Stich ins Glück


Met tranen in mijn ogen keek ik vanuit de deuropening naar de kleine, slapende figuur in het witte ziekenhuisbed. Zijn bleke gezicht viel weg tussen de smetteloze lakens en hij leek nog het meest op een porseleinen pop, zo breekbaar en fragiel als hij eruit zag. Zijn wenkbrauwen staken sterk af tegen zijn huid, zijn ogen lagen diep in hun kassen en zijn wangen vertoonden geen enkele blos meer. Hij was spookachtig mager, bleek, doodmoe.
Hij kon niet meer, dat was zelfs van zijn gezicht af te lezen wanneer hij sliep. De ziekte had hem uitgeput – ik had hem niet eens ongelijk kunnen geven toen hij ons verteld had dat hij niet meer wilde vechten, dat hij verlangde naar rust en dat hij de dokters gevraagd had het proces te versnellen. Bill daarentegen was compleet geflipt. Het was verschrikkelijk geweest hem zo hulpeloos te zien, krijsend tegen niets in het bijzonder. Het was echter nog erger te zien hoe Tom iedere dag een stukje verder afbrak, hoe hij onophoudelijk rilde, droomde over zijn moeder, vocht tegen de ziekte die woekerde in zijn uitgemergelde lichaam.
Hoe hij leed.
Daarom had ik toegestemd.

Bills geschreeuw bleef maar door mijn hoofd galmen. Hij was op het bed gesprongen en had zijn broer vastgegrepen, schreeuwend en huilend dat hij hem niet kon achterlaten, dat hij niet verder kon leven als Tom zou sterven. Ik had willen ingrijpen, maar had aan de grond genageld gestaan. Bill had om zich heen geslagen toen de verplegers hem van het bed hadden geprobeerd te trekken, had geschreeuwd dat ze hem met rust moesten laten en dat ze hem zijn broer niet af mochten nemen. Dat het moordenaars waren. Pas na minutenlang tegenstribbelen was hij gebroken en had hij zich op een stoel op afstand van het bed laten duwen, de tranen rollend over zijn wangen. Ik zal de verslagen blik in zijn ogen nooit meer vergeten, de pijn die zijn gezicht uitdrukte. Mijn hadden opeens hun gevoel teruggekregen en ik was naast hem neergezakt om zijn magere lichaam, dat schokte van verdriet, in mijn armen te nemen totdat het verdriet over zou zijn.
Dat was de eerste keer dat ik Tom had zien huilen.
Hoezeer Tom ook bij Bill wilde blijven, hoe veel hij ook nog wilde doen in zijn leven, het ging niet meer. Hij was ongeneeslijk ziek, hij zóú niet beter worden. Vechten voor zijn leven putte hem uit, maakte de zaak er alleen maar erger op. Hij verlangde naar de rust die de hemel hem bood, verlangde ernaar de pijn achter zich te laten. Ik kon hem geen ongelijk geven, hoe verschrikkelijk het ook zou zijn om hem te laten gaan. Als hij het wilde versnellen, dan mocht hij dat van mij. Ik zou hem missen, maar ik was niet de belangrijkste persoon in het verhaal. Hij wilde rusten en de rest deed er niet meer toe.
Hij kon niet meer.

