Samen Alleen


Ik wist dat je voelde dat ik er was, dat wist ik gewoon. Telkens als ik terloops langs je hand probeerde te strijken of mijn lippen op je wang probeerde te duwen, voelde ik je rillen omdat ik telkens dwars door je heen viel. Ook al kon ik je niet bereiken, ik bleef bij je, zou altijd bij je blijven, want dat had ik in het leven gedaan en dat zou ik in de dood ook doen.

Je leek zo ver weg. Dagenlang zat ik bij je, probeerde ik afscheid van je lichaam te nemen, maar het deed zo’n zeer te weten dat er binnenkort niets meer zou zijn waar ik om kon rouwen, dat het enige waar ik naar toe zou kunnen gaan een steen zou zijn. Iedere keer als ik jouw koude hand in die van mij hield, wenste ik meer en meer dat je plotseling wakker zou worden, dat je gewoon zou zeggen dat het maar een grapje was en dat je me nooit alleen zou laten, maar ik wist dat dat niet zou gebeuren. Je bleef maar koud, star en leeg en dat deed me verschrikkelijk veel zeer. Ik wilde alleen maar bij jou zijn, want voor de rest had ik niemand nodig en ik was gewoon niets zonder jou.

Je was sterk, maar ook gebroken. Iedere dag weer zag ik je een stukje verder afbreken, zag ik hoe je meer en meer kapot ging aan je verlies. Ik wilde je zeggen hoezeer het me speet dat ik je achtergelaten had, zo eenzaam en alleen, want ik had ook niet kunnen weten dat een onschuldig autoritje zo af zou lopen – ik had er niet eens over nagedacht. Als ik geweten had dat je zo zou lijden onder je verlies, dan had ik wel dertig keer nagedacht, Bill, echt waar. Ik kon niet aanzien hoe je iedere dag meer wegkwijnde, wilde je het liefst in mijn armen nemen en je zeggen dat alles wel weer goed zou komen, maar ten eerste kon dat niet en ten tweede wilde ik niet tegen je liegen.

Ik kon het niet aan om in mijn eentje achter te blijven terwijl ik eigenlijk alleen maar bij jou wilde zijn. Mijn hele lichaam deed zeer van verlangen naar jou, van het verlangen je te zien en met je te kunnen praten, het verlangen mijn verdriet met je te kunnen delen en je vast te kunnen houden, met mijn vingers over je gezicht te kunnen gaan en mijn lippen op je wang te kunnen drukken, je te kunnen zeggen dat ik van je hield en daarna vastgehouden te worden door jou. Ik wist dat je bij me was, ik wist dat ik tegen je kon praten, maar je zei maar niets terug en dat deed me zo’n zeer dat het ondraaglijk was. Je was opeens onbereikbaar voor me en dat kon ik niet aan, want we waren altijd samen geweest en dat was opeens niet meer.

Ik zag hoe je leed, iedere dag opnieuw. Na mijn begrafenis bracht je ieder vrij uur door op plaatsen waar je alleen met mij kon zijn en kon nadenken over het leven dat je zo graag wilde beëindigen – want ik weet dat je dat wilde. Ik kon het voelen, merkte aan alles wat je deed en hoewel ik het rot vond dat je jezelf van het leven wilde beroven, was er een stemmetje in mij dat het prettig vond dat je naar me toe wilde komen. Ik zou je in ieder geval niet tegenhouden, want ik wilde je vasthouden, je laten weten dat ik bij je was en dat kon alleen maar als je hier bij mij zou zijn.

Ik kon niet, wílde niet zonder jou. Het leven was opeens zo inhoudsloos, zo eenzaam, hoewel ik wist dat je bij me was. Nooit was ik écht alleen, maar toch voelde het zo, omdat ik je niet kon vasthouden. Ik had me nog nooit zo leeg gevoeld en eigenlijk was ik al zo goed als dood; ik moest alleen mijn hart nog stil zetten.

Je vastberadenheid beangstigde me, want zo kende ik je niet. Je bleef mijn kleine broertje en hoewel ik je eigenlijk tegen wilde houden omdat ik onze moeder niet nog meer pijn wilde doen, was ik blij dat je hierheen kwam. Ik had waarschijnlijk precies het zelfde gedaan.

