Vuurzee


Ik kon niets zien door het rookgordijn dat zich om ons heen gevormd had. Met zijn tweeën stonden we temidden van een zee van vlammen. Ik was doodsbang. De paniek had zich verspreid door mijn hele lichaam, maakte het me onmogelijk om nog te kunnen nadenken. Ik was nergens toe in staat wanneer ik de dood in de ogen kon kijken.
Bill pakte mijn hand vast terwijl ik stond te trillen op mijn benen. Ik schrok ervan, al was het een ontzettend liefdevol gebaar. Het voelde alsof hij al afscheid van me stond te nemen, alsof hij me door het pakken van mijn hand dingen wilde zeggen die hij me nooit meer zou kunnen vertellen zodra we zouden worden opgeslokt door de vuurzee. Ik voelde zijn liefde door zijn zachte aanraking, wat me min of meer verlamde. Ik was even betoverd door wat ik voelde, door alle liefde die op me overgeheveld werd en even leek het alsof er niets meer was behalve wij. Het leek alsof we samen stierven, daar, op dat moment. We bleven stilstaan, omgeven door de warmte van de vlammen en een zweem van liefde die ons leek te verbinden. Het was onaards.
Ik verbrak de betovering door mijn hand uit die van hem los te trekken. Het was onze tijd nog niet. Ik wist dat we een kans hadden om te overleven, ook al leek het daar niet op. Het was zinloos om afscheid van elkaar te gaan staan nemen terwijl ons lot nog niet vastlag. Ik zou hem niet zeggen dat ik van hem hield voordat ik ook daadwerkelijk zou sterven. Ik zou niet sentimenteel worden voordat ik me ook daadwerkelijk aan het einde van mijn leven bevond.

“Deze kant op!” riep ik plotseling uit, mijn stem onnatuurlijk hoog door de mengeling van paniek en angst in mijn borst en hees van de rook. Ik greep Bill bij de mouw van zijn jasje en trok hem mee naar de gang aan links, in de richting van de badkamer. Het was niet zo dat ik erover had nagedacht dat we daar veiliger zouden zijn vanwege het water. Het was gewoon dat dat de enige weg was die we in hadden kunnen slaan.
Ik voelde de warmte van de naderende vlammen branden op de naakte huid van mijn armen. Het leek alsof het vuur ons achtervolgde, alsof het vastbesloten was ons te pakken te krijgen. De paniek nam mijn lichaam over, bestuurde mijn benen. De tranen liepen over mijn wangen en ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat dat kwam doordat de rook in mijn ogen prikte, al wist ik dat dat niet de voornaamste reden was. Ik probeerde de tranen terug te vechten, maar het lukte me niet. De angst en de paniek creëerden iets dat ik nog nooit eerder had gevoeld. Ik kon niet meer nadenken, had geen controle meer over de dingen die ik deed. Het enige dat ik wilde, was overleven.

Ik was zo bang om te sterven.

Zodra ik de deur bereikte, trok ik hem open, sleurde ik Bill mee naar binnen en sloot ik hem achter ons. Een kort moment bleef ik hijgend van de inspanning tegen het massieve hout leunen, mijn ogen gesloten van opluchting dat we het er tot nu toe beide levend vanaf gebracht hadden. Pas toen ik voelde hoe ik mijn hartslag weer onder controle kreeg, keek ik op en zag ik dat Bill ontzettend kalm was. Hij leek in geen enkel opzicht bang te zijn voor wat ons zou kunnen overkomen. Zijn gezichtsuitdrukking was kalm als die van een engel; hij leek enkel wat verslagen te zijn. Vreemd genoeg werd ik nog angstiger wanneer ik naar hem keek. Het was net alsof hij zich reeds bij zijn lot neer wilde leggen, zomaar, zonder te vechten. Ik werd zo bang bij dat idee dat ik de adrenaline direct weer naar mijn hoofd voelde stijgen. Ik wilde hem niet verliezen.
“Ik hou van je,” zei hij stilletjes, met een klank in zijn stem die verre van bang af lag. Hij leek ontzettend vastbesloten, alsof hij op de rand van een hoog gebouw stond, klaar om te springen. Voor hem leek er geen uitweg meer te bestaan. Ik begreep hem niet. Ik kon niet begrijpen dat Bill, die altijd zo vol van levenslust was, zich zomaar aan de dood wilde overgeven. Hij leek echter niet te kunnen begrijpen dat ik dat níet deed.
Ik schudde kalm mijn hoofd, zijn woorden afwerend. Ik wilde er niets van horen. Ik kon niet zomaar gaan zitten wachten tot het vuur de badkamer zou binnendringen en zich als een golf over ons heen zou werpen. Ik kon niet zomaar sterven. We waren nog zo jong. Er waren nog zoveel dingen die we moesten doen. Georg en Gustav konden zonder ons niet verder met de band. David had zonder ons geen inkomen. Onze moeder had zonder ons geen leven. We konden niet gaan zitten wachten hoe de dood ons zou komen halen – dat konden we niet maken tegenover iedereen die ons liefhad.

