Epiloog


Stilzwijgend, doch met een glimlach op zijn bleke engelengezicht, streek Bill de gevoelige huid onder zijn vingertoppen. Het brandde onder zijn aanrakingen, pijnlijk warm, maar niet op een onprettige manier. Zijn geweten fluisterde hem toe dat hij het met rust moest laten, dat hij het moest laten helen, maar dat kon hij niet. Telkens wanneer hij het aanraakte, bevestigden de prikkelende tintelingen dat het echt was, en daar putte hij kracht uit.

Freiheit 89.

Met een zwartgelakte nagel kraste hij over de zwarte lijnen, ervoor zorgend dat het woord in zijn geheugen gegrift werd, zodat hij het zich voor eeuwig zou kunnen herinneren. Een warm gevoel verspreidde zich in zijn maag; het besef dat hij daadwerkelijk vrij was, maakte dat hij zich nog iedere dag sterk voelde – en trots, ook. Er waren maar weinig mensen die konden zeggen dat ze de strijd tegen zichzelf gewonnen hadden, maar Bill kon dat weldegelijk. Wekenlang had hij tegen zichzelf moeten strijden, verstand tegen gevoel, hart tegen ziel, maar hij was iedere dag opnieuw vol goede moed tegemoet gegaan, met Toms liefde als beschermend harnas.

Iedere nacht had zijn broer hem verzorgd, had hij zijn wonden schoongemaakt, had hij hem in slaap gewiegd, had hij hem warmte geschonken, om hem de volgende morgen precies die woorden in te fluisteren die Bill ervan overtuigd hadden dat hij daadwerkelijk een kans maakte. De gedachte aan Tom had Bill sterk gemaakt, had hem de kracht geschonken door te vechten tot het einde en niet ten onder te gaan op het slagveld, omdat hij het simpelweg niet kon maken niet thuis te komen.

Hij had overwonnen door Tom. En gedeeltelijk ook voor hem. Een klein, verdrietig glimlachje spreidde zich uit over zijn volle lippen toen hij zich besefte dat zijn wederhelft misschien nog wel meer aan zijn overwinning had bijgedragen dan hijzelf.

“Weet je het nog steeds zeker?” klonk een zachte stem naast hem.

Toen hij opgeschrokken opkeek, blikte hij recht in de bezorgde ogen van zijn tweelingbroer; zijn evenbeeld. Direct zag hij de weerspiegeling van begrip en werd hij eraan herinnerd hoezeer hun band versterkt was door de periode waar ze zich samen doorheen geslagen hadden. Het had hen zo dicht bij elkaar gebracht dat Bill het soms moeilijk vond te kunnen onderscheiden waar hij ophield en waar zijn broer begon, hoe ver ze wezenlijk ook van elkaar verwijderd waren. Hun zielen zouden voor eeuwig ineenverstrengeld blijven, waar de wind hen ook mocht brengen.



Tom voelde zich onrustig. Hij was zich ervan bewust dat het onnodig was de vraag opnieuw te stellen, want hij wist dat Bill nog altijd even vastberaden was, maar hij kon niet anders. Hij vertrouwde zijn broertje, maar hij voelde intuïtief dat hij hem tegen zichzelf in bescherming moest nemen. Anders dan Bill, wist Tom dat de oorlog nog niet voorbij was. De laatste slag zou vandaag gevochten worden; het gevecht dat het verschil zou kunnen brengen tussen destructie en rust. Hij was bang dat zijn broertje vandaag oude wonden zou openrijten, dat hij weer overnieuw zou beginnen in plaats van dat hij deze ellende af zou sluiten; dat maakte dat hij zijn vraag steeds weer bleef stellen, opnieuw en opnieuw, hopend dat daarmee bij Bill het besef zou komen dat de verse schaafwond op zijn arm de waarheid niet sprak. Hij was niet vrij. Nog niet.

“Ja,” antwoordde Bill schor, zijn vingers verstrengelend met die van zijn broer. Hij wist dat hij dit moest doen, dat hij de rapper onder ogen moest komen zodat ze alles zouden kunnen uitpraten en hij verder zou kunnen gaan met zijn leven. Het leek alsof hij vast zat in de tijd en dat voelde dermate verstikkend dat hij het gevoel had geen andere keuze te hebben. Ook al was hij er misschien nog niet helemaal klaar voor, ook al was hij doodsbang; het moest gebeuren.

Van de strijd die hij moest gaan leveren, was hij zich niet bewust.

Bill keek verwachtingsvol op toen hij een deur dicht hoorde slaan en er een jonge vrouw in een lange, witte jas de eveneens smetteloos witte wachtruimte binnen kwam lopen. Ze glimlachte geruststellend naar hem, haar blonde haren zwiepend rond haar vrolijke gezicht. Bill voelde zich direct op zijn gemak. Ze straalde iets van leven uit, iets van een buitengewone kracht, waardoor de zanger al meteen het gevoel kreeg dat hij op haar zou kunnen steunen wanneer het hem teveel zou worden. Zij vormde de indirecte toegang tot een beter leven, hield de sleutel tot de hemelpoort. Natuurlijk had zijn broer hem geholpen zijn leven al enigszins terug op de rails te krijgen, maar voor de weg naar boven zou hij meer hulp nodig hebben dan dat.

