Vooraf


Er was eens, op een plaats hier heel dichtbij, een meisje dat zich een weg door de kille avondlucht baande. De wind sneed in haar gezicht, bracht herinneringen die nooit van haar waren geweest. Met iedere stap drong de kou dieper door in haar lichaam, sneeuw klevend aan haar donkere haren, druppels vormend zoals de bevroren tranen op haar wangen. De vers gevallen witte deken knerpte onder haar slepende voetstappen, een spoor vertonend dat de weg naar huis aanduidde, al was het al lang haar thuis niet meer.

De weg die ze reeds had afgelegd, was lang, doch niet zo lang als die van haar hart.

Rillend vocht ze zich verder door de koude nacht, haar adem als een solide mist zwevend voor haar gezicht, ontastbaar als de wind. Het was te koud om buiten te zijn, maar ze kon niet anders; er was geen eten meer en zodoende was haar hoop gevestigd op het verkopen van een aantal zwavelstokjes die ze in het krakkemikkige huis bij elkaar gesprokkeld had. Haar voeten waren gevoelloos door de sneeuw, evenals haar vingers en haar neus, maar ze durfde niet terug te keren zonder iets verkocht te hebben. De wanhoop dreef haar ertoe steeds verder te lopen, zelfs al was dat naar het eind van de wereld; als ze haar familie maar niet teleur hoefde te stellen.

Met haar verkleumde handen verborgen in de zakken van haar zomerjas en haar blik op de gladde straat gericht, begaf ze zich verder naar de plaats waarvan ze wist dat ze er al haar zwavelstokjes zou kunnen verkopen, de plaats waar de mogelijkheid tot leven haar aangereikt zou worden. Haar gedachten raasden als een trein, maar haar lichaam was te verlamd om haar hersenspinsels te kunnen volgen. Ze verlangde naar een beetje warmte, een flintertje genegenheid, een fragment liefde. Deze kleine reis was echter niets vergeleken bij de talloze mentale kilometers die ze al had afgelegd, niets vergeleken met hoe ver haar onvoorwaardelijke liefde voor haar prins reikte. Deze wezenlijke kou was slechts een briesje vergeleken bij wat haar hart had doorgemaakt.

En toch verlangde ze naar rust, want haar lichaam was koud, haar brein bevroren en haar hartslag slechts een schim van wat hij zou moeten zijn.

Plotseling merkte ze dat de sneeuw was gestopt te vallen, alsof haar gebed verhoord was door de God waarin ze het vertrouwen eigenlijk al lang verloren had. Ze werd omringd door een haast serene rust, slechts verstoord door het ruisen van de huiveringwekkende wind en het geluid van razende auto’s in de verste verte.

Toen ze haar vermoeide ogen opsloeg, merkte ze dat haar benen haar onder een vervallen viaduct geleid hadden. Abrupt stopte ze met lopen, liet ze zichzelf ingesloten worden door de haast ongekende vrede. Op dat moment voelde ze pas echt hoe moe ze was. De zwavelstokjes in haar broekzakken wogen zo veel dat ze bijna bezweek onder de enorme last.

Ze wist dat ze verder moest lopen, maar haar benen wilden haar niet dragen. Zelfs haar schaduw was loodzwaar.

Tegen de betonnen wand liet ze zichzelf naar beneden glijden, op een plaatsje vrij van sneeuw en wind, doch in het centrum van miserie. Haar leven was altijd rijk aan hindernissen geweest, aan uitdagingen en moeilijkheden en martelingen; dat was al zo geweest vanaf het moment dat ze voor het eerst het levenslicht zag. Jarenlang had haar leven in het teken gestaan van verdriet, pijn, verlies, eenzaamheid en teleurstelling – nog nooit had zij echter zoiets bitters als de wreedheid van de wereld hoeven trotseren. Het waren altijd de mensen om haar heen die haar leken te vernietigen, niet de het decor van haar leven zelf.