We moesten vechten voor ons leven.

Nog altijd met mijn hoofd schuddend klom ik op de WC-bril en probeerde ik het kleine ventilatieraampje erboven open te wrikken. De woorden van Bills monoloog zweefden aan me voorbij. Ik wilde hem niet horen, maar de zachte klanken van zijn stille stem dwongen mijn oren om naar hem te luisteren. Het had iets onweerstaanbaars, iets betoverends, iets dat zich hoe dan ook een weg wilde banen naar mijn gehoororgaan.
“Ik wil graag dat je weet dat ik echt alles voor je zou doen, Tom. En dat ik alles voor je overheb en dat ik het altijd geweldig heb gevonden om jouw broer te zijn. Echt. Ik kan me geen betere broer bedenken dan jij,” zei hij, nog altijd stil. “Ik hou van je.”
“Hou op,” fluisterde ik zachtjes, proberend mijn frustratie te verbergen. Ik kreeg het raampje met geen mogelijkheid open – het leek wel alsof het vastgeroest zat. Hoe hard ik ook duwde, het ding gaf geen centimeter mee. Met iedere fractie van een seconde die verstreek, raakte ik meer en meer overtuigd van het feit dat we het niet zouden redden, hoe verschrikkelijk die gedachte ook was. Steeds weer zag ik voor me hoe het vuur ons zou overvallen en ons zou verslinden in zijn vernietigende kracht. Ik was zo verschrikkelijk bang dat de tranen nog sneller over mijn wangen begonnen te lopen.
“Wat zei je?” vroeg hij al even zacht. Zijn kalme stem maakte me nog angstiger. Mijn tranen vertroebelden mijn zicht op zo’n manier dat ik het raampje bijna niet meer van de betegelde muur kon onderscheiden. Met een ruw gebaar veegde ik mijn ogen droog.
“Hou op!” herhaalde ik, harder dat keer, en ik draaide me naar hem toe. “We gaan niet dood! Ik wéiger dood te gaan!”
Pas toen ik het uitgesproken had, besefte ik hoe verschrikkelijk wanhopig ik klonk. Mijn uitroep echode tegen de wanden van de afgesloten ruimte, steeds opnieuw, totdat het uiteindelijk wegstierf en alleen het knetteren van de aansluipende vlammen nog te horen was. Al die tijd bleven we elkaar aankijken, met grote ogen van angst en schrik. Daarna wendde ik me weer van hem af en ging ik verder met het proberen open te wrikken van het raampje.
Bills stem drong zich opnieuw een weg naar mijn gehoor. Hij sprak zo stil en zo zacht dat ik niet eens zeker wist of ik hij wel écht tegen me praatte. Het was net alsof ik het zelf verzon.
“Dat raam zit dicht, Tom. Zelfs David heeft het nooit open kunnen krijgen.” Nog twee tranen biggelden over mijn rauwe wangen. “Het is voorbij.”
Opnieuw schudde ik mijn hoofd, uit pure onmacht. Ergens wist ik dat hij gelijk had, dat we geen kans van ontsnappen hadden, maar ik wilde het niet weten. Ik kon niet gewoon mijn lot aanvaarden zonder tot het einde gevochten te hebben. Ik kon er niet tegen dat Bill daar zomaar zat, op de badrand, wachtend tot de dood hem zou komen halen. Hij frustreerde me. Ik werd bang van hem.
Ik sprong van het toilet af en keek verwoed om me heen, op zoek naar iets dat stevig genoeg was om het raampje mee te kunnen breken. Mijn ogen vielen op Bills föhn, op de douchekop, op Georgs scheerapparaat, maar niets van dat was stevig genoeg om het dubbelzijdige glas mee te breken. Terwijl de paniek nog altijd door mijn lichaam raasde, trok ik alle kasten open, over de handdoeken heen kijkend of niemand daar toevallig ooit een kettingzaag verstopt had. Natuurlijk wist ik dat ik niets zou vinden, maar tevergeefs zoeken was altijd beter dan niets doen. Tevergeefs zoeken was beter dan wachten.
“Tom,” hoorde ik mijn broer zeggen. Verschrikt keek ik naar hem om. Hij had zijn hand naar me uitgestoken, als een uitnodiging naast hem te gaan zitten. Ik kon het echter niet. Ook al zou ik samen met hem sterven, dan nog was ik doodsbang.