Tom begreep dit alles. Hij snapte dat hij zijn wederhelft niet alles kon geven – dat had hij vanaf het begin al geweten, doch hij had alsnog zijn hart en ziel in Bills helingsproces gelegd. Dat was iets dat vanzelfsprekend was: zijn broertje kwam altijd op de eerste plaats, in welk geval dan ook. De enige uitzondering op de regel was geweest dat hij tien minuten eerder op de wereld was gekomen, maar dat was enkel zodat Bill nooit alleen zou hoeven te zijn.

“U bent meneer Kaulitz?” vroeg ze hem, al verried haar toon dat ze reeds op de hoogte was van zijn identiteit. Haar optimistische blik ontmoette de melancholische van de jonge zanger, doch ze merkten beide dat er onder de sluier van verscheidenheid een overeenkomst lag. Levenslust. Onder Bills donkere oogleden school de wil te leven, net zoals achter de hemelblauwe irissen van de verpleegster. Achter die wereld van verschil lag iets dat hen een gelijke van elkaar maakte, dat ervoor zorgde dat de grenzen van hun menszijn vervaagden en hen identiek aan elkaar maakte.

Bill vond dat ieder mens in wezen gelijk was, dat iedereen recht had op dezelfde behandeling, dat elk individu een beroep mocht doen op zijn rechten, dat ieder mens ook daadwerkelijk een mens was, ongeacht zijn daden.

Zo ook Bushido.

Daarom was hij hier.

Hij knikte afwachtend, zijn vingers nog altijd verstrengeld met die van zijn broer. Zijn zenuwen lagen zo dicht aan de oppervlakte dat alle haren op zijn huid overeind stonden.

“U kunt meekomen,” sprak de verpleegster levendig, alsof ze de doodse en sombere sfeer in de psychiatrische inrichting trachtte te verlichten met haar stem. Behalve de levenslust die achter haar ogen verborgen lag, ontdekte Bill een ongekende pijn; alsof de verpleegster leed onder de levens die ze dag in dag uit zag vergaan. Het existeren in een wereld die zo wit was als de hemel, maar zo grauw aanvoelde als de hel, had een stempel op haar gedrukt. Haar masker kon, hoezeer ze haar best ook deed, haar ware gevoelens niet verhullen.

Bill kwam aarzelend overeind, nerveus en gespannen, zijn blik angstig gericht op zijn broer. Tom stond eveneens op, zodat hij zich aan zijn zijde bevond, en kneep zachtjes in zijn hand om hem te laten weten dat hij bij hem was, waar hij ook zou gaan. In dat korte moment van oogcontact bevond zich een wereld waarvan niemand ooit zou weten wat het betekende, wat zich erin bevond; enkel zij. Niemand zou ooit begrijpen waar zij zich samen doorheen hadden moeten vechten en wat deze dag voor hen betekende. Iedereen wist dat de afgelopen periode erg geweest was, ja, dat Bill voor het leven getekend was en dat hij nooit meer de persoon zou zijn wie hij ooit geweest was, maar niemand wist hoe erg, en dat alles wat Bill overkomen was, ook op Tom van toepassing was.

Zonder erbij na te denken, sloot Tom zijn broertje in zijn armen, zijn tere lichaam tegen zich aandrukkend alsof het de laatste keer was dat hij het zou kunnen doen. Zijn handen vonden automatisch hun weg naar zijn lange, zwarte haar, het strelend alsof het van zijde was, zijn geur opsnuivend met zijn leven. Zijn hart sprak bemoedigende woorden waarvan hij hoopte dat Bill hen kon horen – of eigenlijk was hij daar wel zeker van.

“Je kunt dit,” sprak hij, al wist hij niet zeker of het hardop was of niet. “We zijn zo ver gekomen, Bill, we kunnen niet meer terug.”

Bill knikte tegen zijn schouder, om zich daarna zachtjes van hem los te maken. De zanger moest zijn best doen zichzelf bij elkaar te houden, om Tom niet te smeken met hem mee naar binnen te gaan, doch hij wist dat hij dit alleen moest doen. Na alle veldslagen samen overwonnen te hebben, was het nu tijd om zelf te strijden voor zijn leven, om zelf de genadeslag te leveren; Tom kon dat niet voor hem doen. Toen zijn ogen opnieuw die van zijn wederhelft vonden, voelde hij hoe zijn angst bezonk en hoe een zekere strijdlust zich van hem meester maakte.

In de blik die ze elkaar toewierpen, weerklonk slechts één woord.

Vrijheid.

Hij wilde dit; hij wilde vechten voor zijn leven, voor zijn vrijheid, want dat was buiten Tom het enige dat hem lief was.

Zonder iets te zeggen draaide hij zich weg van zijn broer, wetend dat het met de seconde moeilijker zou worden wanneer hij nu niet weg zou gaan. Met snelle passen volgde hij de verpleegster, zijn zenuwen onderdrukkend en een strijdlied zingend in zijn hoofd. Zijn handen waren tot vuisten gebald, maar hij wist niet of dat door zijn angst of door zijn overlevingsdrang kwam. Hij voelde hoe hij met iedere stap dichterbij het slagveld kwam en hoe er iets in zijn buik begon te branden; een levensvuur, waar hij zich eeuwig aan zou kunnen warmen, zelfs al zou hij vandaag ten onder gaan.