Ik knipperde mijn tranen weg en liep stilletjes naar het grote bed toe, waar ik neerzakte op de rand. Teder pakte ik Toms hand, verwarmde hem door hem kort tegen mijn wang te leggen. Over minder dan drie uur zou er geen leven meer in hem zitten, zou zijn hand ijskoud zijn en zou hij mijn warmte niet meer kunnen voelen. Hij ademde zijn laatste adem en sliep zijn laatste slaap. Ik probeerde me voor te stellen hoe een leven zonder hem zou zijn, maar dat kon ik niet. Ik wílde het ook niet weten, wilde nog niet denken aan hoe we het zonder hem zouden moeten doen. Mijn leven zou nooit meer dezelfde zijn zonder zijn flauwe grappen, zijn patserige uitspraken, zijn aanwezigheid. Door de jaren heen hadden we zoveel met elkaar meegemaakt dat ik het me niet kon voorstellen dat ze hem van me weg zouden halen – het leek alsof er iets geamputeerd werd. Tom was een deel van me, als een arm of een been. Ik was niet volledig zonder hem.
Ik keek even gauw op toen Bill de ziekenhuiskamer in kwam lopen, met grote en vastberaden stappen. Hij zag er vreselijk uit, gepijnigd, gemarteld. Zijn donkere haar zat in een vettig staartje omdat hij weigerde het te wassen en er waren donkere kringen zichtbaar rond zijn bruine ogen, welke dof stonden. Hij was heel anders dan ik me herinnerde, veel breekbaarder, alsof hij samen met zijn broer ziek was. Toen ik dat geregistreerd had, richtte ik mijn aandacht weer op de jongen in het ziekenhuisbed, om me van zijn aanwezigheid bewust te zijn zolang dat nog kon.
Bill liet zich zakken op de stoel naast me, langzaam, alsof het hem moeite kostte en dat zou me nog niet eens zo verbazen gezien het gewicht dat op zijn schouders rustte. Het verbaasde me dat hij nog niet was bezweken onder zijn gevoelens en emoties – ik zou er waarschijnlijk veel slechter aan toe geweest zijn als het míjn broer geweest was. Waarschijnlijk hield hij zich groot – of eigenlijk wist ik dat wel zeker.
Ik voelde me dat hij me aanstaarde en zodoende keek ik naar hem op. Zijn ogen glommen triestig in het bleke licht van de TL-buizen en ik schrok van de tint van zijn huid, die zeker drie keer zo licht was als de laatste keer dat ik hem gezien had. Het leek alsof hij een masker droeg dat alles wat hij voelde moest verhullen, een masker dat hem hielp door deze periode heen te komen. Ik wist zeker dat hij het af zou zetten als het zover was, wanneer Tom de dodelijke vloeistof toegediend zou krijgen, maar dat liet nog op zich wachten. Hij wilde de tijd die hem nog restte met zijn broer waarschijnlijk zo kalm mogelijk doorbrengen zodat hij er zich achteraf nog iets van zou kunnen herinneren, en dat was begrijpelijk. Ze hadden nog zo weinig tijd samen.
Net toen ik besloot op te staan om hen alleen te laten, nam Bill mijn hand vast en haalde hij een schaar uit zijn broekzak, welke hij in mijn hand drukte. Hij keek me aan met een vastberaden blik, ondanks zijn vochtige ogen, en even vroeg ik me af wat hij wilde dat ik ermee zou doen. Pas na een seconde of drie verdwaald te zijn in de wereld die achter zijn ogen lag, besefte ik me wat hij wilde en dat hij het ook écht wilde. Ik schudde mijn hoofd.
“Doe niet zo raar,” zei ik zachtjes, zodat Tom niet wakker zou worden. “Je bent er zo trots op.”
Hij haalde onverschillig zijn schouders op en draaide zijn stoel een kwartslag, zodat hij met zijn rug naar me toe zat. Ik liet mijn blik over zijn zwarte lokken glijden, het toppunt van zijn ijdelheid, en wendde mijn blik toen af naar het kale hoofd van zijn slapende broer. Ik herinnerde nog hoe ik zijn dreads had afgeknipt, hoe verschrikkelijk het geweest was Tom zoveel zeer te doen. Hij had onophoudelijk getrild en de stille tranen waren als watervallen over zijn wangen gelopen. Liever had hij gehad dat Bill het gedaan had, maar Bill had het niet gekund. Tom was zichzelf niet zonder zijn dreads en Bill had hem zijn persoonlijkheid niet willen afnemen. Hij had het niet gekund.
“Doe het,” gebood Bill met een kilte in zijn stem die ik niet van hem gewend was, met een onderhuidse trilling die doorklonk in zijn woorden. “Ik ben zijn bróér.”

Bill trilde. Hij huilde. Ik knipte echter door, omdat hij Toms broer was en hij precies het zelfde wilde voelen als hij. Hij wilde niet dat Tom er alleen voor stond.
Pluk na pluk viel op de grond, dwarrelde neer als zwarte veertjes. Bills hoofd was gebogen, hij speelde met zijn nagels en traan na traan drupte in zijn schoot, wat de stof van zijn spijkerbroek donker kleurde. Het liefst nam ik hem in zijn armen, zou ik zeggen dat we er samen wel uit zouden komen en dat we niet te lang stil moesten blijven staan bij wat er gebeurd was, maar ik wist dat dat een leugen was die Bill niet zou geloven. We konden niet verder zonder Tom. Na deze dag zouden we nooit meer dezelfde zijn.