Voor mijn gevoel stond ik daar een eeuwigheid als bevroren, niet in staat iets uit te brengen. Zijn hand was zo uitnodigend, de blik in zijn ogen zo zacht. Het was net alsof hij me ervan wilde verzekeren dat er niets was om bang voor te zijn. Ik wist zeker dat hij me - als ik naast hem zou komen zitten - zou vasthouden, steviger dan hij ooit in zijn hele leven gedaan had, en dat hij me zou beschermen tegen de pijn van het vuur. Het kwam me zo fijn voor om me in zijn gewillige armen te nestelen en te huilen tot we zouden verdrinken in de vuurzee, om samen met hem te sterven, maar ik kon het niet. Ik wilde het niet.
“Het is voorbij, Tom. We komen er niet uit. We kunnen beter-”
“Zeg dat niet,” onderbrak ik hem. “We hebben een kans. Als we maar een manier vinden om dat glas kapot te krijgen, dan -”
Plotseling viel mijn oog op het douchegordijn. De stang waaraan de waterafstotende stof hing, was waarschijnlijk stevig genoeg om door het glas te stoten. Plotseling voelde ik een soort van opluchting door mijn buikholte stromen, alsof ik buiten de sirenes reeds kon horen zingen, alsof ik wist dat de redding nabij was. Die stang zou ons hieruit halen. Die stang was onze redding.
Binnen drie passen stond ik bij de douche en probeerde ik de stang los te trekken. David had al verschrikkelijk vaak gezeurd dat de pluggen waarmee hij aan de muur bevestigd was nogal los zaten; op dit moment was ik méér dan dankbaar dat hij er nooit iets aan gedaan had. Ik negeerde het feit dat Bill me nog altijd duidelijk probeerde te maken dat we het niet gingen redden, dat het voorbij was, voor zover me dat lukte. Ik had opeens weer hoop.
Ik ging met mijn hele gewicht aan het ding hangen toen ik doorkreeg dat gewoon trekken niet genoeg was, maar zelfs dat hielp niet. Direct stak de paniek weer op. De stang boog wel mee, maar ze schoot niet los en dat maakte me verschrikkelijk bang. Het was zo naïef geweest te denken dat ik ons zou kunnen redden. Ik had ons nooit kunnen redden, niet van de media, niet van de anti-fans en ook nu zou ik dat niet kunnen. Ik was enkel een mens. Ik was een sterfelijk mens. En ik zou gaan sterven.
Bills woorden bleven door mijn hoofd echoën.
“We redden het niet, Tom. Het heeft geen zin.”
Opnieuw begon ik te huilen. Ik was zo verschrikkelijk kwaad op hem. Ik kon er niet tegen dat hij zijn leven zomaar op wilde geven. Het hoefde nog niet voorbij te zijn. Als die godvergeten stang geen verlatingsangst zou hebben en ik het voor elkaar zou kunnen krijgen het glas te breken, dan waren we gered. Ik moest ons hier samen uit krijgen. Ik was zo bang om dood te gaan.

Terwijl ik er nog altijd niet in slaagde de stang los te krijgen, hoorde ik hoe hij opstond. Niet lang daarna voelde ik hoe twee slanke armen zich om mijn middel sloten en hoe hij zijn gezicht in mijn hals begroef. Het liefst zou ik hem van me af schudden, maar ik werd week onder zijn aanrakingen. Hij had een uitwerking op me die niemand anders had. Zodra hij me aanraakte, werd ik compleet rustig en vroeg ik me af waarvoor ik nog vocht. Tegelijkertijd wist ik dat dat slechts zijn bedwelming was en dat ik moest blijven vechten. Dat was dan ook de reden dat ik de stang niet los liet. Ik wilde leven. Die stang zou me daarbij helpen.
“Stil maar,” fluisterde hij in mijn oor. Zijn adem was warm en joeg een stroom van kippenvel over mijn roodverbrande armen. Ik sloot mijn ogen, overgenomen door de rust die hij uitstraalde. Ik voelde hoe hij zijn hand omhoog bracht, naar die van mij, en hoe hij probeerde mijn vingers van het staal los te maken. Ik stribbelde niet eens tegen. Ik kon het niet meer. De tranen die over mijn wangen stroomden, waren niet alleen meer die van angst en paniek, maar ook die van overgave.