De donkerbruine blik van zijn broer brandde in zijn rug, hem ervan verzekerend dat hij niet alleen was en dat nooit zou hoeven zijn.

Hoe dieper ze zich in het gebouw begaven, hoe meer Bill begon te twijfelen. Zijn gedachten maalden door zijn hoofd, keer op keer, de flashbacks van de momenten die hij zich nooit meer wilde herinneren talrijk in zijn hoofd. Hij dacht terug aan hoe hij het briefje in zijn broekzak gevonden had op de avond na de Echo-uitreikingen, hoe Bushido hem in de val gelokt had, hoe machteloos hij zich gevoeld had bij het meemaken van de dingen waarvan hij altijd gedacht had dat het hem nooit zou overkomen, hoe dat zich dat een tweede keer herhaald had en – hij schudde de gedachte van zich af toen hij een koude rilling over zijn ruggengraat voelde kruipen, zichzelf dwingend er nooit meer aan te denken. Het was over.

Toen de blonde verpleegster halt hield bij een grijsblauwe deur, na mentale kilometers van hersenspinsels, zonk zijn hart hem in de schoenen. Hij kon het niet; één blik in de donkerbruine ogen van de rapper zou genoeg zijn om hem weer terug te laten zakken in het zwarte gat waarvan hij juist zoveel moeite had gedaan eruit te komen. Aan de andere kant wist hij echter dat hij het risico moest nemen; hij stond voor een diepe afgrond, zijn tenen reeds over de rand, de overkant onzichtbaar door de inktzwarte schaduwen om hem heen. Hij moest de volgende stap zetten, over de gapende diepte onder hem springen in de hoop de overkant te bereiken; ook al was de kans groot dat hij het niet zou halen, springen was beter dan blijven staan.

We zijn zo ver gekomen, Bill, we kunnen niet meer terug.

“Meneer Ferchichi is al binnen,” sprak de vrouw zonder hem aan te kijken, haar stem zacht doch duister. Het leek net alsof haar vrolijkheid samen met Bills strijdlustigheid vergaan was. De sleutelbos waaruit ze de juiste probeerde te vinden, rinkelde onrustig in haar handen, welke net zo trilden als die van de magere jongen die zich in haar gezelschap bevond. Toms woorden weerklonken in Bills hoofd, keer op keer, als een onsterfelijke echo zonder thuis. Hij hoorde de verpleegster nauwelijks, was te diep verzonken in zijn gedachten om er notie van te nemen dat ze de juiste sleutel uiteindelijk in het slot stak en de deur opende. Pas toen de plotselinge stilte hem wakker schudde, realiseerde hij zich dat de tijd eindelijk daar was, dat dit het moment was dat het verschil moest gaan maken, dat hij nu de sprong moest wagen, met het gevaar zijn leven te verliezen.

Nu kon hij niet meer terug.

Hij schonk de verpleegster een weke glimlach, haar er weinig succesvol van proberend te overtuigen dat het goed met hem ging. In werkelijkheid had hij het gevoel dat zijn hart het al zou begeven voordat hij eenmaal onder de deurpost doorgelopen was – zijn knieën trilden zozeer dat hij er niet zeker van was of hij nog kon lopen. Hij haatte het dat hij zich niet kon vermannen, dat hij ondanks alles wat hij al overwonnen had nog altijd een mietje was, maar hij kon er niets aan doen. Hoe diep hij ook inademde, hoezeer hij ook aan Tom dacht, het gevoel te gaan verliezen bleef er altijd.

Het duurde slechts een fractie van een seconde voordat hij zijn gedachten uitschakelde, zijn verstand op nul zette en de drempel overstapte alsof er in de hele wereld niets meer bestond dat hem kon deren.

Bushido zat reeds in de hermetisch afgesloten kamer; de muren grauw en het enige licht afkomstig van een grimmig heen en weer schommelend peertje aan het plafond. Hij focuste zich direct op de rapper, het enige dat er in zijn ogen op dat moment existeerde – de bewakers en verplegers die zich eveneens in de ruimte bevonden, deden er niet toe. Ademloos bekeek hij het verbaasde gezicht van de man die hem door maanden van miserie had laten kruipen, de herinneringen aan vroegere tijden in hem opwellend alsof het geisers waren; verhittend en pijnlijk. De weg naar de stoel tegenover de rapper leek eindeloos, alsof hij in een andere werkelijkheid beland was; echter toen hij ging zitten, leek hij de afstand in de tijd tussen twee hartslagen overbrugd te hebben. Zijn brein werkte niet meer zoals het dat zou moeten doen.

Zijn oren suisden door Bushido’s geschreeuwde bevelen.

Zijn ogen prikten door de talloze gevallen tranen.

Zijn keel schrijnde door het vele schreeuwen.

Zijn lichaam brandde onder het misbruik.

De schaamte deed hem gloeien.

Bushido’s ogen herbergden de hel.

