelijk zijn van een zeker lot. We kunnen het sturen door de dingen die we doen, door de dingen die we denken en de kleinste beslissingen kunnen ons leven een heel andere wending geven. Je moet niet denken dat ik onzin praat, want ik heb het zelf meegemaakt en weet als geen ander hoe verschrikkelijk het is om te weten dat iets dat op het eerste gezicht een ongelukkige samenloop van omstandigheden lijkt, je eigen schuld is. Je hangt je hele leven aan een zijden draad, maar je kunt zelf bepalen of je valt of blijft hangen. Dat heb je zelf in de hand.
Ik nam een hap adem om te kalmeren en begon te vertellen.