Haar tanden klapperden ongecontroleerd, een onvast ritme in de bevroren lucht, het smeken van haar maag overstemmend. Ze sloeg haar magere armen om haar opgetrokken knieën heen en verborg haar gezicht in het duister, beschaamd, verlangend, ondanks alles nog vol van hoop.

Plots dook er een gedachte in haar op die een zeker schuldgevoel bij haar losmaakte, maar hoezeer ze hem ook probeerde te onderdrukken, het bleef aan haar knagen. Het verlangen naar warmte overstemde al haar andere begeren, en tevens het gevoel van loyaliteit dat ze jegens haar familie koesterde. Haar geweten vertelde haar dat ze het niet mocht doen, dat het verraad zou zijn, doch haar lichaam en geest leidden gescheiden levens. Zo was het altijd al geweest; diep van binnen wist ze wel wat goed voor haar was, welke daden haar uiteindelijk in de hemel zouden brengen, maar de werkelijkheid om haar heen was te hard om naar haar idealen te leven. De wereld was vergiftigd, en zo ook haar ziel.

Haar hand gleed naar haar broekzak, waarin de zwavelstokjes wogen als lood. Zou ze het durven? Zou ze er één durven aansteken in haar zoektocht naar warmte?

Met trillende, gevoelloze handen trok ze er één uit het bosje en streek hem af tegen de grijze wand, om het moment daarna overspoeld te worden door een oceaan van licht. Ze waande zich in een warm bad, in een oase van rust, en sloot vederlicht haar ogen. Toen ze hen even later weer opende, was de grauwheid van het viaduct plotseling verdwenen en bevond ze zich thuis, aan de eettafel, omringd door de familie die ze al die jaren had geprobeerd te ontvluchten. Haar ouders leken niet door te hebben dat ze er was, doch haar zus staarde haar recht aan, met een lege blik in haar ogen, een spoor van zout zichtbaar op haar wang. Plotseling besefte ze zich hoezeer haar zus geleden had onder haar afwezigheid, onder de onzekerheid die ze had achtergelaten. Het oogcontact was intens doch leeg. Er werd zoveel gezegd op dat moment, maar ook zoveel gezwegen, omdat wezenlijke woorden niet konden zeggen hoezeer het haar speet.

Voordat ze het zich kon beseffen, was de warme kamer verdwenen en zat ze weer onder het viaduct, de ijzige kou kippenvel veroorzakend waar het dat maar kon. Ze rilde van top tot teen, geschrokken door de plotselinge golf van grijze kilte, het stompje van het opgebrande zwavelstokje onopvallend trillend in haar bevroren hand.

Zonder erbij na te denken, haar gedachtestroom bevroren, tastte ze opnieuw naar haar broekzak, ernaar verlangend opnieuw een dergelijk moment van warmte te beleven. Ze kon haar zus daar niet zomaar achterlaten, bij haar ouders, al even eenzaam als zij ooit geweest was – of in ieder geval moest ze haar tenminste zeggen dat het haar speet.

Toen ze het tweede zwavelstokje afstreek en een storm van licht de kou doorbrak, verdween de werkelijkheid nog sneller dan de eerste keer. Haar zus kwam echter niet meer terug. In plaats daarvan bevond ze zich plotseling in een park waarvan de grasvelden gestreeld werden door het warmste zonlicht ter wereld, onder bomen waarvan de bladeren een zachte melodie fluisterden, omringd door een zinderende warmte die de aarde leek te omhelzen.

“Mirre,” klonk het plotseling achter haar, een zachte stem de hitte doorklievend.

Toen ze zich omdraaide, keek ze recht in de ogen van iemand die ze jarenlang als een vriendin gezien had, maar genadeloos verraden had toen ze dacht de zin van het leven gevonden te hebben. Ook in de ogen van haar vriendin zag ze de stille pijn rusten, maar anders dan die van haar zus, stonden deze daarnaast vol van schittering en glans.

Plotseling werd ze liefdevol in de armen gesloten, in een adembenemende omhelzing waarin alle herinneringen van vroeger naar haar hart stroomden, warm kloppend tegen dat van haar vriendin. De familiaire geur deed denken aan het huis waarin ze samen eindeloos huiswerk gemaakt hadden, in een era waarin dat nog belangrijk geleken had; het gevoel van een warm lichaam tegen dat van haar kwam als een zegen na de dagen van leegte. Ze kon de vergeving al voelen voordat die uitgesproken was.