“Hé,” bracht de rapper zachtjes uit, verwonderd. Bill vond het moeilijk om een duidelijke emotie te kunnen ontdekken, vond het moeilijk te kunnen onderscheiden of de rapper kwaad was of niet. Zijn stem was vlak, hetzij verrast, doch dat kon om verschillende redenen zo zijn. Een gevoel van angst vond zijn weg naar Bills buikstreek, immer aanwezig, hoe wanhopig de zanger het gevoel ook probeerde te ontkennen. Hij vond het moeilijk daar te zijn, oog in oog te zitten met de man die hem de meest verschrikkelijke dingen aangedaan had. De confrontatie viel hem zwaar, maar hij wist dat wanneer hij zich door dit gesprek heen zou weten te worstelen, alle blokkades opgeheven zouden zijn en de rivier van zijn leven verder kon stromen.

Hij vond het tevens verschrikkelijk om de rapper zo te zien; opgesloten, behandeld als een crimineel, met wallen onder zijn ogen die een ongekende vermoeidheid aanduidden. Nog nooit eerder had hij zich schuldig gevoeld wat betreft het inschakelen van de politie, omdat hij tot dan toe altijd het gevoel had gehad dat hij het juiste gedaan had. Echter nu hij oog in oog stond met de man waarvoor hij behalve angst ook zoveel medeleven gevoeld had, kreeg hij spijt van zijn daden. Bushido was ziek, schizofreen – hij verdiende het onder geen enkele voorwaarde zo behandeld te worden. Het maakte hem stiller dan hij in weken geweest was.

“Hoi,” fluisterde hij geruisloos, niet precies wetend wat hij moest zeggen, zijn schuldgevoel groter dan ooit. Er viel zoveel te bespreken, echter hij wist simpelweg niet waar te beginnen. “Hoe gaat het met je?”

“Hoe gaat het met jou?” vroeg Bushido hem direct, snel, alsof zijn eigen gevoelens er niet toe deden of hij hen wilde ontkennen. In zekere zin was dat waar; de rapper wilde op dat moment nog niet teveel denken aan hoe hij zelf over de situatie dacht. Bill was alles voor hem – nog steeds, en zodoende was dat het enige dat belangrijk was. Hij had hem voor eeuwig getraumatiseerd, zodanig beschadigd dat het niet meer te herstellen was; de spijt die hij voelde was nog te groot voor hem om dat deel van zijn eigen verwerkingsproces aan te kunnen. Hij wist echter dat die tijd zich ooit zou aandienen, dat er een tijd zou komen waarin hij en Bill alles zouden kunnen bijleggen.

Ooit.

Nu nog niet.

“Het gaat wel,” antwoordde Bill, nerveus zijn ogen neerslaand naar het houten oppervlak van de tafel die hen scheidde. “De band heeft even pauze zodat ik er weer bovenop kan komen en – nou ja. Het gaat al veel beter.”

De zenuwen in Bills lichaam maakten dat zijn stem zachtjes trilde, als een lenteblad in de gure ochtendwind. Hij vouwde zijn handen in zijn schoot, knijpend in zijn vingers in de hoop dat de spanning in zijn anatomie zou verdwijnen, zich niet beseffend dat hij zichzelf enkel meer forceerde. Bushido’s blik brandde op zijn huid, doch hij durfde hem niet aan te kijken. Voor zijn geestesoog kon hij nog altijd die donkere tunnels zien, die eindeloze wegen zonder licht; de ogen die hem achtervolgden in de nachtmerries die hem reeds maanden teisterden. Hij wilde niet dat die droom werkelijkheid zou worden.

Bushido glimlachte klein en triest bij het zien van de tengere gestalte tegenover hem. Bill was zo verschrikkelijk mooi dat zijn maag ervan samentrok – al kon dat ook komen door het schuldgevoel dat aan hem knaagde als een valse rat.

“Ik ben blij dat te horen,” sprak hij met oprechte vreugde, doch met een vleugje verdriet verborgen in zijn stem. Hoe fijn hij het ook vond om Bill na al die tijd weer te zien, hij kon het niet helpen dat hij zich geraakt voelde door de gebrokenheid van de kleine gestalte – of misschien was dat nog niet eens het ergste. De wetenschap dat het zijn schuld was, was hetgeen dat moordend was. Als ze niet omgeven waren door bewakers en verplegers, zou hij de jongen in zijn armen genomen hebben en hem gezegd hebben dat hij niet bang meer hoefde te zijn, dat alles goed zou komen – of misschien zou hij dat sowieso wel gedaan hebben, ware het niet dat zijn handen geboeid waren. Hij wilde hem zo verschrikkelijk veel zeggen, maar voelde zich op de één of andere manier geremd. Bovendien wilde hij Bill eerst laten spreken, omdat hij hem dat ene kleine feit wel verschuldigd was.

Bill daarentegen voelde zich al minstens net zo schuldig. Zijn blik was voortdurend gericht op de boeien die Bushido in bedwang dienden te houden, gebiologeerd door het doffe staal dat vertroebeld werd door zijn plotseling opwellende tranen. Hij probeerde de brok in zijn keel wanhopig weg te slikken, zenuwachtig plukkend aan de zoom van zijn T-shirt, trillend van top tot teen. Nog nooit in zijn leven had hij zich zo gevangen gevoeld, zo ingesloten – hij kon zich niet voorstellen wat voor leven de rapper hier leefde.