Ik kon niet meer.

“Help me, Bill,” bracht ik uit, nog altijd huilend. “Ik wil niet dood.”
“Shhh,” fluisterde hij stilletjes terwijl hij me stapje voor stapje achteruit dwong. Ik kon het geknetter van de naderende vlammen horen achter de gesloten deur. Ik was zo verschrikkelijk bang voor het vuur, voor de pijn die het teweeg zou brengen, voor het leed dat ik mijn nabestaanden aan zou doen door niet te vechten. Het meest bang was ik echter nog wel om Bill te zien sterven.
Op dat moment besefte ik me dat ik het niet zomaar kon laten gebeuren. Ik opende mijn ogen en begon tegen te stribbelen, maakte me los uit zijn greep. Anders dan ik verwacht had, probeerde hij me niet wanhopig vast te houden. Hij liet me net zo rustig gaan als hij me vastgepakt had.
Een kort moment stonden we recht tegenover elkaar: ik jachtig ademend, hij de kalmte zelve. Hij deed me zoveel zeer dat ik me niet eens kon beseffen dát hij dat deed. Het was alsof mijn zenuwen het niet meer deden. Ik wilde hem zo verschrikkelijk graag redden, maar het was net alsof hij niet gered wílde worden. Dat was hetgeen dat me zeer deed. Opnieuw was het net alsof hij op de rand van een gebouw stond en ik hem wanhopig probeerde over te halen niet te springen, ook al wist ik dat het me niet zou lukken. Ik wilde het in ieder geval probéren, want ik kon niet alleen maar toekijken hoe hij zichzelf in het diepe zou storten. Dat kon ik niet.
Ik liep naar hem toe en pakte zijn zachte handen vast in die van mij. Ik ontweek zijn doordringende blik. Ik kon het niet riskeren mezelf opnieuw in hem te verliezen. Ik moest ons hieruit krijgen. Ik was de enige die dat kon.
“Zou je echt alles voor me doen?” vroeg ik hem, mijn blik op zijn handen gericht. Zijn nagels waren zwart, met een wit randje, nog precies zoals altijd. Ik kon me niet voorstellen dat die prachtige handen binnen een kwartier zwartgeblakerd zouden kunnen zijn. Ik kon me niet voorstellen dat iemand die zo verschrikkelijk mooi was, zou kunnen sterven. Hij was net een engel. Engelen behoorden niet te sterven.
“Natuurlijk,” antwoordde hij zacht en hees. “Ik hou van je. Ik zou álles voor je doen.”
Een klein glimlachje kroop over mijn trillende lippen toen ik naar hem opkeek. Zijn blik verankerde zich direct in die van mij. Zijn ogen stonden zo zacht, zo vol van liefde, zo vol van alles wat ik nog nooit ervaren had. Ik werd compleet week van binnen. Bill had de gave mij te kunnen raken zoals geen ander dat kon. Zijn woorden beroerden mijn allerdiepste binnenste. Ik hield zo verschrikkelijk veel van hem, maar ik vertikte het hem dat te zeggen.
“Help me dan,” fluisterde ik, mijn gezicht zo dicht bij dat van hem dat onze neuzen elkaar bijna raakten. Even leek hij te twijfelen, alsof hij niet zeker wist wat ik met die woorden bedoelde. Al die tijd bleef ik hem aankijken, mijn blik troebel van de opnieuw opwellende tranen, mijn ogen vol onuitgesproken smeekbedes. Als hij echt van me hield, als hij écht alles voor me wilde doen, dan kon hij niet weigeren. Dat wisten we allebei.

Plotseling zag ik dat er ook in zijn ogen tranen opwelden, die geluidloos over zijn bleke wangen begonnen te stromen. Als verlamd aanschouwde ik dat kleine tafereel. Het was pure schoonheid.