En plotseling kon ze zich niet meer herinneren waarom ze dit ooit opgegeven had.

“Het spijt me zo verschrikkelijk, Linda,” fluisterde ze zo zacht dat enkel de wind het kon horen. “Mijn God, het spijt me zo.”

Direct verslapte de greep om haar middel en zakte ze terug in de grijze wereld, terug in de kou, terug in de gapende leegte van haar leven. Als in een automatisme pakte ze opnieuw een zwavelstokje uit het bosje, wetend dat ze terug moest naar dat park, waar het dan ook was, zelfs al verspeelde ze daarmee de stuivers die ze zou krijgen wanneer ze de zwavelstokjes zou verkopen. Op dat moment maakte het verraad jegens haar familie niet meer uit, omdat het verraad jegens haar vrienden zoveel groter zou zijn wanneer ze zich niet zou verantwoorden voor wat ze allemaal veroorzaakt had. Nog nooit had ze zo kristalhelder ingezien hoezeer haar leven uit de hand gelopen was; nog nooit had ze zo gehoopt dat ze alles kon terugdraaien.

Haar hoop was echter tevergeefs. Het leven had geen terugspoelknop.

Met het afstrijken van het derde zwavelstokje verloor ze zichzelf opnieuw in een ruimte van licht en bedrog, in een schaduwrijk tussen slapen en waken in. Het vuur verblindde haar zo abrupt dat ze gauw haar ogen dichtkneep, overdonderd door de plotselinge warmte, hen daarna langzaam weer openend om hen te laten wennen aan het levenslicht.

Voor haar stond een jongen met honingbruin haar en ingevallen wangen, zijn jukbeenderen prachtiger dan menigeen. Zijn gezicht was een kunstwerk van harde en zachte lijnen, zijn kaaklijn hoekig, zijn wenkbrauwen rond, abstract en gelijktijdig realistisch, oppervlakkig en tegelijkertijd kilometers diep. Zijn ogen leken op oceanen, niet enkel om de kleur, maar vooral om de verraderlijkheid ervan: je viel voor het prachtige blauw en verdronk uiteindelijk in de diepte ervan. Op zijn lippen rustte de schaduw van een glimlach – eentje waarvan ze diep van binnen al wist dat hij niet voor haar bestemd was.

Hij was haar prins; de jongen die haar hart herborg, reeds jaren. Hij was de verwezenlijking van haar hoop, de persoon waarvan ze had gedacht dat hij haar redding zou kunnen zijn, maar uiteindelijk haar ondergang betekend had. Zijn eindeloze schoonheid verlamde haar als een vergif, maakte het onmogelijk haar brein normaal te laten functioneren, ook al wist ze dat haar tijd beperkt was. In een andere dimensie tikte de tijd door, brandde het zwavelstokje millimeter voor millimeter verder af. Ze wist intuïtief dat ze hem moest vertellen wat ze voor hem voelde, na al die jaren van verzwijgen, omdat hij het anders nooit zou weten.

Dit was de laatste kans die ze zou krijgen. Dat voelde ze.

“Ik hou van je,” verkondigde ze timide en stil, haar hart bonkend tegen haar ribben alsof het wilde vluchten zoals zijzelf ooit gedaan had. Nog voordat ze de zin in zijn geheel uitgesproken had, voelde ze al dat het zinloos was, zoals ze diep van binnen altijd al geweten had, doch geweigerd had te gelove
n.
Zijn glimlach verlichtte duizend nachten, helderder dan een zwavelstokje ooit zou kunnen doen.


“Dat weet ik,” antwoordde hij grauw en donker.
De stilte die tussen hen viel, was zwaarder dan het gewicht van de wereld. Ze smeekte hem zonder woorden van haar te houden, maar hij weigerde te antwoorden, zijn ogen plotseling niet meer helderblauw maar donkerder dan het diepste zwart. Het was voorbij, dat wist ze, hoewel het nooit begonnen was, maar ze kon het niet geloven. Het besef een oorlog gestreden te hebben die vanaf het begin al beslist was geweest, was simpelweg teveel voor haar.