Zijn ogen dwaalden af naar de tatoeage op zijn onderarm, het donkere schrift zich vastzettend op zijn netvlies.

Freiheit 89.

Ook voor Bushido.

Hij voelde hoe zijn ogen begonnen te prikken van de steeds sneller opwellende tranen, het zout tintelend op zijn wangen zodra het vocht de vrijheid over zijn huid verkoos. Beschaamd wendde hij zijn gezicht af naar beneden, zodat zijn zwarte haar als een doods gordijn voor zijn ogen kwam te hangen; hij wilde niet dat Bushido zou zien hoe zwak hij was – nog steeds. Al die weken vechten voor zijn vrijheid waren voor zijn gevoel opeens voor niets geweest. In weer en wind hadden hij en Tom samen een ronde toren van steen opgericht waarin hij al zijn trauma’s opgeborgen had – één blik in Bushido’s ogen maakte echter dat de bakstenen vergruisden tot stof en dat al zijn opgekropte emoties in één stortvloed hun weg naar buiten vonden. De tranen begonnen steeds sneller te stromen, troebele rivieren van mascara en eyeliner met zich meenemend, de bron onzichtbaar achter zijn troebele blik. Hij wilde wel vechten, maar het leek plotseling allemaal zo zinloos te zijn. De kracht ontbrak hem volledig toen hij zijn handen naar zijn gezicht bracht en zichzelf afschermde van wat er om hem heen gebeurde. De rapper mocht zijn tranen niet zien. Hij wilde nooit meer huilen.

Bushido’s hart brak bij het zien van de weerloze gestalte tegenover hem; Bill, schokschouderend van verdriet, en dat alles door een misverstand dat hij nooit meer ongedaan zou kunnen maken. Hij voelde hoe zijn eigen ogen eveneens begonnen te prikken doordat de ijskappen van zijn berouw begonnen te smelten, makend dat zijn zicht op Bill onthelderde, maar hij hield de dijken in stand door zich te bedenken dat hij niet mocht huilen. Schuldigen behoorden geen emoties te bezitten.

Hij strekte zijn geboeide handen zo ver mogelijk uit, de zachte huid van Bills getatoeëerde onderarm teder strelend met een trillende vingertop. Het was een klein gebaar, doch voor Bill maakte het een groot verschil. Plotseling durfde hij zijn handen te laten zakken en zijn gezicht rechtstreeks aan de rapper te laten zien. Hun blikken verstrengelden zich innig, een mengeling van angst, schuld, berouw en verdriet om hen golvend als een spinnenweb in de wind, zijzelf gevangen in het midden als twee vlinders zonder vleugels.

“Het spijt me zo,” bracht Bill zacht uit, zijn onderlip onophoudelijk trillend, zijn stemgeluid te breekbaar in een ruwe ruimte als de cel waarin ze zich bevonden. “Ik wilde niet – het was niet de bedoeling dat-”

“Het geeft niet, Bill, rustig maar,” fluisterde Bushido, zijn koude vingers Bills blanke huid nog immer strelend. “Ik word vast heel gauw weer beter en zodra ik hier weg ben, kunnen we samen zijn.”

Er viel een doodse stilte in de ruimte zodra de rapper die woorden uitgesproken had, de klanken natrillend in de bedrukkende atmosfeer; Bill huilde niet meer, ademde niet meer, keek Bushido slechts rechtstreeks in de ogen. Na het korte moment van troost dat de rapper hem even daarvoor nog gegeven had, voelde hij de angst weer in zijn maag opwellen als een warmwaterbron, uitvloeiend door zijn gehele lichaam. Plotseling wist hij niet meer wat hij moest zeggen. Bushido verraste hem, maar schokte hem eveneens. Na alles wat er tussen hen gebeurd was, had Bill niet voorzien dat de rapper nog zou kunnen denken dat zij ooit samen zouden kunnen leven.

“Ik – je,” stamelde de jonge zanger, het hoopvolle gezicht van de volwassen man tegenover hem ontkennend. “Je begrijpt wel dat het niet kan, toch?”

De stilte die op Bills woorden volgde, was zo mogelijk nog bedrukkender dan die daarvoor. Bushido staarde hem aan met zijn diepbruine ogen, roerloos, de uitdrukking op zijn gezicht onleesbaar. De bevroren tranenstroom achter Bills doffe ogen begon opnieuw te stromen, zich een weg banend door de bedding van zijn gezicht, zijn gemoed hopeloos. De zanger bad dat Bushido hem zou vergeven, dat hij niet kwaad zou zijn – of misschien eerder dat hij zichzelf zou vergeven. Zelfs na alle dingen waar Bushido hem aan blootgesteld had, koesterde hij geen enkel wrok tegenover de rapper. Hij wenste dat ze allebei gelukkig konden worden.

Dat kon echter niet met elkaar.

“Hoe bedoel je?” kwam het antwoord, de donkere stem trillend van emotie.

Bill ademde zwaar in en uit, de radertjes in zijn hoofd razendsnel draaiend om een antwoord te formuleren waarin alles duidelijk zou worden zonder de rapper te beschadigen. Hij wilde Bushido geen pijn doen. Hij was geen man van wraak.