“Waarom stemde je toe?” vroeg hij met een stem die zo zacht was dat hij niet eens door de verlaten hal galmde. Hij klonk angstig. We wisten beide dat de dood Toms grootste angst was en dat hij doodsbang zou zijn wanneer ze hem over minder dan een uur zijn rust zouden geven. Mijn maag trok samen bij het idee dat het nog maar zo kort duurde, dat hij wakker zou worden gemaakt en vervolgens voor eeuwig in slaap zou worden gebracht. Tranen welden op in mijn ogen terwijl ik nadacht over Bills vraag, want ik had opeens geen idee meer waarom ik toegestemd had. Als ik gezegd zou hebben dat ik niet had gewild dat Tom zou sterven, dan zou het niet gebeuren.
Het duurde even voor ik me opnieuw realiseerde dat Tom zijn rust nodig had, dat hij genoeg geleden had en dat het beter was om hem zo te laten gaan dan om hem te laten wegkwijnen. Dan zou hij veranderen in een kasplantje dat ons niet meer zou herkennen, net zoals zijn moeder, die een aantal jaren daarvoor overleden was aan precies dezelfde ziekte. Tom had het verschrikkelijk gevonden haar op die manier te zien sterven, daarom wilde hij zelf dat het op deze manier zou gebeuren. Hij verdiende zijn rust na alles wat hij doorstaan had, na al die gevechten die hij gewonnen en verloren had. Het zou egoïstisch zijn om hem te laten leven.
“Hij heeft rust nodig, Bill,” zei ik zachtjes terwijl ik zijn blik probeerde te vangen, maar hij liet het niet toe. Hij staarde ononderbroken naar de deur waarachter zijn broer lag, met een doodsangst in zijn ogen die ik niet voor mogelijk had gehouden. “Hij kan niet meer.”
Ik voelde hoe er een traan uit mijn oog ontsnapte terwijl ik het zei, terwijl ik me besefte dat ik Tom los moest gaan laten. Ik was zo kalm van binnen, anders dan Bill, en dat beangstigde me. Het was alsof ik er niets om gaf, alsof ik niet om Tom gaf, maar het tegendeel was waar. Ik voelde me een slecht mens omdat ik niet de neiging had te schreeuwen, net zoals Bill, omdat ik niet de behoefte voelde mijn haren af te knippen. Het was alsof ik buiten de ellende stond en dat wilde ik niet.
Bill kroop tegen me aan en verborg zijn gezicht in mijn shirt, sloeg zijn armen om mijn schouders om houvast te vinden. Ik omarmde hem, voelde hoe zijn schouders schokten en opeens brak ik. Het was alsof ik Bills verdriet kon voelen. De tranen stroomden over mijn wangen, mijn keel schrijnde en mijn maag voelde zo zwaar aan dat het leek alsof hij van lood was. Ik had Tom nodig en het deed zo’n zeer te weten dat ik nooit meer met hem zou kunnen lachen, nooit meer met hem zou kunnen praten als jongens onder elkaar, nooit meer zou kunnen huilen wanneer er iets niet ging zoals gepland. Hij was mijn maatje, mijn steun en toeverlaat. Natuurlijk had ik Bill, maar dat was slechts de helft van wie ik was. Zonder Tom ging het niet.
We zaten daar minutenlang, ons gesnik klinkend door de verlaten gang. Ik staarde over Bills hoofd naar de deur waarachter de doktoren bezig waren met Tom – pas als ze klaar waren, mochten we binnenkomen en zou het gebeuren. Ik werd gek van het wachten, gek van het horen hoe de seconden wegtikten op de klok die boven ons hing. Ieder moment dat we niet bij Tom waren, was een verloren moment. Ik was zo bang dat Tom bang zou zijn, dat zijn angst hem verhinderde te verlangen naar de rust. Hij verdiende het weer gelukkig te zijn. Die prik zou hem helpen dat geluk te vinden.

We keken als één persoon op toen de deur voor onze ogen openging en een dokter in een lange, witte jas voor ons verscheen. De trek op zijn gezicht was ernstig, op zo’n manier waarop hij uitstraalde dat hij Tom één van de zovelen was. Het deed me zeer dat te weten, dat Tom niet zo bijzonder voor hem was als hij voor ons was. Het deed me twijfelen aan mijn beslissing.
“Kom maar binnen,” zei hij met een uitnodigende hoofdknik. “Het is zover.”