Ze strekte haar hand uit, tastend naar het zilveren kettinkje dat zijn slanke hals sierde, doch haar hand viel door hem heen alsof hij slechts mist was geweest.

Hij was er al niet meer; als hij er tenminste ooit geweest was.

Op het moment dat ze weer terugkeerde in de keiharde werkelijkheid, pakte ze opnieuw een zwavelstokje, warme tranen stromend over haar koele wangen. De wanhoop was groter dan ze kon dragen, maar lang niet zo groot als de storm van verdriet die woedde in haar buik. Ze hield van hem, meer dan ze ooit zou kunnen uitspreken. Het kon niet zo zijn dat het over was; daar was haar liefde te intens voor. Hij kon haar niet zomaar afwijzen.

Ze brandde zwavelstokje na zwavelstokje, steeds opnieuw, maar haar prins bleef spoorloos. In haar paniek begonnen de tranen sneller over haar gezicht te rollen, de reeds bevroren druppels ontdooiend en meenemend in hun stroom. Haar familie deed er niet meer toe, evenals de kou die haar omringde en de gevoelloosheid van haar lichaam. Ze moest naar hem terug, hem ervan overtuigen dat er niets mooier zou zijn dan zij twee samen. Ze wilde hem vasthouden, haar leven delen met dat van hem, duizend hindernissen met hem overwinnen, hem claimen, de zijne zijn. Er was niets dat ze zo graag wilde als zichzelf met hem verenigen, van nu tot in de eeuwigheid, om de toekomst hand in hand tegemoet te lopen en altijd elkaar nog te hebben wanneer de rest van de wereld ten onder ging.

In gedachten smeekte ze hem om terug te komen, maar het bleef stil en eenzaam om haar heen. Ze had altijd al geweten dat hij haar in de steek zou laten wanneer het erop aan zou komen, doch die wetenschap had ze altijd ontkend, omdat ze geweten had dat het haar kapot zou maken wanneer ze erachter zou komen dat het enige waar ze al die jaren in geloofd had, in werkelijkheid eveneens onbetrouwbaar bleek te zijn.

“Mirre?”

Bij het horen van haar naam sloeg ze geschrokken haar ogen op, haar blik vertroebeld door de continu opwellende tranen, doch direct kraakhelder toen ze zag wie er voor haar stond. De kleine vrouw verlichtte de grijze wanden met een onnatuurlijk wit licht dat uit haarzelf leek te komen, alsof ze een gevallen ster was, een engel, afkomstig uit de hemel.

En Mirre wist dat dat de waarheid was.

“Isabel,” bracht ze uit terwijl ze haastte om op te staan, de kou spontaan vergeten. Vanaf het moment dat ze haar tante om de hals viel, bestond er niets meer dan warmte en liefde, een storm van goud en licht en vleugels. Isabel omhelsde haar als een moeder die ze altijd al had moeten missen, als een vriendin die ze in de steek gelaten had en tevens als een gelijke, teder en liefdevol.

“Stil maar,” fluisterde de engel zacht, haar handen strelend over het haar van haar nichtje. “Ik weet een plaats waar alles mooi is.”

Op het moment dat hun handen zich met elkaar verstrengelden, voelde Mirre hoe haar gehele lichaam begon te tintelen, alsof er nieuw leven in haar aderen begon te stromen. Het voelde prettig aan, alsof ze helemaal opnieuw zou mogen beginnen en al haar fouten recht zou mogen zetten, aan de hand van de enige persoon die ze ooit als haar moeder beschouwd had, ver weg van alles wat haar ooit pijn gedaan had. Ze wist dat ze in goede handen was, dat Isabel haar zou verzorgen tot in de eeuwigheid, wachtend op iedereen die ze ooit liefgehad hadden.

Het leven zou niet mooier kunnen zijn dan dat.