“Door wat je gedaan hebt,” antwoordde hij onzeker, zijn stem smekend om genade. “Ik kan het gewoon niet. Het gaat wel beter met me, maar wat er tussen jou en mij gebeurd is – dat gaat niet meer weg, Bushido. Er zijn gewoon dingen die ik nooit meer zal kunnen vergeten.”

De daaropvolgende stilte brak zijn hart, zoals zijn woorden met dat van Bushido gedaan hadden. Hij zag hoe de rapper zijn blik afwendde naar het verweerde tafelblad voordat hij zijn hoofd compleet liet hangen, zijn schouders laag en zijn houding plotseling fragiel. Bill probeerde zijn tranen onder controle te houden, maar dat was simpelweg onmogelijk; ze bleven maar stromen. Hij vervloekte zijn woorden nu hij zag wat het met de rapper deed, hoe de normaalgesproken sterke man er langzaam kapot aan ging. Als hij de tijd kon terugdraaien, had hij het zeker gedaan. In oorlog bestaat echter geen tijd; enkel leven en dood.

Toen hij zag hoe in de schaduw van Bushido’s gezicht een parelende traan zijn spoor tekende, voelde hij zich miserabeler dan ooit tevoren.

Vergeleken met hoe Bushido zich voelde, was de situatie van de zanger echter vederlicht. De rapper probeerde vat te krijgen op hetgeen Bill hem zojuist gezegd had, probeerde het te beredeneren, doch hij begreep het niet. Al die weken dat hij nu opgesloten zat, was hij doorgekomen met het idee dat er licht aan het einde van de tunnel was; dat Bill op hem zou staan te wachten op het moment dat hij vrijgelaten zou worden en dat zij samen de wereld zouden trotseren, voor de rest van hun leven. Nu dat licht, die hoop, hem plotseling zo bruut was afgenomen, zag hij de zin van het leven niet meer. Hij speelde Bills woorden telkens weer af in zijn hoofd, vergeefs zoekend naar een andere intentie, maar hij kon er slechts één ding uit halen. Bill zou nooit de zijne zijn.

“Maar ik hou van je,” zei hij, zo zacht dat het onhoorbaar was voor de mensen die hen omringden. Hij sloeg zijn ogen op en ving Bills betraande blik in die van zichzelf, de tranen over zijn wangen lopend als bij een kind. Op dat moment kon het hem echter niets schelen dat er niets van hem overbleef; alles wat er op dat moment toe deed, bevond zich recht tegenover hem. Bill was alles wat hij wilde, alles dat hij nodig had, en tevens alles dat nooit van hem zou kunnen houden.

“Dat weet ik,” snikte Bill hartverscheurend, “En het spijt me echt, maar het kan niet. Ik bedoel – ik kan het niet. Ik zal gewoon nooit zoveel van jou kunnen houden als jij van mij.”

Het brak Bushido om zo met de scherven van zijn hoop geconfronteerd te worden. Hij had het gevoel dat alles waar hij zich de vergane dagen zo aan vastgeklampt had, genadeloos door zijn vingers wegglipte, zoals zand uit een zandloper wanneer hij tegen de grond in stukken geslagen werd. Hij snikte zonder gêne, liet al zijn verdriet met een verwoestende kracht uit zijn lichaam stromen, zoals de hemel dat doet wanneer het onweert. Het kon hem allemaal niets meer schelen. Het was net alsof zijn toekomst in fragmenten over de vloer verbrijzeld lag, al gesloopt voordat hij er eenmaal aan begonnen was, terwijl hij zijn verleden een gapend zwart gat was waar hij niet meer aan terug wilde denken. Hij zat gevangen in de grijze wereld van het heden terwijl hij juist zo graag iets had om naar uit te kijken. Ook al was zijn imago hard, van binnen was hij een dromer.

Zijn droom was zojuist kapot geslagen.

“Maar het spijt me,” smeekte hij huilend, wanhopig om zijn dromen terug te winnen. Hij boorde zijn blik in die van de zanger, onophoudelijk, zoekend naar een glimp van hoop, doch het enige dat hij vond was duisternis. Er was geen licht meer aan het eind van de tunnel, dat werd hem met de seconde duidelijker.

Hij verbrak het oogcontact en liet zijn blik afdwalen naar Bills kaaklijn, naar de curve van zijn hals, naar het plekje waar één van de zilveren kettinkjes onder zijn T-shirt verdween. De rapper nam alles in zich op; de vorm van het magere lichaam onder de dunne stof van Bills T-shirt, de slanke vingers die aan de zoom plukten, de snelle flits van de tatoeage op zijn heup; alles. Niets ontging hem. Zijn blik flitste over het lichaam van de zanger, verward doch doeltreffend, zijn persoonlijkheid langzaam veranderend in iemand die hij nooit meer wilde zijn.

Hij voelde het komen. Ertegen vechten kon hij niet.

“Dat weet ik,” antwoordde Bill stil in een klein rustmoment tussen zijn snikken door, zijn hoofd onbewust schuddend. “Ik wou dat dat genoeg -”

“Hoe kan ik je van me laten houden?” onderbrak Bushido hem ruw, de jonge zanger geen tijd gevend op adem te komen. “Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog zoveel voor iemand kan voelen dan voor jou, Bill, dat meen ik. Je bent de mooiste persoon die ik ooit gekend heb, de enige waarvan ik ooit echt gehouden heb, met heel mijn hart. Echt, ik wil alleen maar jou.”