Ik stond achter Bill en hield hem vast met één arm rond zijn middel. De hand van mijn andere arm was verstrengeld met die van hem, zodat we vergroeid waren tot één dezelfde persoon. Hij huilde niet meer, maar was angstaanjagend kalm, net zoals ikzelf. Het masker dat hij al eerder die dag gedragen had, had hij opnieuw voor zijn gezicht geplaatst, zodat Tom niet te zien zou krijgen hoe verschrikkelijk hij zich zou voelen over zijn dood. Onderhuids voelde ik echter zijn paniek, zijn verdriet, zijn angst. Het woekerde in hem zoals de ziekte in Toms lichaam woekerde. Het kostte hem ontzettend veel moeite de emoties niet de overhand te laten krijgen en ik wist dat het tot uitbarsting zou komen – ik had alleen geen idee wanneer.
Tom zat rechtovereind in bed, ondersteund door een aantal kussens achter zijn rug. De man in de lange witte jas die naast hem stond, rommelde in een koffertje met spullen. Tom keek ons niet aan, hield zijn hoofd gebogen, alsof hij ons niet aan dúrfde te kijken omdat we dan de angst in zijn ogen zouden zien. Zijn onderlip trilde licht, net zoals zijn handen. Alles aan hem straalde angst uit, maar ook een soortement vastberadenheid. Hij wilde niet meer lijden, wilde gelukkig worden. Het klinkt vreemd om te zeggen, maar ik zag een soort van overlevingsdrang in hem. Het was niet langer zijn doel meer om te overleven op aarde, maar wel in wat daarna kwam.
De arts vulde een injectiespuit met een onidentificeerbare vloeistof. Ik zag hoe Tom even naar hem opkeek, maar al gauw zijn blik weer afwendde, bang voor wat er ging komen. Zijn blik ontmoette die van mij even en direct kreeg ik het gevoel alsof ik een schop in mijn maag kreeg. Het werd heel even zwart voor mijn ogen, heel kort maar, maar lang genoeg om me te laten overspoelen door een golf van paniek waarvan ik wist dat ik hem moest negeren. Ik wilde hem niet kwijt, net zomin als hij dood wilde gaan. We wisten echter beide dat het beter was op deze manier.
“Ben je er klaar voor?”
De arts vroeg het op een toon die routine verried. Ik keek als gehypnotiseerd naar Tom, de kleine en ineengedoken figuur tussen de witte lakens. Ergens diep van binnen hoopte ik dat hij zijn hoofd zou schudden, dat hij zich besefte dat hij ons niet achter kon laten en dat we na een week te horen zouden krijgen dat Tom op de één of andere manier toch te redden bleek, maar ik wist dat het niet zou gebeuren. Het was een sprookje dat ik ooit verzonnen had en waarvan ik wist dat het niet waar was. Het was een leugen.
Tom knikte zacht, vastberaden. Ik voelde hoe Bill verkrampte, hoe hij alles op alles moest zetten om niet in beweging te komen en ik verstrakte mijn greep om zijn middel. Hij kneep in mijn hand, zoekend om steun die ik hem probeerde te geven zonder woorden, want ik kreeg geen geluid uit mijn keel. Die hoofdknik betekende zoveel voor onze toekomst dat ik er radeloos van werd, dat ik het liefst wilde gillen dat het niet mocht, dat hij beter moest worden, maar ik wist dat het niet kon en dat het zinloos zou zijn om tussenbeide te komen. Tom wilde het zo.
Toen de arts de naald in Toms arm liet glijden, voelde ik hoe Bills lichaam daarop reageerde alsof hij de pijn zelf kon voelen. Hij liet zijn ingehouden adem in een getergd geluid ontsnappen en probeerde uit mijn greep te ontsnappen, maar ik wilde hem niet loslaten. Hij vocht tegen mij zoals Tom tegen de ziekte gevochten had maar ik bleef hem vasthouden. Ik zag hoe zijn blik zich verstrengelde met die van Tom en hoe dat een schreeuw aan zijn lippen ontlokte.
Nee.
Nee, nee, nee. Het bleef door mijn hoofd galmen en het deed mijn paniek opzwellen in mijn borst. Ik sloot mijn ogen kort en probeerde mijn gevoelens zo de baas te worden terwijl Bill worstelde in mijn armen, maar ik kwam al gauw tot de conclusie dat het niet werkte. Zodra Tom alle vloeistof toegediend had gekregen, liet ik zijn broertje los. Hij stormde direct op het bed af en klampte zich vast aan zijn broer, huilend, fluisterend dat Tom hem niet alleen mocht laten. Ik twijfelde nog of ik hen alleen moest laten, maar stapte toen zelf ook naar het bed toe en zakte neer op de stoel waar ik die morgen al eerder op gezeten had. Ik pakte Toms hand en streelde met mijn vingertoppen teder zijn huid, als laatste blijk van liefde. De tranen rolden over mijn wangen, geluidloos en stil, precies zoals ikzelf. Ik zal de zachte blik in zijn ogen nooit vergeten toen hij me voor het laatst in zijn korte leven aankeek en het warme gevoel dat hij me daarmee bezorgde terwijl zijn hand langzaam koud werd.
Het was goed zo.