Ik bracht mijn trillende handen omhoog naar zijn fijne gezicht en veegde de parelende druppeltjes weg. Zijn lippen trilden, precies zoals die van mij. Ik voelde het verlangen mijn armen om hem heen te slaan, hem vast te houden, zijn lichaamswarmte te kunnen voelen, maar ik wist dat we daar de tijd niet voor hadden. Met iedere seconde kroop het vuur dichterbij. Het zou niet lang meer duren voordat het onder de deur door zou sluipen en ons af zou sluiten van de buitenwereld. We hadden geen seconde te verliezen.
“Help me dan,” herhaalde ik, mijn blik nog altijd vervlochten met die van hem. Mijn gezicht was zo dicht bij dat van hem dat ik hem naar zuurstof kon horen happen. De donkere rook die langzaam onder de deurpost door kroop, maakte het ons moeilijk adem te kunnen halen. Als we wilden overleven, moesten we zo snel mogelijk actie ondernemen, voordat het te laat zou zijn. Onze tijd begon op te raken.
Hij kneep zachtjes in mijn hand, met alle tederheid die hij bezat. Daarna stapte hij op het douchegordijn af, met onzekere passen, alsof hij niet zeker was of het goed was wat hij deed. Voordat hij zijn handen omhoog bracht naar het glimmende metaal van de stang, keek hij naar me om, zijn blik vervuld van een soort van angst die ik niet van hem kende. Binnen een fractie van een seconde stond ik aan zijn zijde en hief ik mijn handen op. Hij volgde mijn voorbeeld.
De stang begaf het sneller dan ik verwacht had. Na slechts tien seconden vechten voor onze vrijheid, kwam het ding met een krakend geluid los van de muur. Precies op datzelfde moment brak de deur open en liep er een stroom van vlammen naar binnen. Ik schrok zo verschrikkelijk hard van de knal die dat teweeg bracht dat mijn hart drie slagen oversloeg. Direct brak de paniek in mijn binnenste weer los. Het vuur was zo overweldigend dat ik vergeten leek te zijn hoe ik moest ademhalen. Met grote ogen staarde ik naar de warmte, doodsbang dat het zich over me heen zou werpen. De stang in mijn handen had opeens geen waarde meer. Zoiets kleins zou ons niet kunnen redden van iets dat zo verwoestend was. We zouden nooit kunnen winnen.
Bill legde zijn hand over mijn neus en mond, me beschermend tegen de rook. Zacht doch dwingend trok hij me mee naar het kleine raampje in de hoek van de badkamer. Mijn hart bonsde in mijn keel. De angst die ik voelde, was onbeschrijfelijk. Op dat moment dacht ik werkelijk dat we samen zouden sterven en dat niemand ons ooit terug zou kunnen vinden. Het was zo onwerkelijk. Nog geen kwartier geleden hadden we samen muziek zitten maken en hadden we onze liefde voor elkaar bezongen; nu zouden we samen de dood tegemoet gaan.

De tranen stroomden nog altijd stil over Bills wangen. Hij was zelfs prachtig als hij huilde. Ik wenste dat ik in de dood net zo mooi zou worden als hij.

“Red ons,” dwong hij me, zijn stem trillend van een emotie waarvan ik geen idee had dat ík dat bij hem had losgemaakt. De toon waarop hij het zei, maakte dat ik mijn moed terugvond. De stang voelde zwaar aan in mijn trillende handen. Ik had geen idee of ik het durfde. Het leek opeens onmogelijk om het glas te kunnen breken. Het leek onmogelijk om ons nog te kunnen redden. Het vuur was zo verschrikkelijk dichtbij.
Ik hoorde het plafond boven ons kraken. Gedreven door Bills liefde stapte ik op het toilet en verstevigde ik mijn grip rond het inmiddels warm geworden metaal. Het leek alsof ik de stem van mijn broer hoorde weerklinken in het binnenste van mijn hart.

Red ons.