Ik kon niet anders doen dan mijn kans grijpen zodra ik een keer alleen thuis was. Ik nam een mes uit de keukenla en liep naar boven zodat ik het in alle stilte kon doen, samen met jou, want ik wist dat je bij me was. Ik voelde je aanwezigheid overal om me heen, voelde hoe je me de moed inboezemde om dit te doen, iets waarvan ik wist dat het moest gebeuren omdat ik anders nooit rust zou vinden. Mijn ziel was in stukken geslagen doordat ik jou verloren was en ik kon me er maar niet bij neerleggen, kon maar niet begrijpen waarom dit juist ons weer moest overkomen. Doordat ik mezelf nu mijn rust zou gunnen, zou ik mensen pijn doen, maar dat had ik ervoor over om weer bij jou te zijn. Jij was het enige waarvoor ik geleefd had en nu je er niet meer was, had ik ook geen reden meer om in leven te blijven. Ik voelde me zeker toen ik het mes in mijn handen nam, wist zeker dat ik het wilde, dat ik het durfde en dat ik de stap kon nemen, maar ik deed nog niets, wachtte totdat ik zeker wist dat jij bij me was.

Je wachtte op me, net zoals ik op jou wachtte, dat zag ik aan de blik in je ogen. Ik deed een aantal stappen vooruit, totdat ik recht voor je stond en ik je hand kon pakken, die ik optilde. Het verbaasde me dat ik lichaamscontact met je kon maken, dat mijn hand niet dwars door die van jou viel zoals hij al vele malen eerder gedaan had, maar het verwonderde me ook niet: je was al zo dicht bij de dood dat we eigenlijk al gelijk waren. Het feit dat je lippen trilden toen ik je mouw opstroopte, maakte je angst kenbaar, maar je had nog altijd die vastberadenheid in je ogen. Je wilde het. Je wilde bij mij zijn.

Ik voelde hoe je mijn mouw opstroopte en met dat besef stroomde er een gevoel door mijn lichaam dat ik niet benoemen kan. Je was bij me, je was zo dichtbij me dat ik je al kon aanraken en ik wist van mezelf dat ik de stap zou durven nemen om weer volledig één met je te kunnen worden. Ik legde het mes op mijn pols, met de punt naar beneden en zocht naar jouw ogen, maar je was onzichtbaar, zoals altijd.

Ik zag hoe je het metaal in je arm liet zakken, hoe je schokte omdat je schrok van de pijn die het deed. Je trilde, liet het mes uit je handen vallen en zakte neer op je bed, je hand om je pols geklemd. Ik zakte op mijn knieën voor je neer en pakte je hand vast, die langzaam rood kleurde van het bloed dat uit de snede stroomde. Ik probeerde je blik te vangen, maar je bleef angstig naar beneden kijken, verwonderd door hetgeen je net gedaan had.

Toen ik opkeek, zag ik je ogen en wist ik dat ik niet meer ver van je verwijderd was, dat ik je bijna weer zou kunnen spreken. Ik zag je blik, zag hoe je ernaar verlangde om weer met me samen te zijn en ik voelde precies het zelfde, voelde het verlangen je te kunnen zien.

Ik omhelsde je, voelde hoe je brak in mijn armen en ging langzaam met mijn handen over je slanke en gebogen rug, nog niet beseffend wat het betekende: je kwam naar me toe. Het duurde niet lang meer of we zouden echt samen zijn. Ik was zo trots op je.

Ik voelde je warmte, voelde hoe ik met iedere seconde dichterbij je kwam. Ik voelde je overal, in mijn hele lichaam en ik voelde me vredig omdat ik stierf in jouw armen. Het was alsof het zo behoorde te zijn.
“Ik hou van je,” fluisterde ik zachtjes, zeker wetend dat je me kon horen. Je keek me aan, opnieuw, met een blik in je ogen die noch wanhopig, noch angstig noch twijfelend stond. Je was gelukkig met je keuze en ik was gelukkig omdat jij gelukkig was.

Ik sloot mijn ogen en voelde hoe ik langzaam wegdreef, hoe ik steeds verder verwijderd raakte van alles om me heen. Niets was er meer, behalve jij en ik en de oneindigheid die ons naar boven bracht.
We waren samen alleen.