Bill staarde hem met wijd opengesperde ogen aan, overdonderd door de plotselinge directheid van de rapper. Hij knipperde een aantal keer, de laatste paar tranen dwingend van hem weg te vluchten, door zijn geschoktheid plotseling incapabel nog te huilen. In zijn hoofd viste hij naar een antwoord, woorden die vluchtig genoeg waren om de man aan de andere kant aan de tafel te overstemmen zonder te gaan schreeuwen, doch hij vond hen niet snel genoeg. Plotseling werd hij bang, had hij het gevoel dat hij de strijd aan het verliezen was. Het drong tot hem door dat deze slag de belangrijkste was; hij kon niet aan de overzijde van het strijdtoneel blijven staan wachten tot zijn tranen Bushido zouden verdrinken. Hij moest vechten.

“Maar het kan niet, Bushido,” zei hij, zijn stem rauw en trillend ondanks zijn vastberadenheid. “Het spijt me, maar het kan echt niet.”

“Waarom ben je hier dan naartoe gekomen?”

Het razendsnelle antwoord deed Bill zwijgen. Toen hij de rapper opnieuw in de ogen durfde te kijken, zag hij twee inktzwarte meren voor zich liggen, de diepte onpeilbaar en de dodelijkheid rustend aan de oppervlakte. Bushido’s blik hield hem gevangen in een vacuüm waarin enkel zij existeerden, een luchtbel met een solide buitenkant waaruit niet te breken was. Bill wist niet of hij zich veilig of bedreigd moest voelen, maar hij koos voor het eerste, omdat dat hem de meeste moed gaf.

“Omdat ik om je geef,” kaatste hij terug, een stuk dapperder klinkend dan hij zich voelde. “Maar dat wil niet zeggen dat ik van je hou. Dat kan ik niet meer.”

Een oorverdovende stilte vulde de ruimte. Het enige dat nog bestond, waren de brandende blikken van de twee artiesten, hun zware ademhaling onhoorbaar door de overweldigendheid van die woordeloze argumenten. Bill staarde vol vuur in het vlekkerige en betraande gezicht van de rapper, zijn vuisten gebald in zijn schoot, de zoom van zijn shirt nog altijd tussen zijn verkrampte vingers geklemd. Hij probeerde wanhopig de strijd enkel verbaal te voeren, niet op te vliegen om zijn woorden kracht bij te zetten, maar dat kostte hem oneindig veel moeite. In plaats daarvan bleef hij Bushido aankijken, alsof hun oorlog een spel was en ze beide wachtten tot de ander zijn ogen neer zou slaan. Bill was echter niet van plan zich gewonnen te geven; nu hij zich in het hol van de leeuw begeven had, was hij niet van plan te vluchten.

Het was echter toen hij de laatste menselijkheid uit Bushido’s ogen weg zag zakken dat hij zich realiseerde dat hij moest rennen voor zijn leven.

Op dat moment was het echter al te laat.

Voordat Bill er notie van kon nemen, voelde hij hoe hij zijn vermoeide lichaam achterovergeduwd werd, met een verwoestende kracht. Zijn achterhoofd raakte de betonnen vloer met een luide klap; het was echter niet de zinderende pijn die dat teweegbracht waar hij op dat moment aan dacht. Bushido was plotseling overal; zijn handen streelden door Bills haar, over zijn huid, onder zijn shirt; zijn lippen beroerden die van hem en er was geen enkele manier waarop de zanger zichzelf kon verdedigen. Het gewicht van de rapper drukte hem genadeloos tegen de grond aan waardoor hij geen kant opkon – bovendien werkte Bushido’s overal aanwezige geur bedwelmend. De herkenning was fataal, sleurde hem mee naar gebieden in zijn hoofd waar hij nooit meer wilde komen, joegen hem een angst aan die hem deed vergeten hoe zijn ademhaling functioneerde. Hij wilde roepen om zijn broer, maar zijn keel was dichtgeknepen van angst toen de verdrongen herinneringen hem overspoelden als hongerige golven.

Het duurde slechts een fractie van een seconde, de korte tijd tussen twee hartslagen in, doch het leek een eeuwigheid te duren.

De geluiden om zich heen verstomden tot schimmen toen het massieve gewicht dat op zijn lichaam drukte plotseling verdween. Als in een reflex draaide hij zich op zijn zij, zichzelf opkrullend tot een balletje zoals een schelpdier in zijn schulp kruipt, zijn ogen bedekkend met zijn trillende handen. Pas op dat moment besefte hij zich dat hij opnieuw huilde, maar het kon hem niets meer schelen. De beangstigende herinneringen aan die drie avonden in de aanloop naar de zomer wervelden door zijn hoofd, hem terugsleurend in de tijd, hoezeer hij ook tegenstribbelde. Hij was al zijn kracht verloren.