Met alle kracht die ik in me had, stootte ik de stang tegen het raampje, dat langzaam zwart blakerde door het roet. Toen het glas niet brak, bracht de opzwellende paniek opnieuw brandende tranen naar mijn ogen. De huid van mijn armen deed zeer door de warmte van het vuur. Ik kon al bijna voelen hoe het me zou verslinden. Ik was zo verschrikkelijk bang dat mijn hele denken erdoor geïmmobiliseerd werd. Enkel mijn overlevingsdrang zorgde ervoor dat ik de stang nogmaals optilde en hem opnieuw, met al mijn kracht, tegen het dubbelzijdige raampje aan liet komen. Op het moment dat er zich een sterretje in het glas vormde, kon ik wel huilen van geluk. De adrenaline die in mijn lichaam vrijkwam, maakte dat ik steeds opnieuw de kracht hervond om nogmaals te stoten, en nogmaals, en nogmaals, totdat het sterretje was omgevormd tot een gat waarvan alle scherpe randen reeds ontbraken. Het was precies groot genoeg om doorheen te kunnen kruipen. Het was perfect.
Ik gooide de stang in de hoek van de ruimte en sprong van het toilet af. Bill keek als gehypnotiseerd naar het vierkantige gat in de muur, alsof hij het licht zag. Halsoverkop sloot ik hem in mijn armen, drukte ik zijn kleine lichaam tegen dat van mij aan. Het duurde een poosje voordat hij reageerde op mijn aanrakingen. Pas na een seconde of drie begroef hij zijn gezicht in mijn nek en beantwoordde hij de omhelzing. Ik voelde zijn warme tranen in mijn hals.
Zacht drukte ik mijn lippen in zijn donkere haar. Ik hield zoveel van hem.

“Ga maar,” fluisterde ik zachtjes. Hoe graag ik zelf ook aan het vuur wilde ontsnappen, ik wilde niet het risico lopen dat Bill alsnog achter zou blijven. Niet na dit. Niet na het delen van al die liefde.
Ik liet hem zachtjes los toen hij geen aanstalten maakte om tegen te stribbelen. Waarschijnlijk begreep hij mijn punt. Bill begreep altijd alles. Hij doorzag mij meer dan welk persoon op de wereld dan ook. Hij was niet alleen mijn tweelingbroer, maar nog veel meer dan dat. Hij was mijn beste vriend. Hij was mijn zielsverwant. Hij was mijn hart. Hij was mijn alles.
Zijn ogen waren rood van het huilen, maar alsnog leek hij op een engel. Zijn gehele gezicht straalde zachtheid uit, tederheid, liefde. Ik wilde zijn gelaat beroeren met mijn vingertoppen, zodat ik de liefde zou kunnen voelen, maar daar was het de tijd niet voor. Ik moest hem redden, zelfs al waren engelen onsterfelijk. Nooit zou ik Bill overgeven aan het vuur. Nooit.
“En jij dan?” vroeg hij stil, zijn stem gezwollen door zijn verdriet.
“Ik kom direct achter je aan,” fluisterde ik zacht. “Ga maar.”
Voor mijn gevoel stonden we nog een eeuwigheid tegenover elkaar, enkel verbonden door onze ineenverstrengelde handen. Opnieuw leek het net alsof we afscheid namen, alsof we beide een andere weg in zouden slaan. Ik kon er niet tegen, maar toch hield ik dat moment in stand. Al was ik bang, zijn schoonheid nam dat alles weg. Ik zou eeuwenlang naar zijn gezicht kunnen kijken zonder dat het me ooit zou gaan vervelen.
Een luid gekraak verbrak dat hemelse moment. Direct kwamen we beide weer tot onze positieven, alsof we beide in trance geweest waren. Ik knikte naar het raampje achter hem en maakte hem duidelijk dat hij moest gaan voordat het te laat was. Zacht dwong ik hem achteruit. Zijn blik stond nog altijd twijfelend, maar uiteindelijk trok hij zijn blik los uit die van mij en stapte hij op het toilet.

Ik hoorde de sirenes zingen in de verte.

Plotseling, vergezeld door een luid kabaal, raakte iets zwaars me aan de achterkant van mijn hoofd. Een golf van misselijkheid overspoelde me toen ik de grond raakte. Mijn lichaam werd verpletterd door iets waarvan ik niet wist waar het vandaan kwam. De pijn was onbeschrijfelijk. Ik hoorde hoe Bill mijn naam schreeuwde.
Ik wilde hem zeggen hoeveel ik van hem hield, maar het werd niet meer dan een fluistering.
Op dat moment had ik mijn hele hart en ziel aan hem bloot willen leggen, had ik hem alles willen zeggen dat ik hem ooit onthouden had, simpelweg omdat ik wist dat het einde nabij was.
Maar het was al te laat.
Alles werd zwart.