Het laatste beetje energie in zijn lichaam benutte hij om zijn longen vol te zuigen met lucht en de naam van zijn broer te schreeuwen, het geluid echoënd door de holle ruimte. Hij sloeg geen acht op het legioen aan bewakers en verzorgers dat zich om hem heen verzamelde en hem probeerde te kalmeren; Tom was de enige die hij op dat moment nodig had, de enige die de nare herinneringen uit de hemel van zijn ziel kon wegvagen. Hij wilde dit nooit meer voelen. Nooit meer.

De doffe stemmen herhaalden zijn uitroep, hetzij minder wanhopig dan hijzelf geklonken had. Bill trilde over zijn gehele lichaam, liggend op de kille vloer, als een gevallen soldaat aan het eind van zijn leven. Hij had de strijd verloren. Het koele beton waarop hij rustte, voelde aan als zijn graf; de plaats waar hij neergevallen was na omhoog geslingerd te zijn door de explosie van een granaat die zijn lichaam van top tot teen opengereten had. Voor zijn gevoel was dit het einde van de oorlog; het stille einde waarin hij het onderspit moest delven. Hij wist echter dat hij anders zou sterven dan alle andere soldaten die ooit aan een willekeurig front gestorven waren, omdat ieder van hen eenzaam en alleen zijn laatste adem uitgeblazen had, onhoorbaar over het lawaai van bommen en mitrailleurs.

Bij Bill was dat anders. Bill had Tom die naar zijn laatste ademstoot zou luisteren en de eerste stap in het dodenrijk samen met hem zou zetten.

Er ging een eeuwigheid voorbij voordat Bill voelde hoe een familiair lichaam dat van hem omsloot als een cocon, warm en zacht zoals een thuis dat behoorde te zijn. Hij klampte zich direct aan zijn broer vast alsof hij zijn enige redding was – en in wezen voelde dat ook zo, voor hem, omdat hij buiten zijn wederhelft niemand had die hem zo verschrikkelijk goed aanvoelde en begreep. Bills vingers verstrengelden zich met de dunne stof van Toms shirt; Toms armen wikkelden zich om Bills smalle middel, hem per centimeter dichterbij trekkend, zijn rug strelend in een poging hem te kalmeren. Zijn aanrakingen waren teder, de sussende geluiden van zijn lippen vederlicht, zijn hart – eveneens – gebroken.

Er waren veel harten gebroken die dag, maar dat was dan ook het enige dat oorlog kon bereiken.

“Stil maar,” fluisterde Tom zacht, proberend zijn stem stabiel te houden om voor zijn broertje verborgen te houden dat hij huilde. “Shhhh…”

Terwijl de seconden verstreken, verdwenen de stemmen om hen heen en hervond de jongste tweelingbroer zijn rust, ofschoon zijn geest nog altijd verward was. Tom had een kalmerende uitwerking op hem; het was zijn geur, welke hij onbewust immer associeerde met de veiligheid die hij thuis altijd gekend had, vroeger, voordat hij beroemd geworden was. Ook al was met zijn roem zijn grote jongensdroom uitgekomen, hij besefte zich op dat moment, toen hij krachteloos in de armen van zijn broer lag, op een vloer die misschien nog killer was dan zijn herinneringen, dat het hem eveneens kapot gemaakt had. Wanneer hij nog ‘gewoon’ Bill Kaulitz uit Loitsche geweest was en niet ‘de’ Bill Kaulitz van Tokio Hotel, dan had Bushido hem nooit gekend.

“Ik ben zo moe,” fluisterde hij zacht, alle lucht benuttend die in zijn lichaam in omloop was. Hij had geen idee wat hij ermee bedoelde; hij wist enkel dat het zo was.

“Shhhh,” herhaalde Tom, de zijkant van Bills hoofd tegen zijn borst leggend zodat hij zijn hartslag kon horen, omdat hij wist dat dat zijn broertje rustig maakte. “Het is niet erg. David brengt ons straks naar huis en dan kun je net zo lang op krachten komen totdat jij je sterk genoeg voelt om het opnieuw te proberen. Het is nog niet voorbij, echt niet. Je was heel dapper.”

Bij het horen van die woorden, keek Bill langzaam op, zijn blik verstrengelend met die van zijn broer. Het verlichtte zijn ziel toen hij in plaats van Bushido’s lichtloze tunnels gevangen werd door het mooiste bruin op aarde; Toms ogen stonden liefdevol, ondanks dat ze rood gekleurd waren door de reeds gevallen tranen, en dat schonk hem de rust die hij op dat moment nodig had. Zijn blik sprak ‘ik hou van jou’, en Bill probeerde die onuitgesproken woorden zo goed mogelijk te beantwoorden. Nog nooit had hij zoveel genegenheid jegens zijn broer gevoeld; op dit moment besefte hij zich dat Tom er altijd voor hem zou zijn, in voor en tegenspoed, van zon tot zon en maan tot maan, tot de dood hen zou scheiden. En zelfs dan nog niet. Hun bestemming lag reeds sinds hun geboorte vast; het was hun lot om voor altijd bij elkaar te blijven – naast elkaar, om er voor de ander te zijn wanneer dat nodig was. Zelfs na de dood zouden zij nog millennia samenzijn.

Toen Bill zijn oor weer op Toms hart legde, glimlachte hij sereen, omdat hij wist dat het voor hem voor eeuwig kloppen zou.